2023-83 Raadsinfo Een zeker bestaan
Tekst van het document
92
Een zeker bestaan
3.4.3 Stap 3a: Toereikendheid bij een flexbudget van 6 procent in een ondergemiddelde gemeente In stap i en 2 is het inkomen uit landelijke regelingen en de waarde van lokale regelingen bepaald, waarbij er drie varianten zijn ontwikkeld voor de waarde van lokale regelingen. In stap 3 toetst de Commissie de toereikendheid van het inko men van een huishouden op sociaal minimum (de som van stap 1 en 2) aan de uitgavennorm die is opgesteld in paragraaf 3.3. Daarbij gaat de Commissie in stap 3a uit van de waarde van lokale regelingen in een ondergemiddelde gemeente, en een uitgavennorm met een flexbudget van 6 procent. In de ogen van de Com missie is dit een representatief scenario. Het baseren van een sociaalminimumnorm op het regime van een gemiddelde of bovengemiddelde gemeente betekent immers dat een deel van de huishoudens onder het sociaal minimum zou uit komen. Dat leidt tot een onderschatting van de problemen rond toereikend heid. Wie in een ondergemiddelde gemeente woont, heeft er immers niet veel boodschap aan dat buurgemeenten een genereuzer sociaal minimabeleid voe ren. Bovendien kunnen gemeenten zonder tussenkomst van het Rijk besluiten om regelingen te versoberen, bijvoorbeeld als gemeenten te maken krijgen met tekorten op hun begroting. Daarom rekent de Commissie in dit scenario met een ondergemiddelde gemeente.
Wel zal de Commissie in navolgende stappen de toereikendheid bij andere aannames over de waarde van lokale regelingen en de hoogte van het flexbudget in kaart brengen.
Bijna alle huishoudtypen komen maandelijks geld tekort Figuur 3.2 en tabel 3.5 tonen per huishoudtype het saldo van inkomsten en uitga ven bij een uitgavenniveau dat gelijk is aan de sociaalminimumnorm bij een flex budget van 6 procent in een ondergemiddelde gemeente. Tabel 3.5 toont daarbij ook welke achterliggende aannames daarbij zijn gehanteerd. De een-na-laatste rij in tabel 3.5 toont per huishoudtype het saldo van inkomsten en uitgaven ten opzichte van de uitgavennorm. Deze saldi corresponderen met de saldi in figuur 3.2. De saldi in de figuur en de tabel maken duidelijk dat bijna alle huishoudtypes maandelijks geld tekort komen voor minimaal noodzakelijke uitgaven. De enige uitzonderingen op dit beeld zijn alleenstaande ouders met één kind en huishou dens met AOW’ers. De saldi variëren van +114 euro per maand voor een alleen staande AOW’er tot -483 euro per maand voor een paar in de bijstand met drie kinderen.108
108
De Commissie merkt hierbij op dat de genoemde tekorten zich in 2023 niet bij alle huishoudtypen voordoen, of dat tekorten nog niet zo groot zijn. De rol van de tijdelijke maatregelen is immers groot, zoals de analyse in paragraaf 3.4.1 laat zien.
Rapport
93
Een negatief saldo staat voor het bedrag dat huishoudens erbij moeten krijgen per maand Een negatief saldo representeert het bedrag dat huishoudens erbij moeten krijgen per maand om een toereikend inkomen te hebben voor minimaal noodzakelijke uitgaven (bij de gehanteerde uitgangspunten). Naast het saldo in euro’s toont tabel 3.5 ook het saldo als percentage van het inkomen uit landelijke regelingen. Het saldo van -94 euro per maand voor alleenstaanden in de bijstand is immers niet een-op-een vergelijkbaar met het saldo van -195 euro per maand voor een paar in de bij stand, omdat een paar in de bij stand ook een hoger inkomstenniveau heeft. Door het saldo uit te drukken als percentage van het inkomen uit lande lijke regelingen zijn saldi beter onderling vergelijkbaar.109
Huishoudtypen zonder kinderen komen geld tekort in de bijstand, maar niet in de AOW Zoals opgemerkt vormen huishoudtypen met AOW een uitzondering op het beeld dat er bij veel huishoudtypen sprake is van tekorten. Bij een alleenstaande in de bijstand is er sprake van een tekort van -94 euro per maand, terwijl een huishouden met louter AOW bij de gehanteerde uitgangspunten een overschot heeft van 114 euro per maand - een verschil van ruim 200 euro. Ook bij stellen zonder kinderen loopt het verschil tussen huishoudens met AOW en bijstand op tot bijna 240 euro. Dit komt vooral doordat de netto AOW ruim 200 euro per maand hoger ligt dan de netto bijstand, zowel voor alleenstaanden als voor paren. Daarnaast komt hierin tot uitdrukking dat een aantal gemeenten lokale regelingen aanbiedt die gericht zijn op ouderen, zoals gratis OV voor ouderen. Tot slot valt op dat alleenstaanden een groter tekort (of bij de AOW: een kleiner overschot) hebben dan samenwonenden, ook als het saldo is uitgedrukt als per centage van het inkomen.
109
Omdat het saldo het percentage weerspiegelt waarmee het besteedbaar inkomen omhoog moet om het inkomen toereikend te maken voor minimaal noodzakelijke uitgaven, is het saldo uitgedrukt als percentage van het inkomen uit landelijke regelingen. Het Rijk heeft immers geen directe invloed op de hoogte van lokale regelingen.
94
Een zeker bestaan
Tekorten bij huishoudens met kinderen, die oplopen als er meer dan wel oudere kinderen zijn Het inkomen van huishoudens met kinderen schiet tekort voor minimaal nood zakelijke uitgaven, met uitzondering van het huishoudtype alleenstaande ouder met één kind. Drie zaken vallen op: 1. Samenwonende ouders hebben grotere tekorten dan alleenstaande ouders. Dit is voornamelijk het gevolg van het extra bedrag voor alleenstaande ouders in het kindgebonden budget (de ALO -kop), ter hoogte van ruim 320 euro per maand in 2023. 2. Maandelijkse tekorten lopen op naarmate er meer kinderen in een huishou den zijn. Dit weerspiegelt dat de kindbedragen ontoereikend zijn voor de minimaal noodzakelijke uitgaven voor kinderen. 3. Maandelijkse tekorten lopen sterker op naarmate er meer oudere kinderen ^12 jaar) in een huishouden zijn. Dit weerspiegelt dat de minimaal nood zakelijke uitgaven voor kinderen sterk toenemen naarmate kinderen ouder worden, terwijl de kindbedragen in de kinderbijslag en het kindgebonden budget beperkt meegroeien met leeftijd. Figuur 3.2 Toetsing van toereikendheid: Saldo van inkomsten en uitgaven bij een uitgavenniveau gelijk aan de sociaalminimumnorm met een flexbudget van 6
procent in een ondergemiddelde gemeente (bedragen in euro's per maand)
Bijstand, alleenstaande Bijstand, alleenstaande, 1 kind Bijstand, alleenstaande, 2 kinderen Bijstand, alleenstaande, 3 kinderen
Bijstand, stel Bijstand, stel, 1 kind Bijstand, stel, 2 kinderen Bijstand, stel, 3 kinderen
AOW, alleenstaande AOW, stel e-500
e-400
e-300
e-200
e-100
eo
eioo
Rapport
®2oo
95
Tabel 3.5 Toetsing van toereikendheid: Saldo van inkomsten en uitgaven bij een uitgavenniveau gelijk aan de sociaalminimumnorm met een flexbudget van 6
procent in een ondergemiddelde gemeente (bedragen in euro's per maand) Bijstand Paar
#kinderen Leeftijd kinderen
1
0
8
n.v.t.
jaar
1
2
8
8/13
jaar
jaar
SALDO VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN Inkomsten Minimale uitkering, incl.
1.195 1.195 1.195 1.195 1.708 1.708 1.708 1.708 1.421 1.939
vakantiegeld Zorgtoeslag
154
154
154
154
265
265
265
265
154
265
Huurtoeslag
271
353
356
356
318
374
374
374
271
318
Kinderbijslag
0
109
237
366
0
109
237
366
0
0
Kindgebonden budget
0
458
608
758
0
137
287
437
0
0
Energietoeslag
67
67
67
67
67
67
67
67
67
67
Waarde van lokale rege lingen (ondergemiddelde)
69
109
141
173
105
128
160
192
69
105
Effect vervallen incidenteel beleid
-120
-173
-199
-225
-122
-149
-175
-201
-120
-122
Effect huurverlaging via de huurtoeslag
0
-47
-50
-50
-12
-68
-68
-68
-1
-35
gemeente
Totaal inkomsten
1.637 2.226 2.510 2.794 2.330 2.572 2.856 3.141 1.862 2.537
Uitgavennorm voor toereikend sociaal minimum Nibud-uitgaven minimumvoorbeeldbegrotingen
1.633 2.110 2.493 2.928 2.400 2.738 3.100 3.522 1.649 2.408
Effect huurverlaging via lagere huur
0
-76
-76
-76
-18
-104
-104
-104
0
-54
Flexbudget 6%
98
122
145
171
143
158
180
205
99
141
Uitgavennorm voor toereikend sociaal minimum
1.731 2.156 2.562 3.023 2.525 2.792 3.176 3.623 1.748 2.495
Saldo per maand
-94
70
-52
-229
-195
-220 -320 -483
114
42
Saldo per maand, in % inko men landelijke regelingen
-6^i
3^i
-2^i
-8^i
-8^i
-8^i -1^ -15^)
6^i
2^i
96
Een zeker bestaan
3.4.4 Stap 3b: Toereikendheid bij andere aannames over flexbudget en lokale regelingen In stap 3a is de Commissie uitgegaan van een sociaalminimumnorm met een flexbudget van 6 procent, en een waarde van lokale regelingen in een onderge middelde gemeente. In de ogen van de Commissie is dit een representatief sce nario. Het is echter verdedigbaar om andere aannames te maken over de waarde van lokale regelingen en de benodigde hoogte van het flexbudget. Daarom laat de Commissie via een gevoeligheidsanalyse zien hoe de uitkomsten van de toereikendheidstoets veranderen bij het doen van andere aannames.
Maatvoering flexbudget en ambitie gemeentelijk minimabeleid bepalen de omvang van de beleidsmatige opgave om het sociaal minimum te verhogen Figuur 3.3 en tabel 3.6 tonen de uitkomsten van de analyse met variërende aanna mes. De tabel toont het saldo van inkomsten en uitgaven bij drie uitgavenniveaus gelijk aan sociaalminimumnormen met een flexbudget van 3, 6 en 9 procent en bij de waarde van lokale regelingen in zowel een ondergemiddelde als een gemid delde gemeente. In totaal levert dat zes scenario’s op. Figuur 3.3 toont grafisch per huishoudtype de spreiding tussen het scenario met het meest gunstige saldo (bij een flexbudget van 3 procent en het regime van een gemiddelde gemeente) en het minst gunstige saldo (bij een flexbudget van 9 procent en het regime van een ondergemiddelde gemeente). De analyse maakt duidelijk dat de maatvoering bij de hoogte van het flexbudget en de ambitie met betrekking tot het regime van lokale regelingen bepalend zijn voor de conclusie over de toereikendheid - en dus over de beleidsmatige opgave om het besteedbaar inkomen te verhogen. Bij een alleenstaande zonder kinderen varieert het saldo van inkomsten en uitgaven van -23 euro per maand in het meest gunstige scenario tot -143 euro per maand in het minst gunstige scenario.
Voor een paar in de bijstand met twee kinderen varieert het saldo van inkomsten en uitgaven van -183 euro per maand in het meest gun stige scenario tot -410 euro per maand in het minst gunstige scenario.
Hogere waarde lokale regelingen leidt tot kleinere opgave om het sociaal minimum te verhogen De analyse in stap 3a gaat uit van de waarde van lokale regelingen in een onder gemiddelde gemeente. Als wordt uitgegaan van de waarde van lokale regelingen in een gemiddelde gemeente, zijn de tekorten kleiner. De opgave om het soci aal minimum te verhogen is dan kleiner. Onder de aanname van de waarde van lokale regelingen in een bovengemiddelde gemeente, nemen de negatieve saldi nog verder af. Het is in de ogen van de Commissie echter niet realistisch om de toereikendheid van het norm voor het sociaal minimum te toetsen aan de hand van het regime van een bovengemiddelde gemeente, omdat slechts een klein deel van de huishoudens op sociaal minimum leeft in een bovengemiddelde gemeente. Rapport
97
Een kleiner flexbudget leidt tot een lagere opgave, een groter flexbudget tot een hogere opgave Een lager flexbudget leidt tot kleinere tekorten, zo blijkt uit figuur 3.3 en tabel 3.6. Een lager flexbudget betekent immers een lagere uitgavennorm voor het sociaal minimum, en bij lagere uitgaven is het huidige inkomen op sociaal minimum vaker toereikend. De beleidsmatige opgave om het besteedbaar inkomen van een aantal huishoudtypen te verhogen is dan dus kleiner. Een lager flexbudget betekent echter ook dat huishoudens sneller in problemen komen als zich kleine tegenvallers voordoen. Omgekeerd geldt dat een hoger flexbudget leidt tot hogere tekorten. Een hoger flexbudget betekent immers een hogere uitgavennorm voor het sociaal minimum, en bij hogere uitgaven schiet het huidige inkomen op soci aal minimum vaker tekort. De beleidsmatige opgave om het besteedbaar inko men te verhogen is dan ook groter. Daar staat tegenover dat huishoudens op het sociaal minimum beter in staat zijn om enige tegenvallers op te vangen. Figuur 3.3 Saldo van inkomsten en uitgaven bij drie uitgavenniveaus gelijk aan sociaalminimumnormen met een flexbudget van 3, 6 en 9 procent en bij de waarde van lokale regelingen in zowel een ondergemiddelde als een gemiddelde gemeente C 200
CO
C -200
c -400
c -600 CO -—
“'CO —
M
ûľ 3
CL ûľ 3
ûľ fj) 3 -1 cl ŕD -
00 :
Cl
cl
CO
— - '— 00 :
CU
CU
ŕD ŕD 3 00
CD CD 3 00
CD CD 3 00
CU CU
CU CU
SU CU
3 CL ŕD
9
—- 00 :
3 CL ŕD
3
CU
3 CL ŕD
^ ro
ro
ro
ro
ro
~
"ōō ’
"ōō ’
"ōō’
00’
cl
w
17’ CU
CU
ŕD 3 -1 ŭ. ŕD ~ 3 cu
w3
CL 00
w3
CL 00
3 CL 00
fF
ŰL
ŰL
çīľ
ŰL
ŢÇ 3’ CL
ŢŢ' 3' C
ŕD
CL ŕD
Gemiddelde gemeente, flexbudget 3%
# Ondergemiddelde gemeente, flexbudget 6% # Ondergemiddelde gemeente, flebudget 9^.
98
Een zeker bestaan
ŕD ŕD
3 CL 00
l
ŕD ŕD
cu
00 CU CU
3
CL ŕD
00
Tabel 3.6 Saldo van inkomsten en uitgaven bij drie uitgavenniveaus gelijk aan sociaalminimumnormen met een flexbudget van 3, 6 en 9 procent en bij de waarde van lokale regelingen in zowel een ondergemiddelde als een gemiddelde gemeente Bijstand Paar #kinderen Leeftijd kinderen
1
o
8
n.v.t.
jaar
1
2
8
8/13
jaar
jaar
SALDO VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN In euro’s Gemiddelde gemeente
Flexbudget 3^1
-23
154
55
-91
-86
-104
-183
-316
203
181
Flexbudget 6 aZo
-72
93
-18
-177
-157
-183
-273
-419
154
110
Flexbudget 9^1
-121
32
-90
-262
-229
-262
-363
-521
104
39
Flexbudget 3^1
-45
131
20
-143
-124
-141
-230
-380
164
113
Flexbudget 6'^
-94
70
-52
-229
-195
-220
-320
-483
114
42
Flexbudget 9^1
-143
9
-125
-314
-267
-299
-410
-585
65
-29
-3^i
-4%
-4%
-6% -10%
11%
7%
-6^i
-1ŨZ
-7%
-9% -13%
8%
4%
-9^i -10% -10% -12% -16^)
5%
2%
Ondergemiddelde gemeente
In % van het inkomen (landelijke regelingen) Gemiddelde gemeente
Flexbudget 3^1
1ŨZ
Flexbudget 6'^
-4^i
Flexbudget 9^1
-lũZo
2^i
4^i -3^i
Ondergemiddelde gemeente
Flexbudget 3%
-3%
6%
1%
-5%
-5^i
-5%
-8% -12%
9%
4%
Flexbudget 6'^
-6%
3%
-2%
-8%
-8%
-8% -11% -15^)
6%
2%
Flexbudget 9%
-8^i
0%
-5% -11% -11% -11% -14% -18%
3%
-1%
In bijlage 1 bij dit rapport zijn de uitgebreide versies van elk scenario opgenomen.
Rapport
99
3.5
Conclusie Dit hoofdstuk licht toe dat de Nibud-begrotingen de belangrijkste bouwstenen vormen voor het vaststellen van minimumnormen, omdat dit een beproefde methode is die geschikter is dan andere benaderingen. Vervolgens doet dit hoofdstuk een voorstel voor normen voor het sociaal minimum. Hiervoor zet de Commissie twee stappen. In de eerste stap anticipeert de Commissie op de huurverlaging per 1 juli. In de tweede stap voegt de Commissie een flexbudget toe aan het bedrag voor minimaal noodzakelijke uitgaven, om te voorkomen dat huishoudens met een inkomen op het sociaal minimum bij een kleine tegenslag in de problemen komen. Zo blijven maatwerk en ad-hocbeleid beperkt tot uit zonderingen, en wordt voorkomen dat grote groepen mensen op de rand van de financiële afgrond leven. De Commissie stelt een flexbudget voor van 3, 6 of 9 procent, waarbij de Commissie opmerkt dat een flexbudget van 3 procent in het licht van de veelheid aan mogelijke tegenvallers aan de lage kant is. Tot slot toetst dit hoofdstuk in hoeverre het inkomen van huishoudens volstaat om minimaal noodzakelijke uitgaven te kunnen doen. De Commissie zet hiervoor drie stappen. In de eerste twee stappen bepaalt de Commissie het inkomen uit landelijke regelingen en de waarde van lokale regelingen.
Voor de waarde van lokale regelingen werkt de Commissie met twee varianten, namelijk de waarde van regelingen in een gemiddelde gemeente en een ondergemiddelde gemeente. De uitkomsten van de toetsing van toereikendheid hangen af van het noodza kelijk geachte flexbudget en van de gemeente waarin iemand woont. Bij realisti sche uitgangspunten komen bijna alle huishoudens tekort, behalve huishoudens met louter AOW. Tekorten zijn groter bij huishoudens met kinderen, nemen toe naarmate er meer kinderen in het huishouden zijn en nemen ook toe naarmate er oudere kinderen in het huishouden zijn. Dat brengt de Commissie tot de conclu sie dat het besteedbaar inkomen omhoog moet, in het bijzonder het besteedbaar inkomen van huishoudens met kinderen.
100
Een zeker bestaan