CConstaterende datLosser
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Lutterzandweg 11 De Lutte

Oordeelsvormende vergadering 9 april 2024, gemeente LosserBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Lutterzandweg 11 De Lutte22.085 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 30

De gemeente Losser heeft haar archeologische waarden beschermd middels dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld 19-03-2013). Het sanitair gebouw, welke in de huidige situatie de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning ' kent, ligt binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Ter plaatse van het sanitair gebouw vinden echter geen fysieke aanpassingen plaats. Het gaat enkel om de verplaatsing van de planologische mogelijkheden. In dit bestemmingsplan kent het plangebied voor het beoogde tiny house de bestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Dergelijke gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500m2 en een grotere diepte dan 0,3 meter, wordt een omgevingsvergunning met archeologisch onderzoeksrapport verplicht gesteld. Aangezien het beoogde tiny house maximaal 50m2 zal bedragen, direct op het maaiveld wordt geplaatst en er dus (m.u.v. van eventuele aansluiting op de bestaande waterleiding) geen grondwerkzaamheden nodig zijn, blijft de voorgenomen ontwikkeling ruimschoots onder deze drempelwaarden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd.

Afbeelding 12: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied met begrenzing archeologische dubbelbestemming ter plaatse van het beoogde tiny house

4.3.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen die met een nieuw bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt. Er worden met het voorliggende plan geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 31

Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten die worden gesloopt en/of aangetast. Ook worden andere cultuurhistorische waarden in de omgeving worden niet aangetast. De es waaraan het plangebied voor het tiny house grenst, blijft intact en beleefbaar.

4.4 Water Het is verplicht om in elk bestemmingsplan een waterparagraaf op te nemen. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid dat van toepassing is op het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangetoond dat in het plan mogelijkheden bestaan voor een goede waterhuishouding. Europees beleid Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld. In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering.

We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

De provincie werkt nauw samen met Waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale staten hebben de wettelijke

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 32

bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer. Waterschap Vechtstromen Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in een Watervisie 2050 en Waterbeheerprogramma 2022-2027. De drie belangrijkste opgaven voor waterschap Vechtstromen uit de Watervisie 2050 zijn de toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering, de waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling. Maar deze opgaven bieden ook kansen. De Watervisie van Vechtstromen benoemt zeven hoofdlijnen, maakt een doorkijk naar 2050, richt het denken en werken van de waterschapsorganisatie en biedt belanghebbenden duidelijkheid hoe we het gesprek over de leefomgeving insteken en we moeilijke keuzes niet willen ontwijken. Het Waterbeheerprogramma vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie en beschrijft hoe het waterschap in de periode van 2022-2027 werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.

De Keur en Legger Op de Leggerkaart, behorende bij de Keur waterschap Vechtstromen, is de ligging van de dinkel en het bijbehorende inundatiegebied te zien. De zones ten aanzien hiervan hebben geen doorwerking op voorliggend plan. Daarnaast zijn er in (en direct rondom) het plangebied geen watergangen aanwezig. Werkzaamheden en handelingen ten behoeve van het plan vinden dan ook buiten de watergangen en de daarbijhorende beschermingszones plaats.

Afbeelding 13: Uitsnede legger Waterschap Vechtstromen (plangebied rood omcirkeld)

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 33

Digitale watertoets Op grond van artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen voorzien worden van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap is geïnformeerd over het plan door middel van de digitale watertoets (zie Bijlage 2). Uit de digitale watertoets komt dat de 'korte procedure' kan worden gevolgd. Dat betekent dat in voorliggend plan volstaan kan worden met de standaard waterparagraaf. Watersysteem Door waterschap Vechtstromen wordt een duurzaam, veerkrachtig watersysteem nagestreefd. Dat betekent dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Daarnaast is het niet de bedoeling dat problemen woren afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe van eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren, is leidend. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Wateraspecten plangebied Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG).

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 34

Hoofdstuk 5 Milieutoets 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: bodem; geluid; luchtkwaliteit; externe veiligheid; bedrijven en milieuzonering; vormvrije m.e.r.-beoordeling; verkeer en parkeren.

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het verplaatsen van een bestaande recreatiebestemming naar een beter geschikte locatie, om de realisatie van één tiny house (voor verblijfsrecreatief gebruik) mogelijk te maken. Het tiny house wordt in zijn geheel bovenop het maaiveld geplaatst en krijgt dan ook geen fundering. Ten behoeve van het plan zijn geen of nauwelijks bodemingrepen benodigd. Wellicht zijn bodemingrepen enkel nodig, als het tiny house wordt aangesloten op de riolering van de minicampig. Ter plaatse zijn echter geen verontreinigingen bekend, zoals blijkt uit raadpleging van het Bodemloket. Ook bestaat de locatie al jaren uit bosgebied, waardoor er geen aanleiding is om te vermoeden dat er in het verleden bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden. Een tiny house zelf is daarnaast niet vervuilend voor de bodem. Daarmee vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.3 Geluid Bij het aspect geluid is de Wet geluidshinder (Wgh) van toepassing. Deze wet heeft als doel het terugdringen van hinder als gevolg van geluid. De wet stelt bepaalde eisen aan de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van deze wet dient bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid door de akoestische situatie te beoordelen. De geluidsbronnen die de Wet geluidhinder behandelt zijn industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai. Industrielawaai is bij deze locatie niet van toepassing, omdat er geen industrie in de nabije omgeving gelegen is. De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 35

woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Onder deze waarde hoeft wettelijk gezien aan verkeerslawaai geen aandacht te worden besteed. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Hotels en recreatiewoningen worden niet aangemerkt als geluidsgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. Nadere toetsing van de geluidsbelasting in het kader van wegverkeerslawaai is daarom ook niet nodig. De aspecten industrielawaai en railverkeerslawaai zijn in beginsel al niet van toepassing, aangezien in de nabije omgeving geen spoorlijn of industrie aanwezig is.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen, hoeven niet meer te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Voor een woningbouwlocatie geldt bijvoorbeeld dat deze niet in betekenende mate bijdraagt wanneer deze niet meer dan 1.500 woningen omvat (met de bijbehorende verkeersbewegingen). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de verplaatsing van een bestaande recreatiebestemming ten behoeve van de realisatie van één tiny house voor de verblijfsrecreatieve verhuur. Het plan is dan ook geenzins vergelijkbaar met de omvang van de realisatie van 1.500 woningen. In de huidige situatie is er al sprake van een recreatiebestemming.

Het plan heeft dus betrekking op (de verplaatsing van) een bestaand recht om hier een recreatiewoning te bouwen. Dat betekent dat het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het tiny house, in het huidige bestemmingsplan al planologisch mogelijk is gemaakt. Er is daarom sprake van een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.5 Externe veiligheid Externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving door onder andere productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden: Transport risico behandelt de externe veiligheid langs transportassen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals spoorlijnen, buisleidingen en

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 36

snelwegen. Risico bij inrichtingen gaat over externe veiligheid rond bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, bijvoorbeeld tankstations met LPG-verkoop. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Er wordt gewerkt met een plaatsgebonden risicocontour (PR) en een groepsgebonden risico (GR): In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen, kleinere kantoren) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm, maar is een zogenaamde oriënterende waarde.

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro.

Afbeelding 14: Uitsnede risicokaart Nederland, waarbij het plangebied binnen de rode cirkel is gelegen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 37

Aan de hand van de risicokaart is de externe veiligheid van het plangebied getoetst. Deze is te zien op bovenstaande afbeelding. Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen externe risico's aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risico's betreffen en mestvergistingsinstallatie ten westen van het plangebied en een propaantank ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied is echter gelegen op ruime afstand van de geldende veiligheidszones, zoals te zien in figuur 14. Externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies (uitwaartse zonering); het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen (inwaartse zonering); Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.

Bij de toetsing aan de richtafstanden gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In de nabijheid van het plangebied (straal van minimaal 600 meter) bevinden zich, afgezonderd van het melkveebedrijf aan de Lutterzandweg 11 zelf, geen andere (agrarische) bedrijven. Voor melkveebedrijven geldt een richtafstand van 100 meter ten aanzien van het aspect geur. Hier wordt met een afstand van circa 110 meter, ten opzichte van het te realiseren tiny house, voldaan. Daarnaast moet worden vastgesteld dat het te realiseren tiny house (voor verblijfsrecreatief gebruik) niet voor geluidhinder zorgt bij omliggende gevoelige functies zoals woningen. Bij het tiny house zal slechts zeer beperkt sprake zijn van waarneembare 'woon'geluiden. Het gaat hooguit om stemgeluid of het geluid van een aankomende of vertrekkende auto. Het tiny house is daarnaast juist afgestemd op een doelgroep die graag rustig in de natuur wil verblijven. Zodoende worden er op voorhand geen harde geluiden verwacht. Daarbij komt dat binnen een straal van 150 meter zijn geen burger- of bedrijfswoningen aanwezig. Het geluidseffect is, vanwege de grote afstand tot omliggende woningen, verwaarloosbaar.

Het voorgenomen plan wordt voor het aspect 'bedrijven en milieuzonering' uitvoerbaar geacht.

5.7 Verkeer en parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling.

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 38

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Verkeer In de huidig situatie is er reeds een recreatiebestemming op het perceel aanwezig. Voorliggend plan ziet toe op de verplaatsing van deze bestemming naar een beter geschikte locatie, zodat hier een tiny house voor verblijfsrecreatief gebruik kan worden gerealiseerd. Planologisch gezien neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan dan ook niet toe, omdat er al een bestaande mogelijkheid is voor het realiseren van een recreatiewoning. Het tiny house is daarnaast aan de rand van het bos gelegen, bij een bestaande toegangsweg. Van de toegangsweg naar het tiny house wordt op onverharde wijze een door/toegang naar het tiny house gerealiseerd. Daarna kan het verkeer eenvoudig worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Parkeren Op basis van de parkeerkencijfers van het CROW geldt er voor een tiny house (voor permanente bewoning) een parkeerbehoefte van minimaal 0,6 en maximaal 0,8 parkeerplaatsen. In voorliggend plan is ervan uitgegaan dat er, voor een twee tot vierpersoons unit, per overnachting één auto aanwezig is. Zodoende wordt ervoor gezorgd dat er ruimte is voor het parkeren van één auto. Hiermee wordt ook voldaan aan de minimale norm vanuit het CROW. Parkeren vindt plaats bij de bestaande minicamping op het erf.

Bij het tiny house zelf wordt, om zo min mogelijk druk uit te oefenen op de bestaande natuurwaarden in het bos, geen parkeerplek gerealiseerd.

5.8 Conclusie milieutoets De verschillende aspecten van de milieutoets, zoals besproken in dit hoofdstuk, duiden niet op nadelige milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Er kan geconcludeerd worden dat de milieuaspecten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 39

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van dit bestemmingsplan is vormgegeven. Er zijn vier typen regels opgenomen: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en een slotregel. Deze regels sluiten waar mogelijk en relevant aan op het bestemmingsplan 'Buitengebied' (en de daarop volgende herziening van de regels) van de gemeente Losser.

6.2 Inleidende regels In Artikel 1 Begrippen is omschreven wat met de gebruikte begrippen wordt bedoeld. Het gaat om begrippen die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifieke juridische betekenis hebben. Bij toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. InArtikel 2 Wijze van meten is aangegeven hoe de maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten dienen te worden.

6.3 Bestemmingsregels Artikel 3 Natuur - Natuur en Bos In dit artikel is aangegeven dat gronden met de bestemming 'Natuur - Natuur en Bos' zijn primair bedoeld voor natuur en bestaande bossen en bosbouw. Daarnaast zijn de betreffende gronden aangewezen voor het behouden, herstellen en ontwikkelen van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - sanitair gebouw', is een sanitair gebouw toegestaan. Deze bestemming is opgenomen omdat de huidige recreatiebestemming wordt verplaatst. Ter plaatse van de oorspronkelijke locatie van deze recreatiebestemming wordt de bestemming gewijzigd naar 'Natuur - Natuur en Bos'. Binnen de bestemming 'Natuur - Natuur en Bos', krijgt het sanitair gebouw, zoals hiervoor benoemd, een eigen specifieke aanduiding. Artikel 4 Recreatie - Recreatiewoning In dit artikel is opgenomen dat gronden met de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatiewoningen. De bestaande recreatiebestemming wordt in voorliggend plan verplaatst naar een beter geschikte locatie, waarbij de totale oppervlakte van de recreatiebestemming afneemt, zodat een deel kan worden omgezet naar 'Natuur - Natuur en Bos'.

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 40

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 In voorliggend bestemmingsplan worden de vigerende archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' overgenomen. In dit artikel wordt beschreven dat gronden met deze bestemming, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor onderzoek naar en bescherming van naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 In voorliggend bestemmingsplan worden de vigerende archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' overgenomen. In dit artikel wordt beschreven dat gronden met deze bestemming, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor onderzoek naar en bescherming van naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

6.4 Algemene regels Deze regels zijn algemene regels die voor het gehele bestemmingsplan gelden. Vaak zijn ze van toepassing op meerdere bestemmingen. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de vormen van strijdig gebruik voor gronden en bouwwerken genoemd. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Deze regels zijn de gebiedsaanduidingen in dit bestemmingsplan en regelen de bescherming van de karakteristieken van de essen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 11 Overige regels In dit artikel worden de overige regels beschreven.

6.5 Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen en gebruik is opgenomen in Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen en gebruik is opgenomen in Artikel 12

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 41

Overgangsrecht. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Het laatste artikel is Artikel 13 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 42

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding In artikel art. 3.1.6 lid 1, Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat onderzocht moet worden of een bestemmingsplan uitvoerbaar is en beschreven moet worden hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1

Overleg

Het Rijk Geoordeeld is dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Voorliggend plan wordt in het kader van wettelijk vooroverleg getoetst door de provincie Overijssel. Waterschap Vechtstromen Het plan is middels de digitale watertoets afgestemd met waterschap Vechtstromen. De resultaten van deze afstemming zijn weergegeven in paragraaf 4.4 Water. Het waterschap staat positief tegenover de voorgenomen ontwikkeling.

7.2.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.

7.3 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatie plan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatie plan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatie plan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor voorliggend plan wordt tussen de gemeente Losser en initiatiefnemers een planschadeovereenkomst gesloten.

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 43

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 44

Bijlagen bij toelichting

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 45

Bijlage 1 Ecologische QuickScan

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 46

QuickScan Tiny House mini-camping Erve Rolink Plaatsing van een Tiny House

Bosgroep Noord-Oost Nederland

1

Colofon Opdrachtgever:

26985 – De erven van Rolink

Titel:

QuickScan Tiny House mini-camping Erve Rolink

Status:

Concept

Datum:

29 juni 2023

Auteur(s):

M. Terpstra

Foto’s:

R. Diertens, tenzij anders aangegeven.

Kaartmateriaal:

Copyright © 2023, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn

Projectnummer:

23.30.26985.01

© Coöperatie Bosgroep 2023 Nederland u.a. Balkerweg 48a 7738 PB Witharen t (0523) 74 57 00 E noordoostnederland@bosgroepen.nl www.bosgroepen.nl

2

Inhoud 1. Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Locatie en plannen

4

2. Werkwijze

3.

5.

5

2.1. Werkstappen

5

2.2.

Veldbezoek

5

Effectbeoordeling

6

3.2.

Soortenbescherming

6

3.2.1.

Vogels

6

4.1.1.

Vleermuizen

7

4.1.2.

Zoogdieren

7

4.1.3.

Reptielen

9

4.1.4.

Amfibieën

9

4.1.5.

Insecten

9

4.1.6.

Flora

10

4.1.7.

Vis

10

4.2.

Gebiedsbescherming

11

Conclusie

12

Soortenbescherming

12

Gebiedsbescherming

13

Bronnen

14

3

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Tussen Natura 2000-gebieden Dinkelland en Het Lutterzand ligt mini-camping Erve Rolink. De eigenaren hebben plannen om een tiny house toe te voegen aan de bestaande camping. Voordat het tiny house kan worden geplaatst, is het noodzakelijk om de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op beschermde soorten en beschermde gebieden inzichtelijk te maken. De ontwikkelingen zijn zodoende getoetst voor zowel het onderdeel soortenbescherming als gebiedsbescherming.

1.2

Locatie en plannen

Het tiny house wordt direct ten oosten van de huidige campingplaatsen gerealiseerd (figuur 1). De locatie ligt in een vrij open gedeelte van een bos met grove den en zomereik. Deze grond ligt hoger dan het huidige campingterrein. Langs de zuidrand, grenzend aan de toegangsweg, staat Amerikaanse vogelkers, gewone vlier en kamperfoelie. Verspreid over de locatie staat voornamelijk Amerikaanse vogelkers, op enkele locaties braam en varens. De bodem is grotendeels bedekt met oude bladeren. Op de locatie is geen bebouwing of permanent oppervlaktewater aanwezig. Het bos heeft beheertype N16.03 Droog bos met productie.

Figuur 1: Weergave van de planlocatie voor het nieuwe tiny house (groene omlijning).

De plannen bestaan uit de plaatsing van het tiny house in het bos. De huidige bomen blijven staan en de vegetatie blijft zo veel mogelijk behouden. Alleen op de plek waar het gebouw komt te staan en langs de toegangsweg richting het huisje, wordt waar nodig vegetatie verwijderd. Verder wordt de riolering geregeld door een tank in te graven of een leiding richting het westen te leggen. In beide gevallen gaat het hooguit om een kleine en tijdelijke ingreep.

4

2. Werkwijze In het kader van voorliggende QuickScan is een aantal stappen doorlopen. Deze zijn hieronder kort beschreven.

2.1. Werkstappen 1. Vooronderzoek: Bekende verspreidingsgegevens van soorten in de ruime omgeving van de werklocatie zijn opgevraagd uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Daarbij zijn gegevens tot 10 jaar terug opgevraagd. 2. Veldbezoek: Gedurende het veldonderzoek is in beeld gebracht welke biotopen binnen het projectgebied aanwezig zijn. Indien waargenomen zijn beschermde soorten en functies zoals burchten, horsten en holenbomen digitaal vastgelegd. 3. Effectbeoordeling: Op basis van de verkregen gegevens is bepaald welke beschermde soorten binnen het projectgebied aanwezig zijn of dat aanwezigheid van beschermde soorten niet met zekerheid is uit te sluiten. Vervolgens is per soort beoordeeld wat het effect van de werkzaamheden op de soort zijn. 4. Conclusie: Op basis van het vooronderzoek, veldbezoek en de effectbeoordeling wordt beschreven of de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar is.

2.2. Veldbezoek Op 8 juni 2023 is het projectgebied bezocht (10:30 – 11:30). Het was rond de 20 graden, helder en droog met een windkracht rond de 1-2bft.

Impressie van het werkgebied op 8 juni 2023 (boven) en de waargenomen konijnenholen (onder).

5

3. Effectbeoordeling 3.2. Soortenbescherming Een onderdeel van de Wet natuurbescherming is soortenbescherming van planten en dieren. Het gaat hierbij om: -

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1-3.4 Wnb); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5-3.9 Wnb); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.10- 3.11 Wnb).

Provincies mogen een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen voor nationaal beschermde dier- en plantensoorten (artikel 3.11 Wnb). Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming. 3.2.1. Vogels Op de planlocatie en in de directe omgeving komt een groot aantal vogelsoorten voor (NDFF). Het gaat voornamelijk om zangvogels, bosvogels en roofvogels. Van een aantal van deze soorten is het nest of de horst jaarrond beschermd, zie tabel 1. Tabel 1: Overzicht van waargenomen vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is en zich in het gebied kunnen vestigen, conform de NDFF en aangevuld op eigen inzicht. Nederlandse naam Boomvalk Bosuil Buizerd Grote gele kwikstaart Havik Raaf Ransuil Sperwer Wespendief Zwarte specht

Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten in of direct rondom de planlocatie aangetroffen (categorie 1 t/m 4 van de provinciale beleidsegels). Wel is tijdens het bezoek een buizerd in het aangrenzende bos waargenomen. Deze buizerd vloog vanuit zuidelijke richting door het bos naar het noorden. Ten noorden van de planlocatie is wel een holenboom waargenomen die een functie kan hebben als nestplaats voor holenbroeders zoals grote bonte specht of zwarte specht. Verder kunnen bomen met holtes rondom de planlocatie geschikt zijn voor soorten als boomkruiper of glanskop (categorie 5). Bij uitvoering van de werkzaamheden blijven holenbomen behouden. Daarnaast betreft de planlocatie een kleine oppervlakte, waardoor geen essentieel leefgebied voor categorie 1 t/m 5 soorten verloren zal gaan. In de directe omgeving blijf voldoende functioneel leefgebied beschikbaar.

6

Als gevolg van de plannen en werkzaamheden gaan geen jaarrond beschermde nesten of horsten van roofvogels verloren. Aangezien de maatregelen in het broedbiotoop van verschillende broedvogelsoorten worden uitgevoerd, moeten de werkzaamheden zo veel mogelijk buiten het broedseizoen (15 juli – 15 maart) plaatsvinden. 4.1.1. Vleermuizen In de NDFF zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis bekend uit de directe omgeving van de planlocatie. Verblijfplaatsen Vleermuizen gebruiken bebouwing of holenbomen als verblijfplaats. Op de planlocatie staat geen bebouwing. Rondom staat wel een sanitair gebouw van de camping ten westen van het werkgebied, een tiny house ten noorden van het gebied en op grotere afstand de boerderij van de eigenaren. Aangezien

de

maatregelen

geen

invloed

hebben

op

de

aanwezige

bebouwing

zullen

gebouwbewonende vleermuissoorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger geen hinder ondervinden aan de werkzaamheden. Ten noorden van de planlocatie staat een holenboom. Deze boom blijft behouden, waardoor eventuele verblijfplaatsen van boombewonende soorten als de rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in de boom niet verloren gaan. De holte zit aan de noordzijde van de boom, waardoor eventuele lichtuitstraling vanuit het zuiden geen effect heeft op een mogelijke verblijfplaats. Daarnaast staat tussen de locatie van het tiny house en de holenboom al een recreatiewoning met verlichting. Van een toename van lichtuitstraling op de holenboom is geen sprake. Vliegroute De planlocatie en de directe omgeving bestaan vrijwel volledig uit bos. Hier zijn door het ontbreken van aaneengesloten rijen opgaande beplanting of watergangen, geen elementen aanwezig die potentie hebben om onderdeel te zijn van essentiële vliegroute van vleermuizen. Een negatief effect op een essentiële vliegroute kan daarom worden uitgesloten. Foerageergebied Het bos en de omgeving zijn geschikt als foerageergebied van verschillende vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Aangezien het gebied niet in functie of vorm zal veranderen na uitvoering van de maatregelen en er voldoende geschikt alternatief foerageergebied aanwezig is, kan een negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen worden uitgesloten. Om verstoring te voorkomen, geldt voor vleermuizen dat de werkzaamheden niet tussen zonsondergang en zonsopkomst mogen worden uitgevoerd.

4.1.2. Zoogdieren Uit de omgeving van de planlocatie zijn de volgende beschermde zoogdiersoorten bekend: boommarter, bunzing, eekhoorn, egel, otter en wolf (NDFF). Daarnaast worden op basis van de

7

biotoop de das, steenmarter en grote bosmuis verwacht. Verder kan hermelijn in de omgeving worden verwacht. Bunzing en hermelijn Uit de omgeving van de planlocatie zijn waarnemingen van bunzing bekend (NDFF), daarnaast kan hermelijn in de omgeving van de planlocatie voorkomen. Kleine marterachtigen, zoals bunzing en hermelijn, maken gebruik van takkenhopen en struwelen om in te verblijven. Op de locatie van het tiny house zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Rondom de locatie zijn wel struwelen aanwezig waar de soort in kan verblijven, zoals ten noorden van de planlocatie. Om te voorkomen dat kleine marterachtigen of verblijfplaatsen en schuilplekken worden verstoord, moeten takkenhopen en struwelen direct rondom de planlocatie behouden blijven. Daarbij is het belangrijk om zoveel mogelijk in één werkrichting te werken zodat individuen de werklocatie kunnen ontvluchten. Das Tijdens het veldbezoek zijn konijnenholen en graafsporen van konijn rondom de planlocatie waargenomen. Verder zijn op de locatie of de directe omgeving geen sporen waargenomen die duiden op de aanwezigheid van de das. Op of rondom de planlocatie zijn ook geen burchten, wissels of foerageerplekken aangetroffen. Op basis van de bevindingen zijn geen negatieve effecten op das te verwachten. Boommarter en steenmarter De planlocatie is geschikt als leefgebied van steen- en boommarter.

Beide soorten maken gebruik van grote leefgebieden, waardoor geen sprake is van verlies van essentieel leefgebied (Zoogdiervereniging.nl, 2023). Het tiny house wordt in de omgeving ingepast, waardoor de bomen en struwelen rondom de planlocatie behouden blijven. Het huidige leefgebied voor beide soorten blijft daarom in de huidige vorm gehandhaafd. Verblijfplaatsen van de soorten bevinden zich in holtes in bomen en in geval van de steenmarter ook in bebouwing. Aangezien de bebouwing rondom de planlocatie niet wordt aangetast en holenbomen gespaard blijven, zullen als gevolg van de plannen geen verblijfplaatsen van steen- of boommarter verloren gaan. Eekhoorn Het bos is geschikt als leefgebied voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoornnesten of eekhoorns bij de planlocatie of de directe omgeving waargenomen. Als gevolg van de plannen gaan geen nesten of leefgebied van de eekhoorn verloren en zijn negatieve effecten op eekhoorn op voorhand uit te sluiten. Egel Op basis van de biotoop is het aannemelijk dat de egel voorkomt in het bos en op de planlocatie. In de periode 15 juli – oktober is de egel actief, tussen november – april is de soort in winterslaap (Zoogdiervereniging.nl, 2023). Tijdens de winterslaap zitten egels verstopt in bladeren, takkenbulten of struiken om te slapen (Zoogdiervereniging.nl, 2023).

Om een negatief effect op egels te voorkomen moet tijdens de actieve periode van egel worden gewerkt. Verder moeten verblijfplaatsen, zoals bladerhopen, takkenbulten en struwelen die binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen, worden ontzien.

8

Ongewenste takkenbulten kunnen eventueel onder begeleiding van een ecoloog worden verwijderd in de actieve periode (15 juli – oktober). Wanneer takkenbulten worden verwijderd, is een werkprotocol en/of een mitigatieplan nodig. Otter en wolf Otter wordt door het ontbreken van watergangen in en direct rondom, niet op de planlocatie verwacht. Op de planlocatie zijn geen grote holen, grotten of ruimtes onder boomwortels aanwezig waar wolf in kan verblijven. Deze verblijfplaatsen zijn ook niet in de directe omgeving waargenomen. De wolf zal de planlocatie hooguit incidenteel doorkruizen. Grote bosmuis De grote bosmuis is in het verleden circa 2 kilometer ten noordwesten van de planlocatie waargenomen (NDFF). De biotoop van de planlocatie en de bossen rondom zijn geschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Zo is er in het bos voldoende dekking van struiken en struweel aanwezig (Zoogdiervereniging.nl, 2023). Grote bosmuis maakt geen eigen nesten, maar gebruikt holen van soorten als das en konijn. De holen die rondom de planlocatie zijn aangetroffen, zijn allemaal in gebruik door konijnen. Hierdoor is de kans klein dat zich grote bosmuizen in de holen bevinden. Door de werkzaamheden wordt verder tijdelijk en hooguit een klein gedeelte het leefgebied van de soort verstoord. Er is geen sprake van verlies van leefgebied, omdat het tiny house tussen opgaande beplanting wordt ingepast.

Aangezien er geen grootschalige kap- of plagwerkzaamheden worden uitgevoerd is het belangrijk dat bij de uitvoering vaste werkpaden worden aangehouden en in één richting wordt gewerkt. Op deze manier kunnen aanwezige individuen de planlocatie ontvluchten en zal een negatief effect op de soort worden voorkomen. 4.1.3. Reptielen Uit de omgeving is de reptielensoort levendbarende hagedis bekend (NDFF). Deze soort komt voornamelijk voor in heidegebieden of ruige graslanden, maar ook in structuurrijke bosranden en open bos. De planlocatie ligt aan de zuidzijde van het bos en bestaat voornamelijk uit zandgrond met opgaande beplanting en open plekken. Structuurrijke vegetatie in het plangebied en geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis dat direct aan de planlocatie grenst, ontbreekt. Aanwezigheid van levendbarende hagedis in het plangebied ontbreekt, waardoor negatieve effecten op de soort op voorhand zijn uit te sluiten.

4.1.4. Amfibieën Uit de omgeving zijn geen beschermde amfibieënsoorten bekend (NDFF). Deze soorten zijn door het ontbreken van geschikt voortplantingswater in en rondom het bos ook niet op de planlocatie te verwachten.

4.1.5. Insecten Uit de omgeving van het landgoed zijn drie beschermde vlindersoorten bekend, namelijk grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. Daarnaast komt beekrombout voor in de omgeving (NDFF). 9

Grote vos Grote vos is een soort die is aangewezen op bosranden, bossen en boomgaarden met iep, zoete kers en populier als waardplant (Vlinderstichting, 2023). Deze soorten zijn niet in of langs de randen van het bos aanwezig. Negatieve effecten op grote vos als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Grote weerschijnvlinder Vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen en bosjes in beekdalen zijn onderdeel van het habitat van de grote weerschijnvlinder. De soort is aangewezen op boswilg en grauwe wilg als waardplant (Vlinderstichting, 2023). Beide wilgensoorten zijn niet op de planlocatie aangetroffen, waardoor aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder kan worden uitgesloten. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvinder is een soort van vochtige bossen met wilde kamperfoelie als waardplant (Vlinderstichting, 2023). Langs de zuidrand van het bos, direct rondom de planlocatie groeit kamperfoelie. Om negatieve effecten op kleine ijsvogelvlinder door de werkzaamheden te voorkomen, is het belangrijk dat de kamperfoelie rondom de planlocatie wordt ontzien. Beekrombout De beekrombout is aangewezen op stromend water in beken en kanalen, waarbij grote delen van de oevers dicht zijn begroeid. In en direct rondom het werkgebied zijn geen beken aanwezig. De soort komt wel in en rondom de Dinkel voor.

Aanwezigheid van beekrombout op de planlocatie kan worden uitgesloten. Negatieve effecten op de soort als gevolg van de werkzaamheden zijn niet te verwachten.

4.1.6. Flora Op de planlocatie of in de omgeving hiervan zijn geen groeiplaatsen van beschermde flora bekend (NDFF). Beschermde plantensoorten zijn voor het ontbreken van geschikte groeiplekken ook niet op de planlocatie of directe omgeving te verwachten.

4.1.7. Vis Uit de omgeving van de planlocatie zijn geen waarnemingen van beschermde vissoorten bekend (NDFF). Deze zijn door het ontbreken van oppervlaktewater ook niet op de planlocatie te verwachten.

10

4.2. Gebiedsbescherming Voor dit plan is het van belang om te bepalen of de werkzaamheden effecten hebben op beschermde

gebieden.

Hierbij

zijn

beschermde

gebieden

in

het

kader

van

de

Wet

natuurbescherming (Natura 2000) en de provinciale structuurvisie en verordening (Natuur Netwerk Nederland en overige beschermde gebieden) van belang. Inventarisatie Het plangebied ligt niet in en grenst niet direct aan een in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Dinkelland’ ligt circa 140 meter ten noorden en westen van de planlocatie. De planlocatie ligt in een gebied dat is aangewezen als NNN. Toetsing Het werkgebied ligt op relatief korte afstand van Natura 2000-gebied Dinkelland. In potentie zijn effecten mogelijk als gevolg van externe werking. Tussen het Natura 2000-gebied staat een brede strook bos, liggen campingplaatsen en staat een aantal vakantiehuisjes. Door de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, waarbij een enkel tiny house wordt geplaatst, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Het tiny house wordt in zijn geheel op de planlocatie geplaatst, zodat geen sprake is van langdurige werkzaamheden op het terrein. Door de kleine ingreep en korte aard van de werkzaamheden, wordt geen stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten van Natura 2000-gebieden verwacht.

In de Omgevingsverordening Overijssel 2017 wordt beschreven dat plannen in gebieden die zijn aangewezen als NNN niet mogen leiden tot: -

een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden; een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden; een vermindering van de samenhang tussen die gebieden.

Het huisje wordt volledig ingepast in het huidige bos. Bomen rondom de planlocatie worden gespaard en opgaande beplanting en struweel blijft zo veel mogelijk behouden. Zodoende is geen sprake van oppervlakteverlies van NNN of vermindering van de samenhang tussen gebieden die zijn aangewezen als NNN. Het gehele bos blijft in de huidige vorm behouden, zodat ook geen sprake is van significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

11

5. Conclusie Soortenbescherming Op 28 juni 2023 is de planlocatie bezocht en daarnaast zijn de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het gebied geraadpleegd uit de NDFF. Uit de toetsing blijkt dat als gevolg van de plannen geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van beschermde soorten verloren gaan. Dit komt door het ontbreken van waarnemingen van beschermde soorten uit de omgeving of op basis van het ontbreken van geschikt biotoop in het werkgebied of directe omgeving. Voor onderstaande soorten is het van belang om een specifieke werkwijze aan te houden om negatieve effecten op de soorten te voorkomen.

Vleermuizen Om verstoring te voorkomen, geldt voor vleermuizen dat de werkzaamheden niet tussen zonsondergang en zonsopkomst mogen worden uitgevoerd.

Egel Om een negatief effect op egel te voorkomen moet tijdens de actieve periode van egel worden gewerkt. Verder moeten verblijfplaatsen, zoals bladerhopen, takkenbulten en struwelen die binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen, worden ontzien.

Kleine ijsvogelvlinder Langs de zuidrand van het bos, direct rondom de planlocatie groeit kamperfoelie. Om negatieve effecten op kleine ijsvogelvlinder door de werkzaamheden te voorkomen, is het belangrijk dat de kamperfoelie rondom de planlocatie wordt ontzien. Zorgplicht

In het kader van de zorgplicht moeten negatieve effecten op de voorkomende soorten worden vermeden.

Konijn Op en direct rondom de planlocatie is een aantal konijnenholen aangetroffen. Om te voorkomen dat konijnen worden verstoord en verblijfplaatsen verloren gaan, moet tijdens de werkzaamheden minimaal 5 meter afstand van de holen worden gehouden. Dezelfde afstand geldt voor de daadwerkelijke locatie van het huisje en het dichtstbijzijnde hol.

Broedvogels Tijdens de werkzaamheden moet buiten het broedseizoen worden gewerkt; buiten de periode half maart tot half juli. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart, dan moet de planlocatie voorafgaand aan de start worden onderzocht op aanwezigheid van broedende vogels of nesten met jongen. Als op dat moment jongen in een nest zitten, kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.

Algemene werkwijze Bij grondwerkzaamheden moet één richting op worden gewerkt. Eventueel aanwezige diersoorten hebben dan de kans om buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te vluchten.

12

Gebiedsbescherming Als gevolg van de plannen zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten. Het tiny house wordt volledig ingepast in het huidige bos. Bomen rondom de planlocatie worden gespaard en opgaande beplanting en struweel blijft zo veel mogelijk behouden. Zodoende is geen sprake van oppervlakteverlies van NNN, vermindering van de samenhang tussen gebieden die zijn aangewezen als NNN of significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

13

Bronnen Bij12.nl. 2017. Kennisdocument: Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Das, Levendbarende hagedis, https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffing-wetnatuurbescherming NDFF Uitvoerportaal. Geraadpleegd op 26 juni 2023. RAVON.nl, Reptielen, Geraadpleegd op 26 juni 2023. Verspreidingsatlas.nl. Geraadpleegd in juni 2023. Vlinderstichting.nl, Kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder, grote vos en beekrombout. geraadpleegd op 26 juni 2023. Zoogdiervereniging.nl, Boommarter, steenmarter, egel en grote bosmuis. Geraadpleegd op 26 juni 2023.

14

bosgroepen.nl

Bijlage 2 Watertoets

Lutterzandweg 11, De Lutte | Eelerwoude | 62

Digitale Watertoets

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure

Op basis van onderstaande locatie

29-06-2023 11:05

1

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?

nee

Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

nee

Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast?

nee

Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?

nee

Wordt op het perceel hemelwater (HWA) en afvalwater nee (DWA) verzameld in dezelfde rioolbuis? Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is?

nee

Worden er op bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht nee waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Bedraagt het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 80 centimeter?

nee

bargerveen

nee

beekherstel

nee

grondwaterbes_en_stiltegebied

nee

ruimtevoorvecht

nee

verbodszone diepe boringen

nee

zoekgebied

nee

primaire watergebieden

nee

RWZI

nee

strokenkaart

nee

persleidingen

nee

rioolgemalen

nee

keurzone

nee

gewijzigd klimaat

nee

huidig klimaat

nee

29-06-2023 11:05

2

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Details 1. Korte procedure Wat moet ik doen?

29-06-2023 11:05

3

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Geachte heer/mevrouw,

U heeft een watertoets uitgevoerd op de website http://www.dewatertoets.nl//. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan onder de voorwaarde dat u de standaard waterparagraaf uit dit document toepast.

STANDAARD WATERPARAGRAAF

Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het 29-06-2023 11:05

4

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel.

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.

De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.

Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. "" "

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Losser&id=939e090c-5f10-46e0-b785-2b8b9036fad0