Bijlage 5. Bijlagen bij motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstraat-Schotsestraat Kaatsheuvel
Tekst van het document
Figuur 3-1 Stedenbouwkundige situatietekening (Bron: Studio Redd)
Figuur 3-2 Impressie totale projectgebied met bijbehorend programma met zicht vanuit noordzijde (Bron: Studio Redd)
Verkeer en parkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Uitwerking Parkeerbeleid Loon op Zand'. De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt daarmee 142 parkeerplaatsen (waarvan 107 voor bewoners en 35 voor bezoekers). Aangetoond dient te worden dat er wordt voorzien in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid binnen het projectgebied voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. De piek in parkeervraag ligt voor de woningen en de commerciële ruimtes echter op een ander moment van de dag. Bewoners zijn namelijk met name in de late avond en nacht thuis, terwijl de parkeervraag van de bedrijven overdag ontstaat. Daarom kunnen deels parkeerplaatsen overdag toegerekend worden aan de bedrijven en in de nacht aan de woonfunctie. Het maatgevende moment in de voorliggende ontwikkeling is de nacht op een werkdag. Er zijn op het maatgevende moment 130,30 parkeerplaatsen nodig. In totaal worden binnen het projectgebied 131 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 51 parkeerplaatsen in de parkeerkelder onder het centrale gebouw. De overige parkeerplaatsen bevinden zich aan de randen van het gebied. Deze worden op een duurzame manier uitgevoerd met halfopen verharding. Op verschillende plekken in het gebied zal ruimte geboden worden voor openbare laadfaciliteiten.
Voor de bestaande en beoogde situatie is de verkeersgeneratie berekend in onderstaande tabel op basis van kencijfers afkomstig uit CROW-publicatie 744. De verkeersgeneratie in de beoogde situatie is 668,8 mvt/etmaal (weekdag gemiddeld). Het verkeer uit het projectgebied wordt bijna volledig afgewikkeld op de Schotsestraat. Via de Schotsestraat kan aangesloten worden op de Jan de Rooijstraat en kan het verkeer aansluiten op het regionale wegenetwerk. In het zuidwesten van het projectgebied wordt ook een klein parkeerterrein aangelegd. Dit parkeerterrein wordt ontsloten op de Hoofdstraat.
Tabel 3-1 Verkeersgeneratie projectgebied bestaande en beoogde situatie
3.2
Cumulatie met andere projecten
In de omgeving zijn geen andere ontwikkelingen waarmee cumulatie verwacht wordt. Er zijn plannen om het bedrijventerrein naast het projectgebied ook te herontwikkelen. Deze plannen zijn nog niet concreet genoeg om te spreken van een redelijkerwijze te verwachten toekomstige ontwikkeling en worden buiten deze mer-beoordeling gelaten.
3.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen
Bij de uitwerking van de plannen binnen het projectgebied wordt concreet invulling gegeven aan circulariteit en duurzame energie. De ambitie is een CO2-neutrale energievoorziening. Dat betekent dat de gebiedsontwikkeling idealiter zelfvoorzienend is wat betreft het verwarmen en koelen van gebouwen en energieneutraal wat betreft elektriciteit en dat de jaarlijkse gemiddelde vraag naar energie voor gebouwen en faciliteiten in het gebied wordt opgewekt. Dit kan worden uitgewerkt met een warmte en koudenet op basis van warmte-koude-opslag in de bodem of restwarmte van een duurzaam stadsverwarmingssysteem. Met de beoogde ontwikkeling zullen de gebruikelijke afvalstoffen gecreëerd worden. De woningen worden aardgasvrij gebouwd en voldoen aan de geldende EPC-eisen. Circulariteit is voor de nieuwbouw een nadrukkelijke opgave. Dit wordt vorm gegeven door de realisatie van een zo laag mogelijke MPG score en elk gebouw wordt voorzien van een materialenpaspoort. Daarnaast krijgen circulaire materialen met een lage CO2-uitstoot de voorkeur en moet er gedacht worden aan een ontwerp met een flexibele vloerindeling om geplande functies in de toekomst te kunnen veranderen. Naast het toevoegen van nieuwe circulaire materialen worden er ook materialen gebruikt die al in de huidige situatie te vinden zijn. Zo worden van bestaande gebouwen gevels of constructies behouden.
Een deel van de bestaande verhardingsmaterialen kan worden hergebruikt in de openbare ruimte. De betonstenen en -tegels kunnen hergebruikt worden als muren.
3.4
Risico’s op rampen door klimaatverandering
Met de beoogde ontwikkeling zal er waterberging ter compensatie van de verharding geplaatst worden. Het projectgebied ligt niet in een overstromingsgebied of een gebied met een verhoogde kans op een overstroming. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatverandering hiermee niet toe.
3.5
Overige kenmerken
De aspecten verontreiniging en hinder komen aan bod in het hoofdstuk kenmerken van de milieueffecten.
4. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkelingen beschreven. De milieueffecten van de beoogde situatie worden vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Bij de analyse is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken toegevoegd aan de bijlagen van de motivering van het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Hoofdstraat-Schotsestraat Kaatsheuvel.
4.1
Verkeer
Uit de hoofdstuk 3 blijkt dat de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 108 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag ten opzichte van de huidige situatie (referentiesituatie). De hoofdontsluiting van het gebied vindt plaats via de Schotsestraat. Via deze weg kan de Jan van Rooijstraat bereikt worden. De verkeerstoename is beperkt en deze wegen hebben voldoende capaciteit om de verkeerstoename op te vangen. Belangrijke negatieve verkeerseffecten ten aanzien van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op deze wegen kunnen uitgesloten worden. Ontsluiting Hoofdstraat Een klein deel van het verkeer zal vanaf de parkeerplaats in het zuidwesten van het projectgebied ontsloten worden op de Hoofdstraat. De ontsluiting op de Hoofdstraat gaat over een smalle ontsluitingsweg aanwezig tussen de percelen LOO00-L3740 (Hoofdstraat 97) en LOO00-L-4475 (Hoofdstraat 101 t/m 103G). De beschikbare ruimte van de ontsluitingsweg is als volgt: Ca. 4,50 meter tussen zijgevel appartementen en trottoirband zijde Hoofdstraat 97; Ca. 5,30 meter tussen de 2 zijgevels bij de Hoofdstraat 97 en 101 t/m 103G; Ca. 4,80 meter tussen de 2 zijgevels ter hoogte van achtergevel Hoofdstraat 97. Rijbaanbreedte bij ingang parkeerterrein (voor 1 auto) moet minimaal 2,30 meter zijn. Daar komt de obstakelvrees (van 1 meter bij 30 km/uur) vanuit zijkant voertuig bij totaal 4,30 meter.
Voor een tweebaansweg is dit minimaal 4,80 meter breed (bij 30 km/uur) dit is exclusief obstakelvrees, totaal 6,80 meter. Er is voldoende ruimte voor een ingang voor 1 auto maar onvoldoende ruimte beschikbaar voor een tweebaansweg. Bij parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen moet tegelijk op- en afrijden mogelijk worden gemaakt [ASVV 10.8.2]. Het aantal parkeerplaatsen wat in de toekomstige situatie op deze weg wordt ontsloten bedraagt: Bestaande appartementen Hoofdstraat 101 t/m 103G: 12 Bestaande parkeerplaatsen personeel ALDI: 15 Nieuwe beoogde parkeerplaatsen bij de appartementen: 20 Dit is totaal 47 parkeerplaatsen waarvoor een ingang voor 1 auto voldoende is. Om de haalbaarheid van de afwikkeling voor de beoogde situatie te kunnen bepalen dient rekening gehouden te worden met cumulatie van reeds bestaande verkeersbewegingen op deze weg. Op basis hiervan kan op deze ontsluitingsweg worden uitgegaan van een afname van (290,1 - 282,1) 8 mvt/etmaal ten opzichte van de bestaande situatie. In het drukste uur in de spits gaat het om 10% van de etmaalwaarde. Dit komt neer op een afname van 0,8 mvt/uur (10% van 8). In de bestaande situatie maken circa 290 mvt/etmaal al gebruik van de ontsluiting. Uitgaande van het drukste uur in de spits, gaat het over circa 29 motorvoertuigen (10% van 290).
Na realisatie van de 30 appartementen in dit gedeelte maken straks naar verwachting circa 28,2 motorvoertuigen in het drukste uur gebruik van deze ontsluiting. Dit komt neer op circa 1 voertuig per 2 minuten (28,2/60). Er kan soms een situatie ontstaan waarbij een auto het steegje wil verlaten terwijl een andere auto het steegje wil inrijden. De auto vanaf de Hoofdstraat moet dan mogelijk even wachten. Omdat de Hoofdstraat een erftoegangsweg is met voornamelijk bestemmingsverkeer, vormt het wachten geen probleem. Daarbij zijn de verkeersintensiteit beperkt, ongeveer 1 auto per 2 minuten in het drukste uur. De ontsluitingsweg heeft een lengte van circa 50 meter. Er zitten geen bochten in die het zicht op eventueel tegemoet komende voertuigen belemmert. Hierdoor wordt verwacht dat het project geen verkeersknelpunten veroorzaakt.
4.2
Geluid
Wegverkeerslawaai Rond het projectgebied zijn wegen aanwezig waarvoor akoestisch onderzoek1 is uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij 24 appartementen en 1 woning. Maatregelen om het geluid tot de standaardwaarde te reduceren zijn mogelijk, maar geen enkele maatregel afzonderlijk is effectief om het geluid voor alle woningen te reduceren tot de standaardwaarde. Vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke, technische of financiële aard worden geluidreducerende maatregelen niet genomen. Omdat er geen grenswaarden worden overschreden en alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel, wordt het geluid aanvaardbaar geacht. Voor het wijzigingsbesluit is het gezamenlijk geluid (ten behoeve van het bepalen van de benodigde geluidwering op basis van het Bbl) bepaald aan de hand van de resultaten voor wegverkeerslawaai. Rondom het projectgebied liggen diverse bedrijven met enige mate van geluidemissie. Om hiermee rekening te houden is worst-case uitgegaan van een bijdrage van 56 dB(A). Uitstralingseffecten Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is).
In dit geval is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer. Omliggende bedrijven Rond het projectgebied liggen verschillende bedrijven. Grotendeels zijn hier bedrijven t/m milieucategorie 2 toegestaan. Nu geldt voor bedrijven t/m milieucategorie 2 over het algemeen dat deze zonder overlast naast woningen kunnen bestaan. Verwacht wordt dat alle bedrijven ter plaatse van den nieuwe woningen kunnen voldoen aan de regels uit de bruidsschat die opgenomen zijn in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Deze regels borgen dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Voor de bedrijfspercelen ten noorden van het projectgebied geldt dat hier bedrijven t/m maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk zijn. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde bedrijfsperceel ligt op een afstand van 42 meter van een beoogde woninggevel. De bedrijfspercelen Schotsestraat 3 t/m 5, 7 en Canadesestraat 2 liggen binnen 50 meter van een beoogde woninggevel. In de huidige situatie zijn ter plaatse van de Schotsestraat 7 en Canadesestraat 2 bedrijven uit milieucategorie 2 aanwezig en kan overlast uitgesloten worden. Voor de Schotsestraat 3 t/m 5 geldt dat het bedrijfsperceel ligt op een afstand van 47 meter en niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
Aan de voorzijde van deze percelen (Schotsestraat) vinden alleen verkeersbewegingen plaats. Overige activiteiten vinden in hoofdzaak binnen plaats (ook de meubelmakerij aan de Schotsestraat 5) waar wel voldaan wordt aan de richtafstand. Gezien de omvang van het bedrijf en de maatgevende geluidsactiviteiten binnen en op voldoende afstand plaats vinden mag worden verwacht dat ter plaatse van het projectgebied aan richtwaarde van 50 dB(A) kan worden voldaan. Ter plaatse van de beoogde woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en belangrijke negatieve gezondheidseffecten kunnen worden uitgesloten. Daarnaast is er rekening gehouden met het geluid van de bedrijven bij de berekening voor het gezamenlijke geluid in het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai.
4.3
Bodem en water
4.3.1 Bodem De beoogde functie (wonen) heeft geen negatieve effecten op de bodemkwaliteit. Ten behoeve van de ontwikkeling zijn voor diverse deelgebieden bodemonderzoeken2 uitgevoerd. Hieronder wordt per deelgebied op basis van de kadastrale percelen de resultaten behandeld. 1 Rho Adviseurs (september, 2025), Akoestisch onderzoek wegeverkeerslawaai, Schotsestraat – Hoofdstraat, Kaatsheuvel, Kenmerk: 20240281/145761/PJBr 2 Bakker milieuadviezen Waalwijk (december, 2020), Verkennend + nader bodemonderzoek Schotsestraat 4-6, Kaatsheuvel, Documentnummer: BM/26121-2020
LOO00-L-3717 Op de locatie is bodemverontreiniging aangetoond. Bij nieuwbouw zal de grond gesaneerd worden en voorafgaand een saneringsplan worden opgesteld, waarin de aanpak van de sanering en de randvoorwaarden worden beschreven. Er is geen spoedeisend belang eerder tot sanering over te gaan. Op basis van een eerste raming is bepaald wat de saneringskosten zijn. Deze vallen in de exploitatie zoals opgesteld door de ontwikkelaar. LOO00-L-3739 De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan, doch mogelijk wel een belemmering voor de realisatie van eventuele toekomstige bouwplannen ter plaatse. Geadviseerd wordt om, indien van toepassing, voorafgaand aan eventuele bouwplannen de zinkspot nader te onderzoeken, daar de contour nog niet bekend is en het in het kader van eventuele saneringsmaatregelen van belang is om te weten of ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging of niet. Tevens wordt geadviseerd om, gezien het later verkregen en ingelezen bodemonderzoek uit 2020 van naastgelegen perceel, bij nader onderzoek de locatie aanvullend te analyseren op de parameter koper en chroom. De aanwezige vervuiling is nagenoeg horizontaal ingebakend. Een gedeelte zal echter grensoverschrijdend zijn.
Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het verontreinigingsgebied is enkel toegestaan indien de verontreiniging is gesaneerd. In het TAM-omgevingsplan zal voor de percelen LOO00-L-3717 en LOO00-L-3739 een voorwaardelijke verplichting opgenomen worden. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient te worden aangetoond dat aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Hiermee is geborgd dat de sanerende maatregelen genomen zullen worden. LOO00-L-3740 (gedeeltelijk) De resultaten van het onderzoek vormen, met in acht neming van aangetroffen bijmengingen en de vastgestelde kwaliteitsklasse, geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan en eventuele bouwplannen ter plaatse te realiseren. Het gebied onder de betonvloer zal in de nabije toekomst (na voorgenomen beëindiging van de activiteiten) nog wel onderzocht moeten worden als zijnde verdachte locatie. LOO00-L-683 en LOO00-L-3418 (gedeeltelijk) Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan voor deze gronden geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Na de sanerende maatregelen is in het projectgebied sprake van een aanvaardbare bodem- en grondwaterkwaliteit voor de functie wonen. Met de sanering van de bodemverontreinigingen is er sprake van positieve effecten op het gebied bodemkwaliteit.
4.3.2 Water Zoals beschreven in hoofdstuk 2 ligt het projectgebied niet in een grondwaterbeschermingszone. Het projectgebied ligt niet in de beschermingszone van een watergang of waterkering en heeft geen effect op de waterveiligheid. Het hemelwater afkomstig van de daken wordt afgekoppeld van de riolering en infiltreert waar mogelijk in de bodem of op het oppervlaktewater. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename in verharding en de parkeerplaatsen zullen met Wematech (januari, 2023), Gecombineerd verkennend en nader bodemonderzoek “Hoofdstraat 99”Kaatsheuvel, Kenmerk: DB50220702.R001-0 Lankelma Geotechniek (maart, 2023), Verkennend bodemonderzoek Hoofstraat 95, Kaatsheuvel, Projectnummer: 2203614 Lankelma Geotechniek (maart, 2023), Verkennend bodemonderzoek Hoofstraat 93, Kaatsheuvel, Projectnummer: 2203643 Wematech (september, 2025), Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 97A, Kaatsheuvel, Kenmerk: GB50250576.R001-0
half verharding gerealiseerd worden. Door vergroening en/of ontharding van het projectgebied is er een meer natuurlijke wijze van hemelwaterinfiltratie mogelijk. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Een negatief effect op de waterhuishouding kan uitgesloten worden.
4.4
Natuur
4.4.1 Gebiedsbescherming Zoals beschreven in hoofdstuk 2 is het projectgebied niet gelegen in een beschermd natuurgebied. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding binnen de natuurgebieden worden uitgesloten. Het enige mogelijk relevante ecologische effect betreft vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Stikstof Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofberekening3 uitgevoerd voor de realisatie- en de gebruiksfase. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2025.0.1) voor de realisatie- en gebruiksfase zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. 4.4.2 Soortenbescherming Om inzicht te krijgen in het mogelijk voorkomen van beschermde soorten is in februari 2025 een quickscan ecologie4 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten op beschermde soorten niet direct uit te sluiten zijn. Op grond van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de uit te voeren activiteit schadelijke gevolgen heeft voor algemeen voorkomende soorten kleine zoogdieren.
Het betreft een vergunningsvrij geval en er is dus géén omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing. Aangezien er geen kwetsbare of bedreigde soorten binnen de invloedssfeer van de uit te voeren activiteit verwacht worden, zijn er ook geen aanvullende maatregelen nodig voor deze soorten om gevolgen van de uit te voeren activiteit te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Wel is de algemene zorgplicht van toepassing. Algemene broedvogels Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels om negatieve gevolgen voor deze soorten te voorkomen. Vleermuizen en gierzwaluwen Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van beschermde rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen niet worden uitgesloten. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd door Florauna Natuuradvies5. Het onderzoek heeft aangetoond dat er geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes van vleermuizen en geen jaarrond beschermde nesten van de huismus en gierzwaluw binnen het projectgebied aanwezig zijn. Er wordt echter wel geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren in overeenstemming met de specifieke zorgplicht (artikel 11.6 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving).
Dit kan door de volgende maatregelen te treffen: Sloopwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van half maar tot en met half juli, maar dit kan per soort en afhankelijk van de weersomstandigheden anders zijn. Werkzaamheden overdag uitvoeren gedurende de daglichtperiode, dus tussen zonsopkomst en zonsondergang. Geen nachtelijke bouwverlichting voeren tijdens de uitvoerfase. 3 Rho Adviseurs (maart, 2025), Stikstofmemo Schotsestraat – Hoofdstraat, Kaatsheuvel, Kenmerk: 20240281/145731/ 4 Florauna Natuuradvies (februari, 2025), Quickscan soortenbescherming herontwikkeling tussen Hoofdstraat en Schotsestraat Kaatsheuvel, Kenmerk: BUNT2303 5 Florauna Natuuradvies (februari, 2025), Aanvullend soortspecifiek onderzoek herontwikkeling tussen Hoofdstraat en Schotsestraat Kaatsheuvel, Kenmerk:
2024009
In de toekomstige fase rekening houden met foeragerende vleermuizen door de toe te passen verlichting zo laag mogelijk te realiseren en uitstraling naar de omgeving te voorkomen. In de ideale situatie wordt geen nachtelijke verlichting gevoerd of op beweging. Indien tijdens de werkzaamheden toch nog planten of dieren worden aangetroffen dienen de werkzaamheden per direct stilgelegd te worden en dient contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog om te bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Aanvullende memo soortenbescherming in verband met uitbreiding plangebied Recentelijk is door de initiatiefnemer van het plan Hoofdstraat-Schotsestraat te Kaatsheuvel ook een gedeelte van het perceel Hoofdstraat 97A ter plaatse van het autowascenter aangekocht. Deze was in oorspronkelijke onderzoeken wel al meegenomen, te weten: de quickscan uitgevoerd in 2023 en vernieuwd in 2025; het aanvullend onderzoek uitgevoerd door ons in 2024 en vernieuwd in 2025. Met de uitbreiding van het plangebied is de ecoloog verzocht om hier in het kader van de ecologische quickscan een aanvullende specifieke beoordeling voor op te nemen. In een memo behorend bij het TAM-omgevingsplan is deze ecologische beoordeling op basis van een nieuw veldbezoek d.d. 9 september 2025 bij droog en zonnig weer opgenomen. Gezien de verharding, de afwezigheid van een geschikte spouwmuur en een plat dak welke glad is afgewerkt zijn binnen de uitbreiding van het plangebied geen beschermde soorten of rode lijstsoorten te verwachten. De uitbreiding van het plangebied zorgt ten aanzien van het aspect soortenbescherming daardoor niet voor andere conclusies dan in deze paragraaf reeds beschreven. Conclusie Op basis van de quickscan, vervolgonderzoek en door het treffen van de genoemde maatregelen zijn belangrijke negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten.
4.5
Risico van zware ongevallen en rampen
Op basis van de risicokaart zijn rond het projectgebied geen relevante risicobronnen aanwezig (zie figuur 4-1). Het projectgebied bevindt zich niet in een PR 10-6 contour of aandachtsgebied van een risicobron. Met de ontwikkeling zelf wordt geen risicovolle bron mogelijk gemaakt. Het maaiveld bevindt zich op ruim 4 meter boven NAP. Er is daarom weinig kans op overstromingen ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Een belangrijk negatief effect op het risico van zware ongevallen en rampen is daarmee uitgesloten.
Figuur 4-1 Uitsnede kaart Externe Veiligheid met aanduiding projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving)
4.6
Luchtkwaliteit
Om aan te tonen dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt is de NIBM-tool ingevuld, zie onderstaande figuur. Uit de NIBM-tool blijkt dat de extra voertuigbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreinigende stoffen in de omgeving. De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en een belangrijk negatief effect is uitgesloten.
Figuur 4-2 invulling NIBM-tool
In het kader van gezondheid is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, hoort een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. De dichtstbijzijnde toetspunten bevinden zich aan de Bevrijdingsweg op circa 400 meter van het projectgebied. In onderstaande tabel zijn de maximale meetresultaten weergegeven. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar.
Tabel 4-1 Maximale meetresultaten (Bron: CIMLK)
Omgevingswaarde (kalenderjaargemiddeld)
Maximale waarden toetspunten CIMLK
Stikstof (NO2)
40 µg/m³
17,1 µg/m³
Fijn stof (PM10)
40 µg/m³
18,7 µg/m³
Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³
10,4 µg/m³
4.7
Cultuurhistorie en archeologie
4.7.1 Cultuurhistorie Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie ligt het projectgebied in het cultuurhistorisch landschap de Langstraat en niet in een archeologisch landschap. Het gebied is een middeleeuws veenontginningslandschap dat de sporen van de strijd tegen het water draagt. Het vertoont in het noorden sporen van dorpsverplaatsingen wegens klink in agrarisch ontgonnen veen; en wegens overstroming in en na 1421. Er zijn resten van oude turfvaarten maar ook recent gereconstrueerde veenwinningsgebieden. In het noorden ligt de Bergsche Maas, de in 1904 tot stand gekomen nieuwe monding van de Maas. Dit is een waterstaatkundig monument van nationaal belang. Door de realisatie werd het mogelijk om zowel de Beerse als de Baardwijkse Overlaat te sluiten. Bij de beoogde ontwikkeling Hoofdstraat - Schotsestraat zullen landschappelijke waarden en historische (lijn)elementen behouden blijven en niet worden aangetast. Er zal op een acceptabele manier rekening gehouden worden met omliggende provinciale cultuurhistorische waarden waarmee belangrijke negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. 4.7.2 Archeologie In het kader van de planvorming is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek6 uitgevoerd.
Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het projectgebied ligt in het lagere gedeelte van het dekzandlandschap, waar gedurende het Holoceen veen op is ontwikkeld. Dit veen is vanaf 1400 in de Late Middeleeuwen afgegraven, waarna vervolgens een plaggendek is aangebracht. Het zuidelijke deel van het projectgebied langs de Hoofdstraat maakte in ieder geval vanaf het midden van de 17e eeuw onderdeel uit van het lintdorp Kaatsheuvel. De huidige bebouwing is in de eerste helft van de 20e eeuw gebouwd. Het noordelijke deel van het projectgebied is lang in agrarisch gebruik geweest. In 1954 is hier de schoenenfabriek van de familie Vesters gebouwd. Vervolgens is de fabriek meerdere malen uitgebreid en in 1972 gesloten. Voor de top van de dekzandafzettingen geldt een middelhoge tot lage archeologische verwachting voor het (Late)Paleolithicum tot en met de Bronstijd. Voor het zuidelijke deel van het projectgebied geldt een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen (na 1400) en de Nieuwe tijd. Deze archeologische waarden worden vanaf het maaiveld in het plaggendek verwacht. Voor de overige perioden geldt een lage archeologische verwachting. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw binnen het projectgebied bestaat uit een plaggendek van 55 tot 100 cm dik. Dit plaggendek ligt vervolgens op een dunne laag van dekzand van 30 tot 50 cm.
Hieronder bestaat de bodemopbouw uit matig tot sterk zandige leem. Binnen vrijwel het gehele projectgebied is de bodemopbouw vanaf het maaiveld tot circa 50 à 150 cm diep recentelijk verstoord aanwezig. Alleen in het zuidelijke deel van het projectgebied is er in één boring geen recentelijke verstoringen waargenomen. Slechts binnen twee boringen is de onderkant van de B-horizont van de oorspronkelijke bodem in de top van het dekzand intact aangetroffen. Omdat deze twee boringen aan weerzijden van de voormalige schoenfabriek zijn gezet, vormen deze twee boringen echter geen aaneengesloten terreindeel waar (de onderkant van) de Bhorizont intact aanwezig kan zijn. Binnen de overige boringen is de oorspronkelijke bodem in de top van het dekzand opgenomen in het plaggendek of recentelijk verstoord.
6 Econsultancy (september, 2025), Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Schotsestraat/Hoofdstraat in Kaatsheuvel, Rapportnummer: 21997.001
Omdat er geen aaneengesloten terreindeel binnen het projectgebied aanwezig is waar de top van de dekzandafzettingen (deels) intact aanwezig is, kan worden geconcludeerd dat de mogelijk aanwezige archeologische waarden uit de perioden (Late-)Paleolithicum tot en met de Bronstijd niet meer in situ aanwezig zijn. Daarnaast betekent het relatief ondiep voorkomen van de leemlagen, dat het projectgebied zeer hoge grondwaterstanden heeft gekend. Hierom zal het geen geschikte (tijdelijke) vestigingslocatie zijn geweest. Daarom kan de archeologische verwachting voor deze perioden worden bijgesteld naar laag. In het zuidelijke deel van het projectgebied zijn twee boringen gezet. Binnen één boring is het plaggendek intact aanwezig. Binnen de andere boring is tot 50 cm diepte een verstoorde laag met veel baksteen aangetroffen. Het kan hier gaan om een recente verstoring, maar de verstoring kan ook gerelateerd zijn aan een erfinrichting. Om deze rede blijft de hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen (na 1400) en de Nieuwe tijd binnen dit deel van het projectgebied gelden, in het bijzonder voor een historisch erf. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het huidige maaiveld binnen dit deel van het projectgebied, is vervolgonderzoek noodzakelijk.
Omdat resten van historische bewoning niet goed met booronderzoek op te sporen zijn, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het projectgebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Met deze werkwijze kan een belangrijk negatief effect op archeologische waarden in de grond uitgesloten worden. Om dit te borgen zal in de regels van voorliggend TAMomgevingsplan een activiteit 'Waarde - Archeologie' opgenomen worden.
4.8
Risico’s voor de menselijke gezondheid
Een groot aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en geurhinder. Uit de voorgaande paragrafen wordt ook duidelijk dat binnen het projectgebied geen sprake is van een onaanvaardbare milieubelasting en met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van belangrijke negatieve effecten op de risico’s van de menselijke gezondheid.
4.9
Bouwwerkzaamheden
Voor de aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkeling kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Op het gebied van stikstof zijn de aanlegwerkzaamheden meegenomen in het onderzoek en blijkt dat dit geen belangrijk negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het project kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
5. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de kenmerken van het project, de plaats en de kenmerken van de milieueffecten geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht.
86/695
Bijlage 4
87/695
Memo stikstofdepositie
- MEMO DATUM KENMERK VAN
10 oktober 2025 20240281/145731/ M. van der Wielen/ B.J. Versteeg
PROJECT OPDRACHTGEVER BIJLAGE(N)
20240281 Schotsestraat - Hoofdstraat Kaatsheuvel De Bunte Vastgoed Zuid B.V.
STIKSTOFMEMO SCHOTSESTRAAT – HOOFDSTRAAT KAATSHEUVEL
1. INLEIDING De initiatiefnemer is voornemens om aan de Schotsestraat - Hoofdstraat te Kaatsheuvel de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en in plaats hiervan 118 woningen en 5 bedrijfsunits in een bedrijfsverzamelgebouw van in totaal circa 880 m2 bvo te realiseren. De beoogde herontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Omgevingswet, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied ‘Langstraat’ en het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. De minimale afstand van deze Natura 2000-gebieden tot het plangebied bedraagt 1,7 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 1 Ligging plangebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebied
Met het rekenmodel Aerius (versie 2025) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De berekeningen zijn opgenomen als aparte bijlagen bij deze memo.
2. TOETSINGSKADER Omgevingswet De aanwijzing en bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. Elk Natura 2000-gebied is aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit door middel van een aanwijzingsbesluit. Het aanwijzingsbesluit bepaalt voor welke soorten en habitats het gebied wordt aangewezen, welke instandhoudingsdoelen gerealiseerd moeten worden (behoud, herstel, uitbreiding) en de exacte begrenzing van het gebied. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan worden opgesteld, waarin maatregelen zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Beheerplannen worden in de meeste gevallen vastgesteld door de Provincie. In het beheerplan kan ook worden bepaald welke activiteiten in het gebied zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Schadelijke effecten op de aanwezige natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen moeten daarbij uitgesloten zijn. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de beschermingszones zijn aangewezen.
● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. ● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000-gebieden) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een ecologische beoordeling noodzakelijk.
Hersteldoelen Verschillende provincies hebben voor een aantal natuurgebieden zogenoemde hersteldoelen vastgesteld. Dit zijn habitats die op dit moment in bepaalde delen van het gebied niet meer aanwezig zijn, maar waarvan het doel is om deze op dezelfde locatie terug te brengen. Bij de AERIUS berekening is het mogelijk om ook een berekening uit te voeren op deze hersteldoelen. Bij de rekenresultaten komt hiervoor een aparte weergaveoptie beschikbaar genaamd ‘hexagonen met hersteldoel’. Deze uitdraai wordt opgenomen in de bijlage en de uitkomst wordt betrokken bij de conclusie van deze memo.
2/7
3. UITGANGSPUNTEN Realisatiefase Voor de werkzaamheden is rekenjaar 2026 gebruikt. Naarmate de werkzaamheden verder in de toekomst liggen, worden de emissies ten gevolge van transportbewegingen lager, omdat het rekenmodel uitgaat van toepassing van schonere technieken in de toekomst. Gedurende de sloop- en realisatiefase is er sprake van inzet van materieel (zoals graafmachines en kranen) en transporten. Op basis van vergelijkbare projecten en plannen wordt uitgegaan van de inzet van machines en verkeersbewegingen, zie tabel 1 tot en met 3. Het gaat om zowel belaste als stationaire uren. Het brandstofverbruik (l/uur) is gebaseerd op de Instructie gegevensinvoer Aerius 2025. Hierin is de volgende formule opgenomen: B =0.095* Pmax +0.54. Hierbij is B het brandstofverbruik in l/uur en Pmax het maximale vermogen van het werktuig [kW]. De formule is afkomstig uit het AUB rapport van TNO1 en is een algemene schatting voor een gemiddelde belasting over alle vermogensklassen. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. De inzet van het materieel is evenredig verdeeld over de betreffende locatie en is ingevoerd als vlakbron. Tabel 1 Materieel inzet sloop
Stageklasse
Duur inzet (uren)
Type materiaal Hydraulische kraan 60 ton Graafmachine Totaal
IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW
115 115 230
Gemiddeld verbruik (liter/uur) 12 10
Verbruik totaal (liter) 1.380 1.150 2.530
AdBlue verbruik (liter/jaar) 82 69 151
Voor de sloop wordt uitgegaan van 480 lichte verkeersbewegingen en 200 zware verkeersbewegingen. Tabel 2 Materieel inzet realisatie 96 appartementen
Type materiaal Boorstelling Betonpomp Graafmachine Mobiele kraan Shovel Verreiker Tractor Totaal 75-560 kW 1 Ligterink et al 202121
3/7
Stageklasse
AdBlue verbruik
Duur inzet (uren)
Gemiddeld verbruik (liter/uur)
Verbruik totaal (liter)
IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW
192 80 480
10 12 10
1.920 960 4.800
115 58 288
450
12
IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 100 kW
100 64 64 1.430
12 10 10
5.400 1.200 640 640 15.560
324 72 38 38 933
Trilplaat Totaal < 56 kW
2-takt benzine, 10 kW IV, 2014-2018 56-75 kW
32 32
1
32 32
-
Onvoorzien
IV, 2014-2018, 100 kW
50
10
500
30
Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van 6.816 lichte verkeersbewegingen, 476 middelzware bewegingen en 1.856 zware verkeersbewegingen. Tabel 3 Materieel inzet realisatie 16 woningen en 5 bedrijfsunits
Type materiaal
Stageklasse
Duur inzet (uren) 126 32 180 300 40 40 718
Gemiddeld verbruik (liter/uur) 10 12 10 12 10 10
Verbruik totaal (liter) 1.260 384 1.800 3.600 400 400 7.844
AdBlue verbruik
Boorstelling Betonpomp Graafmachine Mobiele kraan Verreiker Tractor Totaal 75-560 kW
IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 100 kW
Trilplaat Totaal 56-75 kW
2-takt benzine, 10 kW
28 28
1
28 28
-
Onvoorzien
IV, 2014-2018, 100 kW
50
10
500
30
76 23 108 216 24 24 471
Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van 210 lichte verkeersbewegingen, 22 middelzware bewegingen en 84 zware verkeersbewegingen. In het totale plan zijn er naar verwachting ook circa 3.753 koude starts van licht verkeer aan de orde. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. Fasering Dit plan wordt gefaseerd ontwikkeld. In totaal zal de sloop tot en met het woonrijp maken circa 46 maanden in beslag nemen. In een stikstofonderzoeken dienen de maatgevende 12 maanden als uitgangspunt genomen te worden. Naar verwachting zijn dit de eerste 12 maanden van het bouwplan (rekenjaar 2026), waarin de sloopfase en het bouwrijp maken plaatsvindt (6 maanden) en de start van de bouwfase van het zuidelijk deel van het plangebied (fase 1). Het gaat in dit zuidelijk deel om 31 woningen die in circa 18 maanden worden gerealiseerd. De eerste 6 maanden van deze 18 maanden (factor 0,33) maken dus deel uit van de maatgevende periode van 12 aaneengesloten maanden. Aangenomen wordt dat de volledige sloop en 75% van het grondverzet (shovel en graafmachine) in de maatgevende periode plaatsvindt. Voor de overige inzet is uitgegaan van 0,33 x 24/96 = 1/12e deel van de inzet van tabel 2 en 0,33 x 7/16e = 7/48e deel van tabel 3.
Hierbij is de factor 0,33 dus toegepast voor de eerste 6 maanden van 18 maanden en de factor 24/96 en 7/16 heeft betrekking op het aantal woningen van fase 1 dat deel uitmaakt van het gehele project.
4/7
De emissie in de maatgevende periode is daarmee weergegeven in tabel 4. Tabel 4 Materieel inzet maatgevende periode (2026)
Stageklasse Type materiaal
Duur inzet (uren)
Verbruik totaal (liter) 1.380 1.150 2.530
AdBlue verbruik (liter/jaar) 82 69
Hydraulische kraan 60 ton Graafmachine Totaal
IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW
Boorstelling Betonpomp Graafmachine Mobiele kraan Shovel Verreiker Tractor Totaal 75-560 kW
IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 120 kW IV, 2014-2018, 100 kW IV, 2014-2018, 100 kW
34 11 495 81 75 11 11 723
10 12 10 12 12 10 10
340 132 4.950 972 900 110 110 7.514
20 8 297 59 54 7 7 452
Trilplaat Totaal < 56 kW
2-takt benzine, 10 kW IV, 2014-2018 56-75 kW
11 11
1
11 11
-
Onvoorzien
IV, 2014-2018, 100 kW
11
10
114
7
10.229
610
Totaal
115 115 230
Gemiddeld verbruik (liter/uur) 12 10
975
151
Voor het sloop- en bouwverkeer is eenzelfde verdeling gemaakt. Al het sloopverkeer is meegenomen in de maatgevende fase. Het gaat om 480 lichte verkeersbewegingen en 200 zware verkeersbewegingen op jaarbasis. Daarnaast is het vrachtverkeer naar rato (vergelijkbaar als bij de mobiele werktuigen) meegenomen voor de bouwfase van 6 maanden. Het gaat per saldo om 588 lichte verkeersbewegingen, 43 middelzware bewegingen en 167 zware bewegingen. Dit is worst-case opgehoogd naar 1.200 lichte verkeersbewegingen, 100 middelzware bewegingen en 400 zware bewegingen. Voor stationair draaiende wegvoertuigen en het manoeuvreren van wegvoertuigen is er in de berekening ook een vlakbron (categorie ‘Anders’) opgenomen t.b.v. de emissie NOx en NH³. Hierbij is de methode gehanteerd die in de “Instructie gegevensinvoer” van BIJ12 staat beschreven. Voor de emissiecijfers kan er gebruik gemaakt worden van de cijfers in de tabel die is opgenomen in de bijlage van deze instructie (Bijlage 1: Stationaire emissies wegverkeer) Wanneer zware en middelzware motorvoertuigen gemiddeld 10 minuten per keer stationair draaien ontstaan de onderstaande emissies. (Middelzwaar= 43/2 * 10/60 = 4 uur en zwaar = 367/2 * 10/60 = 31 uur) Middelzware motorvoertuigen: 0,72 * 4/1000 = 0,003 NH³ 61 * 4/1000 = 0,24 NOx/jaar
5/7
Zware motorvoertuigen: 1 * 31/1000 = 0,03 NH³ 77,7 * 31/1000 = 2,4 kg NOx/jaar Verkeersafwikkeling realisatiefase Het verkeer wikkelt af via de Schotsestraat en Verzetstraat naar de Bevrijdingsweg. Op de Bevrijdingsweg gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is het rekenjaar 2030 gebruikt. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 112 woningen en 5 bedrijfsunits van in totaal circa 880 m2 bvo. De beoogde ontwikkeling krijgt geen gasaansluiting, zodoende is in de beoogde situatie geen sprake van directe emissies vanuit het plan. De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-netwerk worden in de gebruiksfase bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers afkomstig uit CROW-publicatie 744 ‘parkeercijfers 2024’. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Loon op Zand een stedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’ aangehouden. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als ‘centrum’. Ten slotte is worst-case het maximum van de bandbreedte aangehouden.
In tabel 5 is de verkeersgeneratie weergegeven. Tabel 5 Verkeersgeneratie plangebied beoogde situatie
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 668,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Tevens is rekening gehouden met 7,4 middelzware vrachtwagens per etmaal. Dit aantal is opgebouwd uit 0,02 vrachtwagen per woning en voor het bedrijfsverzamelgebouw is aanvullend rekening gehouden met 10% vrachtverkeer. In de berekening zijn ook 334 koude starts van licht verkeer per etmaal opgenomen. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. Om die reden wordt ervan uitgegaan dat voor het vrachtverkeer geen sprake is van koude starts, aangezien deze binnen 2 uur het plangebied weer verlaten. Worst-case is ook rekening gehouden met 5 uur aan stationaire emissies op jaarbasis. De emissiefactoren anno 2030 bedragen 59,1 gram NOx/jaar en 0,91 gram NH3/jaar. Per saldo komt dit neer op 0,3 kg NOx/jaar en 0,005 kg NH3/jaar.
6/7
Vrachtverkeer zal normaal gesproken kortstondig stilstaan en veel modern vrachtverkeer is uitgerust met een start-stopsysteem. Verkeersafwikkeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. In de onderstaande figuur is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven. Op deze wegen gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Voor de verkeersverdeling zijn de volgende uitgangspunten gedaan: 80% van het lichte verkeer en 100% van het zware verkeer ontsluit in noordelijke richting (Bevrijdingweg-Belgiëstraat). Op deze rotonde gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. 20% van het lichte verkeer ontsluit in zuidelijke richting. Vanaf daar gaat de helft van het verkeer in zuidelijke richting en de andere helft in westelijke richting. Bij de eerstvolgende splitsing of kruising zal het verkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld. Gecombineerde gebruiksfase en bouwfase De maatgevende periode van 12 aaneengesloten maanden kan ook aan de orde zijn in de laatste fase van het project, waarin al een groot gedeelte van de woningen is opgeleverd. Om die reden is ook voor de gecombineerde fase een berekening gemaakt voor het rekenjaar 2029.
Voor deze fase is ervan uitgegaan dat reeds 75% van de verkeersaantrekkende werking van de gebruiksfase uit 2030 aan de orde is en 1/6e deel van de emissie uit de bouwfase van het gehele plan nog optreedt (excl. sloop en grondverzet). Dit zal een overschatting zijn van de werkelijke stikstofemissies, omdat bij de afbouw (de laatste fase tijdens de bouw) in het algemeen relatief weinig stikstofemissie vrijkomt.
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2025) voor de realisatie- en gebruiksfase en gecombineerde fases blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het plan is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
7/7
Bijlage 5
95/695
Stikstofberekening aanlegfase
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs -, -Schotsestraat - Hoofdstraat Kaatsheuvel Realisatiefase 2025 Schotsestraat - Hoofdstraat Kaatsheuvel
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Ribmveatv8Wh 10 oktober 2025, 15:35 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
Ribmveatv8Wh (10 oktober 2025)
2026 -
2,5 kg/j
63,2 kg/j
2/8
Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 1 3 4 5
Mobiele werktuigen | Mobiele werktuigen grondverzet en bouw Anders... | Stationaire emissies wegverkeer Verkeer | Koude start: overig | Koude starts Mobiele werktuigen | Sloopmaterieel Verkeersnetwerk
Ribmveatv8Wh (10 oktober 2025)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
1,8 kg/j 30,0 g/j 22,7 g/j 0,6 kg/j 23,3 g/j
44,3 kg/j 2,6 kg/j 0,1 kg/j 15,2 kg/j 1,0 kg/j
3/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). Ribmveatv8Wh (10 oktober 2025)
4/8