Bijlage 1. Integraal Huisvestingsplan Kindvoorzieningen gemeente Loon op Zand
Tekst van het document
Tabel 7 Overzicht investeringskosten onderwijs per termijn en per scenario, prijspeil 1 januari 2025 (inclusief btw)
School Projecten
Lopend Nieuwbouw De Vaert Nieuwbouw Van Haestrecht College Onderzoeken Haalbaarheidsonderzoek Kaatsheuvel - West 0-4 jaar Haalbaarheidsonderzoek De Moer Haalbaarheidsonderzoek Loon op Zand Projecten Capaciteit Kaatsheuvel West 0-4 jaar Nieuwbouw De Start Nieuwbouw Kinderboom Nieuwbouw scholen Loon op Zand 4-8 jaar (Blokkendoos, Lage Weijkens en Vlinderboom) Nieuwbouw Touwladder
Gebouwmaatregel
Omvang Kengetal Stichtingskosten Bijkomende [m2 bvo o.b.v. Kwaliteitskader Totale kosten onderwijs (incl. btw) kosten [20%] behoefte in 2040] Frisse Scholen
Nieuwbouw Nieuwbouw Onderzoek (indicatieve kosten) Onderzoek (indicatieve kosten) Onderzoek (indicatieve kosten) Uitbreiding (exacte m2 n.t.b.) Nieuwbouw Nieuwbouw
200 406 1256
€ € €
4.167,00 € 4.167,00 € 3.953,00 €
833.000 € 1.692.000 € 4.965.000 €
Nieuwbouw
2959
€
3.529,00 €
10.442.000 € 2.088.000 € 12.530.000
Nieuwbouw
1427
€
3.953,00 €
5.641.000 € 1.128.000 €
€ 30.000.000
Totaal IHP-K (excl. kosten De Vaert & Van Haestrecht) €
Referentie: 1717602-0009.0.4.
€ € € 167.000 € 338.000 € 993.000 €
30.000 30.000 30.000 1.000.000 2.030.000 5.958.000
6.769.000
23.573.000 € 4.714.000 € 28.377.000
Pagina 24 van 29
6.5. Voorfinanciering kinderopvang In de bouwsteen samenwerking is opgenomen dat onderwijs en opvang onder één dak gehuisvest worden. Om de vierkante meters voor kinderopvang te realiseren kunnen verschillende financieringsvormen worden toegepast. Indien de gemeente een voorfinanciering doet ten behoeve van de kinderopvang, geldt dat deze middels een kostenprijsdekkende huur wordt terugverdiend. De kostprijsdekkende huur wordt bepaald over de metrages ten behoeve van de kinderopvang. Gemeente en opvangorganisaties werken toe naar een uniforme huurprijsbepaling. In de huurprijsbepaling wordt een aandeel opgenomen voor het leegstandsrisico.
Na afronding van de definitiefase van projecten - wanneer alle kaders in beeld zijn wordt het definitieve krediet bepaald en wordt de hoogte van een eventuele eigen bijdrage vastgelegd. In de daaropvolgende ontwerp- en bouwfase worden de exploitatievoordelen verder in kaart gebracht. In deze fase wordt tevens gemonitord of en hoe de bijdragen van schoolbesturen effectief kunnen worden ingezet. Bij de budgetbepaling is vooralsnog geen rekening gehouden met eventuele subsidiemogelijkheden. Per project wordt verkend welke mogelijkheden er zijn en of men daarvoor in aanmerking komt. Indien dit het geval is, kan gesteld worden dat dit ten gunste komt van het budget.
Naast een voorfinanciering vanuit de gemeente geldt dat het ook mogelijk is dat een kinderopvangorganisatie zelf investeert in haar huisvesting. De kosten voor kinderopvang worden in een businesscase inzichtelijk gemaakt.
6.6. Bekostiging projecten IHP-K Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding van scholen. Dit moeten zij bekostigen uit de bijdrage die zij ontvangen in het gemeentefonds. De middelen voor onderwijshuisvesting zijn niet geoormerkt in het gemeentefonds. Daarnaast ligt er aan de grondslag van deze bijdrage in het gemeentefonds geen kwaliteitsniveau voor onderwijshuisvesting. De middelen ten behoeve van onderwijshuisvesting zijn ontoereikend. Schoolbesturen zijn vanuit hun exploitatieverantwoordelijkheid gebaat bij een schoolgebouw dat kwalitatief goed is gebouwd. Voor de exploitatie ontvangen zij een lumpsumvergoeding. Net als bij de gemeente zijn de financiële middelen bij schoolbesturen ontoereikend. In het IHP-K en het daaropvolgende onderwijshuisvestingsbeleid zijn de kwaliteitsuitgangspunten taakstellend. Deze zijn in samenspraak tussen gemeente en schoolbesturen opgesteld. De gemeente maakt zich hard voor deze kwaliteitsuitgangspunten, die zijn omschreven in hoofdstuk 3. Schoolbesturen hebben daarbij aangegeven binnen de kaders van de wet- en regelgeving te kijken naar de mogelijkheden van een eigen bijdrage. Dit wordt op projectniveau verkend, waarbij geldt dat de bijdrage niet noodzakelijk is maar bijdraagt aan een gezonde exploitatie van onderwijshuisvesting.
Referentie: 1717602-0009.0.4.
Pagina 25 van 29
7. Vervolg IHP-K
•
Bij de uitvoering van het IHP-K dient rekening gehouden te worden met een aantal processtappen en uitgangspunten.
•
7.1. Opstellen uitvoeringsagenda Na vaststelling van het IHP-K starten gemeente en schoolbesturen met het opstellen van een uitvoeringsagenda. Dit programma bestaat uit twee hoofdonderdelen: 1.
2.
Afspraken programmaniveau: afspraken die gelden voor het gehele programma, ofwel voor alle projecten als genoemd in de eerste termijn (0 tot 4 jaar). Deze afspraken gaan over (1) het inrichten van een organisatie voor het realiseren van het uitvoeringsprogramma (2) het ontwikkelen van een financiële werkwijze voor uniformiteit tussen projecten en (3) het maken van samenwerkingsafspraken. Afspraken projectniveau: er wordt een planning gemaakt voor de volgordelijkheid van projecten. Denk aan beschikbare locaties, tijdelijke huisvesting en het bundelen van projecten op onderdelen zoals technische en ruimtelijk-functionele Programma’s van Eisen.
7.2. Opstellen haalbaarheidsonderzoeken
De totale kosten verder te specificeren (onder andere de bijkomende kosten en eventuele bijdrage van schoolbestuur). De verbinding te leggen met doelgroepen als kinderopvang, overige maatschappelijke partners en eventueel docenten, leerlingen, ouders, bedrijven, de wijk etc.
Zoals omschreven in de bouwsteen regie wordt het haalbaarheidsonderzoek ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd. Daarna kan de bouwheer starten met de uitvoering van het project (definitie-, ontwerp- en realisatiefase).
7.3. Disclaimer Dit IHP-K is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van het opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van het Besluit bouwwerken leefomgeving, energie-akkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP-K (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
Wanneer de uitvoeringsagenda is vastgesteld, kan worden gestart met de haalbaarheidsonderzoeken van de opgenomen projecten. In de haalbaarheidsonderzoeken worden projecten geconcretiseerd en geactualiseerd. Dit is de fase voordat een project wordt opgestart. Optioneel kan ervoor worden gekozen om de haalbaarheidsonderzoeken onderdeel te maken van het uitvoeringsprogramma, zodat de afspraken projectniveau (zie punt 2 van paragraaf 7.1) verder geconcretiseerd kunnen worden. De haalbaarheidsonderzoeken hebben onder andere als doel om: • Een locatiekeuze te maken. • Een keuze te maken tussen verschillende gebouwmaatregelen; nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie. • De definitieve leerlingenaantallen per project te bepalen.
Referentie: 1717602-0009.0.4.
Pagina 26 van 29
Bijlage I: Wettelijke en beleidskaders Deze bijlage gaat in op de beleidskaders die gelden voor het IHP: de wettelijke taak van gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen. Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld. Hetzelfde geldt voor vernieuwbouw. Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen.
De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. Eigendom Schoolbesturen hebben het (juridisch) eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw valt het gebouw om niet terug in het juridisch eigendom van de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in
Referentie: 1717602-0009.0.4.
medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel. Verhuren is mogelijk als de gemeente daar, met inachtneming van de verordening, voorafgaand toestemming voor geeft. Kinderopvang Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden. Daarbij zijn kinderopvang en peuterspeelzalen geharmoniseerd, waardoor men tegenwoordig spreekt van peuteropvang. Voor de peuteropvang is daarbij een landelijk kwaliteitskader ingevoerd dat grotendeels gelijk is aan de kinderopvang. De GGD is aangesteld als toezichthouder op de kwaliteit voor zowel de kinderopvang als peuterspeelzalen. Daarnaast is er met de invoering van de Wet OKE voor gemeenten een verplichting gekomen om voldoende aanbod vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) te realiseren, waarbij de financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen zo laag mogelijk moeten zijn. Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken.
Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie/vernieuwbouw niet geregeld zijn. Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Het wetsvoorstel is
Pagina 27 van 29
in behandeling en de verwachting is dat in 2026 wordt vastgesteld en in werking treed. Parrallel daaraan is de VNG begonnen met de actualisatie van de model verordening. Daarnaast zet het ministerie van OCW zich samen met de PO-Raad, VO-raad en de VNG in voor het realiseren van kwalitatief goede onderwijshuisvesting. Met het Programma Onderwijshuisvesting wordt er een integrale aanpak ontwikkeld, waarmee de versnelling en kwalitatieve verbetering van de (verouderde) huisvestingsvoorraad gerealiseerd kan worden. . Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: a. De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar. b. De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet.
Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. c. Het investeringsverbod voor het PO en (V)SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs. PO- en (V)SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren. d. De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen. Vooruitlopend op de kaders van de vigerende wetgeving streeft de gemeente ernaar mee te gaan met deze ontwikkeling.
Referentie: 1717602-0009.0.4.
Bijlage II: kwaliteitskader Frisse Scholen Frisse Scholen - versie mei 2021
Advies
verk laring k euze
Klasse B met ENG
vanuit klimaatdoelstelling / CO2 Met ENG wordt bedoeld BENG-2 = 0 en BENG-3 = 100%
Energie Energieprestatie Lucht Luchtverversing
Klasse B
Spuiventilatie
Klasse C
Ruimtevolume
Klasse B
Kwaliteit van de toevoerlucht
Klasse B=A
Fijnstof
Klasse B
Emissies van materialen
Klasse B=A
Emissies van apparatuur
Klasse A
indien er sprake is van schadelijke uitstoot van de apparatuur
Schoonmaakbaarheid
Klasse C=B=A
zie ook rapport 'Naar een schone school' van VSR&OSB
Tabaksrook
Klasse C=B=A
Toiletten
Klasse C
Legionella
Klasse C=B=A
let op bij locatiekeuze nieuwbouw
bij PO kan spuimogelijkheid bij jongste kinderen wenselijk zijn
Temperatuur Operatieve temperatuur winter
Klasse B
Operatieve temperatuur zomer
Klasse B
Individuele beïnvloeding
Klasse C=B
Ventilatieve koeling
Bouwbesluit
Tocht
Klasse C
Lokaal thermisch discomfort
Klasse C
Licht Kunstlicht
Klasse B + 400 lux schakeling obv aanwezigheid & daglichtregeling
Daglicht
Klasse C
Helderheidswering
Klasse B
Individuele beïnvloeding
Klasse C
Geluid Geluidswering van de gevel
Klasse C=B
Installatiegeluid
Klasse C
bij grenzend aan spoor of hoofdontsluitingsweg, Klasse A
Ruimteakoestiek
Klasse C met 0,8s 0,8s voor een niet ingericht lokaal
Luchtgeluidisolatie
Klasse C=B
Contactgeluidisolatie
Klasse C=B
bij lokalen onderling geldt eis Klasse A
Kwaliteitsborging Energie
Klasse C
Lucht
Klasse C=B
Temperatuur
Klasse C=B
Licht
Klasse C=B=A
Geluid
Klasse C=B=A
Pagina 28 van 29
Colofon Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 4 juni 2025
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Burg. Roelenweg 40 8021 EW Zwolle
T 073 - 6 409 409 info@hevo.nl
T 038 - 4 258 101
www.hevo.nl ●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1717602-0009.0.4.
Pagina 29 van 29