Bestemmingsplan Lossersestraat 31-31a de Lutte.pdf
Tekst van het document
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
26
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risisokaart.nl)
Op de risicokaart zijn tweetal risicofactoren te zien, die worden hieronder nader toegelicht. A1 Autosnelweg Op circa 510 meter ten zuiden van het plangebied ligt de autosnelweg A1, hiervoor geldt een PR-6 Contour van 1 meter, en een groepsrisico van 74 meter. Het plangebied ligt hier op ruim voldoende afstand van. Basisnet-spoortraject zonder PAG-indicatie Op circa 590 meter tevens ten zuiden van het plangebied loopt een spoorlijn. Voor dit spoortraject geldt geen PR-6 contour, wel zijn de PR-7 en PR-8 contouren bekend op respectievelijk 10 en 117 meter. Ook hiervoor geldt dat het plangebied op geruime afstand gelegen is. Tevens betreft het een spoortraject zonder Plasbrandaandachtsgebied-indicatie. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
27
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Voor dit bestemmingsplan betekent dit dat wanneer meer specifieke informatie bekend is, dat deze specifieke informatie voorgaat. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Deze richtafstanden zijn indicatief, hoewel vaak uit jurisprudentie blijkt dat ze als eis gezien worden door de Raad van State bij een beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. In dit geval kan worden uitgegaan van een gemengd omgevingstype. Naast woningen zijn rondom het plangebied een centrumfunctie en verscheidene bedrijven gevestigd. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
28
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld 5.1 5.2 5.3 6
500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.5.3
300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van een nieuw functie gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Het omzetten van de bedrijfsfunctie naar een woonfunctie brengt geen aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich mee. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de bestemmingen benoemd welke eventueel van invloed kunnen zijn op het plangebied. Tevens is aangegeven onder welke categorie de functies in de bestemming valt of welke maximaal is toegestaan, welke richtafstand voor het omgevingstype gemengd gebied geadviseerd wordt en wat de afstand van deze bestemmingen tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning in het plangebied is. Functies/Bestemmingen
Categorie 2 3.1
Richtafstand gemengd gebied 10 meter 30 meter
Daadwerkelijke afstand (circa) 14 meter 30 meter
Bedrijf, Lossersestraat 18 Brandweerkazerne, Lossersestraat 20 Opslag, ten zuiden van plangebied Bedrijf, ten zuiden van plangebied Bedrijfsperceel, Lossersestraat 12 Centrum, Lossersestraat 8
2
10 meter
10 meter
2
10 meter
28 meter
2 2
10 meter 10 meter
30 meter 65 meter
Zoals in bovenstaande tabel te zien valt wordt aan alle richtafstanden voldaan. Ook zijn de milieucategorieën 1 en 2 welke hoofdzakelijk (met uitzondering van de brandweerkazerne) voorkomen in de directe omgeving veelal acceptabel geacht in woongebieden wegens relatief lage milieubelasting. Tevens noemenswaardig is de opslag ten zuiden van het plangebied. Hoewel deze in de verbeelding is voorzien van de functieaanduiding ‘opslag’ komt dit niet terug in de regels, zodoende is hier bedrijvigheid in milieucategorie 2 toegestaan. Deze bebouwing is op 10 meter gesitueerd van de gevel van de dichtstbijzijnde beoogde woning. Naast dat exact aan de richtafstand voldaan wordt voor milieucategorie 2, kan er een nuancering worden aangebracht dat in de huidige situatie de functie valt aan te merken als ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ uit de VNG-uitgave. In voorliggend geval betreft het echter geen opslag ten behoeve BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
29
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld van verhuur, de verkeer aantrekkende werking ligt dan ook naar waarschijnlijkheid lager. Ook vindt de ontsluiting en toegang tot deze opslag aan de zuidkant van de bebouwing plaats, weg van het plangebied. Daarmee zal de opslag dan ook minder milieubelastend zijn ten aanzien van het geluid. Gezien de in huidige situatie al omliggende woningen is het niet aannemelijk dat dit snel kan en zal veranderen. Hiermee wordt ter plaatse van de beoogde woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht ter plaatse van het plangebied. 5.5.4
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht kan worden, omgekeerd resulteert de voorgenomen ontwikkeling niet in een beperking voor de bedrijvigheid van de omliggende bedrijven. Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
30
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rondom projecten die gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 495 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Landgoederen Oldenzaal” is gelegen op een afstand van circa 1,6 kilometer. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden onderzocht te worden. BJZ.nu heeft daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 bijgevoegd. Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn dan ook uit te sluiten. Er is geen Wet natuurbeschermingsvergunning nodig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.
In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De dichtstbijzijnde gebieden die aangewezen zijn als NNN liggen op circa 100 meter afstand, zoals te zien is op afbeelding 5.2. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
31
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
Afbeelding 5.2
5.6.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van NNN (Bron: Atlas leefomgeving)
Soortenbescherming
In voorliggende geval wordt bebouwing gesloopt en nieuw gebouwd. Natuurbank Overijssel heeft een QuickScan Natuurwaarden uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde grondgebonden zoogdier-, vogel- en amfibiesoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het rooien van de beplanting zal buiten de nest- en broedperiode van vogels geburen om vernieling van bezette nesten te voorkomen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. 5.6.3
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op het NNN en de Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen nadelige effecten voor de beschermde soorten en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
32
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
5.7
Archeologie & cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Losser heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Het plangebied is echter niet gelegen binnen een dergelijke dubbelbestemming, en kent daarmee geen archeologische verwachtingswaarde. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Overijssel, in het plangebied zelf geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is tevens geen sprake van overige bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt er geen archeologisch onderzoek nodig is. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
33
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,6 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit is ook gebleken uit de stikstofberekening (zie paragraaf 5.6). Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het herontwikkelen van een bedrijfsperceel ten behoeve van 7 rijwoningen. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen in geringe mate toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
34
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
35
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERPARAGRAAF
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vier stroomgebieden: Maas, Rijn, Schelde en Eems. Binnen het stroomgebied Rijn zijn er drie deelstroomgebieden: Rijn-Noord, Rijn-Oost en RijnWest. Het stroomgebied Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het ‘Waterbeheerprogramma 2022 – 2027’ vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma en de Watervisie is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren wil uitvoeren. De drie belangrijkste opgaven voor waterschap Vechtstromen zijn: • • •
de toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
36
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van toepassing is. De standaard waterparagraaf van het waterschap is bijgevoegd in bijlage 4 van deze toelichting. In navolgende subparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied. 6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in het plangebied, ter plaatse van de bebouwing, geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Tevens is er sprake van een afname van het verharde oppervlak. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. In het plan wordt het afvalwater van de woningen afgevoerd via het rioolstelsel. Hemelwater ter plaatse van de woningen wordt oppervlakkig aangeboden bij de erfafscheiding. Op de beoogde parkeerplaatsen worden twee straatkolken vervangen waar het hemelwater afkomstig van de parkeerplaatsen naar zal afwateren.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
37
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
38
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn.
In paragraaf 7.3 wordt de bestemming nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel zijn regels opgenomen hoe om te gaan met afwijkende maatvoering bij bestaande bouwwerken.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Overige regels (Artikel 11) In dit artikel worden de overige regels beschreven. Dit betreffen regels ten aanzien van parkeren, laden en lossen.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
39
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Groen (Artikel 3) De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, paden, verhardingen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen. De gronden in het noordwesten van het plangebied worden hiermee bestemd en daarmee beschikbaar gesteld als openbaar groen. Tuin (Artikel 4) De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: tuin, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, gebouwen, erkers en ingangspartijen ten dienste van de aangrenzende bestemming 'Wonen'. Daarnaast zijn toegestaan de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven, in- en uitritten en parkeervoorzieningen. Zoals de meeste woonpercelen binnen de kern de Lutte worden enkel de voortuinen van de woningen hiermee bestemd. Verkeer - Verblijf (Artikel 5) De voor ‘Verkeer – Verblijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: wegen, straten, paden en parkeervoorzieningen. De beoogde 14 parkeerplaatsen in het plangebied worden hiermee bestemd.
Wonen (Artikel 6) De gronden ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen zijn bestemd tot ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroep. In het bestemmingsvlak ‘Wonen’ is het bouwen en bewonen van de woningen toegestaan, met dien verstaande dat de woningen in het bouwvlak moet worden gebouwd. Door middel van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ wordt gewaarborgd dat de zes beoogde rijwoningen te realiseren zijn. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij de bestaande woning mag niet meer dan 65 m2, voor de nieuw te realiseren woningen bedraagt dit 50 m2. De bouwregels zijn opgesplitst in bouwregels voor: • • •
Hoofdgebouwen; Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de bestemming zijn tevens een aantal specifieke gebruiksregels en afwijkingsbevoegdheden opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
40
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt, ook is hierin vastgelegd dat het openbaar groen en de parkeerplaatsen na realisatie in eigendom wordt overgedragen aan de gemeente. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
41
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
HOOFDSTUK 9
VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen, zoals onder meer beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van provinciale belangen. Overleg met de provincie wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. Hierdoor hoeft het plan niet te worden voorgelegd aan het waterschap in het kader van vooroverleg.
9.2
Inspraak
Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening kan de gemeente bepalen of al dan niet een voorontwerpplan ter inzage wordt gelegd. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies
42
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
Bijlagen bij de toelichting
BJZ.nu Bestemmingsplannen
47
Lossersestraat 31-31a, de Lutte vastgesteld
Bijlage 1
Bodemonderzoek
BJZ.nu Bestemmingsplannen
48
VERKENNEND BODEMONDERZOEK CONFORM NEN5740 Lossersestraat 31 en 31A in De Lutte
ORTAGEO Noordoost B.V.
ORTAGEO Zuidwest B.V.
ORTAGEO Asbest B.V.
TITELBLAD
Opdrachtgever:
De Pelle Vastgoed B.V. Weisinkhoekweg 81 7548 BW Enschede
Rapportnummer:
218116/R01
Status rapport:
Definitief
Datum:
16 november 2022
Projectomschrijving:
Verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 aan de Lossersestraat 31 en 31A in De Lutte
Rapport opgesteld door:
Ortageo Noordoost B.V. Einsteinstraat 12a 7601 PR Almelo Tel: +31 546 53 20 74 E-mail: info@ortageo.nl
STD_R012_v014_20180420
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
6
Inleiding ........................................................................................................................................................... 1 Vooronderzoek ................................................................................................................................................ 2 Bronnen .................................................................................................................................................... 2 Algemene gegevens................................................................................................................................. 2 Bodemgebruik .......................................................................................................................................... 3 Uitgevoerde bodemonderzoeken ............................................................................................................. 4 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................................. 6 Gebiedsspecifiek toetsingskader .............................................................................................................. 7 Hypothese en onderzoeksstrategie ...............................................................................................................
8 Hypothese ................................................................................................................................................ 8 Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................ 8 Veldwerkzaamheden ....................................................................................................................................... 9 Uitvoering ................................................................................................................................................. 9 Resultaten .............................................................................................................................................. 10 Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................................... 11 Analyseprogramma ................................................................................................................................ 11 Analyseresultaten ................................................................................................................................... 11 5.2.1 Grond .................................................................................................................................................
12 5.2.2 Grondwater......................................................................................................................................... 13 Toetsing aan de hypothese .................................................................................................................... 13 Toetsing aan de noodzaak tot nader onderzoek .................................................................................... 13 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen ............................................................................................. 14
Bijlagen: 1) Regionale ligging onderzoekslocatie 2) Situatietekening met onderzoekspunten 3) Bodemprofielbeschrijvingen 4) Analysecertificaten 5) Overschrijdingstabellen 6) Foto’s onderzoekslocatie Appendix Kader en verantwoording
218116/R01
1
INLEIDING
In opdracht van De Pelle Vastgoed B.V. is door Ortageo Noordoost B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Lossersestraat 31 en 31A in De Lutte (gemeente Losser). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen en een bestemmingsplanwijziging. Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek weergegeven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 zijn de hypothese en de onderzoekstrategie beschreven. De veldwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 4 en het laboratoriumonderzoek is in hoofdstuk 5 beschreven. Het rapport wordt besloten met een samenvatting, de conclusies en de aanbevelingen (hoofdstuk 6). In de appendix zijn de verschillende kaders van het onderzoek beschreven (waaronder wet-/regelgeving en toetsingskader) en is de verantwoording opgenomen.
218116/R01
2
VOORONDERZOEK
Voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. Doel van het vooronderzoek is het achterhalen van (potentieel) bodemverontreinigende activiteiten die nu plaatsvinden of in het verleden hebben plaatsgevonden op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Bronnen In onderstaande tabel zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergeven. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Nr.
Bron
Verwijzing/toelichting
1
Topografische kaart, kadastrale gegevens
Kadaster, opgenomen in bijlage 1
2
Mondelinge / schriftelijke informatie van opdrachtgever / eigenaar / gebruiker onderzoekslocatie
Verwerkt in dit hoofdstuk
3
Gemeente Losser
Verwerkt in dit hoofdstuk
Internetbronnen: A. Actuele luchtfoto’s en straatoverzichten
www.google.nl/maps en pdokviewer.pdok.nl
B. Historische topografische kaarten
www.topotijdreis.nl
C. TNO-NITG (gegevens bodemopbouw / grondwater)
www.dinoloket.nl
D. Bodemloket (dossiervermelding onderzoek / sanering)
www.bodemloket.nl
E. Ligging kabels en leidingen
www.klic-online.nl
F. Informatie hoogteligging
www.ahn.nl
G. Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
bagviewer.kadaster.nl
5
Locatiebezoek, foto's onderzoekslocatie
Gecombineerd met uitvoering veldwerk en verwerkt in dit hoofdstuk
6
Eigen archief Ortageo
Verwerkt in dit hoofdstuk
4
Rapporten:
7
A. Verkennend bodemonderzoek bedrijfsterrein Lossersestraat 31, De Lutte
Oranjewoud, 5623-132140-21 136003 standaard rapport, 26 juni 2003
B. Rapport verkennend bodemonderzoek Wielewaalstraat, De Lutte
Geofox, 61960/BV/tb, 23 januari 1998
C. Rapport verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707
Kruse milieu B.V., projectcode: 06025510, september 2006
Algemene gegevens De algemene gegevens over de locatie zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2: Algemene locatiegegevens Adres
Lossersestraat 31 en 31A in De Lutte
Kadastrale aanduiding
Gemeente Losser, sectie O, nummers 233, 327, 328 en 348
Oppervlakte
Circa 1.600 m²
Algemene omschrijving
Bedrijfspand met woonhuis. Pand gebruikt als autoschadeherstelbedrijf
Terreinverharding
Elementenverharding (klinkers)
218116/R01
De situering van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven op onderstaande afbeelding. Afbeeldingen 1 Luchtfoto onderzoekslocatie bron (Google Maps)
Afbeelding 2 de geplande herinrichting (bron De Pelle Vastgoed)
Bodemgebruik In onderstaande tabel zijn de beschikbare gegevens weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Tabel 3: Beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Onderzoekslocatie Historisch
Agrarisch
Er zijn geen potentieel bodembedreigende activiteiten en/of situaties bekend
Huidig
Schadeherstelbedrijf met bedrijfswoning gebouwd in 1925.
In eerste instantie is aangegeven dat er alleen een autoschadeherstelbedrijf aanwezig was geweest en geen spuiterij en geen onderhoud aan auto’s. Daar is veldwerk op uitgevoerd. Later bleek toch sprake van voormalig onderhoud, een spuiterij en een tankstation, zie paragraaf 2.4
Toekomstig
Woningen
Geen
Directe omgeving Historisch
Agrarisch
Huidig
Omstreeks 1980 is de locatie opgenomen in een woonwijk
Toekomstig
218116/R01
Er zijn geen potentieel bodembedreigende activiteiten en/of situaties bekend
Uitgevoerde bodemonderzoeken Op de locatie Na het uitvoeren van het veldwerk bleek toch sprake van enkele onderzoeken op de locatie en bleek ook sprake van meerdere verdachte activiteiten. In 2003 is door Oranjewoud (bron 7A) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Daaruit bleek het volgende: • op de locatie is vanaf 1960 een tankstation aanwezig geweest met twee ondergrondse tanks van elk 6.000 liter, twee afleverzuilen en vul- en ontluchtingspunten. In 1991 is door de gemeente Losser geconstateerd dat de tanks zijn verwijderd en dat er geen sporen van olierest in de bodem zichtbaar waren; • verder is sprake van een spuitkamer smeerput en olieopslag; • in 1970 is een vergunning verleend voor een herstelinrichting voor motorvoertuigen; • plaatselijk zijn sporen puin waargenomen; • ter plaatse van het voormalige tankstation en de tanks, zijn in de grond overwegend geen verontreinigingen aangetoond. In één boring is sprake van een zeer licht verhoogd gehalte aromaten. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond; • ter plaatse van de spuitkamer is sprake van lichte verhogingen met koper, lood, zink en PAK. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond; • bij de werkplaats is alleen minerale olie aangetoond in een licht verhoogd gehalte In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond; • er was geen aanleiding voor vervolgonderzoek.
Afbeelding 3 Situatietekening onderzoek 2003 (bron Oranjewoud)
218116/R01
In september 2003 is uitpandig een verkennend onderzoek uitgevoerd (bron 7C). Uit het onderzoek bleek het volgende: • naast de in 2003 onderzochte tanklocaties, blijkt aan de oostzijde sprake van een bovengrondse olietank voor afgewerkte olie en remolie; • vanwege het onderzoek in 2003 heeft in overleg met de gemeente en opdrachtgever geen onderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de bedrijfshal. Ook heeft geen specifiek onderzoek meer plaatsgevonden naar het voormalige tankstation, wel is daar een boring uitgevoerd; • plaatselijk zijn sporen puin waargenomen. In de noordoosthoek was sprake van een sterke puinbijmenging in een 10 centimeter dik laagje rond 0,7 m -mv; • in een mengmonster van de bovengrond is het gehalte PAK zeer licht verhoogd; • in een mengmonster van grond bij het voormalige tankstation en de oprit van de woning is in de ondergrond het gehalte minerale olie licht verhoogd; • in het grondwater is een (van nature) lichte verhoging aangetoond met nikkel. Afbeelding 4: Situatietekening onderzoek 2006 (bron Kruse)
218116/R01
Directe omgeving Tijdens het door Geofox (bron 7B) uitgevoerde onderzoek aan de Wielewaalstraat, ten zuidoosten van de huidige onderzoekslocatie zijn visueel geen zintuiglijke waarnemingen gedaan. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan VOCl, vluchtige aromaten en nikkel aangetroffen. Hierbij is door Geofox opgemerkt dat deze stoffen mogelijk te relateren zijn aan de werkzaamheden die plaatsvonden op onze huidige locatie. Verder wordt opgemerkt dat, door het ontbreken van een antropogene bron de concentratie nikkel van nature in het grondwater aanwezig is.
Bodemopbouw en geohydrologie De regionale geo(hydro)logische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4: Geo(hydro)logische opbouw Diepte (m- mv)
Geohydrologische eenheid
Geologische formatie
Lithologie
0 – 11,0
Tweede zandige eenheid
Formatie van Boxtel
Hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
11,0 – 15,75
Eerste kleiige eenheid
Formatie van Drente
Hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei met weinig klei, fijn, midden en grof zand, een spoor grind en een kans op stenen, keien en blokken
15,75 – 25,5
Derde zandige eenheid
Formatie van Drente
Hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
Gestuwde afzettingen
Hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van grof en midden zand, met weinig klei, zandige klei, fijn zand en grind en een spoor veen
25,5 – 31,0
Complexe eenheid
De grondwaterstand van het eerste watervoerende pakket bedraagt regionaal gezien circa 0,4 m –mv. Regionaal gezien is de stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerend pakket westelijk. Er is sprake van inzijging. Nabij de onderzoekslocatie is oppervlaktewater aanwezig. De locatie ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied. Voor zover bekend wordt er op en in de directe omgeving van de locatie niet op relevante schaal grondwater door bedrijven en particulieren onttrokken.
218116/R01
Gebiedsspecifiek toetsingskader Binnen de regio Twente is voor grondverzet het ’Twents beleid veur oale groond 2.0’ van toepassing. Binnen dit beleid vallen de volgende gemeenten: Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden. Daarnaast ook het Waterschap Vechtstromen. De regionale bodemkwaliteitskaart is geldig voor het aangewezen bodembeheergebied. Dit betreft bijna het totale gemeentelijk grondgebied in Twente. Ook enkele zandvangen en waterlopen van de Regge en de Dinkel maken hiervan onderdeel uit. Het richt zich op behoud van de goede bodemkwaliteit binnen de regio en maximaal grondverzet in de gemeenten. Dit uit zich onder andere in vergelijkbare bodemkwaliteitskaarten en regionaal dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De bodemkwaliteit van het grondgebied in Twente is in de volgende klassen ingedeeld: 1. AW2000 (Altijd toepasbaar) 2. Wonen 3. Gebiedsgericht. Uitzondering toetsing minerale olie Het bestaande beleid voor minerale olie wordt voortgezet door geen correctie toe te passen voor organische stof (gemeten waarde < 100 mg/kg d.s. (droge stof)). De huidige onderzoekslocatie valt voor de boven- en ondergrond in bodemkwaliteitszone ‘AW2000’.
218116/R01
3
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
Opgemerkt wordt dat, mede gezien het enigszins spoedeisende karakter van het onderzoek en de oorspronkelijk verstrekte informatie alleen sprake zou zijn van een autoschadeherstelbedrijf zonder spuitinrichting. De hypothese, strategie en uitvoering van het onderzoek is daarop gebaseerd. Onderstaand en in de rest van het rapport wordt waar nodig nader ingegaan op de nadien beschikbaar gekomen rapporten van Oranjewoud en Kruse.
Hypothese De locatie is ‘verdacht’ voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging met zware metalen, PAK, minerale olie en VOCl omdat op basis van het vooronderzoek wordt verwacht dat sprake is geweest van een diffuse bodembelasting gedurende de periode dat op de locatie bewoning en bedrijvigheid hebben plaatsgevonden. Hierbij is dus geen rekening gehouden met de verdachte deellocaties die later zijn gebleken.
Onderzoeksstrategie Op basis van de hypothese is de locatie onderzocht volgens de strategie voor een ’diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL). Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is voor de ondergrond deze strategie gecombineerd met de strategie voor een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL). Dat betekent dat één of meerdere boringen dieper zijn doorgezet en de ondergrond analytisch is onderzocht. Ook bij de strategie is geen rekening gehouden met de verdachte deellocaties die later zijn gebleken. De boringen zijn dan ook willekeurig verdeeld over de locatie. Wel is rekening gehouden met een waargenomen inpandige smeerput door daarbij de peilbuis te plaatsen. Verder waren er geen waarnemingen die duiden op (voormalige) tanks een (voormalig) tankstation. Wel was op het pand een reclamebord aanwezig waarop stond aangegeven dat onderhoud aan auto’s werd uitgevoerd.
218116/R01
4
VELDWERKZAAMHEDEN Uitvoering
Algemeen In onderstaande tabel zijn de uitvoeringsdata en de verantwoordelijke monsternemers van het veldonderzoek weergegeven. De onderzoekspunten zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Tabel 5: Uitvoeringsgegevens Datum
Werkzaamheden
Beoordelingsrichtlijn/ protocol
Erkende organisatie
Verantwoordelijk medewerker
3-10-2022
Uitvoeren handboringen, plaatsen peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen grondmonsters en inmeten
2000/2001
Ortageo Metingen en Controle B.V.
P. de Ruig
10-10-2022
Nemen van grondwatermonsters
2000/2002
P.G.H. Bruggink
In het veld is de vrijgekomen grond laagsgewijs beoordeeld en beschreven (textuur, kleur, humusgehalte). Daarnaast is gelet op het voorkomen van puin, slakken, kolengruis en dergelijke evenals op kleurafwijkingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen die tot een aanpassing van het veldwerkprogramma heeft geleid. In de volgende tabel is een overzicht van het uitgevoerde veldwerkprogramma weergegeven. Tabel 6: Overzicht veldwerkprogramma Onderdeel Boringen Boringen met peilbuis
Aantal
Diepte (m –mv)
Nummers
10
0,5
01 t/m 10
2
2,0
11, 12
1
2,0 – 3,0
13
De betonvloer is met behulp van een kango doorboord. Afwijkingen ten opzichte van BRL SIKB 2000 Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002.
218116/R01
Resultaten In bijlage 3 zijn de uitgetekende bodemprofielen weergegeven. Bodemopbouw In de volgende tabel is weergegeven hoe de bodem op de onderzoekslocatie tot de maximaal onderzochte diepte is opgebouwd. Opgemerkt wordt dat deze classificatie conform de NEN 5104 voor milieukundig onderzoek is beschreven. Het betreft geen classificatie voor civieltechnische hergebruiksmogelijkheden; hiervoor dienen de boorbeschrijvingen op de juiste wijze geïnterpreteerd te worden en kan (aanvullend) civieltechnisch onderzoek nodig zijn. Tabel 7: Gemiddelde bodemopbouw Diepte (m -mv)
Hoofdbestanddeel
Nadere omschrijving
0 – 0,1
Beton
Klinkers, tegels of betonvloer
0 - 0,3
Zand
Matig grof, zwak siltig, sporen grind, donkergeel (plaatselijk klei)
0,3 – 3,0
Klei
Zwak zandig, zwak grindig, grijs
Visueel waargenomen bijzonderheden Op het maaiveld van de locatie en aan de uitkomende grond zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van asbest en/of overige verontreinigende stoffen op en in de bodem. Grondwater Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn visueel waarnemingen gedaan en metingen verricht. De resultaten daarvan zijn weergegeven in onderstaande tabel. De zuurgraad en het geleidingsvermogen zijn als normaal te beschouwen voor de onderzochte locatie. Ondanks het lage afpompdebiet overschrijdt de troebelheid de maximaal gewenste waarde van 10 NTU. Als dit consequenties heeft voor de conclusie van het onderzoek, is dit in paragraaf 5.4 beschreven. Tabel 8: Bijzonderheden en resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis
Monstercode
Filterstelling (m –mv)
13
13-1-1
2,0 – 3,0
218116/R01
Waargenomen bijzonderheden Geen
Grondwaterstand (m -mv)
Zuurgraad (pH)
Geleidingsvermogen (µs/cm)
Troebelheid (NTU)
1,5
6,81
456
12,4
5
LABORATORIUMONDERZOEK Analyseprogramma
Op basis van de visuele waarnemingen (grondsoort, kleur, aard en hoeveelheid bodemvreemde bijmengingen e.d.) en de ruimtelijke verdeling van de onderzoekspunten zijn grond(meng)monsters samengesteld. Het analyseprogramma is uitgebreid omdat op basis van het Besluit bodemkwaliteit de grond niet bleek te voldoen in relatie tot de voorgenomen bestemmingswijziging naar wonen. De aanvullende analyses zijn bedoeld voor inzicht in de omvang van grond die niet geschikt is voor hergebruik en niet voldoet aan de klasse ‘wonen’. Tabel 9: Samenstelling (meng)monsters en analyseprogramma Onderdeel
Monstercode
Traject (m -mv)
Deelmonsters
Waargenomen bijzonderheden
Analysepakket
M1
0 – 0,5
01-1, 02-1
Geen
Standaardpakket grond1
M2
0,05 – 0,5
03-1, 05-1, 07-1, 09-1
Geen
Standaardpakket grond
Verkennend onderzoek
Bovengrond
M3
0,1 – 0,5
11-1, 13-1
Geen
Standaardpakket grond
Ondergrond
M4
0,9 – 1,6
11-3, 12-3, 13-3
Geen
Standaardpakket grond
Grondwater
13-1-1
2,0 – 3,0
-
Geen
Standaardpakket grondwater2
Aanvullende analyses minerale olie Uitsplitsing M3
Horizontale afperking
Verticale afperking
11-1
0,1 – 0,3
-
Geen
Minerale olie
13-1
0,1 – 0,50
-
Geen
Minerale olie
06-1
0,1 – 0,5
-
Geen
Minerale olie
08-1
0,05 – 0,3
-
Geen
Minerale olie
10-1
0,1 – 0,5
-
Geen
Minerale olie
11-1
0,1 – 0,3
-
Geen
Minerale olie
12-1
0,1 – 0,6
-
Geen
Minerale olie
13-1
0,1 – 0,5
-
Geen
Minerale olie
M5
0,3 – 1,0
11-2, 13-2
Geen
Minerale olie
1
Metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn), PCB, PAK, minerale olie, lutum, organische stof en droge stofgehalte
2
Metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl en VC) en minerale olie
Analyseresultaten De analysecertificaten van het laboratoriumonderzoek zijn opgenomen in bijlage 4. De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 5. In deze tabellen zijn de gemeten gehalten in de grond aan de hand van de analytisch vastgestelde percentages lutum en organische stof omgerekend naar de 'standaard bodem' (25% lutum en 10% organische stof). Dit zijn de gestandaardiseerde gemeten gehalten (GSSD). In deze paragraaf zijn de resultaten samengevat. In een aantal tabellen is tussen haakjes een index opgenomen (zie 'kader'). De index geeft inzicht in de verhouding tussen de gestandaardiseerde meetwaarde en de achtergrondwaarde/streefwaarde respectievelijk de interventiewaarde. Een index van 0 komt overeen met de achtergrondwaarde/streefwaarde; een index van 0,5 komt overeen met de tussenwaarde en een index van 1 komt overeen met de interventiewaarde. Een index boven 1 geeft aan met welke factor de interventiewaarde wordt overschreden.
218116/R01
5.2.1 Grond De toetsingsresultaten van de grondanalyses zijn in de volgende tabel samengevat weergegeven waarbij ook de eventuele bodemvreemde bijmengingen in het (meng)monster zijn weergegeven. Tabel 10: Overschrijdingstabel analyseresultaten grond Monstercode
Traject (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
Overschrijding van de achtergrondwaarde (index1 < 0,5)
tussenwaarde (index1 >0,5)
interventiewaarde (index1 >1)
Indicatief oordeel Bbk
Verkennend onderzoek M1
0 – 0,5
Geen
PAK (0,01), PCB (0,01)
-
-
Altijd toepasbaar
M2
0,05 – 0,5
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
M3
0,1 – 0,5
Geen
Minerale olie (0,15)
-
-
Niet toepasbaar > industrie
M4
0,9 – 1,6
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
Aanvullende analyses minerale olie Uitsplitsing M3 11-1
0,1 – 0,3
Geen
Minerale olie (0,16)
-
-
Niet toepasbaar > industrie
13-1
0,1 – 0,50
Geen
Minerale olie (0,09)
-
-
Niet toepasbaar > industrie
Horizontale afperking 06-1
0,1 – 0,5
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
08-1
0,05 – 0,3
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
10-1
0,1 – 0,5
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
12-1
0,1 – 0,6
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
Geen
-
-
-
Altijd toepasbaar
Verticale afperking 0,3 – 1,0
M5 1
= geen parameters in gehalten/concentraties boven de betreffende toetsingswaarden aangetoond Index = (gestandaardiseerde meetwaarde- achtergrondwaarde) / (interventiewaarde – achtergrondwaarde)