Bijlage 2. Evaluatie Subsidiebeleid Welzijn2024
Tekst van het document
Evaluatie Subsidiebeleid Welzijn Gemeente Loon op Zand November 2024
Concept 5 [12 November 2024]
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...............................................................................................................................................................3 2. Subsidies: doel, visie en beleid ...........................................................................................................................4 2.1 Doelstelling ....................................................................................................................................................4 2.2 Bestuurlijke visie gemeente Loon op Zand op subsidie .................................................................................4 2.3 Uitgangspunten..............................................................................................................................................5 3.
Evaluatie: aanleiding en procesaanpak ..............................................................................................................7 3.1 Aanleiding evaluatie.......................................................................................................................................7 3.2 Visie Sterke Gemeenschappen ......................................................................................................................7 3.3 Categorie-indeling en reikwijdte evaluatie ....................................................................................................8 3.4 Evaluatieproces ..............................................................................................................................................9 4.
Uitkomsten evaluatie ........................................................................................................................................10 4.1 Categorisering subsidies ..............................................................................................................................10 4.2 Doelmatigheid welzijnssubsidiebeleid in relatie tot de opgave “Sterke Gemeenschappen” ......................13 4.3 Subsidies voor accommodaties en huisvesting............................................................................................19 4.4 Proces van subsidiering................................................................................................................................21 4.5 Verantwoording subsidies ...........................................................................................................................23 4.6 Subsidieplafonds en indexatie .....................................................................................................................24 4.7 Knelpuntenbudget Welzijnssubsidies ..........................................................................................................25 4.8 Conclusie ......................................................................................................................................................25 5.
Financiële vertaling ...........................................................................................................................................26 Bijlagen ..................................................................................................................................................................27
2
1. Inleiding De gemeente Loon op Zand zet met het welzijnssubsidiebeleid en de nieuwe visie ‘In de buurt / Aan de buurt’ in op een sterke, veerkrachtige gemeenschap waarin inwoners zich thuis voelen en ondersteund worden. Deze visie benadrukt het vertrouwen in de kracht van inwoners en hun gemeenschappen en beschrijft drie centrale opgaven voor het sociaal domein: Sterke gemeenschappen, Toegang en Grip op het sociaal domein. Deze opgaven vormen het kader waarin het subsidiebeleid Welzijn past en waarin subsidies worden aangewend om de maatschappelijke doelen van de gemeente te realiseren. Het document dat hier voor u ligt, bevat de evaluatie van het welzijnssubsidiebeleid 2017, met als doel te waarborgen dat subsidies effectief bijdragen aan deze doelen en maximaal impact hebben voor de inwoners van onze gemeente.
3
2. Subsidie: doel, visie en beleid 2.1
Doelstelling
De welzijnssubsidies zijn bedoeld voor activiteiten op het gebied van maatschappelijk welzijn, cultuur en jeugden jongeren. De doelstelling van de gemeente Loon op Zand zoals geformuleerd in het huidige beleid is de volgende: De gemeente zet subsidie in als instrument om vastgestelde beleidsdoelen te realiseren. Dit in samenwerking met de maatschappelijke organisaties, instellingen en natuurlijke personen. Het subsidie instrument wordt alleen ingezet als er geen andere mogelijkheden zijn om die doelen te realiseren. De opdracht voor de opgaves Sterke Gemeenschappen en Toegang voegt toe dat subsidieverstrekking gekoppeld hoort te zijn met doelstellingen, aan maatschappelijk effect en financieel rendement waarin partners gestimuleerd worden tot het bieden van een impactgericht aanbod dat past bij de gewenste beweging en toekomstbeelden van de gemeente. Gezien de historie komen we dan ook tot de volgende samenvatting van de ontwikkeling van subsidies door de jaren heen: Voor burgers (Beslissen) -> Met burgers (Raadplegen) -> Naast Burgers (Coproduceren) -> Door burgers (Overlaten met evt. ondersteuning) -> Van burgers (Overlaten met impactgerichte ondersteuning) Dit betekent dat burger(initiatieven) zelf de verantwoordelijkheid dragen, maar de gemeente een faciliterende rol biedt die ervoor zorgt dat de inspanningen daadwerkelijk leiden tot de gewenste impact en resultaten.
De gemeente blijft echter in de eerste plaats niet verantwoordelijk voor de instandhouding van verenigingen. Dat moeten de (leden van de) verenigingen en stichtingen zelf doen. Waar het om gaat, is dat er in Loon op Zand goede activiteiten plaatsvinden die een maatschappelijke meerwaarde hebben en dat iedereen mee kan doen. We streven er gezamenlijk naar om zoveel mogelijk maatschappelijke impact voor de inwoner te bereiken. Daar hecht de gemeente groot belang aan. De gemeentelijke doelstelling voor het subsidiebeleid Welzijn volgens de nieuwe visie luidt als volgt: De gemeente Loon op Zand zet subsidies in als instrument om maatschappelijke impact te vergroten door (burger)initiatieven te ondersteunen. De gemeente speelt een faciliterende rol en stimuleert activiteiten die bijdragen aan sterke gemeenschappen en toegankelijkheid. Subsidies worden gekoppeld aan concrete doelen en maatschappelijk rendement, waarbij verenigingen zelf verantwoordelijk zijn voor hun voortbestaan, en de gemeente inzet op samenwerking en inclusiviteit.
2.2
Bestuurlijke visie Loon op Zand op subsidie
Met het verlenen van subsidie wil de gemeente verenigingen, stichtingen en andere maatschappelijke organisaties in staat stellen om activiteiten te ondernemen die bijdragen aan het verwezenlijken van gemeentelijk beleid. Het gaat hier om beleidsdoelen die te maken hebben met participatie, sociale cohesie, leefbaarheid en (positieve) gezondheid. Het subsidie-instrument wordt alleen ingezet als er geen andere mogelijkheden zijn om die doelen te realiseren. Subsidie wordt hierbij gezien als een aanvulling op de eigen mogelijkheden van de vereniging of groep inwoners. Met individuele maatregelen zorgen we ervoor dat ook mensen met een minimum inkomen kunnen deelnemen aan onderwijs, sport en ontspanning.1 De gemeentelijke visie is gericht op het versterken van de kracht van de samenleving, waarin inwoners naar elkaar omzien. Subsidie is een instrument om deze beweging te versterken, gebaseerd op gestelde doelen en maatschappelijke impact. 2 Door het herinrichten van ons gemeentelijke subsidie- en contractmanagement verwachten we een hoger rendement te behalen. Dit vereist een meer impactgerichte benadering voor alle soorten welzijnssubsidies en beter relatiebeheer en meer focus op monitoring en evaluatie bij onze uitvoeringspartners. Dit doen we enerzijds door de beweging richting een meer impactgerichte benadering met heldere doelen als uitgangspunt.
Anderzijds door een beter relatiebeheer en meer focus op monitoring en evaluatie, verwachten we meer te kunnen bereiken met dezelfde middelen.
1
Gemeentebrede integrale visie op het sociale domein (vastgesteld op 27 juni 2013) Visie op het sociaal domein 2022-2027 In de buurt/Aan de buurt (vastgesteld op 11 januari 2022). Deze visie is de basis voor andere visies en nota’s op deelterreinen van het sociaal domein en is nog steeds actueel. 2
4
2.3
Uitgangspunten Subsidiebeleid Welzijn 2017
Het besluit dat de raad op 3 November 2016 heeft genomen heeft geresulteerd in de volgende uitgangspunten die momenteel worden gehanteerd bij de beoordeling van een subsidieverzoek: 1. Eigen kracht staat voorop (vangnet) Een vereniging of stichting vervult de rol van initiator en aanjager van initiatieven ten behoeve van de lokale samenleving. Eigen kracht is daarbij het uitgangspunt. Dit wordt gedefinieerd als het zelf kunnen. Dat betekent dat eerst de eigen mogelijkheden van een vereniging of stichting benut moeten worden voordat er een beroep op de gemeente wordt gedaan. Dat beroep op de gemeente kan alleen gedaan worden als een activiteit van groot belang is voor de samenleving en past in het gemeentelijk beleid. Kan de activiteit niet geheel op eigen kracht georganiseerd worden en/of er is (enige mate van financiële) ondersteuning nodig, dan kan subsidie worden verstrekt. De noodzaak ervan moet door de aanvrager aangetoond worden met een begrotings- en dekkingsplan en evt. activiteitenplan. 2. Subsidie moet (in principe) tijdelijk zijn Subsidie wordt zoveel mogelijk tijdelijk verleend, gericht op financiële zelfstandigheid van het maatschappelijk initiatief. De vereniging of stichting is te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de instandhouding van haar organisatie en kan dus geen bestaansrecht ontlenen aan eventuele subsidie. 3.
Activiteit mag niet afhankelijk zijn van alleen subsidie Er moet een redelijke verhouding zijn tussen eigen financiering, de omvang van de activiteit en het aangevraagde subsidiebedrag. Ook sponsoring in natura (hulp, diensten of korting op producten) telt hierbij mee en maakt dus onderdeel uit van de te verlenen subsidie. Omdat subsidie in essentie aanvullend is, wordt ook geen subsidie verstrekt wanneer de organisatie gericht is op winst. Als er andere bronnen van inkomsten mogelijk zijn zullen die als eerst primair aangewend moeten worden alvorens subsidie bij de gemeente kan worden aangevraagd. De gemeente kan hierbij wel een faciliterende rol vervullen. 4. Geen subsidie voor vrijetijdsactiviteiten voor volwassenen De gemeente verleent geen subsidie aan recreatieve activiteiten c.q. vrijetijdsbesteding voor volwassenen. Afwijking hiervan is alleen mogelijk als de activiteit kwetsbare inwoners, instellingen en verenigingen met elkaar verbindt waardoor de sociale samenhang, solidariteit en gemeenschapszin wordt versterkt. Ook moet er aangesloten worden bij de gemeentelijke beleidsdoelen. Wordt dat met deze activiteit beoogd dan kan er eventueel een subsidie op maat worden verleend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 5. Ambitieniveau Het is aan de vereniging of stichting zelf om te bepalen welk ambitieniveau zij wil nastreven.
Dat betekent ook dat mocht men een bepaald c.q. hoog of hoger ambitieniveau nastreven, dit ook voor eigen rekening komt. De gemeente verstrekt hiervoor geen (extra) subsidie. 6. Subsidie en minimabeleid Indien een vereniging of stichting subsidie aanvraagt wordt, indien van toepassing, meewerken aan armoede- en minimabeleid als voorwaarde gesteld. 7. Subsidie in relatie met vermogen en reserves Bij de subsidieaanvraag dient het gevraagde bedrag in verhouding te staan met de vermogens- en reservepositie van de desbetreffende vereniging of stichting. Hierbij wordt rekening gehouden met de materiele investeringen en aanschaf van duurzame gebruiksgoederen die voor een vereniging of stichting noodzakelijk zijn met betrekking tot de te organiseren activiteit. Hierbij staat maatwerk centraal. De gemeente heeft te allen tijde het recht om jaarstukken en andere financiële gegevens op te vragen ter beoordeling van de subsidieaanvraag. 8. Niet in aanmerking voor subsidie Er is geen recht op subsidie als de te subsidiëren activiteit: 1. Direct of indirect gekoppeld is aan een commercieel belang; 2. Direct of indirect gekoppeld is aan een politieke en/of religieuze doelstelling; 3. Niet in de gemeente Loon op Zand plaatsvindt en dus niet ten goede komt aan de Loonse gemeenschap en/of haar inwoners.
5
6
3. Evaluatie: aanleiding en procesaanpak 3.1
Aanleiding Evaluatieproces
Het huidige subsidiebeleid van de gemeente Loon op Zand is voor het laatst herzien in 2017. Een evaluatie stelt de gemeente in staat te beoordelen of de financiële middelen daadwerkelijk bijdragen aan de gestelde maatschappelijke doelen, zoals het bevorderen van cultuur, sport, welzijn en andere lokale initiatieven. Het college van burgemeester en wethouders (nu: college) heeft op 11 januari 2022 de nieuwe visie op het Sociaal Domein 2022-2027, ‘In de buurt, aan de buurt’, vastgesteld. Hierin wordt concreet benoemd dat bestaand beleid moet worden aangepast naar deze visie en haar doelstellingen. Deze evaluatie is inhoudelijk van aard en richt zich op het analyseren van de effectiviteit en doelmatigheid van het subsidiebeleid. Het doel is niet om te bezuinigen, maar om te zorgen dat schaarse publieke middelen op een verantwoorde en effectieve manier worden ingezet. Eventuele financiële consequenties van aanbevelingen zullen nader worden toegelicht in Hoofdstuk 5. De gemeente wil met haar subsidies maximale impact voor inwoners bereiken via impactgericht subsidiëren. Dit houdt in dat zowel de resultaten van verstrekte subsidies worden beoordeeld als de vraag of subsidies voor alle partners de juiste financieringsvorm zijn.
In deze evaluatie worden relevante subsidiepartners geïdentificeerd, waarna in 2025 per organisatie verder wordt onderzocht of inkoop of subsidie de beste optie is.
3.2
Relatie van de opgaven Sterke Gemeenschappen en Toegang
De druk op de zorg neemt toe. Aan de ene kant omdat we te maken hebben met vergrijzing en met almaar complexer wordende, multidisciplinaire vraagstukken. Aan de andere kant weten inwoners beter waar zij zorg- en hulpvragen kunnen stellen zoals bij het zorgloket of een huisarts. Dit laatste is een positieve ontwikkeling. Bewoners trekken actief aan de bel als het leven (even) niet meer lukt zoals ze willen en zijn mondiger geworden. Verschillende zorgaanbieders signaleren dat bewoners hun eigen sociale omgeving, zoals gezin, familie of vrienden maar ook verenigingsleven en collega’s, minder snel dan voorheen om hulp vragen. Dit is een symptoom van afkalvende sociale structuren die zich lieten verdringen door instituties die zich op iedere zorgvrager individueel richten. Dit zou dan ten koste zijn gegaan van de samenhang in een gemeenschap. Dit is een ontwikkeling die we in onze gemeente willen keren. Inwoners vormen onderling de sociale basis. De basis die mensen het gevoel geeft erbij te horen, iets te kunnen bijdragen en zo nodig ergens op terug te kunnen vallen. Een basis ook die afwijkingen gemakkelijker accepteert en absorbeert en die minder snel geneigd is situaties te problematiseren. Contact met en aandacht van een familielid, vriend(in) of een ander uit het sociale netwerk kan helpen.
Deze koersverlegging zou maken dat lichte hulpvragen niet langer als vanzelfsprekend bij professionele zorgaanbieders terechtkomen. In de toekomst is een sterke samenleving is als geheel veerkrachtig. De focus ligt op gezondheid en leefbaarheid, niet vanuit een ziektebeeld, maar vanuit een positieve insteek op hetgeen wel goed gaat. In een sterke samenleving kunnen inwoners de uitdagingen die het leven biedt zelf opvangen. Er zijn collectieve- en preventieve voorzieningen, laagdrempelig, vrij toegankelijk en passend bij de behoeften van de inwoners. Binnen een sterke samenleving bestaan netwerken waarin inwoners, verenigingen en organisaties initiatieven nemen en uitvoeren, keuzes maken en meedoen. Inwoners vinden een vraagbaak of steuntje in de rug wanneer ze dat nodig hebben, zo mogelijk binnen hun eigen buurt en/of eigen netwerk. Inwoners voelen zich onderdeel van een samenleving die er voor hen is en naar hen omziet. De sociale basis zien we als de cirkel direct om het individu. Als inwoners daar niet terecht kunnen, is er het collectieve vangnet/het voorliggend veld. Samen zorgen we dat voorzieningen aanwezig zijn om een ‘normaal’ leven in de wijk mogelijk te maken. De meeste uitdagingen worden immers binnen de sterke samenleving of binnen de eigen netwerken opgevangen.
Inwoners binnen deze sterke samenleving hebben regie op het eigen leven, een hoge kwaliteit van leven, en doen mee in de maatschappij waarin zo min mogelijk geproblematiseerd wordt. Als sociale basis en voorliggend veld in een specifiek geval niet voldoen, zorgen we voor maatwerk in de bovenliggende voorzieningen. De inwoners die extra steun nodig hebben kunnen terecht bij de toegang. Om dit toekomstbeeld te verwezenlijken streven we meerdere doelen na, namelijk: • Meer regie op het eigen leven creëren • Verbeteren van kwaliteit van leven • Meedoen in de maatschappij vergroten • Creëren en gebruik maken van stevige sociale netwerken
7
• •
Meer normaliseren: samen tot een klimaat komen waarin inwoners elkaar en zichzelf in de eerste ring kunnen helpen Voorliggende voorzieningen versterken en toegankelijk maken
Sterke Gemeenschappen: de sociale basis is de cirkel om het individu
3.3 Categorie-indeling en reikwijdte evaluatie
In het Subsidiebeleid Welzijn 2017 wordt ten behoeve van de evaluatie en bijbehorende bezuinigingsopgave een onderscheid gemaakt tussen vier categorieën welzijnssubsidies: Subsidies die in 4 jaar afgebouwd worden naar 0, Subsidies die in 4 jaar afgebouwd worden, Subsidies ten behoeve van pedagogische civil society en overige subsidies (gedeeltelijk welzijn, Wmo en minimabeleid). Deze categorie-indeling wordt niet gehanteerd bij beoordeling en toekenning van de welzijnssubsidies en was enkel van toepassing voor de evaluatie in 2016. In de praktijk onderscheiden we drie soorten subsidies, die ook in deze evaluatie worden gebruikt en een voorproef bieden van de nieuwe categorieën in het Welzijnssubsidiebeleid 2025. De visie achter deze indeling wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4.1. De drie typen subsidies zijn: 1.
2. 3.
Waarderingssubsidies: deze subsidie wordt verstrekt aan inwoners- en vrijwilligersinitiatieven om bepaalde activiteiten te stimuleren en om waardering te tonen voor de activiteiten die worden georganiseerd. Muziek-, sport- of scoutingverenigingen zijn hier voorbeelden van. Ook overige subsidies (gedeeltelijk Welzijn, gedeeltelijk Wmo of minimabeleid) vallen onder deze categorie. Subsidies voor accommodaties en huisvesting: Deze subsidies worden verstrekt aan accommodaties die bijdragen aan de doelstellingen van het Wijkgericht Maatschappelijk Accommodatiebeleid (WMA) en voor de huisvesting van verenigingen/stichting die niet in een maatschappelijke accommodatie terecht kunnen. Uitvoeringssubsidies: deze subsidies worden verstrekt aan de (grotere) professionele organisaties. Zij ontvangen een subsidie voor een of meerdere jaren waaraan te leveren activiteiten en prestatieafspraken zijn gekoppeld.
Binnen de welzijnssubsidies wordt er momenteel onderscheid gemaakt tussen drie soorten: een jaarsubsidie, een incidentele subsidie of een garantiesubsidie. Jaarsubsidie
8
U komt in aanmerking voor een jaarsubsidie als u activiteiten en/of diensten organiseert met een structureel karakter. Een aanvraag om jaarsubsidie moet 1 mei voorafgaand ana het jaar of de jaren waarop de activiteit betrekking heeft worden ingediend. Incidentele subsidie Dit is een subsidie voor een activiteit of project met een eenmalig en/of experimenteel karakter. Een incidentele subsidie moet uiterlijk twaalf weken voordat de activiteit plaatsvindt worden aangevraagd. aanvraag om incidentele subsidie dient u uiterlijk twaalf weken voordat de activiteit plaatsvindt in te dienen. Garantiesubsidie Dit is een bijzondere vorm van subsidie omdat de activiteit eigenlijk geen financiële ondersteuning nodig heeft. Toch staat het college garant tot een vooraf bepaald bedrag, uitsluitend voor het geval de activiteit door onvoorziene omstandigheden tegenvallende resultaten behaalt. Een garantiesubsidie moet uiterlijk twaalf weken voor de activiteit worden aangevraagd.
3.4 Evaluatieproces
De visie In de buurt/Aan de buurt gaf aanleiding om het subsidiebeleid Welzijn al in 2022 te evalueren; door beperkte capaciteit vindt deze evaluatie echter nu plaats. Hierbij wordt gekeken of het beleid de doelen van het sociaal domein ondersteunt en het subsidieproces effectief en toegankelijk is. Dit gebeurt via een gemeentelijke analyse, een enquête onder subsidiepartners en een participatiebijeenkomst. Op 21 augustus 2024 vond een denksessie plaats met zeven beleidsadviseurs Sociaal Domein. In september werd een enquête (zie bijlage 2) verspreid onder zestien verenigingen uit categorie 1 ‘Waarderingssubsidies’, waarvan 37,5% werd ingevuld. Daarnaast was er op 15 oktober 2024 een participatiebijeenkomst met zeven verenigingen. De gespreksrapportage en verzamelde input zijn opgenomen in de beleidsvorming (bijlage 3). De subsidiepartners uit (categorie 2) ‘Accommodaties voor accommodaties en huisvesting’ worden in het kader van het accommodatiebeleid voor aparte gesprekken uitgenodigd om input op te halen. De uitvoeringspartners (categorie 3) maken geen expliciet onderdeel uit van deze evaluatie. Met hen worden aparte subsidie- en prestatieafspraken gemaakt. Ook andere beleidsterreinen met mogelijke overlap, zoals het accommodatie- en evenementenbeleid leverden input voor deze evaluatie. De Adviesraad Sociaal Domein gaf tevens een positief oordeel.
Deze evaluatie is als bijlage toegevoegd bij het Subsidiebeleid Welzijn 2025, dat op 20 maart 2025 aan de raad wordt voorgelegd.
9
4. Uitkomsten evaluatie 4.1
Categorisering subsidies
4.1.1 Categorie-indeling Welzijnssubsidies: Waarderingssubsidies, Subsidies voor accommodaties en huisvesting en Uitvoeringssubsidie
Binnen de subsidies voor Welzijn kunnen grofweg drie categorieën worden onderscheiden, die hieronder verder worden toegelicht. Waarderingssubsidies Waarderingssubsidies zijn financiële bijdragen van de gemeente die bedoeld zijn om waardering en ondersteuning te tonen voor het werk van vrijwilligersorganisaties, verenigingen, stichtingen, en andere lokale initiatieven. Deze subsidies zijn bedoeld om activiteiten te ondersteunen die bijdragen aan de sociale cohesie, cultuur, sport, of welzijn binnen de gemeenschap. Deze subsidie staat los van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Het doel van waarderingssubsidies is niet zozeer om de continuïteit van een organisatie te garanderen, maar eerder om de inzet en het enthousiasme van vrijwilligers en organisaties te belonen. Ze bieden een financiële impuls om initiatieven mogelijk te maken die de leefbaarheid en verbondenheid in de gemeenschap bevorderen. De aanvraagprocedure dient daarom in verhouding eenvoudiger en laagdrempeliger te zijn, dan welzijnssubsidies die verstrekt worden aan uitvoeringsorganisaties. In het Subsidiebeleid Welzijn 2017 werd dit onderscheid niet gemaakt, waardoor de verantwoordingsplicht en aanvragen voor al deze partijen even zwaar was. In de dagelijkse praktijk zorgt dit voor onduidelijkheid bij verenigingen en stichtingen.
Dit is onder andere zichtbaar in een zeer hoog aantal subsidieaanvragen dat te laat of incompleet gedaan wordt. In 2024, werd ruim een kwart van de aanvragen te laat ingediend. Bij de helft van alle aanvragen werd er aanvullende informatie aangevraagd bij de subsidieaanvrager. Subsidies voor accommodaties en huisvesting Gemeentelijke subsidies voor maatschappelijke accommodaties zijn financiële bijdragen die bedoeld zijn om de exploitatie, het onderhoud, en de ontwikkeling van fysieke locaties te ondersteunen wanneer ze een maatschappelijke functie vervullen. Deze accommodaties kunnen bijvoorbeeld wijkcentra, buurthuizen, sporthallen, culturele centra, of andere gemeenschapsruimten zijn waar inwoners samenkomen voor sociale, educatieve, culturele, of sportieve activiteiten. Het doel van deze subsidies is om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen toegankelijk en betaalbaar blijven voor de gemeenschap, zodat ze optimaal kunnen bijdragen aan de sociale cohesie, het welzijn, en de leefbaarheid in de gemeente. Door deze steun kunnen maatschappelijke accommodaties blijven functioneren als ‘huizen van de wijk’ of als uitvalsbasis voor jeugd- en jongerenwerk en zijn daarmee belangrijke ontmoetingsplekken voor diverse groepen binnen de gemeenschap.
Ook huisvestingssubsidies voor verenigingen en stichtingen die geen toegang hebben tot een maatschappelijke accommodatie vallen onder deze categorie. In het Subsidiebeleid Welzijn 2017 werd geen onderscheid gemaakt tussen een waarderingssubsidie en Subsidies voor accommodaties en huisvesting. De evaluatie van het accommodatiebeleid en gesprekken met accommodaties omtrent de subsidieverlening maken duidelijk dat een subsidie voor maatschappelijke accommodaties fundamenteel verschilt van een waarderingssubsidie, zowel in doel als in toepassing, wat het noodzakelijk maakt om ze anders te beoordelen. 1. Doel en impact: Subsidies voor maatschappelijke accommodaties zijn gericht op het ondersteunen van de fysieke infrastructuur die essentieel is voor het welzijn van de gemeenschap. Ze zijn bedoeld om te zorgen voor het onderhoud, de exploitatie, en de ontwikkeling van gebouwen waar maatschappelijke activiteiten plaatsvinden 2. Financiële planning, omvang en verantwoordelijkheid: Subsidies voor maatschappelijke accommodaties zijn doorgaans groter en vereisen meer financiële planning en verantwoording. Het lange termijn beheer van een fysieke locatie brengt aanzienlijke kosten met zich mee, zoals onderhoud, energiekosten, verzekeringen en eventuele renovaties.
Dit vraagt om een gedetailleerde beoordeling van de subsidieaanvragen, waarbij aspecten zoals financiële duurzaamheid, de staat van het gebouw en het belang van de accommodatie voor de gemeenschap in aanmerking worden genomen. Kortom, de omvang, impact, en duur van de ondersteuning vereisen een grondigere en meer gestructureerde aanpak bij het toekennen van subsidies voor accommodaties, terwijl waarderingssubsidies juist gericht zijn op het stimuleren van sociaal-maatschappelijke activiteiten op een meer flexibele en laagdrempelige manier. Uitvoeringssubsidies In deze evaluatie concluderen we dat subsidies aan uitvoeringspartners anders behandeld moeten worden dan Waarderingssubsidies en Subsidies voor accommodaties en huisvesting, omdat de aard en het doel van deze subsidies fundamenteel verschillen. De grootste verschillen zijn:
10
1.
2.
3.
4.
5.
Doel en impact: Uitvoeringspartners spelen een cruciale rol in het realiseren van specifieke beleidsdoelstellingen, zoals op het gebied van welzijn, zorg, of jeugd. Hun werkzaamheden zijn direct gekoppeld aan de uitvoering van gemeentelijk beleid en hebben een bredere impact op de gemeenschap. Daarom vereist de financiering van deze partners een meer gestructureerde en doelgerichte aanpak, waarbij duidelijke afspraken worden gemaakt over prestaties, resultaten en verantwoording. Gemeente Loon op Zand kiest hier voor een impactgerichte aanpak. Langdurige samenwerking: Subsidies aan uitvoeringspartners zijn onderdeel van langdurige samenwerkingen waarin continuïteit en stabiliteit belangrijk zijn. Dit vereist een andere benadering dan waarderingssubsidies, die meer gefocust zijn op de inzet van vrijwilligersorganisaties of kleine initiatieven. Flexibiliteit en innovatie: Uitvoeringspartners werken aan complexe maatschappelijke vraagstukken die flexibiliteit en innovatie vereisen. Daarom kunnen de voorwaarden voor deze subsidies anders zijn, met ruimte voor aanpassingen en vernieuwingen in de aanpak. Waarderingssubsidies zijn daarentegen meestal stabieler en gericht op het ondersteunen van bestaande activiteiten van verenigingen en stichtingen die bijdragen aan de sociale cohesie in de gemeente.
Verantwoordingsplicht: Omdat uitvoeringspartners vaak met grotere bedragen en strategische opdrachten werken, ligt de verantwoordingsplicht zwaarder dan bij waarderingssubsidies. Dit vraagt om een ander, vaak intensiever, subsidietraject waarbij er meer controle en evaluatie plaatsvindt om ervoor te zorgen dat de beoogde resultaten worden behaald. Financieringsvormen: Uitvoeringspartners kunnen niet alleen via subsidies worden gefinancierd, maar ook via inkoop of aanbesteding. Dit betekent dat de gemeente met deze partners specifieke afspraken kan maken over de te leveren diensten en prestaties, waarbij het mogelijk is om deze partners prestatieafspraken te maken.. Deze flexibiliteit in financieringsvormen vraagt om een andere benadering dan bij waarderingssubsidies, die uitsluitend bedoeld zijn om vrijwilligersorganisaties of kleine initiatieven financieel te ondersteunen zonder commerciële of contractuele verplichtingen.
Indeling van subsidiepartners per categorie in gemeente Loon op Zand: 1. Waarderingssubsidies Deze subsidie wordt verstrekt aan inwoners- en vrijwilligersinitiatieven om bepaalde activiteiten te stimuleren en om waardering te tonen voor de activiteiten die worden georganiseerd. Muziek-, sport- of scoutingverenigingen zijn hier voorbeelden van. Ook overige subsidies (gedeeltelijk Welzijn, gedeeltelijk Wmo of minimabeleid) vallen onder deze categorie. Dit zijn de Klussen- en Diensten centrale (KDC) en de KBO’s. Voor de KDC is dat naast welzijn ook een subsidiebijdrage uit het minimabeleid. De KBO’s worden naast de welzijnssubsidie ook bekostigd uit het Wmo-budget. Hieronder vallen in ieder geval KDC, KBO Kaatsheuvel, KBO de Moer, Seniorenvereniging Loon op Zand, Muziekvereniging Concordia, Muziekvereniging Sint Joachim, Koninklijk Erkende Harmonie Kaatsheuvel, Koninklijke Harmonie Sophia’s Vereeniging, Stichting Muziekopleiding Loon op Zand, Stichting Oranjevieringen Loon op Zand, Gehandicaptenplatform KLM, Scouting Martin Luther King, Jeugdpret, Jeugdvakantiewerk Loon op Zand, De Dobbertjes en Stichting Verstandelijk Gehandicapten Midden-Brabant. 2. Subsidies voor accommodaties en huisvesting Deze subsidies worden verstrekt aan accommodaties die bijdragen aan de doelstellingen van het Wijkgericht Maatschappelijk Accommodatiebeleid (WMA).
Deze accommodaties worden gebruikt als ontmoetingsplek en ‘huis van de wijk’ om bij te dragen aan gemeentelijke doelstellingen op gebied van cultuur, sport en gemeenschapsactiviteiten. Ook huisvestingssubsidies voor verenigingen en stichtingen die geen toegang hebben tot een maatschappelijke accommodatie vallen onder deze categorie. Hieronder vallen in ieder geval ’t Moeruiltje, De Rode Loper, De Gildenbond, Jongerencentrum Crossroads, Jongerencentrum De Kuip en huisvestingssubsidies voor andere subsidiepartners (momenteel voor KBO Kaatsheuvel, KBO de Moer en Seniorenvereniging Loon op Zand). 3. Uitvoeringssubsidies Deze subsidies worden verstrekt aan de (grotere) professionele organisaties. Zij ontvangen een subsidie voor een of meerdere jaren waaraan te leveren activiteiten en prestatieafspraken zijn gekoppeld. Hieronder vallen in ieder geval Bibliotheek Midden-Brabant, Contour de Twern, R-Newt, Farent, Novadic-Kentron, Stichting Slachtofferhulp, RIBW, GGZ Breburg, Luijben Mediation, Thebe, De Wever, De Geheugenwerkplaats, Mantelmatch, Langstraat Media en Stichting Radar. Op basis van deze evaluatie voorziet het Subsidiebeleid Welzijn 2025 in afzonderlijke beleidskaders en bijbehorende uitgangspunten voor de subsidieverlening aan zowel Categorie 1 'Waarderingssubsidies' als Categorie 2 'Subsidies voor accommodaties en huisvesting'.
Voor Categorie 3 ‘Uitvoeringssubsidies’ worden met alle betrokken partijen individuele afspraken gemaakt, waarbij de voorkeur uitgaat naar meerjarige overeenkomsten. In 2025 wordt een evaluatie uitgevoerd om te bepalen welke financieringsvorm het meest geschikt is voor elke partij en of samenwerking tussen meerdere partijen mogelijk is. Tot de evaluatie is afgerond,
11
dienen organisaties in de categorie ‘Uitvoeringssubsidies’ hun subsidieaanvraag in volgens de beleidsregels van de Waarderingssubsidies.
4.1.2 Soorten Welzijnssubsidies Deze evaluatie geeft geen reden om af te wijken van deze drie soorten. Binnen de drie vormen van welzijnssubsidies, kunnen een jaarsubsidie of incidentele subsidie worden aangevraagd. Binnen de Waarderingssubsidies en Subsidies voor accommodaties en huisvesting is het aanvragen van een garantiesubsidie ook mogelijk. Voor de uitvoeringspartners is deze soort subsidie niet van toepassing.
12
4.2
Doelmatigheid van het welzijnssubsidiebeleid in relatie tot de opgave “Sterke Gemeenschappen”
De uitgangspunten van het subsidiebeleid welzijn zijn geëvalueerd middels zowel een gemeentelijke analyse als door input van verenigingen en stichtingen. Op 21 augustus 2024 vond er een brainstormsessie plaats met (strategisch) beleidsadviseurs van het Sociaal Domein, waarin de doelmatigheid van de uitgangspunten van het Subsidiebeleid Welzijn 2017 werd besproken. Daarnaast heeft er een participatiebijeenkomst plaats gevonden met subsidiepartners die dezelfde vragen beantwoord hebben. De volledige notulen van deze bijeenkomst zijn na te slaan in bijlage 3. De uitgangspunten zijn naast de volgende doelstellingen gehouden: a. Versterken van zelfbeschikking en autonomie De activiteiten dragen bij aan het vergroten van de zelfbeschikking en autonomie van inwoners, zodat zij meer controle hebben over hun eigen leven en keuzes kunnen maken die voor hen van belang zijn. b. Duurzame verbetering van levenskwaliteit De activiteiten verbeteren de algehele levenskwaliteit van de betrokkenen met een blijvend positief effect, gericht op langdurig welzijn en geluk. c. Stimuleren van actieve maatschappelijke participatie Door het bevorderen van actieve deelname aan de samenleving wordt er gezorgd voor meer betrokkenheid van individuen, waardoor ze zich meer verbonden voelen met hun omgeving. d.
Versterken van sociale netwerken De activiteiten ondersteunen de ontwikkeling en het versterken van sociale netwerken, zodat mensen elkaar kunnen helpen en gemeenschappen hechter worden. e. Bevorderen van positieve gedragsveranderingen en normalisering De activiteiten stimuleren positieve gedragsveranderingen en helpt bij het verminderen van vooroordelen, wat bijdraagt aan een inclusievere en meer begripvolle samenleving. f. Stimuleren van positieve veranderingen in de gemeenschap Het helpt de gewenste veranderingen of bewegingen binnen de gemeenschap of doelgroep op gang te brengen, zodat deze ontwikkelingen echt van start gaan. g. Vergroten van collectieve voorzieningen Het vergroot het aanbod van collectieve voorzieningen, zodat meer mensen toegang hebben tot gedeelde hulpbronnen en diensten die de gemeenschap ten goede komen.
Eigen Kracht staat voorop (vangnet) Subsidie is (in principe) tijdelijk Activiteit mag niet alleen afhankelijk zijn van subsidie Geen subsidie voor vrijetijdsactiviteiten volwassenen Ambitieniveau Subsidie en Minimabeleid Subsidie in relatie met vermogen en reserves Niet in aanmerking voor subsidies
A. X
B.
C.
D.
E.
F.
G.
Proces X X X
X
X
X
X X X
Op de horizontale regel in de tabel staan de uitgangspunten van het subsidiebeleid Welzijn. Deze zijn weggezet tegen de doelstellingen (A t/m G) van Sterke Gemeenschappen. Het wordt over het algemeen gesteld dat het huidige beleid onvoldoende bijdraagt aan de gemeentelijke doelen en voornamelijk gericht is op het proces. De belangrijkste bevindingen zijn als volgt: 1.
Toevoeging van maatschappelijke impact als sleutelcriterium
Het belangrijkste criterium voor subsidieverlening is volgens het ambtelijk advies de maatschappelijke impact en de aansluiting op gemeentelijke doelstellingen. Dit wordt ook erkend door de geïnterviewde verenigingen en stichtingen, die unaniem aangeven dat maatschappelijke impact het leidende criterium zou moeten zijn voor het
13
toekennen van subsidie. Belangrijke subdoelen hierbij zijn bijvoorbeeld netwerkversterking, maatschappelijke participatie en het tegengaan van eenzaamheid. Het huidige beleid bevat echter geen expliciet uitgangspunt dat naar dit criterium verwijst. Wel wordt in verschillende uitgangspunten genoemd dat activiteiten aan de gemeentelijke doelstellingen moeten bijdragen. Het advies is daarom om maatschappelijke impact toe te voegen als sleutelcriterium en dit, als het belangrijkste criterium, als eerste uitgangspunt te benoemen. Hierbij zou de maatschappelijke impact worden gemeten aan de hand van de doelen die zijn opgesteld voor de opgave Sterke Gemeenschappen, waarin ook de door verenigingen en stichtingen genoemde subdoelen zijn opgenomen. Het voorstel is om de volgende beleidsregel als eerste uitgangspunt vast te leggen van de waarderingssubsidies: Uitgangspunt 1: Maatschappelijke impact De voorgenomen activiteiten moeten aantoonbare maatschappelijke impact hebben en bijdragen aan ten minste één van de volgende doelstellingen van de opgave Sterke Gemeenschappen: a. Versterking van Zelfbeschikking en Autonomie De activiteit vergroot de zelfbeschikking en autonomie van inwoners, zodat zij in staat zijn zelf keuzes te maken en de regie te voeren over hun eigen leven. b.
Duurzame Verbetering van Levenskwaliteit De activiteit draagt blijvend bij aan het welzijn van betrokkenen en verhoogt hun algehele levenskwaliteit op de lange termijn. c. Bevordering van Maatschappelijke Participatie De activiteit stimuleert actieve betrokkenheid van individuen in de maatschappij, wat leidt tot een grotere verbondenheid en betrokkenheid binnen de gemeenschap. d. Versterking van Sociale Netwerken De activiteit bevordert het opbouwen en onderhouden van sociale netwerken, waardoor een hechtere en ondersteunende gemeenschap ontstaat. e. Positieve Gedragsveranderingen De activiteit stimuleert gewenst gedrag en draagt bij aan het verminderen van vooroordelen, wat zorgt voor een inclusievere samenleving. f. Stimulering van Gemeenschapsontwikkeling De activiteit zet positieve veranderingen in gang binnen de gemeenschap of doelgroep en draagt zo bij aan de verdere ontwikkeling en versterking van de gemeenschap. g. Uitbreiding van Collectieve Voorzieningen De activiteit vergroot de beschikbaarheid van gedeelde voorzieningen en diensten, waardoor meer mensen toegang krijgen tot collectieve hulpbronnen die de gemeenschap ondersteunen. 2. Vereenvoudiging van beleidsregels Verschillende beleidsregels zeggen hetzelfde, maar in andere bewoordingen. Dit zorgt voor verwarring en slechte leesbaarheid.
Zo gaan de eerste twee uitgangspunten van het huidige beleid (‘Eigen kracht staat voorop’ en ‘Subsidie moet (in principe) tijdelijk zijn’) beiden over de financiële onafhankelijkheid van een activiteit. Deze regels zeggen beiden dat een vereniging niet enkel afhankelijk mag zijn of worden van subsidie en daarom ten minste een andere inkomstenbron moet hebben naast gemeentelijke subsidie. De vereniging/stichting blijft altijd zelf verantwoordelijk voor hun voortbestaansrecht en daardoor zijn andere inkomstenbronnen belangrijker dan de subsidie. Deze drie uitgangspunten zouden dus samengevat kunnen worden in een, duidelijker geformuleerde beleidsregel. Het voorstel is om deze uitgangspunten samen te vatten als het volgende uitgangspunt: Uitgangspunt 2: Ondersteuning op basis van eigen kracht Subsidies worden verstrekt aan verenigingen en stichtingen die maatschappelijke initiatieven ontwikkelen voor de lokale samenleving, waarbij eigen kracht centraal staat. Dit houdt in dat organisaties eerst hun eigen middelen en mogelijkheden volledig moeten benutten voordat zij een beroep op de gemeente doen. Subsidie is aanvullend en wordt alleen verstrekt wanneer de activiteit van belang is voor de samenleving en niet volledig op eigen kracht kan worden uitgevoerd. Subsidies zijn in principe gericht op het versterken van de financiële zelfstandigheid van de organisatie.
De verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de vereniging of stichting ligt altijd bij de organisatie zelf; er kan geen blijvend bestaansrecht worden ontleend aan gemeentelijke subsidies. 3. Concrete termen Het is wenselijk dat de beleidsregels in duidelijke taal worden geformuleerd om herhaling en vage begrippen te vermijden. De verenigingen en stichtingen geven aan behoefte te hebben aan duidelijk beschreven subsidiebeleid met heldere procedures. Het is nu bijvoorbeeld niet altijd duidelijk wat een realistisch subsidiebedrag is. In de huidige uitgangspunten staan verschillende termen die onvoldoende concreet zijn, zoals in uitgangspunt 3: ‘een redelijke verhouding tussen eigen financiering, de omvang van de activiteit en het aangevraagde subsidiebedrag’. Voor meer duidelijkheid is het van belang om de term ‘redelijke verhouding’ specifieker te
14
maken. Wij stellen voor om een richtlijn te hanteren waarbij maximaal 50% van de kosten van de activiteit gesubsidieerd wordt. Dit percentage is in overeenstemming met de richtlijnen van andere gemeenten, waar 50% van de subsidiabele projectkosten wordt beschouwd als een redelijke verhouding voor lokale initiatieven. Door deze 50%-grens expliciet in de regels op te nemen, kunnen zowel aanvragers als de gemeente heldere verwachtingen scheppen over de financiering. Dit zorgt ervoor dat er voldoende ruimte blijft voor eigen bijdragen en externe financiering. In het nieuwe beleid zou uitgangspunt drie dan ook als volgt kunnen worden geformuleerd: Uitgangspunt 3: Redelijke verhouding tussen eigen financiering en subsidie Subsidie is in essentie aanvullend. Er behoort daarom een redelijke verhouding te zijn tussen eigen financiering, de omvang van de activiteit en het aangevraagde subsidiebedrag Eigen inbreng: minimaal 50% van de totale kosten van de activiteit moet gedekt worden door eigen middelen, externe sponsoring etc. Subsidie: Maximaal 50% van de kosten kan door middel van subsidie worden gedekt. Sponsoring in natura: Dit kan meetellen als onderdeel van de eigen bijdrage, mits de waarde hiervan reëel en onderbouwd is. 4.
Focus op mogelijkheden en positieve formulering De huidige uitgangspunten zijn geformuleerd vanuit wat niet gesubsidieerd wordt en bevatten een negatieve woordkeuze. Er is een duidelijke voorkeur uitgesproken om de bestaande beleidsregels te herschrijven en te bekijken vanuit wat wel mogelijk is en waar de gemeente graag aan wil bijdragen. De gedachte hierachter is dat de gemeente verenigingen en stichtingen wil stimuleren om maatschappelijke impact te bewerkstelligen en hen tegelijkertijd een gevoel van vertrouwen, waardering en ondersteuning wil geven. De verenigingen en stichtingen geven ook het signaal af dat er gedacht en gecommuniceerd moet worden in mogelijkheden: wat is er allemaal wél mogelijk? Zij signaleren bijvoorbeeld dat activiteiten die bijdragen aan het versterken van de sociale basis en eenzaamheid bestrijden, zoals gezamenlijk eten, van groot belang zijn. Het huidige subsidiebeleid biedt echter geen helderheid over deze mogelijkheden en geeft geen prioriteit aan deze activiteiten. Een duidelijk voorbeeld van de eerdergenoemde negatieve formulering is uitgangspunt 4: ‘Geen subsidie voor vrijetijdsactiviteiten voor volwassenen’. Dit uitgangspunt wordt als volgt omschreven: De gemeente verleent geen subsidie aan recreatieve activiteiten c.q. vrijetijdsbesteding voor volwassenen.
Afwijkingen hiervan zijn alleen mogelijk als de activiteit kwetsbare inwoners, instellingen en verenigingen met elkaar verbindt, waardoor sociale samenhang, solidariteit en gemeenschapszin worden versterkt. Ook moet de activiteit aansluiten bij de gemeentelijke beleidsdoelen. Wanneer dit het geval is, kan er eventueel een op maat gemaakte subsidie worden verleend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit uitgangspunt, met uitzondering van de eerste zin, bestaat uitsluitend uit uitzonderingen op de regel en begint dus bij wat er niet mogelijk is. Het voorstel is dan ook om dit uitgangspunt te formuleren vanuit wat wel kan, zoals: Uitgangspunt 4: Versterken van sociale samenhang, solidariteit en gemeenschapszin De gemeente kan subsidie verstrekken voor recreatieve activiteiten of vrijetijdsbesteding voor volwassenen wanneer deze activiteiten kwetsbare inwoners, instellingen en verenigingen met elkaar verbinden en bijdragen aan het versterken van sociale samenhang, solidariteit en gemeenschapszin. Daarnaast dienen de activiteiten aan te sluiten bij de gemeentelijke beleidsdoelen. Wanneer dit het geval is, kan er in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een op maat gemaakte subsidie worden verleend. Subsidie wordt niet verleent aan recreatieve activiteiten c.q. vrijetijdsbesteding voor volwassenen. 5.
Ambitieniveau In de evaluatie is geen aanleiding gevonden om het huidige uitgangspunt 5, ‘ambitieniveau’, aan te passen. De feedback van betrokkenen toont aan dat het benoemen van ambitieniveau effectief bijdraagt aan de doelstellingen van de gemeente en een positieve impact heeft op de uitvoering van projecten. De consistentie en duidelijkheid die dit uitgangspunt biedt, zorgt ervoor dat er op verantwoordelijke wijze met schaarse middelen en gemeenschapsgeld wordt omgegaan. Hierdoor is besloten om het uitgangspunt te handhaven in zijn huidige vorm. Dit houdt in dat het uitgangspunt als volgt blijft: Uitgangspunt 5: Ambitieniveau Het is aan de vereniging of stichting zelf om te bepalen welk ambitieniveau zij wil nastreven. Dat betekent ook dat mocht men een bepaald c.q. hoog of hoger ambitieniveau nastreven, dit ook voor eigen rekening komt. De gemeente verstrekt hiervoor geen (extra) subsidie 6. Grotere rol van het thema inclusie Inclusie is binnen gemeente Loon op Zand een belangrijk thema dat meegenomen dient te worden in de planvorming van alle domeinen, zo ook het subsidiebeleid. In het huidige subsidiebeleid welzijn krijgt inclusie
15
echter slechts beperkte aandacht, en dan alleen in uitgangspunt 6, ‘Subsidie en Minimabeleid’. Hierin staat: "Indien een vereniging of stichting subsidie aanvraagt, wordt – indien van toepassing – medewerking aan het armoede- en minimabeleid als voorwaarde gesteld." Deze beleidsregel kan echter worden verbreed, zodat verenigingen en stichtingen bij hun aanvraag gestimuleerd worden om inclusie in de ruimste zin van het woord mee te nemen. Denk daarbij niet alleen aan minima, maar ook aan het betrekken van verschillende doelgroepen op het gebied van bijvoorbeeld toegankelijkheid voor mensen met een beperking, het bevorderen van gendergelijkheid, culturele diversiteit, en intergenerationele samenwerking. Om inclusie breder te verankeren in het subsidiebeleid, wordt het huidige uitgangspunt uitgebreid met een nieuw beleid dat verenigingen en stichtingen aanmoedigt om inclusiviteit in al zijn facetten in hun aanvragen te integreren. Het nieuwe uitgangspunt luidt als volgt: Uitgangspunt 6: Loon op Zand, voor iedereen Indien een vereniging of stichting subsidie aanvraagt moet deze bijdragen aan een inclusieve gemeente waarin alle activiteiten voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht opleidingsniveau, achtergrond, leeftijd, geloofsuiting, geaardheid of eventuele beperking.
Zo kan er ook als voorwaarde gesteld worden, indien van toepassing, om mee te werken aan bijvoorbeeld het armoede- en minimabeleid. 7. Vermogens- en reserve opbouw. Uitgangspunt 7, ‘Subsidie in relatie met vermogen en reserves’, vereist dat het gevraagde subsidiebedrag in verhouding staat tot de vermogens- en reservepositie van de aanvragende vereniging of stichting. Hierbij wordt gekeken naar materiële investeringen en de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen die voor de uitvoering van activiteiten essentieel zijn. In de praktijk leidt dit uitgangspunt echter regelmatig tot discussie tussen aanvragers en de gemeente, omdat het onvoldoende concrete kaders biedt voor wat 'in verhouding' precies inhoudt. Om te waarborgen dat gemeentelijke subsidies geen aanleiding geven tot overmatige vermogensvorming of winst, moeten gemeenten volgens onderzoek van Baker Tilly (20223) voorwaarden stellen aan de opbouw van reserves in hun Algemene Subsidieverordening (ASV). In artikel 13 van de ASV Gemeente Loon op Zand (1e herziening 2019) worden de uitgangspunten rondom reservevorming vastgelegd: 1. Het college kan een aanvrager of subsidieontvanger toestaan of verplichten om reserves en/of voorzieningen te vormen die (deels) bestaan uit subsidiegelden van de gemeente. 2.
De aanvrager of ontvanger neemt de reserves en/of voorzieningen op in de begroting en jaarrekening, inclusief een beschrijving van het doel en een onderbouwing van de noodzakelijke hoogte. 3. Bij de beoordeling en vaststelling van de subsidie houdt het college rekening met de gevormde reserves en voorzieningen. Hierbij kan het college limieten stellen aan de hoogte en termijn van besteding. 4. Indien de in punt drie gestelde grenzen worden overschreden, kan het college de niet-benodigde reserves terugvorderen. 5. Afwijkingen van de voorgaande punten zijn mogelijk binnen de subsidieregeling. Het ambtelijk advies is om de maximale hoogte van de reserve nader te specificeren in de uitgangspunten van de Waarderingssubsidies, zodat subsidiepartners meer duidelijkheid krijgen en gemeenschapsgelden correct worden besteed. Voorgesteld wordt om de maximale reserve vast te stellen op 10% van het jaarlijkse subsidiebedrag. Dit percentage geeft organisaties ruimte voor een buffer voor onvoorziene uitgaven en toekomstige investeringen, zonder dat er sprake is van overmatige vermogensvorming. Deze bovengrens geeft subsidiepartners een bepaalde financiële flexibiliteit en borgt tegelijkertijd dat publieke middelen gericht en transparant worden ingezet. Een egalisatiereserve van 10% wordt door andere gemeenten in Nederland als een redelijke grens beschouwd.
Daarom dient het uitgangspunt als volgt te worden herzien: Uitgangspunt 7: Subsidie in relatie met vermogen en reserves Bij een subsidieaanvraag moet het aangevraagde bedrag in verhouding staan tot de vermogens- en reservepositie van de betreffende vereniging of stichting. Jaarlijks mag maximaal 10% van het ontvangen subsidiebedrag als reserve worden aangehouden. Dit percentage stelt organisaties in staat om een buffer op te bouwen voor onvoorziene uitgaven en toekomstige investeringen, zonder dat dit leidt tot overmatige vermogensvorming. Conform de Algemene Subsidieverordening kan de gemeente limieten stellen aan zowel de hoogte als de termijn van de besteding van de gevormde reserves. Hierbij wordt rekening gehouden met de materiele investeringen en aanschaf van duurzame gebruiksgoederen die voor een vereniging of stichting noodzakelijk zijn met betrekking tot de te organiseren activiteit. 3 https://www.bakertilly.nl/inzichten/blog/hoe-ziet-u-toe-op-doelmatig-gebruik-van-subsidies-in-uw-
gemeente#:~:text=Om%20te%20borgen%20dat%20publieke,de%20vorm%20van%20een%20egalisatiereserve
16
8. Niet in aanmerking voor subsidie In uitgangspunt 8 worden enkele punten geformuleerd, waardoor activiteiten niet in aanmerking komen voor subsidie, namelijk: 1. 2. 3.
Direct of indirect gekoppeld is aan een commercieel belang; Direct of indirect gekoppeld is aan een politieke en/of religieuze doelstelling; Niet in de gemeente Loon op Zand plaatsvindt en dus niet ten goede komt aan de Loonse gemeenschap en/of haar inwoners.
Deze punten zijn allen nog relevant bevonden. Wel worden er vraagtekens gezet bij de meerwaarde van ‘ indirect commercieel belang’. Met "indirect commercieel belang" wordt bedoeld dat de activiteiten van een organisatie op een manier zijn gekoppeld aan commerciële belangen, zelfs als deze belangen niet direct zichtbaar zijn of niet de primaire focus van de organisatie vormen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een organisatie subsidies aanvraagt voor activiteiten die in wezen een publiek goed dienen, maar waarbij de uiteindelijke voordelen ook ten goede komen aan commerciële activiteiten van de organisatie of derden. Er kan echter een spanningsveld ontstaan tussen deze regel en het idee dat organisaties ook andere inkomstenbronnen moeten hebben naast het ontvangen van subsidie. Subsidies zijn bedoeld om maatschappelijke initiatieven te ondersteunen en om organisaties aan te moedigen hun eigen financieringsmogelijkheden te ontwikkelen. Dit staat ook opgenomen in de huidige en nieuwe uitgangspunten. Als een organisatie echter sterk afhankelijk is van subsidies, kan dit hen ontmoedigen om andere inkomstenbronnen te verkennen. In de praktijk vinden ook verenigingen en stichtingen deze regel daarom complex, omdat zij twijfelen over wanneer iets classificeert als ‘indirect commercieel’.
In het nieuwe beleid wordt hierom voorgesteld om de term ‘en indirect’ commercieel belang weg te laten. Dit helpt organisaties evenwicht vinden tussen het verkrijgen van subsidies en het diversifiëren van hun inkomstenbronnen. Dit helpt niet alleen om afhankelijkheid van publieke middelen te verminderen, maar ook om hun financiële duurzaamheid en maatschappelijke impact te waarborgen. De regel ‘direct commercieel belang’ wordt behouden omdat dit refereert naar activiteiten die direct gericht zijn op het generen van winst en/of andere economische voordelen in plaats van maatschappelijk belang. Het nieuwe uitgangspunt ziet eruit als volgt: Uitgangspunt 8: Niet in aanmerking voor subsidie Er is geen recht op subsidie als de te subsidiëren activiteit: 1. Direct gekoppeld is aan een commercieel belang; 2. Direct of indirect gekoppeld is aan een politieke en/of religieuze doelstelling; 3. Niet in de gemeente Loon op Zand plaatsvindt en dus niet ten goede komt aan de Loonse gemeenschap en/of haar inwoners Bijlage 5 biedt een volledig overzicht van de uitgangspunten uit het subsidiebeleid Welzijn 2017, evenals de voorgestelde nieuwe uitgangspunten voor het subsidiebeleid Welzijn 2025.
17
4.3
Subsidies voor accommodaties en huisvesting
(Multifunctionele) Accommodaties spelen een cruciale rol op de weg naar sterke gemeenschappen. Dit wordt ook gereflecteerd in de omgevingsvisie, die ruimte vormen voor laagdrempelige ontmoetingsplekken en het creëren van een sterk sociaal netwerk. Zo dragen zij bij aan het speerpunt ‘iedereen doet op eigen kracht mee’ in de omgevingsvisie. Accommodaties hebben hierin een Huis van de wijk-functie, waarin de zelf- en samenredzaamheid van de inwoner vergroot wordt omdat zij elkaar ontmoeten, naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen. De inzet van accommodaties kan werken ter bevordering van collectieve activiteiten en netwerkversterking4. Zij versterken dus de veerkracht van buurten en wijken. In juni 2024 heeft de gemeenteraad de startnotitie goedgekeurd voor het opstellen van een nieuw Wijkgericht Maatschappelijk Accommodatiebeleid (WMA). Het uitgangspunt is dat de gemeente in 2024 een regierol speelt om een portfolio van toekomstbestendige accommodaties per wijk te ontwikkelen, die bijdraagt aan de opbouw en het behoud van Sterke Gemeenschappen. Het doel is om in elke wijk minimaal één multifunctionele accommodatie te realiseren met een Huis van de Wijk-functie en/of een uitvalsbasis voor Jeugd & Jongerenwerk.
Deze accommodaties moeten op de drie bouwstenen ‘maatschappelijk rendement’, ‘exploitatie & beheer’ en ‘bouwkundige staat’ minimaal een voldoende scoren, gezien de onderlinge samenhang van deze elementen. In het WMA worden voor deze drie bouwstenen doelstellingen geformuleerd om de toekomstbestendigheid van een accommodatie meetbaar en haalbaar te maken. Deze doelstellingen, het 'beleidskader toekomstbestendige maatschappelijke accommodaties', zullen de basis vormen voor het subsidiebeleid voor maatschappelijke accommodaties. Binnen de subsidies voor accommodaties en huisvesting onderscheiden we twee typen: 1.
Exploitatie: een tegemoetkoming in het exploiteren van een MFA met huis van de wijk-functie en/of uitvalsbasis jeugd- en jongerenwerk Momenteel ontvangen verschillende accommodaties een welzijnssubsidie. Exploitatiesubsidies moeten ervoor zorgen dat voorzieningen toegankelijk en betaalbaar blijven voor de gemeenschap en zij optimaal bijdragen aan de sociale cohesie, het welzijn en de leefbaarheid in de gemeente. De prestatieafspraken en voorwaarden die bij de exploitatiesubsidie horen (o.a. openingstijden van ontmoetingsfunctie, beschikbaarheid multifunctionele ruimtes, onderhoud/ schoonmaak, duurzaamheid, financiële verantwoording, eigen inkomsten) worden beschreven in het WMA als een afgeleide van het beleidskader Toekomstbestendige Maatschappelijke Accommodaties. Deze subsidie is enkel bedoeld voor accommodaties. 2.
Huisvesting: een tegemoetkoming in de huisvestingskosten voor verenigingen en stichtingen indien ze niet of slechts gedeeltelijk terecht kunnen in bovenstaande MFA’s Op dit moment zijn er verschillende organisaties die incidenteel of structureel een huisvestingssubsidie ontvangen. Dit zijn bijvoorbeeld de Klussen en Diensten Centrale, de Heemkundekring, KBO De Moer, KBO Kaatsheuvel en Seniorenvereniging Loon op Zand. Deze subsidies worden vanaf 2026 enkel verleend wanneer verenigingen en stichtingen niet terecht kunnen in (verschillende) eerdergenoemde maatschappelijke accommodaties (MFA’s). Er rust een inspanningsverplichting op de aanvrager om jaarlijks te verkennen of er ruimte is in de MFA’s. De huisvestingssubsidie bedraagt maximaal 50 % van de huurkosten. De gemeente wil hiermee stimuleren dat verenigingen en stichtingen zoveel mogelijk gebruik maken van de MFA’s.
Dit geeft aanleiding tot de volgende uitgangspunten voor de toetsing van subsidies voor accommodatie en huisvesting: Exploitatie: 1. Huisvesting van activiteiten Multifunctionele accommodaties (MFA) die aanspraak willen maken op een exploitatiesubsidie moeten primair activiteiten huisvesten en faciliteren die bijdragen aan: • Ontmoeting en Ontspanning (Sport, inloop, samen weten, samen dingen doen) • Ontwikkeling (Vorming en educatie, stageplaatsen) • Ondersteuning (Zorg en welzijn, initiatieven voor en door buurtbewoners)
2.
Deze activiteiten mogen geen commercieel karakter hebben en moeten worden georganiseerd door verenigingen, maatschappelijke organisaties of inwoners. Multifunctionaliteit en waarde Voorzieningen dienen zo multifunctioneel mogelijk te worden ingezet, wat betekent dat diverse activiteiten binnen dezelfde accommodatie plaatsvinden. De vrije toegankelijkheid en de
4 In de buurt/ Aan de buurt Visie op het Sociaal Domein 2022-2027
18
3.
4.
5.
6.
maatschappelijke toegevoegde waarde van de accommodatie zijn door de gemeente erkend en bij voorkeur vastgelegd in het gemeentelijk accommodatiebeleid. Prioriteit maatschappelijk gebruik Maatschappelijk gebruik van voorzieningen gaat voor commercieel gebruik. Dat betekent dat het merendeel van organisaties die (structureel) gebruik maken van de accommodatie, organisaties zijn zonder winstoogmerk en activiteiten organiseren met een niet-commercieel karakter. Wel kunnen (semi)commerciële activiteiten plaatsvinden wanneer dit in lijn ligt met de gemeentelijke doelstellingen en dit niet ten koste gaat van de maatschappelijke activiteiten. Betaalbaarheid en bereikbaarheid De activiteiten binnen de accommodatie moeten betaalbaar en toegankelijk zijn voor alle inwoners. Verenigingen en stichtingen kunnen gebruikmaken van de accommodatie tegen passende en maatschappelijk acceptabele tarieven, zoals vastgelegd in het tarievenbeleid binnen het accommodatiebeleid. Toekomstbestendig beheer en exploitatie De gemeente stelt criteria op voor een toekomstbestendig beheer en exploitatie van accommodaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aantal bestuursleden, een sluitende begroting en een vrijwilligersbestand. Duurzaamheid Activiteiten en voorzieningen moeten ook bijdragen aan duurzaamheid, zowel ecologisch als sociaal, om een breed maatschappelijk welzijn te waarborgen.