CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstraat-Schotsestraat Kaatsheuvel

Raadsvergadering 12 februari 2026, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over het ongewijzigd vaststellen van het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Hoofdstraat-Schotsestraat, Kaatsheuvel29.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

66/102

Figuur 5.6 Natuurnetwerk Brabant ten opzichte van het projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Houtopstanden De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 hectare en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De paar aanwezige bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel geldt mogelijk de gemeentelijke kapverordening. 5.6.2.2 Soortenbescherming Quickscan Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan. Daarom is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Het bijbehorend onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij voorliggend TAM-omgevingsplan opgenomen. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Op grond van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de uit te voeren activiteit schadelijke gevolgen heeft voor algemeen voorkomende soorten kleine zoogdieren. Het betreft een vergunningvrij geval en er is dus géén omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing.

Nader onderzoek Op basis van de beschikbare informatie kan de aanwezigheid van beschermde rust- en verblijfplaatsen van

67/102

vleermuizen en nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar deze beschermde soorten is dan ook noodzakelijk. Maatregelen in het kader van vergunningplichtige gevallen Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels om negatieve gevolgen voor deze soorten te voorkomen. Bij de planning en uitvoering van werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in de omgeving om negatieve gevolgen voor deze soort te voorkomen. Indien deze maatregelen niet genomen (kunnen) worden is voor betreffende soort(en) een omgevingsvergunning nodig. Voor algemene broedvogels kan geen vergunning worden verkregen. Maatregelen in het kader van vergunningsvrije gevallen Aangezien er geen kwetsbare of bedreigde soorten binnen de invloedssfeer van de uit te voeren activiteit verwacht worden, zijn er ook geen maatregelen nodig voor deze soorten om gevolgen van de uit te voeren activiteit te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Natuurkansen Hoewel er geen wettelijke verplichting voor geldt, wordt aanbevolen om bij de inrichting van de buitenruimte (gemeentelijk openbare gedeelte) gebruik te maken van groene plantenborders met bloeiende inheemse soorten.

Ook wordt geadviseerd om de erfafscheidingen groen te realiseren, bestaande uit hagen in plaats van schuttingdelen of muren. Dit geeft een stimulans aan inheemse insecten zoals bijen en biedt voor vogels ook kansen op beschutting. Nader onderzoek Naar aanleiding van de opgestelde quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Bijbehorend onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 9 van voorliggend TAM-omgevingsplan. Het onderzoek heeft aangetoond dat er geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes van vleermuizen en geen jaarrond beschermde nesten van de huismus en gierzwaluw binnen het projectgebied aanwezig zijn. Een vergunning in het kader van het Omgevingswet flora en fauna activiteiten is niet nodig op basis van de onderzoeksresultaten van het uitgevoerde aanvullend onderzoek. Er wordt echter wel geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren in overeenstemming met de specifieke zorgplicht (artikel 11.6 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving). Dit kan door de volgende maatregelen te treffen: Sloopwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van half maar tot en met half juli, maar dit kan per soort en afhankelijk van de weersomstandigheden anders zijn. Werkzaamheden overdag uitvoeren gedurende de daglichtperiode, dus tussen zonsopkomst en

68/102

zonsondergang. Geen nachtelijke bouwverlichting voeren tijdens de uitvoerfase. In de toekomstige fase rekening houden met foeragerende vleermuizen door de toe te passen verlichting zo laag mogelijk te realiseren en uitstraling naar de omgeving te voorkomen. In de ideale situatie wordt geen nachtelijke verlichting gevoerd of op beweging. Indien tijdens de werkzaamheden toch nog planten of dieren worden aangetroffen dienen de werkzaamheden per direct stilgelegd te worden en dient contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog om te bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Aanvullende memo soortenbescherming in verband met uitbreiding plangebied Recentelijk is door de initiatiefnemer van het plan Hoofdstraat-Schotsestraat te Kaatsheuvel ook een gedeelte van het perceel Hoofdstraat 97A ter plaatse van het autowascenter aangekocht. Deze was in oorspronkelijke onderzoeken wel al meegenomen, te weten: de quickscan uitgevoerd in 2023 en vernieuwd in 2025 (bijlage 8); het aanvullend onderzoek uitgevoerd door ons in 2024 en vernieuwd in 2025 (bijlage 9). Met de uitbreiding van het plangebied is de ecoloog verzocht om hier in het kader van de ecologische quickscan een aanvullende specifieke beoordeling voor op te nemen. In een memo zoals bijgevoegd als bijlage 10 is deze ecologische beoordeling op basis van een nieuw veldbezoek d.d.

9 september 2025 bij droog en zonnig weer opgenomen. Gezien de verharding, de afwezigheid van een geschikte spouwmuur en een plat dak welke glad is afgewerkt zijn binnen de uitbreiding van het plangebied geen beschermde soorten of rode lijstsoorten te verwachten. De uitbreiding van het plangebied zorgt ten aanzien van het aspect soortenbescherming daardoor niet voor andere conclusies dan in deze paragraaf reeds beschreven. 5.6.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft.

5.7

Geluid door wegen en spoorwegen

5.7.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

69/102

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7.2 Toetsing In het kader van dit aspect is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 11. Resultaten In figuren 5.7 en 5.8 worden de resultaten weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat: De hoogste geluidbelasting op bouwblok B, C en D Lden = 51 dB bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde voor gemeentewegen; De hoogste geluidbelasting op bouwblok E Lden = 55 dB bedraagt. Dit is hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan Lden 70 dB (grenswaarde); De hoogste geluidbelasting op bouwblok F Lden = 55 dB bedraagt. Dit is hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan Lden 70 dB (grenswaarde).

70/102

Figuur 5.7 Resultaten gemeentewegen bouwblok E en F

71/102

Figuur 5.8 Resultaten gemeentewegen bouwblok B t/m D Beoordeling Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de standaardwaarde voor gemeentewegen van Lden = 53 dB wordt overschreden op bouwblokken E en F. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 1 van bijlage 1 van het onderzoeksrapport. De hoogste overschrijdingen vinden plaats aan de Schotsestraat met een berekende geluidbelasting van Lden = 55 dB. De grenswaarde van Lden = 70 dB voor gemeentewegen wordt nergens overschreden. Er is globaal gekeken naar mogelijke maatregelen om de geluidbelasting te reduceren. Bronmaatregelen Snelheidsverlaging De gemeente Loon op Zand kan overwegen om de snelheid op de Schotsestraat en de Jan van Rooijstraat te verlagen naar 30 km/uur. Op dit moment is de maximum toegestane snelheid 50 km/uur. Indien op deze twee gemeentewegen de maximale rijsnelheid 30 km/uur bedraagt dan zal de geluidbelasting op de gevels ten hoogste Lden = 49 dB bedragen. Deze maatregel kan zodoende als doelmatig worden beschouwd. Geluidreducerende wegdekverharding Op stille wegdekken produceert het verkeer minder lawaai omdat er minder trillingen worden opgewekt en/of omdat geluid door het wegdek deels wordt geabsorbeerd.

Van de mogelijke bronmaatregelen hebben stille wegdekken de grootste potentie. Ten opzichte van standaard DAB (‘glad asfalt’) zijn in de praktijk reducties van 4 tot 6 dB mogelijk. Nadeel van geluidabsorberende wegdekken is dat zij duurder zijn – zowel in aanleg als onderhoud – dan de ‘traditionele wegdekverharding. Bovendien hebben dergelijke wegdekken in het algemeen een geringe mechanische sterkte. De Schotsestraat en de Jan van Rooijstraat zijn 50 km/uur wegen waar voornamelijk bestemmingsverkeer overheen rijdt. Daarnaast is er sprake van afremmend, wringend en optrekkend verkeer. Het toepassen van stil asfalt is niet gewenst en niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen worden vanwege de stedelijke ligging van het plan niet mogelijk geacht. Het plan biedt ook geen ruimte om de woningen verder van de weg te situeren. Belang geluidluwe gevel Daar waar de standaardwaarde wordt overschreden is het nodig het belang van een geluidluwe gevel in verband met de gezondheid (slaapverstoring tegengaan) te betrekken. In het kader van de onderbouwing van de aanvaardbaarheid verdient het echter aanbeveling te beschouwen of er sprake is van een gevel die ten opzichte van andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid (lager dan de standaardwaarde).

Uitgaande van de resultaten in figuur 5.7 is het mogelijk om voor alle woningen een geluidluwe gevel te creëren. Bouwblok F krijgt een binnenplaats. Hierdoor zullen de gevels aan de binnenzijde geluidluw zijn. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Omdat de standaardwaarde voor gemeentewegen wordt overschreden is het nodig om het gecumuleerde en

72/102

gezamenlijke geluid te bepalen. Rondom het plangebied liggen diverse bedrijven met enige mate van geluidemissie. Om hiermee rekening te houden is uitgegaan van een bijdrage van 50 dB(A). Het berekende gecumuleerde en gezamenlijke geluid is gegeven in bijlage 4 van het onderzoeksrapport. In tabel 5.9 is een overzicht gegeven van de verdeling van het gecumuleerde geluid in de verschillende geluidbelastingklassen. Het merendeel van de geluidbelastingen is redelijk. Een gedeelte van de gecumuleerde geluidbelastingen wordt kwalificeert als matig. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB. Tabel 5.9 Beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid

In tabel 5.10 is een overzicht gegeven van de verdeling en hoogtes van het gezamenlijk geluid Lg, waarop uiteindelijk de geluidwering moet worden bepaald. Uit de tabel blijkt dat de benodigde geluidwering overwegend ligt tussen GA;k = 20-23 dB(A) en ten hoogste GA;k = 23 dB(A) zal bedragen. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 56 dB. Tabel 5.10 Benodigde geluidwering van de gevel

Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van gemeentewegen als aanvaardbaar beoordeeld. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Conform artikel 5.78 uit het BKl dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij de afweging te worden betrokken. Wel is het nodig om in het TAM-omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op de geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Ter overweging wordt meegegeven om één generieke waarde (Lden = 56 dB) voor het gezamenlijk geluid vast te leggen. In dat kader is in artikel 11.1 van voorliggend TAM-omgevingsplan een bijbehorende regeling opgenomen. Samenvattende conclusie Uit de berekeningen blijkt dat: De geluidbelasting door gemeentewegen op bouwblokken B, C en D voldoet aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB; De geluidbelasting door gemeentewegen op bouwblokken E en F overschrijdt de standaardwaarde, maar is niet hoger dan de grenswaarde van Lden = 70 dB;

73/102

Het verlagen van de maximum rijsnelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur op de Schotsestraat en de Jan van Rooijstraat kan als doelmatig worden beschouwd; Alle woningen hebben een geluidluwe gevel; Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer; Het gecumuleerde geluid wordt merendeel beoordeeld als redelijk. Een gedeelte van de gecumuleerde geluidbelastingen wordt kwalificeert als matig; Het gezamenlijk geluid is bepaald. Deze dient te worden vastgelegd in de regels van het omgevingsplan en is uitgangspunt voor het bepalen van de gevelgeluidwering. Voor de flexibiliteit in de detaillering van het ontwerp wordt ter overweging meegegeven om één generieke waarde (56 dB) voor het gezamenlijk geluid vast te leggen. 5.7.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van geluid door wegen en spoorwegen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.8

Geluid door activiteiten

5.8.1 Wettelijk kader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.11. Tabel 5.11 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -70 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden -65 dB(A) Tabel 5.12 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -55 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden -45 dB(A)

23.00-07.00 uur 40 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)

23.00-07.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 5.11 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens tabel 5.12. Voor activiteiten buiten het projectebied (zie ook paragraaf 5.3) gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat.

74/102

5.8.2 Toetsing In de omgeving is er sprake van verschillende bedrijven die enige mate van geluidemissie hebben, zie ook paragraaf 5.3.2. De inschatting is dat alle bedrijven ter plaatse van de nieuwe woningen kunnen voldoen aan de regels van de Bruidsschat en daar mee ook sprake is van een aanvaardbare situatie. Het is mogelijk dat meerdere bedrijven akoestisch van invloed zijn op de woningen. Hiermee is rekening gehouden bij de bepaling van het gezamenlijk geluid door voor alle woningen uit te gaan van 3 x 50 dB(A) = 55 dB(A). Dit betekent een verzwaring in de eisen voor de geluidwering van 3 dB omdat de maximaal berekende waarde voor wegverkeerslawaai Lden = 55 dB bedraagt. Mochten er in een later stadium voor een individueel bedrijf maatwerkvoorschriften nodig zijn, is daarmee het aspect geluidwering geregeld. Naast woningen wordt met de beoogde ontwikkeling een commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Deze activiteiten dien te voldoen aan de standaardwaarden uit regels van het omgevingsplan (Bruidsschat). Met de regels uit de Bruidsschat kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar geluidbelasting worden gegarandeerd. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels. Gezien de aard van de activiteiten (commerciële ruimte) is dit inpasbaar waarmee het plan niet evident onuitvoerbaar is. 5.8.3

Conclusie

Het geluid van omliggende bedrijven is kwalitatief in beeld gebracht (zie ook paragraaf 5.3). In de berekening van het gezamenlijk geluid is worst-case uitgegaan van een maximale bijdrage van 55 dB(A).

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor

75/102

stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl.

Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 5.9.2 Toetsing Woningen worden niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Daarnaast is de gemeente Loon op Zand niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. Om aan te tonen dat het project 'niet in betekende mate' bijdraagt is de NIBM-tool ingevuld, zie onderstaande tabel 5.13. Uit de NIBM-tool blijkt dat de extra voertuigbewegingen, zoals inzichtelijk gemaakt in paragraaf 5.5, als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreinigende stoffen in de omgeving. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tabel 5.13 NIBM-tool (Bron: Informatiepunt Leefomgeving)

76/102

Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden beoordeeld of de nieuwe functie (nieuwe woningen) aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. De dichtstbijzijnde toetspunten bevinden zich aan de Bevrijdingsweg op circa 400 meter van het projectgebied. In navolgende tabel 5.14 zijn de maximale meetresultaten weergegeven. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. Tabel 5.14 Maximale meetresultaten (Bron: CIMLK) Omgevingswaarde (kalenderjaargemiddeld) Stikstof (NO2) 40 µg/m³ Fijn stof (PM10) 40 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³

Maximale waarden toetspunten CIMLK 17,1 µg/m³ 18,7 µg/m³ 10,4 µg/m³

5.9.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het is acceptabel om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.10 Geur 5.10.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.

77/102

Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden 5.10.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen en commerciële functies mogelijk. Woningen zijn volgens het Bkl geurgevoelig.

Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied en/of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. De beoogde commerciële functies binnen het plangebied zijn niet geurgevoelig waardoor een nadere toetsing hiervoor achterwege kan blijven. Geurbelasting agrarische bedrijven In de omgeving van het projectgebied zijn geen agrarische bedrijven met diercategorieën waarvoor een emissiefactor is vastgesteld gelegen. Daarnaast valt het projectgebied niet binnen een vaste afstand tot een veehouderij. De totale geurbelasting (achtergrondbelasting geur) van alle veehouderijen in de omgeving kan worden beoordeeld aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (figuur 5.9). Uit onderstaande afbeelding blijkt dat dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'Zeer goed' (< 3 ouE/m³) wordt beschouwd. Zeker aangezien in een concentratiegebied, waarin het projectgebied zich bevindt, hogere waarden acceptabel zijn.

78/102

Figuur 5.9 Achtergrondbelasting geur ter plaatse van het projectgebied (Bron: ODZOB) Geur van overige activiteiten Naast veehouderijen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Het projectgebied is niet gelegen binnen 100 meter van een horecagelegenheid of bedrijf waar geur vandaan kan komen. Gelet op de aard en omvang van overige activiteiten in relatie tot de afstand tot het projectgebied is geurhinder van overige activiteiten niet te verwachten. Met het plan worden commerciële ruimtes gerealiseerd waarvoor een bestemming gemengd gebied is opgenomen. Binnen de bestemming worden bedrijven t/m milieucategorie 2 toegestaan. De afstand tot de beoogde woningen (bouwvlak) is 12 meter. Gezien de bedrijven inpandig zijn en omdat hier met name kantoren beoogd zijn en de afstand van 12 meter tot het dichtstbijzijnde geurgevoelig object is, kan ter plaatse van geur gevoelige objecten in de omgeving een aanvaardbare geur worden gegarandeerd. 5.10.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect geur verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.11 Omgevingsveiligheid 5.11.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

79/102

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan.

In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 5.11.2 Toetsing Met dit project wordt voorzien in woningbouw en commerciële ruimtes dat geen risicovolle activiteiten zijn. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie en commerciële ruimtes) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' (figuur 5.10) kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

80/102

Figuur 5.10 Uitsnede kaart Externe Veiligheid met aanduiding projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Uit de kaart blijkt dat het projectgebied niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het aandachtsgebied van een risicobron (risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen) is gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding bevindt zich op ongeveer 3,1 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Het projectgebied is niet gelegen binnen het magneetzoneveld van deze verbinding. 5.11.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.12 Trillingen 5.12.1 Wettelijk kader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in het frequentiebereik van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.Het Bkl gaat specifiek over trillingen vanwege activiteiten. Trillingen en mogelijke trillingshinder kan alleen optreden in specifieke situaties.

81/102

De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Langs wegen of in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten is alleen aandacht nodig voor trillingen in specifieke situaties (bijvoorbeeld bestaande trillingshinder in de directe omgeving, specifieke activiteiten waarvan bekend is dat deze trillingshinder kunnen veroorzaken). Bruidsschat Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

5.12.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden woningen en commerciële functies mogelijk gemaakt. Een woning wordt in het Bkl aangewezen als een trillinggevoelig gebouw. In de nabije omgeving zijn geen bedrijfsactiviteiten, spoorlijnen of wegen gesitueerd die trillingshinder veroorzaken. Het is daarom uitgesloten dat de woningen trillingshinder ondervinden. Bovendien is wonen geen activiteit die trillingen veroorzaakt. De omgeving zal ten aanzien van het aspect trillingen geen hinder ondervinden van de beoogde ontwikkeling. Een gebouw ten behoeve van commerciële functies wordt niet aangemerkt als trillinggevoelig gebouw. Tevens wordt de functie niet aangemerkt als activiteit die trillingen veroorzaakt. Een nadere toetsing voor deze functie kan hiermee achterwege blijven. 5.12.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect trillingen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.13 Bodem 5.13.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het

82/102

faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 5.13.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling (bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) zijn gefaseerd diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd onder de oude Wet bodembescherming (Wbb) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk).

De inmiddels doorgevoerde wetswijziging naar de Omgevingswet heeft echter geen invloed op de onderzoeken, waardoor resultaten voor voorliggend TAM-omgevingsplan nog steeds bruikbaar zijn. Bodemonderzoeken Voor zover bekend zijn op de onderhavige onderzoekslocatie meerdere bodemonderzoeken verricht, waarbij de meeste recente (en aangeleverde) onderzoeken worden beschreven. In 2020 is door Bakker Milieuadviezen Waalwijk B.V. een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd aan de Schotsestraat 4-6. Geconcludeerd werd dat de puin- en kooldeeltjeshoudende bovengrond op het zuidwestelijke terreindeel (onder bestrating en onverdacht ophoogzand) in een mengmonster matig verontreinigd was met chroom, koper en zink. Bij het nader onderzoek blijkt dat bij de meeste boringen de bovengrond sterk verontreinigd was met zware metalen en de daaronder liggende bodemlaag was niet verontreinigd. Alleen bij boring 101 werd de sterke verontreiniging tot tenminste 1.5 m-mv aangetroffen. De bovengrond op het noordwestelijke terreindeel was licht verontreinigd met lood. In de bovengrond tussen het centrale grote pand en het bedrijfsverzamelgebouw langs de oostelijke perceelsgrens werden geen verhoogde gehalten uit het standaardpakket gemeten. De fundering bestaande uit puingranulaat werd gezien als gecertificeerd puin is aangemerkt en was derhalve niet verdacht ten aanzien van asbest.

De bovengrond op het zuidelijk terrein was licht verontreinigd met lood en zink. In de onverdachte lemige ondergrond van 1-2 m-mv werden geen verhoogde gehalten gemeten. Bij boring 15 werd een oliegeur waargenomen. Analytisch bevatte het betreffende monster echter geen verhoogd gehalte aan minerale olie. Het grondwater uit peilbuis 4 (inpandig in voormalige verfspuiterij) zijn de gehalten aan barium, nikkel en chroom licht verhoogd aangetroffen. Het grondwater uit peilbuis 12 (noordzijde terrein) bevatte lichte verhogingen aan barium en nikkel. In een door Ingenieursbureau Brabant BV uitgevoerd asbestonderzoek werd aangetoond dat de licht puinhoudende grond op het zuidwestelijke en het zuidelijke terreindeel geen asbest bevat. Voor een volledig inzicht in de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage 'Bakker Milieuadviezen Waalwijk B.V., kenmerk BM/26121-2020, d.d. december 2020', opgenomen als bijlage 12 bij voorliggend

83/102

TAM-omgevingsplan. In 2023 is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Hoofdstraat 99. Geconcludeerd werd bij de werkplaats dat de bovengrond licht verontreinigd is met kobalt en zink. De ondergrond was licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK. Het grondwater was licht verontreinigd met barium, nikkel, xylenen en naftaleen. Bij de OBAS werd geconcludeerd dat de meest verdachte laag (onderkant OBAS, 100 tot 250 cm -mv) licht verontreinigd is met zink. Het grondwater was licht verontreinigd met tetrachlooretheen. Het overige terrein was in de bovengrond niet verontreinigd en de ondergrond was licht verontreinigd met zink. Het grondwater was licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. De verontreiniging met zink rondom voormalig boring 101 is verticaal voldoende ingekaderd, echter wordt in boring C02 nog een sterk verhoogd gehalte gemeten en is in noordelijke richting niet voldoende ingekaderd. Voor een volledig inzicht in de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage 'Wematech Bodem Adviseurs B.V., projectnummer 50220702-VBE, kenmerk DB50220702.R001-0, d.d. 17 januari 2023', opgenomen als bijlage 13 bij voorliggend TAM-omgevingsplan. In 2023 is door Lankema Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Hoofdstraat 95 te Kaatsheuvel.

Geconcludeerd werd dat in het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) een licht verhoogd gehalte aan lood, koper, kwik, PAK, PCB en zink is gemeten. In grondmengmonster MM02 (bovengrond) werden licht verhoogde gehaltes aan koper, lood en zink aangetoond. In het grondmengmonster MM03 (ondergrond) werden geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Het grondwater was niet verontreinigd. Voor een volledig inzicht in de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage 'Lankema Geotechniek Zuid B.V., kenmerk 2203614 versie 01, d.d. 20 maart 2023', opgenomen als bijlage 15. In 2023 is door Lankema Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Hoofdstraat 93 te Kaatsheuvel. Geconcludeerd werd dat in het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) een licht verhoogd gehalte aan lood is gemeten. In grondmengmonster MM02 (bovengrond) werden licht verhoogde gehaltes aan kwik, lood, PAK en zink aangetoond. In het grondmengmonster MM03 (ondergrond) werden geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Het grondwater was licht verontreinigd met barium en nikkel. Voor een volledig inzicht in de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage [Lankema Geotechniek Zuid B.V., kenmerk 0003643 versie 01, d.d. 20 maart 2023, opgenomen als bijlage 16.

Saneringen Voor zover bekend heeft op de onderhavige onderzoekslocatie niet eerder een bodemsanering plaatsgevonden. Onderzoeksvoorstel vervolg Op basis van bovenstaande eerder uitgevoerde bodemonderzoeken is per deellocatie een onderzoeksstrategie ontwikkeld. De uitvoering van de onderzoeken dient plaats te vinden volgens de richtlijnen zoals aangegeven in de NEN5740:2023 (nl), NTA5755 en NEN5897+C2:2017 (nl), waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Ook de onderzoeksstrategie voor het (bodem)onderzoek is volgens de geldende richtlijn.

84/102

Er zijn op de locatie de volgende verdachte deellocaties aan te wijzen: Hoofdstraat 95 Ondergrondse tank aan de Hoofdstraat 95, zoeken met prikstok en verdacht ten aanzien van minerale olie; Puinfundering onder gebouw Hoofdstraat 95, verdacht ten aanzien van asbest; Hoofdstraat 99 Zink verontreiniging inkaderen tezamen met verontreiniging met chroom/koper Schotsestraat 4; Olielekbak boven vloeistofdichte vloer, verdacht ten aanzien van minerale olie; Op locatie aanvullen verdachte locaties; Schotsestraat 4-6 Verfspuiterij, verdacht ten aanzien van stoffen uit het standaardpakket en acetaten en alcoholen (grondwater); Verontreiniging koper/zink bij boring 110; Verificatie grondwaterverontreiniging met koper ten noorden van de verfspuiterij; Drukkerij bij 6A, verdacht ten aanzien van stoffen uit het standaardpakket; Motorfietsenhandel bij 6B, verdacht ten aanzien van stoffen uit het standaardpakket; Verkennend bodemonderzoek onder bebouwing Schotsestraat 4. Indien tijdens het vooronderzoek overeenkomstig de NEN5725:2023 (nl) verder geen bijzonderheden worden aangetroffen op basis waarvan aanpassing van het hieronder omschreven onderzoeksvoorstel nodig is, wordt voorgesteld de in tabel 5.15 weergegeven onderzoeksstrategie uit te voeren. Voor het nader onderzoek kan het nog mogelijk zijn dat aanvullende boringen en/of analyses benodigd zijn. Tabel 5.15 Overzicht onderzoeksstrategie

85/102

5.13.2.1 Schotsestraat 4-6 (perceel LOO00-L-3717) In het kader van dit perceel is verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 12. Resultaten Op basis van het onderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: De licht puin- en kooldeeltjeshoudende bovengrond op het zuidwestelijke terreindeel (onder bestrating en onverdacht ophoogzand) bleek in een mengmonster matig verontreinigd met chroom, koper en zink. Om deze reden is een nader onderzoek uitgevoerd op dit terreindeel en hierbij is vastgesteld dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Bij de meeste boringen waarin de toplaag sterk verontreinigd is, is de daaronder liggende bodemlaag niet meer sterk verontreinigd, maar in de meeste gevallen nog slechts licht verontreinigd of schoon. Dit komt er op neer dat de verontreinigde laag zich bevindt tussen circa 25 en 70 a 80 cm diepte gemeten vanaf de bovenzijde van de bestrating. De dikte van het schone ophoogzand varieert binnen dit terreindeel van 10 tot plaatselijk 30 cm. Alleen bij boring 101 wordt de sterke verontreiniging tot tenminste 1.5 m-mv aangetroffen. Mogelijk is hier ooit een gat gegraven dat gedempt is met sterk verontreinigde grond. Bij deze boring gaat het alleen om koper en zink. Chroom is hier niet verhoogd aangetroffen.

In bijlage 2 van het rapport is te zien dat de sterke verontreiniging zeer grillig is. Binnen de sterk verontreinigde oppervlak is immers her en der sprake van slechts licht verontreinigde grond. De hoeveelheid sterk verontreinigde grond van de 4 aparte spots is berekend op 220 m3. Zoals vermeld dient

86/102

bij een bodemsanering tot bijvoorbeeld kwaliteitsniveau Klasse Wonen veel meer grond ontgraven te worden dan alleen de sterk verontreinigde grond. Uiteraard is er bij afvoer een kostenverschil tussen sterk en niet sterk verontreinigde grond. De bovengrond op het noordwestelijke terreindeel is alleen licht verontreinigd met lood. Dit heeft geen consequenties; De bovengrond tussen het centrale grote pand en het bedrijfsverzamelgebouw langs de oostelijke perceelsgrens is schoon voor alle parameters uit het NEN-pakket. Het gaat hier om de bodemlaag onder de laag puingranulaat, die als gecertificeerd puin is aangemerkt; De bovengrond op het zuidelijk terrein is licht verontreinigd met lood en zink; De onverdachte lemige ondergrond van 1-2 m-mv is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket en voor chroom. Bij boring 15 vertoonde de ondergrond van 1.5-2 m-mv een minimale oliegeur. Analytisch bevatte het betreffende monster echter geen verhoogd oliegehalte; In het grondwater uit peilbuis 4 (inpandig in voormalige verfspuiterij) zijn de gehalten aan barium, nikkel en chroom licht verhoogd aangetroffen. Het grondwater uit peilbuis 12 (noordzijde terrein) bevatte lichte verhogingen aan barium en nikkel.

Deze overschrijdingen hebben geen consequenties; In een door uitgevoerd asbestonderzoek is aangetoond dat de licht puinhoudende grond op het zuidwestelijke en het zuidelijke terreindeel geen asbest bevat in 2 onderzochte mengmonsters. Aanbevelingen Op grond van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek vormt de kwaliteit van de bodem in zoverre een belemmering voor herontwikkeling dat het ernstig geval van bodemverontreiniging gesaneerd dient te worden. Voor de bodemsanering dient een BUS-melding opgesteld te worden. Afhankelijk van de beoogde bestemming kan het doel van een sanering variëren van een volledige ontgraving tot de isolatievariant waarbij nauwelijks ontgraving plaatsvindt. NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde bovengrond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Zoals vermeld ligt er op het terrein een gesaneerde, met zand gevulde ondergrondse tank. De locatie hiervan is niet bekend. Bij eventuele sloop van de opstallen dient hiermee rekening gehouden te worden. Inpandig zijn slechts 2 boringen uitgevoerd, waarbij bij beide boringen zintuiglijk schoon zand is aangetroffen. De kans is groot dat na de sloop van het hoofdgebouw door de gemeente tenminste een bovengrondonderzoek wordt vereist op de dan vrijgekomen grond.

5.13.2.2 Hoofdstraat 99 (perceel LOO00-L-3739) Dit perceel is onderzocht via een verkennend en nader bodemonderzoek ter plaatse van zinkspot deellocatie C. Het gecombineerde onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 13. Verkennend bodemonderzoek Wet bodembescherming Deellocatie A: Werkplaats

87/102

Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond licht verontreinigd is met kobalt en zink. De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, xylenen en naftaleen. Deellocatie B: OBAS Geconcludeerd kan worden dat de meest verdachte laag (onderkant OBAS, 100 tot 250 cmmv) licht verontreinigd is met zink. Het grondwater is licht verontreinigd met tetrachlooretheen. Deellocatie D: Onverdachte locatie Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond niet verontreinigd is. De ondergrond is licht verontreinigd met zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de werkplaats (deellocatie A) de bovengrond voldoet aan klasse wonen en de ondergrond voldoet aan klasse industrie. Ter plaatse van de OBAS (deellocatie B) en het onverdachte terrein (deellocatie D), met uitsluiting van de ter plaatse gelegen en nog niet voldoende ingekaderde zinkspot, voldoen zowel de bovengrond als de ondergrond aan de eisen voor achtergrondwaarde grond. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "verdachte locatie" geaccepteerd te worden. De locatie is verdacht op het voorkomen van zware metalen in zowel de grond als het grondwater.

Nader bodemonderzoek zinkspot (deellocatie C) Geconcludeerd kan worden dat de zinkspot in verticale zin voldoende is ingekaderd. In horizontale zin is de zinkspot nog niet volledig ingekaderd. Gesteld kan worden dat de sterke verontreiniging met zink, met inachtneming van de in 2007 aangetroffen zinkspot (0,8 tot 1,4 m-mv) alsmede de in onderhavig bodemonderzoek aangetroffen sterke verontreiniging ter plaatse van C02 (50 tot 100 cm-mv), aanwezig is over een oppervlakte van tenminste 8 m2 en in een volume van 5 m3. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat ten aanzien van de aangetroffen zinkspot gebruiksbeperkingen dienen te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek, daar de omvang van de zinkspot nog niet volledig is vastgesteld. Het is nu niet bekend of sprake is van de perceelsoverschrijdende bodemverontreiniging dan wel sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien in tenminste een volume van 25 m³ grond (en voor grondwater in een bodemvolume van 100 m3) de interventiewaarde wordt overschreden.

Wel kan worden gesteld dat, gezien de diepte van de verontreiniging alsmede gezien de ontwikkeling van het terrein in medio 19e eeuw waarbij nadien ter plaatse geen ontwikkeling is te zien, de verontreiniging naar alle waarschijnlijkheid

88/102

een historisch geval (ontstaan voor 1987) betreft. Aanbevelingen De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan, doch mogelijk wel een belemmering voor de realisatie van eventuele toekomstige bouwplannen ter plaatse. Geadviseerd wordt om, indien van toepassing, voorafgaand aan eventuele bouwplannen de zinkspot nader te onderzoeken, daar de contour nog niet bekend is en het in het kader van eventuele saneringsmaatregelen van belang is om te weten of ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging of niet. Tevens wordt geadviseerd om, gezien het later verkregen en ingelezen bodemonderzoek uit 2020 van naastgelegen perceel, bij nader onderzoek de locatie aanvullend te analyseren op de parameter koper en chroom. Geadviseerd wordt ter plaatse van de zinkspot te allen tijde geen grondroerende werkzaamheden te verrichten. Tevens wordt geadviseerd om de thans aanwezige klinkerverharding als zijnde afdeklaag vooralsnog in stand te houden. 5.13.2.3 Hoofdstraat 97A (gedeelte perceel LOO00-L-3740) Dit perceel is onderzocht via een verkennend bodemonderzoek, opgenomen als bijlage 14. Resultaten Op basis van het uitgevoerd onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bovengrond (zandpakket onder de klinkers) voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur.

De oorspronkelijke bovengrond (met antropogene bijmengingen) voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse industrie. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater is niet verontreinigd. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat op basis van vastgestelde kwaliteitsklassen voor zowel de boven- als de ondergrond wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in het gemeente omgevingsplan.

De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek dan wel het nemen van maatregelen. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

89/102

De resultaten van het onderzoek vormen, met in acht neming van aangetroffen bijmengingen en de vastgestelde kwaliteitsklasse, geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan en eventuele bouwplannen ter plaatse te realiseren. 5.13.2.4 Hoofdstraat 95 (perceel LOO00-L-683) Dit perceel is onderzocht via een verkennend bodemonderzoek, opgenomen als bijlage 15. Resultaten Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,5 m-mv overwegend uit matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand en zwak tot sterk zandig leem. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn lokaal bijmengingen (baksteen, beton, glas, puin) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) zijn analytisch licht verhoogde gehaltes aan koper, kwik, lood, PAK, PCB en zink aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond als klasse Industrie beschouwd worden.

In het grondmengmonster MM03 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond als klasse AW2000 beschouwd worden. In het grondmengmonster MM02 (boring 02, 0,05 – 1,00 m-mv, glas, puin) zijn analytisch licht verhoogde gehaltes aan koper, lood en zink aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de grond ter plaatse van boring 02 (0,05 – 1,00 m-mv) indicatief als klasse Industrie beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis 02 zijn analytisch geen verhoogde concentraties aangetoond. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Het aangetroffen puin ter plaatse van boring 02 maakt geen onderdeel uit van de bodem en is derhalve niet onderzocht.

Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde gehaltes in de grond, formeel worden aanvaard.

90/102

Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond als zijnde klasse Industrie bestempeld. De ondergrond is bestempeld als zijnde klasse AW 2000 bestempeld. De grond ter plaatse van boring 02 (0,05 – 1,00 m-mv, glas, puin) is indicatief bestempeld als zijnde klasse Industrie; het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag. 5.13.2.5 Hoofdstraat 93 (gedeelte perceel LOO00-L-3418) Dit perceel is onderzocht via een verkennend bodemonderzoek, opgenomen als bijlage 16.

Resultaten Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,7 m-mv overwegend uit matig fijn, zwak tot sterk siltig zand en zwak tot sterk zandig leem. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (baksteen) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) is analytisch een licht verhoogd gehalte aan lood aangetoond. In het grondmengmonster MM02 (bovengrond) zijn analytisch licht verhoogde gehaltes aan kwik, lood, PAK en zink aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond indicatief als maximaal klasse Wonen beschouwd worden. In het grondmengmonster MM03 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden.

Grondwater In het grondwater uit peilbuis 01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel aangetoond.

91/102

Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde gehaltes in grond en grondwater, formeel worden aanvaard. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=abdcb479-b3b0-442c-a6bb-eb2a3ea97ae4