CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

30-03-2023 Bijlage 3. Toelichting bestemmingsplan Duiksehoef 8 en 8a.pdf

Raadsvergadering 30 maart 2023, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Buitengebied herziening Duiksehoef 8 en 8A Loon op Zand17.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|25

Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Met het planvoornemen wordt de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' gewijzigd naar 'Wonen'. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de bedrijvigheid in de nabije omgeving van het plangebied in beeld gebracht. De bebouwing binnen de woonbestemming moet voldoen aan de vereiste richtafstanden met betrekking tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. Het plangebied is gelegen aan de Duiksehoef 8-8a in het buitengebied van Loon op Zand. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Daarmee behoort het plangebied tot het omgevingstype rustige woonwijk. In onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven rondom het plangebied weergegeven met bijbehorende richtafstanden. Locatie

Aard bedrijvigheid

Milieu categorie 3.1

Richtafstand rustige woonwijk 50 m

Afstand

Duiksehoef 6

Manege

Duiksehoef 1b

Agrarisch bedrijf

3.1

50 m

400 m

Duiksehoef 10a

Agrarisch bedrijf

3.1

50 m

160 m

250 m

Zowel direct ten zuiden (Duiksehoef 7) als ten noorden (Duiksehoef 10 en 11) zijn woonbestemmingen (wonen - 1) toegekend en bevinden zich enkele agrarische gronden. Kijkend naar bestaande bedrijven in de omgeving is de manage op Duiksehoef 6 het dichtstbijzijnde bedrijf. Dit bedrijf ligt op circa 250 meter van de woning aan Duiksehoef 8a. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering hanteert een richtafstand van 50 meter voor maneges. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Hiermee wordt gesteld dat er geen sprake is van hinder over en weer. De woning levert geen onevenredige beperking op van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven en is aanvaardbaar uit oogpunt van een milieu hygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Op Duiksehoef 1b rust een enkelbestemming "Agrarisch". Dit perceel ligt op ruim 400 meter van de woning. Dit bedrijf zal geen hinder ondervinden door het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning. Op kortere afstand van dit bedrijf (150 meter) bevindt zich namelijk al een woning. Hetzelfde geldt voor het perceel Duiksehoef 10a. Op dit perceel rust de bestemming NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|26

"Agrarisch met waarden - landschapswaarden". Op het perceel is een vastgoedobject van 22 m2 aanwezig. Op minder dan 20 meter van dit perceel bevindt zich de woning van Duiksehoef 7. De afstand tot Duiksehoef 8a is circa 160 meter. Aan de overzijde van Duiksehoef 8a bevinden zich de bestemmingen "Bos" en "Natuur". Het veranderen van het gebruik van bedrijfswoning naar reguliere woning heeft geen (significante) effecten op het bos- en natuurgebied. Het gebruik blijft immers wonen. Hooguit zal het aantal verkeersbewegingen met 6 extra bewegingen per dag wat hoger liggen dan in het geval van een bedrijfswoning, doordat de bewoners van de woning voor wat betreft werk- en werkzaamheden niet gebonden zijn aan het recreatiebedrijf. Deze toename is echter verwaarloosbaar. In de afstandstabel in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering zijn geen richtafstanden voor recreatiebedrijven opgenomen. Wel kent de VNG-brochure een richtafstand voor kampeerterreinen/vakantiecentra (SBI2008: 552 en 553; 50 meter) en voor zwembaden (SBI2008: 931; 200 meter). Beide zijn uiteraard niet rechtstreeks van toepassing (zeker niet voor het zwembad), maar geven wel de indicatie dat sprake is van een mogelijke uitstraling. Bij het bedrijf kunnen ongeveer 120 personen aanwezig zijn en op het buitenterrein kunnen activiteiten plaatsvinden.

De afstand tussen de recreatiebestemming en de woning bedraagt ongeveer 30 meter. Het woonperceel is met bomenrijen en groen visueel afgeschermd van het recreatiebedrijf en heeft een oppervlakte van 5.000 m2. Direct achter de woning grenst het parkeerterrein behorende bij het recreatiebedrijf. De buitenfaciliteiten van het recreatiebedrijf liggen op de grotere afstand van de woning. In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de herbestemming van de bestaande bedrijfswoning, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidimmissie ten gevolge van de activiteiten van de groepsaccommodatie De Duikse Hoef. Hieruit kan geconcludeerd worden dat voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat waarbij er aandacht is voor de relatie tussen de woning inclusief buitenruimte en stemgeluid en de functie van de recreatiebestemming. Voor de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. De woning beperkt de groepsaccommodatie niet in haar activiteiten. Ter plaatse van de toekomstige woonbestemming is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waar de tuin ook onderdeel van uitmaakt. Door de bedrijfswoning af te splitsen wordt het recreatiebedrijf ook niet in haar ontwikkelingen beperkt.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.3

Bodemkwaliteit

Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|27

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. In onderhavige situatie wordt de recreatiebestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Een verkennend bodemonderzoek is daarmee in principe noodzakelijk. Echter vinden geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaats. Daarnaast verandert het feitelijk gebruik van de locatie niet. Er wordt een woonbestemming gerealiseerd voor een reeds aanwezige bedrijfswoning met bijbehorende tuin. Een verkennend bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.4

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanwijzing tot rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

128

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus, zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in juli 2022 in werking treedt, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Regio 'Baronie' III Over ge cultuurhistorische informatie Cultuurhistor sche Waardenkaart 2006 Over ge bouwkunst

Provinciaal belang cultuurh storie Reg o

Complex van cultuurhistorisch belang

Archeologische landschappen

Cultuurhistor sche waerdevol geb ed

Cultuurhistor sche landschappen

Figuur 10 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied zwart omlijnd)

Regio: Meierij Op de CHW is af te lezen dat het plangebied in de regio 'Meierij' ligt. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Eén van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. De grote stedelijke gebieden van 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

129

Cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Essentiële aspecten In de regio zijn de volgende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang: Groene Woud; Beerse en Baardwijkse Overlaat (gedeeltelijk); Loonse en Drunense Duinen; Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg (gedeeltelijk). Dragende structuren in de regio zijn: de oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden; de dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen; de woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen; de kastelen, kloosters, landgoederen en buitenplaatsen; de populieren en de Zuid-Willemsvaart Ontwikkelingsstrategie De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2.

De cultuurhistorische waarden van de Meierij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen: "Groene Woud" (ook deels in gebiedspaspoort Kempen) en "De Loonse en Drunense Duinen"; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: "Loonse en Drunense Duinen", "Dekzandrug Tilburg-Den Bosch" en "Dommeldal Nuenen-Gestel". Archeologische landschappen: Loonse en Drunense Duinen Op de CHW is af te lezen dat het plangebied in het archeologische landschap 'Loonse en Drunense Duinen' ligt. Dit is een zandlandschap (dekzandreliëf, stuifduinen). Strategie De strategie voor dit gebied is het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid). Beschrijving landschap Dit ten zuiden van Waalwijk gelegen landschap wordt gedomineerd door de Loonse en Drunense Duinen, een reliëfrijk bos-, heide- en stuifduinengebied met een grote oppervlakte open en actief stuifzand. De zandverstuivingen zijn veroorzaakt door te intensieve exploitatie van de gronden door de laatmiddeleeuwse bewoners van de regio. De jongere verstuivingen hangen samen met het gebruik als militair oefenterrein in de vorige eeuw.

De kern van het landschap bestaat uit een dekzandrug, waarop vanaf de late middeleeuwen door zandverstuivingen landduinen met bijbehorende laagten zijn ontstaan. In het noorden wordt het gebied begrensd door het veengebied van de Langstraat en in het zuiden door een slecht ontwaterde, moerassige dekzandvlakte met enkele beken. De randzones van het landschap bestaat uit kleinere en grotere arealen oud bouwland. Onder het stuifzand kunnen nog oude landbouwgronden en nederzettingen voorkomen.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

130

Beschrijving archeologie De dichtheid aan archeologische waarnemingen en terreinen is hier minder dan gemiddeld. Wel valt op dat veel AMK-terreinen een forse omvang hebben. De Archeologische Monumentenkaart (AMK) geeft de wettelijk beschermde archeologische monumenten weer, waarvoor het Rijk bevoegd gezag is. Daarnaast bevat de kaart de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) gewaardeerde gebieden met een (hoge) archeologische waarde. De voorraad Archis-waarnemingen omvat alle perioden vanaf het paleolithicum. Wat daarbij opvalt is dat het zwaartepunt bij de steentijd ligt, terwijl jongere perioden juist ver achterblijven. De AMKterreinen vertegenwoordigen vrijwel de gehele bewoningsgeschiedenis, met uitzondering van het neolithicum en de vroege middeleeuwen. Voor de vroege middeleeuwen is dat niet vreemd, omdat ook bij de waarnemingen deze categorie nagenoeg afwezig is. Het ontbreken van de neolithische component is veel opvallender, omdat dit juist één van de omvangrijkste Archis-tijdvakken is. De aard van het bodemarchief wordt gedomineerd door nederzettingen, naast andere complextypen als depotvondsten, economie en religie. Het landschap bestaat voor een groot deel uit een, oorspronkelijk laatmiddeleeuws stuifgebied. Dit betekent dat oudere bewoningssporen of sterk geërodeerd kunnen zijn of juist goed geconserveerd liggen onder stuifzand.

Cultuurhistorische landschappen: Loonse en Drunense Duinen Op de CHW is af te lezen dat het plangebied in het cultuurhistorische landschap 'Loonse en Drunense Duinen' ligt. Cultuurhistorisch belang De Loonse en Drunense Duinen zijn Brabants grootste stuifzandgebied. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bezien liggen de waarden in de elementen en structuren uit verschillende perioden, die tezamen een beeld geven van de geschiedenis van bewoning en gebruik van dit bijzondere gebied en de strijd die geleverd moest worden tegen de natuurlijke krachten, die dorpen en akkers bedreigden. Ook de Loonse en Drunense Duinen is een in aardkundig en ecologisch opzicht buitengewoon belangrijk gebied. Ontwikkelingstrategie De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: het behoud van het stuifzandgebied; de natuurontwikkelings-en recreatieve opgave afstemmen met de cultuurhistorische waarden; de economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit Loonse en Drunense Duinen en het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. Beschrijving Aan het eind van de laatste ijstijd ontstond de brede dekzandrug die van Kaatsheuvel tot Cromvoirt loopt. Deze rug heeft de ontwikkeling van het landschap nadrukkelijk bepaald. Kwelwater vanaf de dekzandrug zorgde ervoor dat de gebieden ten noorden en ten zuiden ervan heel drassig waren.

Er ontstonden moerassen waarin veenlagen tot ontwikkeling kwamen. Het veen is door landbouwkundig gebruik en door bescheiden turfwinning verdwenen. Aan de noordkant van de Loonse en Drunense Duinen lag een rijtje buurtschappen, dat ontstaan is als uithof van de abdij van Ter Kameren bij Brussel. Het oorspronkelijke bosgebied veranderde onder invloed van de boeren uit de buurtschappen in een heidelandschap. Door overbegrazing en het steken van plaggen ontstonden er in de veertiende eeuw zandverstuivingen. Deze stuifzandgebieden breidden zich over zulke oppervlakten uit dat verschillende buurtschappen maatregelen troffen om verstuiving tegen te gaan zoals het aanleggen van hoge stuifwallen die met hakhout werden beplant. Vanaf circa 1850 is begonnen met het aanplanten van bossen en het terugdringen van de zandverstuivingen. Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw is het uitgestrekte heide- en NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|31

stuifzandgebied van de Loonse en Drunense Duinen voor het grootste deel vastgelegd door bosaanleg. De nog resterende zandverstuivingen, met een oppervlakte van circa drie vierkante kilometer, behoren tot de grootste van Noordwest-Europa en hebben een grote aardkundige waarde. Met het planvoornemen wordt een recreatieve verblijfsbestemming omgezet naar een woonbestemming. Er vinden geen ontwikkelingen plaats welke in strijd zijn met de ontwikkelstrategieën behorende bij de Cultuurhistorische Waardenkaart.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ^ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ^ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ^ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand, die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10"6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10"6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is er op gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

132

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10'6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Onderzoek De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In de onderstaande uitsnede van de risicokaart wordt de omgeving van het plangebied weergegeven. Met het planvoornemen wijzigt er feitelijk niks, er wordt een woonbestemming gerealiseerd voor een reeds aanwezige bedrijfswoning.

sehoef

Figuur 11 Uitsnede risicokaart Nederland, plangebied rood omlijnd

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

133

Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen, die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op het terrein van het recreatiebedrijf zelf is wel een opslagtank voor propaan aanwezig. De veiligheidsafstand op basis van het Activiteitenbesluit is 15 meter. De afstand van deze propaantank tot aan de woning voldoet daarmee aan het activiteitenbesluit. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen te worden opgelegd aan een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevinden zich hemelsbreed op meer dan 200 meter van het plangebied. De A59 ligt hemelsbreed op circa 5.800 meter ten noorden van het plangebied. De spoorlijn ligt hemelsbreed op circa 7.800 meter ten zuiden van het plangebied. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt hemelsbreed op circa 1.000 meter ten oosten van het plangebied. Reactie veiligheidsregio Brandweer Midden- en West Brabant geeft op 14 februari 2022 aan dat bij het "voorontwerp bestemmingsplan Duiksehoef 8 en 8a in Loon op Zand" gebruik gemaakt kan worden van het standaardadvies externe veiligheid. De nieuwe woonbestemming ligt buiten de 10-6 contour van de nabijgelegen propaantank.

Het standaardadvies externe veiligheid is als bijlage 3 opgenomen bij het bestemmingsplan.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.6

Flora en Fauna

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De uitvoering van de Wn komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wn vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|34

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wn niet is veranderd. In het NNN liggen: ^ Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; ^ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ^ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ^ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; ^ Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wn niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: ^

Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Internationaal beschermde soorten o alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn). Overige beschermde soorten o soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn). Hieronder vallen onder meer de 'algemene' soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd). o

^

^

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

135

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten, die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Voor onderhavige situatie is een quickscan natuurwetgeving niet noodzakelijk aangezien er geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Er vindt enkel een functiewijziging plaats.

Stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Loonse en Drunense Duinen'. In onderhavige situatie wordt er niet gesloopt of bijgebouwd. Het planvoornemen betreft enkel een functiewijziging. Er zijn ook geen significante wijzigingen in de verkeersintensiteiten. Een stikstofdepositie onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Geluid

Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wgh wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidshinder. In onderhavige situatie is sprake van een functiewijziging waarbij de situatie voor de (bedrijfs)woning niet wijzigt.

De woning komt niet dichter bij de weg te liggen. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Voor het recreatiebedrijf is wel aan akoestisch onderzoek uitgevoerd.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

136

In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de herbestemming van een bestaande bedrijfswoning aan de Duiksehoef 8-8a te Loon op Zand, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidimmissie ten gevolge van de activiteiten van de groepsaccommodatie De Duikse Hoef. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Op locatie wordt beoogd om de bedrijfswoning aan de zuidoostzijde af te splitsen van de groepsaccommodatie. De bedrijfswoning zal de bestemming wonen krijgen. De groepsaccommodatie valt in categorie 3.1 van de VNG handreiking. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor een rustig buitengebied. De woning ligt binnen 50 meter van de groepsaccommodatie. Zodoende dient te worden nagegaan of de woning de groepsaccommodatie kan beperken in de vergunde geluidruimte. De optredende gevelbelastingen zijn getoetst aan de eisen uit de VNG-publicatie "Handreiking bedrijven en milieuzonering" en het Activiteitenbesluit. Het betreft zowel het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT als de maximale geluidniveaus La max. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode bedraagt 38 dB(A). Hiermee wordt voor de dagperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit.

Het hoogste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avondperiode bedraagt 36 dB(A). Hiermee wordt voor de avondperiode tevens voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. De woning beperkt de groepsaccommodatie niet in haar activiteiten. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus bedragen in de dagperiode ten hoogste 58 dB(A). Hiermee wordt voor de dagperiode voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidniveau bedragen in de avondperiode ten hoogste 60 dB(A). Hiermee wordt voor de avondperiode tevens voldaan aan de geluideisen conform stap 2 van de VNG handreiking en het Activiteitenbesluit. De woning beperkt de groepsaccommodatie niet in haar activiteiten.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Luchtkwaliteit

De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguur gemiddelde). De Wet Luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM)' bijdrage aan de luchtverontreiniging.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|37

In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate'(regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de Wet Luchtkwaliteit en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'Niet in betekenende mate' gedefinieerd als ^ van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Inmiddels is derogatie verleend en het NSL in werking getreden. De definitie NIBM is daardoor verschoven naar 3% van de grenswaarde. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu - RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse minder dan 10 pg/m3. De concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse minder dan 18 pg^3. De concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 pgZm3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Luchtkwaliteit t.b.v. aantal verkeersbewegingen Het onderhavige planvoornemen betreft een bestemmingswijziging naar 'Wonen'. Met het planvoornemen om de bedrijfswoning te wijzigen naar een burgerwoning, die los staat van het bedrijf, nemen de verkeersbewegingen met 6 extra bewegingen per dag gering toe. Met de NIBMtool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaarvan planrealisatie

2020

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

6

Aandeel vrachtverkeer

0,0^0

N02 in pg/m3

0,00 0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM-io in pg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in pg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

138

NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige en toekomstige luchtkwaliteit weergegeven. Op de kaarten van de NSL-monitoringstool zijn rekenpunten langs de Duiksehoef aanwezig. De dichtstbijzijnde rekenpunten liggen op circa 200 meter ten westen van het plangebied. Uit de resultaten blijkt dat zowel in 2019, 2020 en 2030 voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit.

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.9

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 - 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 weer met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit NWP dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het NWP voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het NWP legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

139

Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; beheersbaar programma voor de waterkeringen; doelmatig beheer van de waterketen, werkzaamheden slim combineren; het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het 'oude' Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: ^ voldoende water voor mens, plant en dier; ^ schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) ^ bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; ^ verduurzaming van onze grondstoffen, energie- en voedselvoorzieningen. Waterbeheerplan 2016-2021 (waterschap Brabantse Delta) Het Waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van water­ en zuiveringssystemen voor de periode 2016-2021. Het is een inhoudelijk vernieuwend plan wat in dialoog met partners is opgesteld.

In de uitvoering van ons werk houden wij rekening met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ^ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ^ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ^ inzet op de bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ^ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ^ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); ^ afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; ^ een duurzame energiewinning. Binnen de algemene regelgeving van het Waterschap Brabantse Delta is de drempelwaarde die het waterschap hanteert voor het nemen van compenserende maatregelen bij een toename aan verhard oppervlak per 1 april 2021 gewijzigd van 2000 m2 naar 500 m2.

De gedachtegang hierachter is het steeds grotere belang om water te moeten vasthouden vanwege de toename aan (langdurige) droge perioden.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

140

Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlakte. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: ^ Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2.000 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid; ^ Bij een toename van het verharde oppervlakte van meer dan 2.000 m2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2); ^ Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig. Bovenstaande regels zijn in het vervolg beoordeeld voor het plangebied. Voor de inventarisatie van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van de keurkaart van het waterschap Brabantse Delta.

Beschermd geb ed waterhuishouding Volledig beschermd gebied Invloedsgeb ed Netura2000

Figuur 12 Uitsnede keurkaar waterschap Brabantse Delta (plangebied rood omcirkeld)

Het plangebied in het invloedgebied Natura 2000. Het planvoornemen bestaat echter uit een bestemmingswijziging, waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden worden verricht. Er wordt daarbij geen grondwater onttrokken en er vinden geen andere activiteiten plaats die de waterhuishouding negatief beïnvloeden.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

141

Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht om in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

Bestaande situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Loon op Zand, ten noordwesten van de dorpskern van Loon op Zand. Het plangebied kent een totale oppervlakte van 32.573 m2. Het perceel bestaat uit bebouwing, verharding, beplanting en gazon. Hemelwater In de huidige situatie wordt neerslag, die in het plangebied valt, via de grond afgevoerd. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater Het afvalwater wordt in de bestaande situatie afgevoerd via het rioolstelsel van de gemeente Loon op Zand.

Toekomstige situatie Het planvoornemen is om de recreatieve verblijfsbestemming van de bedrijfswoning om te zetten in een woonbestemming, waarbij geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats vinden. Het aandeel verhard oppervlak blijft daarmee gelijk. Gezien de omgang van het plangebied en het gelijk blijven van het aandeel verhard oppervlak, hoeven geen aanvullende maatregelen getroffen te worden. Beide panden zijn via één leiding aangesloten op het drukriool. Dit dient bij de wijziging van het bestemmingsplan gewijzigd te worden. Hiertoe wordt een aanvraag rioolaansluiting gedaan.

Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Brabantse Delta toegezonden. Het waterschap Brabantse Delta heeft op 8 maart 2022 een positief wateradvies gegeven.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10 Mer-beoordeling Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarden voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO ^ ^ ^

|42

De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie Drempelwaarde lijst D In het plangebied is sprake van de aanleg, transformatie of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat in dit geval om een bestemmingswijziging van een voormalige bedrijfswoning naar 'Wonen'. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject valt onder activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. onder de term 'stedelijk ontwikkeling'. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit met D.11.2. in bijlage II van het Besluit, vermeld: ^ Een oppervlakte van 100 hectare of meer; ^ Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen; ^ Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er is geen sprake van een bouwactiviteit of van een andere wijze van gebruik. Om die reden is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en is geen mer-beoordeling noodzakelijk. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen.

Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen.

Conclusie Het uitvoeren van een (vorm-vrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|43

6. JURIDISCHE REGELGEVING 6.1.

Inleiding

Dit bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan op de regeling van het bestemmingsplan 'Buitengebied Geconsolideerd' van de gemeente Loon op Zand. Het bestemmingplan dient tevens aan te sluiten op de Parapluherziening Loon op Zand 2019, wonen, vastgesteld op 28 maart 2019 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de kaart aangegeven bestemmingen en de daarop betrekking hebbende regels, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden.

6.2.

Systematiek van de regels

De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP2012 en IMRO 2012) vastgelegd welke kleuren, lijnen, symbolen e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze het een en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld:

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten.

Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: ^ Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels voor gebouwen; ^ Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; ^ Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; ^ Eventuele nadere eisen; ^ Eventuele afwijkingen van de bouwregels; ^ Eventuele specifieke gebruiksregels; ^ Eventuele afwijkingen van de gebruiksregels. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen van gronden als eerste beschreven en daarna gevolgd door de eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

144

Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: ^ Anti-dubbeltelregel: met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de regels door middel van (privaatrechtelijke) wijzigingen in de eigendomsverhoudingen van gronden te voorkomen; ^ Algemene bouwregels: dit artikel bevat de bouwregels van algemene bouwwerken die binnen het gehele plangebied kunnen worden opgericht; ^ Algemene gebruiksregels; dit artikel bevat de algemene regels ten aanzien van het strijdig gebruik; ^ Algemene afwijkingsregels: het gaat hierbij om een afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten en percentages met betrekking tot het bouwen, het oprichten van gebouwen van openbaar nut en het in beperkte mate verschuiven van bestemmingsgrenzen; ^ Algemene wijzigingsregels: het gaat hierbij om een afwijkingsmogelijkheid van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsgrenzen; ^ Overige regels.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: ^ Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; ^ Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

6.3.

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Groen - Landschappelijke inpassing Artikel 4 bevat regels voor de bestemming 'Groen - Landschappelijke inpassing'. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor het aanleggen en in stand houden van gebiedseigen beplanting overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan, ter inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie Artikel 3 bevat de regels voor de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor recreatiebedrijven en/of recreatieterreinen bedoeld voor verblijfsrecreatie, een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie', aan huis gebonden beroepen, dagrecreatieve voorzieningen, aan de groepsaccommodatie ondergeschikte horeca, (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' zijn geen bedrijfswoningen toegestaan;

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

|45

Artikel 5 Wonen - 1 Artikel 4 bevat de regels voor de bestemming 'Wonen - 1'. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor wonen, aan huis gebonden beroepen, (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Artikel 5 bevat de regels over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

NL.IMRO.0809.BPDuiksehoef8a-VG01

bestemmingsplan Buitengebied-Herziening Duiksehoef 8 en 8a Loon op Zand

oooo ORDITO OOOO

146

7. UITVOERBAARHEID 7.1

Economische haalbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1. Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Het bestemmingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Er is geen sprake van een bouwplan in de zin van de Grondexploitatiewet. Verhaal van kosten gebeurt in de vorm van leges. Er dient een overeenkomst tot verhaal van eventuele kosten planschade aangegaan te worden. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Door de initiatiefnemer is een omgevingsdialoog uitgevoerd. Uit de omgevingsdialoog zijn geen ernstige bezwaren naar voren gekomen tegen de bestemmingswijziging. Het verslag van de dialoog is als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan gevoegd. De dialoog voldoet aan de spelregels van de gemeente. Om deze reden wordt geen inspraak verleend.

Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan. Hierop zijn geen reacties ontvangen.

Ontwerp Na de instemming van het college van burgemeester en wethouders op het ontwerpbestemmingsplan heeft het ontwerp met ingang van 19 mei 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. Er is binnen de daarvoor gestelde termijn één zienswijze ontvangen van de provincie Noord-Brabant. De nota van zienswijzen is als bijlage 6 PM bij dit bestemmingsplan gevoegd. Naar aanleiding van de zienswijzeperiode is het bestemmingsplan aangevuld.

Vaststelling Na vaststelling wordt het plan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=f583db56-36d3-4b99-8974-a354732e7609