Bijlage 5.3 Bijlagen bij de toelichting_8-13
Tekst van het document
Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen.
Late Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen.
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen.
Uit de landschappelijke ligging in een gebied met dekzandwelvingen blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied echter uitsluitend sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Nieuwe tijd. Dit kan echter ook samenhangen met het beperkt aantal archeologische onderzoeken dat in de omgeving van het plangebied is uitgevoerd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te
21808.001 versie 1
17 / 23
vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 37 De basis van het moer dateert waarschijnlijk van het Bølling, hierdoor zouden er resten uit het Laat-Paleolithicum in het plangebied te verwachten zijn. Het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode (Laat-)Paleolithicum. Doordat het plangebied in het Mesolithicum ver van een voor jagers-verzamelaars gunstige gradiënt naar (stromend) water is het plangebied landschappelijk niet goed geschikt. Deze landschappelijke informatie en het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een lage archeologische verwachtingswaarde voor de periode (Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.
Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.38 Vanwege de ligging in een gebied met dekzandwelvingen was het plangebied voor landbouwers uit het Neolithicum en de Bronstijd een geschikte locatie, maar door de vernatting die langzaam begon op te treden nam deze geschiktheid gedurende met name de Bronstijd af. Op basis van het ontbreken van archeologische vondsten geldt voor het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd. Voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. Eventuele archeologische resten uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen zouden in dit veenpakket kunnen zijn achtergebleven, maar door het turfsteken vanaf de Late Middeleeuwen zullen deze resten zijn verdwenen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.
In de Late Middeleeuwen is het veen in het gebied ontgonnen maar volgens het historisch kaartmateriaal is het pas in de eerste helft van de 20 e eeuw in agrarisch gebruik genomen, hiervoor was het heide. Het is zeer waarschijnlijk dat het heidegebied na de veen winning is ontstaan, als het in agrarisch gebruik zou zijn genomen dat zou dat in de 19e eeuw ook nog het geval zijn. De archeologische verwachting voor de perioden Late- Middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom laag. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten uit het (Laat-)Paleolithicum, Neolithicum en Bronstijd is middelhoog, voor de andere archeologische perioden is deze laag. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden direct beneden het maaiveld verwacht en lopen meestal door tot circa 50 cm -mv, hoewel ook diepere sporen (zoals paalsporen en waterputten) kunnen voorkomen. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen in natte en zuurstofloze
37 38
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.
21808.001 versie 1
18 / 23
condities over het algemeen goed zijn geconserveerd. 39 Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als veenontginningsgebied, heide, akker, weiland en is deels bebouwd. Daarnaast hebben in het plangebied saneringen van ondergrondse tanks plaats gevonden en is een deel mogelijk geëgaliseerd. Door veenwinning, ontginningswerkzaamheden, ploegen en bouw- en sloopactiviteiten en saneringen van ondergrondse tanks kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. De basis van het moer dateert waarschijnlijk van het Bølling, hierdoor zouden er resten uit het Laat-Paleolithicum in het plangebied te verwachten zijn. Het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode (Laat-)Paleolithicum. Doordat het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen ligt, het Mesolithicum ver van een voor jagersverzamelaars gunstige gradiënt naar (stromend) water is het plangebied landschappelijk niet goed geschikt. Deze landschappelijke informatie en het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een lage archeologische verwachtingswaarde voor de periode (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum. Vanwege de ligging op een dekzandwelvingen was het plangebied voor landbouwers uit het Neolithicum en de Bronstijd een geschikte locatie, maar door de vernatting die langzaam begon op te treden nam deze geschiktheid gedurende met name de Bronstijd af. Op basis van het ontbreken van archeologische vondsten geldt voor het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd.
Voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. Eventuele archeologische resten uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen zouden in dit veenpakket kunnen zijn achtergebleven, maar door het turfsteken vanaf de Late Middeleeuwen zullen deze resten zijn verdwenen. In de Late Middeleeuwen is het veen in het gebied ontgonnen maar volgens het historisch kaartmateriaal is het pas in de eerste helft van de 20e eeuw in agrarisch gebruik genomen, hiervoor was het heide. Het is zeer waarschijnlijk dat het heidegebied na de veen winning is ontstaan, als het in agrarisch gebruik zou zijn genomen dat zou dat in de 19e eeuw ook nog het geval zijn. De archeologische verwachting voor de perioden Late- Middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom laag.
39
Kars & Smit, 2003.
21808.001 versie 1
19 / 23
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 april 2023 door De heer drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 25 april 2023. Het gehele plangebied was toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied in een verspringend 40x50 m grid gezet. Plaatselijk is van dit grid afgeweken vanwege de aanwezigheid van (niet met de hand verwijderbare) verharding en gebouwen. Tijdens het veldwerk kon een deel van de geplande 22 boringen niet doorgezet worden tot in de natuurlijke ondergrond. Boringen 1, 2 en 3 zijn op 0,5 à 0,6 m -mv gestuit op puin- en verhardingslagen. Boring 4 kon niet geplaatst worden vanwege de aanwezigheid van niet met de hand (klinkerlichter) te verwijderen klinkers. Boring 5 is op 1,7 m -mv gestuit op een puinlaag en boring 10 op 0,15 m -mv. Bij al deze boringen is op minstens 2 plekken in de directe omgeving van de betreffende boring getracht een vervangende boring te plaatsen, maar dit is niet gelukt.
21808.001 versie 1
20 / 23
In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en zandguts (diameter 2 cm) 21 boringen tot maximaal 1,7 m -mv gezet (zie kaart 17) De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.40 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS.
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 7 weergegeven. Wat betreft de bodemopbouw kan onderscheid gemaakt worden tussen het grotendeels verharde bedrijventerrein in het westen en de schapenweide in het oosten. Bedrijventerrein De boringen 1-10 zijn binnen dit deel geplaatst. Zoals gezegd konden hiervan de boringen 1-5 en 10 niet worden doorgezet tot in de natuurlijke ondergrond. In de overige boringen is op een diepte variërend tussen 0,75 en 0,95 m -mv (5,9 à 6,0 m NAP) een pakket lichtgrijs, matig fijn, zwak siltig, slecht gesorteerd zand aangetroffen, waarin soms wat fijn grind aanwezig was. Dit betreft een pakket verspoeld dekzand, kenmerkend voor lagere delen van het dekzandlandschap, die over het algemeen weinig geschikt waren voor bewoning. Er is geen restant van een podzolbodem aangetroffen en de bodem is verstoord tot in de C-horizont. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat een lage verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten. Hierboven is een sterk gevlekt pakket lichtgrijs en/of donkergrijs, al dan niet humeus, matig fijn, matig tot sterk siltig zand aanwezig, dat een verstoord pakket betreft. In de meeste boringen bevat dit pakket enkele tot veel fragmenten recent puin. Dit pakket is ook in de gestuite boringen aangetroffen.
In een deel van de boringen loopt dit pakket naar boven toe tot aan het maaiveld, dan wel direct onder de klinkerverharding. In de boringen 5-10 is hierboven nog een maximaal 60 cm dik pakket lichtgrijs bouwzand aanwezig. In de gestuite boringen 1-5 loopt het verstoorde pakket door tot 0,5 à 1,6 m -mv (4,7 à 6,0 m NAP). In de overige boringen bevindt de C-horizont zich op 5,9 à 6,0 m NAP. Gezien deze vergelijkbare diepte, en omdat de verwachting is dat de verstoring in de gestuite boringen nog dieper doorloopt dan de maximale boordiepte, wordt verwacht dat ook in de gestuite boringen 1-5 de bodem tot in de C-horizont verstoord is. De aard van het dekzand kan niet worden bepaald in deze boringen. De kans is aanwezig dat hier ook sprake is van verspoeld dekzand, omdat dit het enige is dat tijdens het onderzoek is aangetroffen. Indien toch sprake is van dekzandkopjes, of 40
Bosch, 2005.
21808.001 versie 1
21 / 23
hogere delen van de dekzandwelvingen, zou het dekzand van nature een hogere ligging hebben, wat in dit geval betekent dat een groter deel van het dekzandpakket op deze locaties reeds verstoord zou zijn. Boring 10 is reeds op 0,15 cm -mv gestuit. Hier kan op basis van deze boring niet worden vastgesteld hoe diep de bodem verstoord is. In de omliggende boringen 6-9, 11 en 15 is de bodem tot 0,5 à 0,95 m -mv (5,7 à 6,1 m NAP) verstoord. Vermoed wordt dat dit ook in boring 10 het geval zal zijn. Op basis van het booronderzoek geldt een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten, vanwege de ligging in verspoeld dekzand en/of de verstoring tot in de C-horizont. Schapenweide In dit deel zijn de boringen 11-22 geplaatst. De natuurlijke ondergrond bestaat uit een pakket licht(geel)grijs, matig fijn, zwak siltig, slecht gesorteerd zand, soms met wat fijn grind. Ook hier is sprake van verspoeld dekzand dat verstoord is tot in de C-horizont. In een deel van de boringen is bovenin een 5 tot 25 cm dik, lichtbruingrijs laagje met wat roestvlekken aangetroffen, duidend op ondiepe grondwaterstanden. De top van het dekzand bevindt zich op 0,4 à 0,6 m -mv (5,5 à 6,4 m NAP). In de boringen 12, 18 en 19 is boven het dekzand een enkele decimeters dik laagje donkergrijs zand met veel lichtgrijze vlekken of lichtgrijs zand met donkergrijze vlekken aangetroffen.
De top hiervan bevindt zich op 0,2 à 0,5 cm -mv (5,6 à 6,1 m NAP). In de boringen 20-22 is donkergrijs zand met veel lichtgrijze vlekken aanwezig dat naar boven doorloopt tot aan het maaiveld. In al deze boringen betreft het een pakket waarin de lichtgrijze Chorizont vermengd is geraakt met de humeuze bovengrond, als gevolg van vergraving of ploegen. In de boringen 11-19 bestaat de bovenste 0,3 à 0,5 cm uit donkerbruingrijs, matig humeus, matig siltig, matig fijn zand met grijze vlekken. Dit betreft een verstoord pakket, vermoedelijk gerelateerd aan de omvorming van het heidegebied naar weiland in de 20e eeuw. Gezien de aanwezigheid van verspoeld dekzand, evenals de verstoring tot in de C-horizont kan ook aan dit deel van het plangebied een lage verwachting toegeschreven worden. Op basis van informatie geleverd door de heer Vermeulen zouden zich mogelijk resten uit het Laat-Paleolithicum (Allerød) in het plangebied kunnen bevinden. Op basis van het booronderzoek wordt de verwachting echter laag geacht. In het laatste millenium van het Weichselien (de periode na de Allerød) zijn namelijk vooral dekzandhoogtes ontstaan en in de lagere gebieden (gekenmerkt door verspoelde dekzanden) is de sedimentatie gering geweest. Een eventuele laag uit de Allerød zou daarom dichter onder het maaiveld moeten liggen.
Tijdens het booronderzoek is tot maximaal 65 cm in de top van de C-horizont geboord, waarbij een dergelijke laag niet is aangetroffen. Bovendien geeft dhr. Vermeulen aan dat de vondsten uit deze periode uitsluitend bestaan uit losse vondsten op de hogere delen van de dekzandruggen, een heel andere situatie dan in het plangebied. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische
21808.001 versie 1
22 / 23
trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van het veldonderzoek kan de verwachting worden bijgesteld naar laag.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor het LaatPaleolithicum, Neolithicum en de Bronstijd gekregen en een lage verwachting voor de overige archeologische perioden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de bodem in het gehele plangebied is verstoord tot in de C-horizont. Op het bedrijventerrein (westen plangebied) loopt de verstoring door tot 0,75 à 0,95 m -mv (5,9 à 6,0 m NAP). Een deel van de boringen is gestuit op puin of verharding, maar op basis van extrapolatie met omliggende boringen en het vergelijken van de NAP-waarden, wordt verwacht dat de bodem ook in de gestuite boringen is verstoord tot in de C-horizont. In de schapenweide is de bodem tot 0,4 à 0,6 m -mv (5,5 à 6,4 m NAP) verstoord. De natuurlijke ondergrond bestaat uit verspoeld dekzand, in het zuidoosten met roestvlekken. Dergelijke afzettingen zijn kenmerkend voor lager gelegen gebieden met vaak vochtige omstandigheden. Op basis van de verstoring en de aanwezigheid van verspoeld dekzand, wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente GemeenteX), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente GemeenteX wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
21808.001 versie 1
23 / 23
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bazelmans, J.G.A., D. Meier), A. Nieuwhof, T. Spek & P. Vos (red.), 2011: Atlas van Nederland in het Holoceen: Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam. Beckers, I.S.J. & J.M. Blom, 2011: Middelstraat tussen nr. 10 en nr. 14 te De Moer (gemeente Loon op Zand). Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC Rapport 2872. Amersfoort. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bos, P.A. van den, 2012: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. De Hooivork II, De Moer, Gemeente Loon op Zand. IDDS Archeologie rapport 1382. Noordwijk. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). GEOFOX BV, 1996a: Rapport Verkennend Bodemonderzoek (Volgens NVN 5740) op het terrein aan de Middelstraat 10 te De Moer. Projectnummer: 75791. Eindhoven. GEOFOX BV, 1996b: Rapport Nader Bodemonderzoek op het terrein aan de Middelstraat 10 te De Moer. Projectnummer: 75792. Eindhoven. Hessing, W.A.M., K. Klerks, M. Simons en R.J.J. Quak, 2011: Archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught.
Verantwoording van, en toelichting op, de inventarisatie en het verwachtingsmodel. Vestigia rapport V834. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Woudrichem.
21808.001 versie 1
1/4
Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 44 Oost, Oosterhout. Wageningen. Verschuren G., 2022: De moeren van Loon. Een historisch-ecologisch en historisch-geografisch onderzoek van de moeren in Loon op Zand over de perioden vóór 1100, 1200-1600 en 1620-1832. Dit onderzoek is eerder gepubliceerd in JAARBOEK STRAET & VAERT 2020 en 2021. Uitgave: Heemkundekring Loon op ’t Sandt Vos, P., M. Meulen, H. van Weerts, J. Bazelman, B. Hoogendoorn & M. van der Meulen, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
21808.001 versie 1
2/4
BRONNEN Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2023. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, april 2023 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabant.nl; internetsite, april 2023. https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, april 2023. NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘ https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000, internetsite, april 2023. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0. Dinoloket; internetsite, april 2023. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2023. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, april 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35.
Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2023. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsrapportage, internetsite, april 2023. https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/ Openbasiskaart.nl, internetsite, april 2023. https://www.openbasiskaart.nl/
21808.001 versie 1
3/4
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, april 2023. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, april 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Reliwiki; internetsite, april 2023. https://reliwiki.nl/index.php/De_Moer,_Middelstraat_28_-_Joachim Ruimingskaart; internetsite, april 2023. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, april 2023. https://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, april 2023. http://geoloket.provincieantwerpen.be/HTML5_251_NL/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371183.1034793,6619826.820527,643298. 9241744,6793491.748791,102100 VEO Bommenkaart; internetsite, april 2023. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
21808.001 versie 1
4/4
KAARTEN
Kaart 1.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000)
Kaart 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Kaart 3.
Het plangebied op een luchtfoto uit 2022
Kaart 4.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidsadvieskaart
Kaart 5.
Het plangebied op paleogeografische kaarten
Kaart 6.
Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland
Kaart 7.
Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3)
Kaart 8.
Het plangebied op de bodemkaart
Kaart 9.
Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied
Kaart 10.
Het plangebied op de Kadastrale minuut 1811-1832
Kaart 11.
Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) 1870
Kaart 12.
Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) 1920
Kaart 13.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1936
Kaart 14.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1959
Kaart 15.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1969
Kaart 16.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1981
Kaart 17.
Boorpuntenkaart
BIJLAGEN
Bijlage 1.
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Bijlage 2. Zaaknummer (OMnummer) 2266415100 (38186)
2292805100 (41841)
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
Direct ten westen van het plangebied Hooivork te Loon op Zand Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 129283/404093
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 2009-12-01 Resultaat: Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het laat-paleolithicum tot de bronstijd. Voor resten uit latere perioden geldt een lage verwachting. De uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland toont aan dat veruit het gehele plangebied is afgegraven. De kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten is derhalve laag. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is geadviseerd om binnen het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren dat tot doel heeft om vast te stellen of de ontgravingswerkzaamheden hier inderdaad tot de (volledige) teloorgang van archeologische resten geleid hebben. Indien hierbij blijkt dat delen van de bodem toch nog deels intact zijn, dient ook hierop alsnog karterend booronderzoek te worden uitgevoerd conform de minimum eisen voor karterend booronderzoek van de provincie Noord-Brabant. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 2010-06-08 Resultaat: ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek, teneinde de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen.
De boringen dienen in een 20 x 25 m verspringend grid gezet te worden met een 15 cm boor. De inhoud wordt gezeefd over een 5 mm zeef. De boringen dienen tot 30 cm in het Oude dekzand te worden gezet (ca. 80 cm onder maaiveld) De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) of Programma van Eisen (PvE). Het verdient aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
Direct ten westen van het plangebied Hooivork te Loon op Zand Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 129314/404138
2341234100 (48383)
Direct ten westen van het plangebied Middelstraat Tussen Nrs 10 En 14 te Loon op Zand Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 129333/403995
2363478100 (51256)
Direct ten westen van het plangebiedhet plangebied De Hooivork te Loon op Zand Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 129281/404101
4718042100
355 meter ten zuidwesten van het plangebied te Moer, De Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 128989/403918
De gemeente Loon op Zand neemt het selectieadvies van ADC niet over omdat zij van mening is dat een dergelijk onderzoek geen aanvullende informatie zal opleveren. Hoewel zij de verwachting voor het plangebied als laag beschouwen, is vooralsnog te weinig informatie beschikbaar over dit gebied, en vergelijkbare gebieden in de gemeente Loon op Zand om een dergelijke verwachtingswaarde goed te kunnen beoordelen. Om meer inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het terrein is besloten de graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren. Formeel is op het plangebied een negatief selectiebesluit van toepassing (geen verder onderzoek). De archeologische begeleiding heeft tot doel te controleren of er inderdaad geen behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE). Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 2011-09-13 Resultaat: ADC ArcheoProjecten adviseert daarom het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Hieruit is gebleken dat de ondergrond van het plangebied uit dekzand bestaat. In boringen 1 en 5 is een omgewerkte BC-horizont aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied is de bodem tot in de C-horizont verstoord geraakt. Omdat alleen in het gebied rond boringen 1 en 5 een potentieel sporenniveau aanwezig kan zijn en de top van dit niveau is omgewerkt is een eventuele archeologische vindplaats verstoord geraakt. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 2012-04-03 Resultaat: Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseert IDDS Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek voor het plangebied. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2019-06-25 Resultaat: Of het in het Paleolithicum en Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars is moeilijk vast te stellen door het ontbreken van landschappelijke informatie. Het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een lage archeologische verwachtingswaarde. Vanwege de ligging op een dekzandrug was het plangebied een voor landbouwers uit het
4718050100
355 meter ten zuidwesten van het plangebied te Moer, De Gemeente Loon op Zand Coördinaat: 128989/403918
Neolithicum en de Bronstijd een geschikte locatie, maar door de vernatting die langzaam begon op te treden nam deze geschiktheid gedurende met name de Bronstijd af. Op basis van het ontbreken van archeologische vondsten geldt voor het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd. Voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 1500 en 500 voor Chr. onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. In de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen en het gehucht De Moer ontstaan. Op basis van de historische kaarten lijkt ook het plangebied zelf binnen de kern van dit gehucht te liggen. De archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd is daarom hoog. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2019-06-27 Resultaat: In het plangebied zijn in alle boringen verstoringen aangetroffen vanaf het maaiveld, bestaande uit fragmenten baksteen en verstoorde sedimentlagen. De aangetroffen verstoorde bodemopbouw hangt vermoedelijk samen met de voormalige bebouwing in het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er in het plangebied vermoedelijk meerdere generaties aan bebouwing aanwezig is geweest sinds in ieder geval begin 19e eeuw, maar mogelijk teruggaand tot de 14e eeuw.
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek deels bevestigd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, kan de middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan blijven gehandhaafd. Op basis van het behoud van een deels hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.
Bijlage 3.
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2363478100
Locatie 60 meter ten zuidwesten van het plangebied De Hooivork te Loon Op Zand Gemeente Loon Op Zand Coördinaat: 129278/404084
Omschrijving Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van dakpannen - baksteen - 5 fragmenten van faience aardewerk - 8 greppels/sloten - fragment van industrieel wit (Maastrichts/Regout) - fragment van kleurloos/ontkleurd glas - fragment van porselein
Bijlage 4.
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.
De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden.
Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.
De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband
met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden.
In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Bijlage 5.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen.
Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden).
Ook kan besloten wor▼****** den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** zaamheden door archeologen.*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen ▼ ▼ vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardeOpgraven*** Beschermen ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Verwijderen van de arBescherming van de met bouwkundige voorwaarden). cheologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Bijlage 6.
Planontwerp
Bijlage 7.
Boorstaten
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Accent adviseurs Middelstraat 10, 5176 NJ De Moer BP Lobelia, De Moer Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan Lobelia, De Moer
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Rtu5nabV3Uyr 29 november 2023, 17:26 Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
2024 - Beoogd
0,01 mol/ha/j -
3077043
Huidige situatie - Referentie 2024 - Beoogd Huidige situatie - Referentie Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
Rtu5nabV3Uyr (29 november 2023)
2023 2024
0,01 mol/ha/j
10,0 kg/j 2,3 kg/j 3075513
131,0 kg/j 178,8 kg/j
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
2/9
Projectberekening
2024 (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Mobiele werktuigen Verkeersnetwerk
Rtu5nabV3Uyr (29 november 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
2,3 kg/j 178,5 kg/j 6,5 g/j 0,3 kg/j
3/9
Projectberekening
Huidige situatie (Referentie), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1
Industrie | Bouwmaterialen | Huidige bedrijfsvoering
Rtu5nabV3Uyr (29 november 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
10,0 kg/j
131,0 kg/j
4/9
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). Rtu5nabV3Uyr (29 november 2023)
5/9
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "2024" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)