CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

25-05-2023 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand.20.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bij de

3. De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

23

4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welkeverdereeisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel7.5 Klachtregeling 1. Het college draagt zorg voor een behoorlijke en transparante procedure voor de afhandeling van klachten van de cliënt over de algemene of overige voorzieningen, zoals bedoeld in hoofdstuk 7 en over de toekenningsprocedure als in hoofdstuk 2. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel7.6Medezeggenschapbij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welkevoor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel7.7 bezwarenprocedure Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bezwarenprocedure.

Hoofdstuk8 Inspraak Artikel8.1 Betrekken van ingezetenenbij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente,waaronder in iedergeval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewetgestelderegels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectiefte kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweedeen derde lid. Artikel8.2 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.

24

Hoofdstuk9 Slotbepalingen Artikel9.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt of mantelzorger afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel9.2Voorwaarden Het college kan aan het verstrekken van een voorziening met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.

voorwaarden

verbinden, die verband houden

Artikel9.3 Beleidsregels Het college van gemeenteLoon op Zand stelt “Beleidsregelsmaatschappelijke ondersteuning gemeenteLoon op Zand ” vast. Hierin neemt het regels op over de uitvoering van deze verordening. Artikel9.4 Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening geldende bedragen indexeren.

Artikel9.5 Intrekkingoude verordeningen overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning

gemeenteLoon op Zand 2022 wordt ingetrokken.

2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrektop grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeenteLoon op Zand 2021 of eerder,totdat het college een nieuw besluit heeftgenomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt,wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend voor 1 juni 2023 onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeenteLoon op Zand 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Van het in lid 3 gesteldekan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeenteLoon op Zand 2021 of 2022, geschiedt op grond van de betreffende Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeenteLoon op Zand die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. 6. Van het in lid 5 gesteldekan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel9.6Inwerkingtredingen citeertitel 1. Dezeverordening treedt in werking 1 juni 2023. 2. Dezeverordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Loon op Zand .

Ondertekening 25

gemeente

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeenteLoon op Zand van 25 mei 2023. De raad voornoemd, voorzitter,

griffier,

Bijlagen: 1. Tarieven hulpmiddelen 2. Tarieven hulp bij het huishouden 3. Tarieven begeleiding 4. Tarieven pgb voor hulpmiddelen 5. Tarieven collectief vervoer 6. Tarief maximale verhuiskostenvergoeding 7. Tarief pgb voor een sportvoorziening

26

Bijlage 1 Tarieven 2023 hulpmiddelen Huurprijs Huurprijs

Categorie extern

11H01 Rolstoelen incidenteel gebruik

per

per

maand

maand

2023

2023incl.

excl. btw

btw

btw

11,73

12,79

9

volwassenen

41,04

44,73

9

11H11 Rolstoelen semi permanent standaard/complex

kinderen

70,34

76,67

9

11H12 Kantel rolstoel permanent standaard/complex

volwassen

76,19

83,05

9

11H13 Kantel rolstoel permanent standaard/complex

kinderen

111,37

121,39

9

13H50 Tilliften actief standaard/complex

105,50

127,66

21

13H51 Tilliften passief standaard/complex

105,50

127,66

21

70,34

76,67

9

93,78

102,22

9

11H10 Rolstoelen semi permanent standaard/complex

11H20 Actieverolstoelen standaard/complex 11H21 Actieverolstoelen standaard/complex

kinderen

11H60 Elektrische rolstoelen standaard/complex 11H62 Elektrische rolstoel standaard/complex,

volwassenen kinderen

334,08

364,15

9

386,83

421,64

9

12H30 Scootmobiel,

meeneembaar, verkleinbaar

49,82

54,30

9

12H31 Scootmobiel

standaard

68,59

74,76

9

12H32 Scootmobiel,

complex extra geveerd

85,00

92,65

9

12H01 Driewiel1 duo-fietsen eenvoudig (laag btw)

55,09

60,05

9

12H02 Driewiel1 duo-fietsen met hulpmotor

82,06

89,45

9

12H10 Tweewiel1 duo-fietsen eenvoudig (hoog btw)

55,09

66,67

21

12H11 Tweewiel1 duo-fietsen met hulpmotor

82,06

99,29

21

25,79

28,11

9

(laag btw) (hoog btw)

13H01 Douche- en toiletstoelen verrijdbaar 13H02 Douche-en toiletstoelen, complex (kantel)

87,92

95,83

9

11H30 Hoepelondersteuning/

111,37

121,39

9

joystick

11H31 Duwondersteuning

70,34

76,67

9

12H60 Aankoppelbaar

105,50

115,00

9

11H32 Buggy's voor kinderen

38, 1D

41,53

9

11H33

87,92

95,83

9

fietsdeelstandaard/complex

Kinderduwwandelwagens

13H99 Overig woonvoorzieningen 12H99Overig vervoersvoorzieningen 11H99Overig rolstoelvoorzieningen

Tl

Bijlage 2 Tarieven 2023 hulp bij het huishouden Product

ZIN/PGB FORMEEL/INFORMEEL CODE

Hbh1 algemeen (resultaatgericht) ZIN Hbh1 plus (uurtje factuurtje) ZIN Hbh1 algemeen (uurtje factuurtje)

PGB

FREQUENTIE

TARIEF 2023

FORMEEL

01A01

Per cliënt, per week

C 66,72

FORMEEL

01A04

Per uur

C 33,36

FORMEEL

01A01

Per uur

800Zo van de prijs van zorg in natura

Hbh1 algemeen (uurtje factuurtje)

PGB

INFORMEEL

01A01

Per uur

Volgens Wml* geldt in deze branch, vermeerderdmet 80Zo vakantiegeld

Hbh1 plus (uurtje factuurtje)

PGB

FORMEEL

01A04

Per uur

800Zo van de prijs van zorg in natura

Per uur

Volgens Wml* geldt in deze branch, vermeerderdmet 80Zo vakantiegeld

Hbh1 plus (uurtje factuurtje)

PGB

INFORMEEL

01A04

*Wet Minimum loon

28

Bijlage 3 Tarieven 2023 begeleiding Productcode

Product

Eenheid

Systeem tarief 2023

BEGELEIDING INDIVIDUEEL

1.1

02A03

Begeleiding Basis

uur

C 62,93

1.2

02A05

Begeleiding Specialistisch

uur

C 74,26

BEGELEIDING GROEP 7 DAGBESTEDING

3.1

07A03

Recreatievedagbesteding

dagdeel

C 32,91

3.2

10A47

Ontwikkelingsgerichte dagbesteding

dagdeel

C 44,81

3.3

10A50

Arbeidsmatige dagbesteding

dagdeel

C 44,95

Arrangement dementie

traject

C 705,62

uur

C 74,26

uur

C 74,26

ARRANGEMENT

4.1

10A33

TOESLAGEN

5.1

10A12

Toeslag PSY licht (20 uur beschikking)

5.2

10A15

Toeslag PSY zwaar (60 uur

per jaar per jaar

beschikking)

5.4

08A03

Vervoer dagbesteding

dag

C 15,60

5.5

08A04

Vervoer dagbesteding rolstoel

dag

C 27,94

29

Bijlage 4 Tarieven 2023 PGB voor hulpmiddelen Voorzieningen

in het kernassortiment

In deze tabel staat het kernassortiment. Voor het kernassortiment werken we met vaste bedragen. Hulpmiddel

PGB in maanden 1 afschrijvings­ termijnen

1

Rolstoelen incidenteel gebruik

84

2a

Rolstoelen semi permanent

84

2b

Kantel rolstoel permanent volwassen

84

3

Actieve rolstoelen

84

4

Elektrische rolstoelen volwassenen

84

5a

Scootmobiel, meeneembaar, verkleinbaar

84

5b

Scootmobiel, standaard

84

5c

Scootmobiel, complex, extra geveerd

84

6a

Speciale fietsen eenvoudig

84

6b

Speciale fietsen met hulpmotor

84

PGB-bedrag hulpmiddel incl. BTW excl. aanpassingen

Afschrijving per maand

All-in onderhoud (vast tarief, gehele PGB periode, maximaal 60resp.84 mnd. Incl. BTW)

onderhoud Verzeke per maand WA incl. assurant belasting

e 820,56

e 9,76

e 492,33

e 5,87

e 1.758,36

e 20,94

e 4 92,33

e 5,87

e 2.930,58

e 34,89

e 4 92,33

e 5,87

C 2.930,58

e 34,89

e 4 92,33

e 8.205,62

e 97,68

e 2.461,68

e 29,31

e 60,92

e 1.172,24

e 13,94

e 2.461,68

e 29,31

e 60,92

e 3165,02

e 3 7,68

e 2.461,68

e 29,31

e 60,92

e 4.102,82

e 4 8,85

e 2.461,68

e 29,31

e 60,92

e 2.344,46

e 27,91

e 4 92,33

e 4. 923,37

e 58,62

e 2.486,14

e 5,87

30

e 5,73

e 28,63

7

8a

Douche- en toiletstoelen verrijdbaar

84

Hoepelondersteuning,

C 879,18

C 10,46

n.v.t.

84

C 6.916,17

e 82,33

C 2.486,14

C 29,31

C 60,92

C 3.282,25

C 39,08

C 2.486,14

C 29,31

C 60,92

C 3.282,25

C 3 9,08

C 4 83,54

C 5,87

C 3.873,44

C 4 8,85

C 2.486,14

C 29,31

Joystick 8b

Duwondersteuning

84

9a

Aankoppelbaar fietsdeel

84

9b

Aankoppelbaar fietsdeelmet ondersteuning

84

Voorzieningen buiten het kernassortiment. Voor onderstaande voorzieningen wordt het PGB bepaald op basis van de goedkoopst offerte. De aanvrager van het PGB moet hiervoor offertes aanleveren.

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20A 20B 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 30 32

Scootermobiel maximaal 15km per uur Scootermobiel maximaal 15km per uur, extra geveerd Scootermobiel demontabel Z meeneembaar maximaal 6km per uur Driewielfietsenvolwassenen Driewielfietsenkinderen; ca. 2 tot 5 jaar Driewielfietsenkinderen; ca. 5 tot 9 jaar Driewielfietsenvoor kinderen van 9 tot 15 jaar Tilliften passief Tilliften actief Douche- toiletstoelen zelfrijder Duo-fietsen in tweewieluitvoering Duo-fietsen in driewieluitvoering Driewielfietsenmet elektrischeondersteuning Aankoppelbaar fietsdeelZ handbike Elektrische aandrijfunits hoepelondersteuning Elektrische aandrijfunits duwondersteuning Elektrische aandrijfunits met joystick Buggy's voor kinderen Kinderduwwandelwa-gens Kinderrolstoelen handbewogen Kinderrolstoelen handbewogen met kantelverstelling Kinderrolstoelen elektrisch Rolstoelfietsen Badliften elektrisch

31

adequate

C 60,92

Bijlage 5 Tarieven 2023 collectief vervoer Wmo-tarief -

Tarief per kilometer: C 0,188

Instaptarief: C 3,90

Tarief per kilometer: C 0,59

Instaptarief: C 3,90

Tarief per kilometer: C 1,61

collectief vervoer met beschikking (art. 5.1 lid 5)

OV-tarief -

Instaptarief: C 1,08

collectief vervoer vrije reiziger, (art. 5.2. lid 1 onder a)

Tarief bij negeren OV-advies

De actuele prijzen, zoals vermeld op de website https://regiovervoermiddenbrabant.nl aangehouden.

Bijlage 6 Tarief 2023 maximale verhuiskostenvergoeding maximale verhuiskostenvergoeding

C 2.500,00

Bijlage 7 Tarief 2023 PGB voor een sportvoorziening Artikel 4.2.11 lid a Artikel 4.2.11 lid b Artikel 4.2.11 lid c

C 2.968,41 C 660,00 C 457,32

32

, worden

Toelichting Verordeningmaatschappelijke ondersteuninggemeenteLoon op Zand Algemeen Dezeverordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet). De wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Dezetaken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude ’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijsverwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens stelt de gemeentehem waar nodig in aanvulling hierop in staat gebruik te maken van een algemene voorziening of - als dat niet volstaat - een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverdaan zijn mogelijkheden om deelte nemen aan het maatschappelijk verkeeren zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helderte krijgen.

Achterhaald moet worden wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Op die manier kan worden bepaald of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de wet valt. De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude ’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdigeprocedure daartegenover gesteld, waarbij de mogelijkheden van de cliënt centraal staan. Een dergelijke procedure moet telkens leiden tot een juist eindoordeel; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Dit betekent derhalve niet dat het altijd zo is dat elkecliënt met een vergelijkbare beperking dezelfde ondersteuning ontvangt.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechtertoets dan of de gemeentezich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van cliënt op adequate wijze heeftverricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levertaan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De wet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echterin de regel namens het college gedaan worden (oftewel in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college kan alleen rechten en plichten aan niet-ondergeschikten mandateren als deze nietondergeschikte een aanbieder is.

Dit staat in artikel 2.6.3 van de wet. In artikel 1.1.1 eerstelid van de wet staat de definitie van een aanbieder opgenomen. Deze luidt: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan nietondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten namelijk ook aan ondergeschikten mandateren. Hier leestu artikelsgewijs een nadere toelichting op de bepalingen.

33

Hoofdstuk1 AlgemeneBepalingen Artikel1.1 Definities In de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is een groot aantal definities opgenomen. Voor de leesbaarheid is een selectiehiervan opgenomen in hoofdstuk 1 van deze verordening. In hoofdstuk 1 leggen wij uit wat wij verstaan onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Hieronder leest u een toelichting op de begrippen. a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling door het college of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals: ^ niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; ^ daadwerkelijk beschikbaar is; ^ een passende bijdrage levertaan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; ^ financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. b. algemene voorziening: In de wettelijkedefinitie staat dat een algemene voorziening zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk is. Dit betekent echterniet dat de aanbieder van de voorziening niet een lichte toegangstoets mag doen om bijvoorbeeld na te gaan of iemand tot de doelgroep behoort. In de Memorie van toelichting bij de wet staat dit ook zo uitgelegd.

Het verschil met een maatwerkvoorziening zit er in dat de gemeentebij een algemene voorziening geen beschikking afgeeft. c.

andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg.

d.

Beleidsregels: Deze bepaling spreekt voor zich.

e. bijdrage Een nadere uitwerking van de bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening (m.u.v. cliëntondersteuning en verhuis en inrichtingskosten), een persoonsgebonden budget (pgb), een algemene voorziening en een bij verordening aangewezen algemene voorzieningen is opgenomen in hoofdstuk 5 van deze verordening. f.

budgethouder Deze bepaling spreekt voor zich.

g.

budgetplan Deze bepaling spreekt voor zich.

h.

cliëntondersteuning Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen

i.

college Deze bepaling spreekt voor zich.

j.

gebruikelijke hulp

34

Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; k.

gesprek Het gesprek is het mondeling contact na een melding, waarin het college samen met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt, de precieze hulpvraag inventariseert, bepaalt wat - kort gezegd - de beperkingen zijn in de zelfredzaamheid en participatie en inzicht verkrijgt in de aard en de omvang van de door het college te organiseren maatschappelijke ondersteuning, als deze noodzakelijk mocht blijken. Tijdens het gesprek moeten de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk en algemene (gebruikelijke) voorzieningen in kaart worden gebracht, althans moet gekeken worden of - en zo ja, in welke mate, deze aanwezig zijn en welke mogelijkheden deze bieden.

l.

hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerstonderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerstmeldt, is in veelgevallen niet op voorhand duidelijk of en in welkevorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk.

m. hulpuithetsociaalnetwerk Deze bepaling spreekt voor zich. n.

ingezetene Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeenteom een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeentewaar hij woont. De term 'wonen' is niet verderuitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo) volgt dat het gaat om de feitelijkeverblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.

o.

maatschappelijke ondersteuning In de wet staat maatschappelijke ondersteuning als volgt omschreven. V. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente,alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang.

p.

maatwerkvoorziening In de wet is een maatwerkvoorziening als volgt omschreven: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheelvan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: V. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

q. mantelzorg In de wet is mantelzorg als volgt omschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks 35

voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; r.

melding Iedereenkan zich melden met een hulpvraag. Door het melden maakt men de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien de ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, in te stellen.

s.

ondersteuningsplan Deze bepaling spreekt voor zich.

t.

onverwijld Deze bepaling spreekt voor zich.

u.

persoonlijk plan In het plan kan de cliënt - al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk - de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociaal netwerk van cliënten versterken.

v.

persoonsgebonden budget (pgb) Deze bepaling spreekt voor zich.

w. sociaalnetwerk Deze bepaling spreekt voor zich. x.

Wet Deze bepaling spreekt voor zich.

y.

Woonvoorziening Dezebepaling spreektvoorzich.

z. zorgin natura Dezebepaling spreektvoorzich. aa.Zorgorganisatie Deze bepaling spreekt voor zich. bb.ZZP'er Dezebepaling spreektvoorzich.

Artikel1.2 Doelgroep Dezeverordening kent tweedoelgroepen. Allereerstcliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om hiervoor in aanmerking te komen dient de cliënt ingezetene te zijn van de gemeenteLoon op Zand. We gaan hierbij uit van de inschrijving in de Basis registratie personen (Brp). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komen, moet de men in iedergeval ingezetene zijn van Nederland, maar niet persé van de gemeenteLoon op Zand. Mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeenteLoon op Zand. Artikel1.3Aanbod maatwerkvoorzieningenen algemenevoorzieningen De gemeentevindt het belangrijk dat voor iedereenduidelijk is wat het gemeentelijkeaanbod aan voorzieningen is. Ook vindt de gemeentehet belangrijk dat op voorhand duidelijk is welkevormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente(de ‘maatwerkvoorzieningen ’) 36

en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereenwaarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen ’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van maatschappelijke ondersteuning die door de gemeenteworden geboden opgesomd. Het betreft geen limitatieve opsomming. Van verschillende van de hier genoemde vormen bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van cliënt.

Hoofdstuk2 Toegang Dit hoofdstuk bevat zowel de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening als de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. De procedure start op het moment dat de cliënt de gemeenteom hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeenteom onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeentevoor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echterook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. Artikel2.1 Melding behoefteaan maatschappelijke ondersteuningen vooronderzoek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en is een uitwerking van de verplichting die de gemeenteheeft op grond van de Wmo 2015 om te bepalen op welkewijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In lid 1 is opgenomen dat de melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (de hulpvraag) schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college kan worden gedaan. De melding is dus vormvrij.

De melding kan bovendien ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet.Als een cliënt, al dan niet in verband daarmee, behoefte heeft aan ondersteuning bij het verhelderenvan zijn ondersteuningsbehoefte, dan wordt de cliënt hierbij ondersteund. In lid 2 is opgenomen bevestigt.

dat het college de ontvangst

van de melding binnen

tweeweken schriftelijk

In lid 3 is opgenomen dat het college de cliënt wijst op de mogelijkheid zich te laten bijstaand door iemand uit het eigen netwerk of een gratis cliëntondersteuner en het college hem informeert over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan. In een persoonlijk plan kan de cliënt aangeven op welkewijze hij vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Dit draagt bij aan de mate van eigen regie door de cliënt. Indien de cliënt zo'n persoonlijk plan wil indienen dient hij dit uiterlijk 7 dagen na de melding te overhandigen aan het college. In lid 4 is opgenomen dat in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet het college na ontvangst van de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening treft in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Met onverwijld bedoelen wij binnen maximaal 3 werkdagen. In lid 5 is opgenomen dat het college alle gegevens verzameltdie voor het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerstelid van de wet, toegankelijk en van belang zijn over de cliënt en zijn situatie. Er wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. 37

Lid 6 bepaalt dat de cliënt voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijsde beschikking kan krijgen aan het college moet overhandigen. Artikel2.2 Onderzoeknaar de behoeften,persoonskenmerken en voorkeuren Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeenteen cliënt plaatsvindt. Telefonisch contact valt hier ook onder. In artikel 2.2 lid 2 van de verordening wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echterook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 2.5 van deze verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welkedeskundigheid vereistis, beslist het college welkeadviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. Een zorgvuldig

onderzoek vereisthet op enigerlei doorlopen

Stap 1: Na de melding dient eerstde precieze hulpvraag

van de volgende stappen1:

te worden geduid.

Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat - kort gezegd - de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Stap 3: Vervolgens kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning. Stap 4: Daarna moeten de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk en algemene voorzieningen in kaart gebracht worden, althans moet bezien worden of - en zo ja: in welke mate - deze aanwezig zijn. Stap 5: Vervolgens dient geconcludeerd te worden of er voor het college uiteindelijk nog iets te compenseren overblijft. Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk wordt geacht, dient kan specifieke deskundigheid worden ingeschakeld. Artikel2.3Verslag van het onderzoek In lid 1 is opgenomen dat de weergavevan het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergavezijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. In lid 2 is opgenomen dat de cliënt de mogelijkheid heeft het verslag getekend te retourneren. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ondertekenen ‘voor akkoord ’ en ‘voor gezien’.

Als een cliënt ‘voor gezien’ tekent is hij het niet eens is met de inhoud van het verslag maar wil hij wel een aanvraag indienen, zodat het college een beschikking kan afgegeven. Alleen tegen een beschikking kan immers bezwaar worden gemaakt. Als een cliënt ‘voor gezien’ tekent, bestaat tevens de mogelijkheid om aan te geven waarom hij niet voor akkoord tekent. ‘Voor akkoord ’ is voor situaties waarin cliënt zich volledig kan vinden in wat in het verslag is opgenomen. In lid 3 is opgenomen dat de cliënt het verslag tekent voor gezien of akkoord. Indien hij uitsluitend tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven waarom hij niet tekent voor akkoord. De cliënt draagt er zorg voor dat het getekendeexemplaar wordt geretourneerd aan het college.

1 Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819 ).

38

In lid 4 is opgenomen dat indien de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening hij dit kan aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit verslag dient dan tevens als aanvraag. Artikel2.4Aanvraag maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 zijn de termijnen afwijkend geregeldten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na ontvangst van de melding dient er binnen maximaal zes weken een onderzoek plaats te vinden. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is afgerond tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding. Na ontvangst

van een aanvraag heeft het college tweeweken de tijd om een beschikking af te geven.

Indien er conform artikel 2.2 lid 4 wordt afgezien van een onderzoek kan de cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk)vertegenwoordiger een aanvraag schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Lid 3 bepaalt dat ook een ondertekend verslag van het onderzoek kan dienen als aanvraag indien de cliënt op het verslag heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening. Artikel2.6Inhoud beschikking In dit artikel is opgenomen welkeelementen worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking staat de informatie die voor de cliënt nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Artikel2.7Advisering Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meerdaartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.

Hoofdstuk3 Maatwerkvoorzieningen Artikel3.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 tweedelid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welkecriteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In dit artikel van de verordening zijn de algemene criteria opgenomen, in de volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meerspecifieke criteria opgenomen per productgroep. Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen komt het neer op het leveren van maatwerk. Het is daardoor niet mogelijk en wenselijk om in de verordening limitatief te regelen welkemaatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrektdienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meestgoedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven 39

nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan wordt, moge duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meerdan dat, niveau dient te worden aangesloten. Onder voorwaarden is het wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening. Voorwaarde is dan dat deze voorziening naar het oordeel van het college in de vorm van een pgb kan worden verstrekten de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Artikel3.2Aanvullende criteria voor hulp bij het huishoudenen begeleiding In dit artikel is opgenomen dat het college de aanwezigheid van gebruikelijke hulp bij haar beoordeling betrekt. Het college houdt rekening met huisgenoten, afhankelijk van hun leeftijd en psychische gesteldheid. Wanneer die in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt allereerstgekeken of dit niet een voorliggende voorziening is.

Alle huisgenoten boven de 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dan, wanneer één van de huisgenoten uitvalt, via herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig (bijvoorbeeld militairen op uitzending) zijn kan er aanleiding bestaan voor het verstrekken van een voorziening. Uiteraard bestaat er een noodzaak tot verstrekken van een voorziening als de huisgenoot zelf ook niet in staat is de bedoelde werkzaamheden te verrichten. Niet gewend zijn deze werkzaamheden te verrichten is geen reden tot het verstrekken van een voorziening. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten kan hiertoe aanleiding zijn. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld worden. Het college stelt hier beleidsregels over op. Artikel3.3Aanvullende criteria voor opvang en beschermdwonen In dit artikel is opgenomen dat de maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de vigerende raadsverordening van de centrumgemeente Tilburg en de hierop gesteldenadere regels en/of beleidsregels van de centrumgemeente Tilburg. Op grond van de Wmo 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen bij alle gemeenten.

De gemeenteLoon op Zand heeftde gemeentecentrumgemeente Tilburg gemandateerd voor de uitvoering van dezetaken. Artikel3.4Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor een sportvoorziening. Sporten kan voor een cliënt een belangrijke manier zijn om medemensen te ontmoeten (participeren). Dit is in de verordening zo ingevuld dat cliënt aangewezen moet zijn op een sportvoorziening voor de beoefening van de verkozen sport en lid van een vereniging moet zijn. Artikel3.5 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen Uit de toelichting op artikel 1.1.1 van de Wet volgt dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijkemate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Hiervoor is het een vereistedat hij zich kan verplaatsen. Bij het bepalen van het te bereiken resultaat gaat het er bij maatschappelijke participatie niet om hoe vaak een cliënt een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen, zo blijkt uit jurisprudentie. Kortom niet alle bij de cliënt levende wensen behoeven te worden gehonoreerd. Uitkomst moet zijn dat de cliënt op een aanvaardbaar niveau kan participeren. 40

Uit de wet volgt verderslechts de verplichting om cliënt te compenseren die beperkingen ondervindt bij lokale verplaatsingen. Onder het begrip "lokaal verplaatsen" verstaat het college een afstand van 15 tot 20 kilometer vanaf de woning. Voor bovenregionaal vervoer kan cliënt gebruik maken van Valys. Een aanwezige en bruikbare algemene voorziening (zoals een rolstoel of scootermobielpoule) kan een oplossing bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur. Dergelijke voorzieningen kunnen maatwerkvoorzieningen voorkomen. Het uitgangpunt is dat het college volstaat met een voorziening waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02­ 2012, nr. 10/906 Wmo). Deze omvang kan ook bereikt worden met meerderevervoersvoorzieningen gezamenlijk (CRvB 06-06-2012, nr. 10/1786Wmo). Het college stelt hier beleidsregels over op. Artikel3.6Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen In dit artikel is opgenomen op welkewijze en aan de hand van welkecriteria het college beoordeelt of een cliënt in aanmerking kan komen voor een woonvoorziening. Als na afweging van alle relevante belangen een verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is, wordt toepassing gegeven aan het primaat van verhuizen.

De kostenvergelijking tussen aanpassing van de huidige woning en een verhuizing (inclusief kosten voor noodzakelijke aanpassingen in beide situaties) is één van de af te wegen belangen. Ook de behoeften van de cliënt spelen - zo mogelijk een rol in de afweging. Bijvoorbeeld de gevolgen voor de aanwezigheid van mantelzorg in de nabije omgeving. Dat wil zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente. Het college stelt hier beleidsregels over op. Artikel3.7Weigeringsgrondenen voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen In lid 1 sub a wordt bepaald dat voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeftvoor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijkebepaling bestaat, er geen maatwerkvoorziening wordt toegekend. Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet).

Ook verstrekthet college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijkeregelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijkeregeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijkebepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 Wmo) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082Wmo).

41

Lid 1 sub b is een herhaling van het algemene toetsingskader zoals deze in de wet centraal staat. Indien men op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk de beperkingen kan wegnemen bestaat er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Lid 1 sub c is ook een herhaling van het algemene toetsingskader zoals in de wet centraal staat. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Kan men gebruik maken van een algemene voorziening dan bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. Lid 1 sub d gaat over algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de begripsbepalingen is een nadere uitleg opgenomen over het begrip algemeen gebruikelijk voorziening. Indien een voorziening voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. In lid 1 sub e en f zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het realiseren, accepteren en aanvragen van een maatwerkvoorziening. Als de voorziening is gerealiseerdof geaccepteerd vóórde melding verstrekthet college deze niet met terugwerkende kracht.

Als de voorziening na de melding maar voor het besluit is gerealiseerdof geaccepteerd, verstrekthet college de voorziening alleen als de noodzaak nog vast te stellen is of als het college schriftelijke toestemming heeftverleend. In lid 1 sub i is opgenomen dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrektvoor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. De maatwerkvoorziening is immers gericht op de individuele cliënt. Het past niet om generiekevoorzieningen te treffen, daar zijn algemene voorzieningen meergeschikte instrumenten voor. In lid 1 sub j is opgenomen dat van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. In lid 2 onder a is opgenomen dat er geen voorziening wordt verstrektindien deze niet langdurig noodzakelijk is. Het college kent in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toe als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie.

Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertigjaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijsgeen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulp is het middelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in iedergeval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet.

Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. In lid 2 onder b is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeenteLoon op Zand en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. In lid 3 zijn de weigeringsgronden ten behoeve van de woonvoorziening

42

opgenomen.

Lid 3 onder a geeft aan dat het college alleen een voorziening in of aan een woning treft waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerderewoningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 3 onder c is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijkeeisen. In lid 3 onderf is bepaald dat het college geen voorzieningen verstrektin gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid 1 onderdeel i dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeentewel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd,wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. In lid 3 onder g is het volgende bepaald.

Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeftvoornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheidvan hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 Wmo). Dit heeftde CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810).Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

In lid 4 is bepaald dat het college de mogelijkheid heeftvoor cliënten die in een Wlz-instelling wonen te besluiten één woning bezoekbaar te maken. Het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlzcliënt die in een instelling woont, valt in beginsel niet onder de compensatieplicht van het college. In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is namelijk bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. Ondanks dat het college voor Wlz-cliënten meestal geen compensatieplicht heeft, is het college wel bevoegd om een voorziening toe te kennen. Dit betekent dat het college na een verzoek van een Wlz-cliënt wel altijd onderzoek naar noodzaak altijd een onderzoek moet instellen naar de eventuele noodzaak om van die bevoegdheid gebruik te maken (zie hierover CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933). Als uit dit (verplicht) onderzoek volgt dat het in het kader van de participatie van de Wlz-cliënt noodzakelijk is dat hij de woning van bijvoorbeeld ouders kan bezoeken, dan wordt deze ondersteuningsbehoefte niet gedekt vanuit de Wlz. Het college moet dan afwegen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om hierin te voorzien door toekenning van een maatwerkvoorziening.

Uitzonderingen 8.6a Wmo 2015 Voor Wlz-cliënten die thuis wonen en een hulpmiddel of woningaanpassing nodig hebben, heeft het college wél een compensatieplicht (dit volgt uit artikel 8.6a Wmo 2015). Bij het bezoekbaar maken gaat het echtermeestal om cliënten die in een Wlz-instelling wonen. De uitzonderingen van artikel 8.6a Wmo 2015 zijn dan ook niet van toepassing, tenzij het bijvoorbeeld een cliënt betreft die met een pgb in een wooninitiatief woont. Gemeente waarWlz-instelling staat,is verantwoordelijk voorbezoekbaar/logeerbaar maken De gemeentewaarin de Wlz-instelling zich bevindt, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar/logeerbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeentewoonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerderegemeenten tegelijkertijdwoonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner 43

van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeentewaar de Wlz-instelling staat. Deze gemeenteis dan verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (zie CRvB 22­ 09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285voor een voorbeeld uit de Wmo 2007). Vergelijkbaar met Wlz-instelling De verordeningsbepaling dat een woonvoorziening kan worden getroffen voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlzinstelling, biedt volgens de CRvB geen ruimte om het wonen in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een Wlz-instelling (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285).De CRvB vindt in de Wmo geen aanknopingspunten om daar anders over te denken dan onder de WVG en verwijst daarvoor naar CRvB 18-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310.

Hoofdstuk4 Persoonsgebonden budget Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Artikel4.1 Regelsvoor PGB In dit artikel is opgenomen dat het college een pgb verstrektin overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrektals de cliënt dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 2 van dit artikel is aangegeven welkeonderdelen het budgetplan in ieder geval moet bevatten. Een aantal zaken volgen rechtstreeksuit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Artikel4.2 De hoogte van eenpersoonsgeboden budget (pgb) In de verordening moet in iedergeval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeentebijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeenteverbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Artikel 4.2 bepaald de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Het tarief van het pgb is in beginsel gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden en is toereikend om effectieveen kwalitatief goede zorg in te kopen. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de hoogte van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheelgeweigerdzal worden.

Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Tevens wordt in de beleidsregels verderuitgewerkt onder welkevoorwaarden een cliënt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociaal netwerk. Uitgangspunt is hierbij dat de beloning van het sociaal netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt.

44

In de tariefstelling van het pgb voor begeleiding en hulp bij het huishouden, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt een hogere pgb-tarief dan voor informele hulp. Dit sluit aan bij de systematiekdie binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eersteinstantie een affectieverelatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen.

In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door: ^ geboorte; ^ afstamming van dezelfdevoorvader; ^ erkenning; • gerechtelijkevaststelling van het vaderschap; • adoptie. Eerstegraad ’s bloedverwanten zijn: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweedegraad ’s bloedverwanten zijn: ^ grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen.

Hoofdstuk5 Bijdragen Artikel5.1 Bijdrage in de kostenvan maatwerkvoorzieningenof pgb ’s en bij verordeningaangewezen algemene voorzieningen Dit artikel geeft uitvoering aan de artikel 2.1.4, eerstetot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb ’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekten de hulpverlener enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijkeduurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Voor maatwerkvoorzieningen en pgb ’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal C 19,00 per maand. In het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen. De bijdragen in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb ’s bedragen nooit meerdan de kostprijs van de voorziening. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. De wet maakt een uitzondering voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. In artikel 5.1.5 is aangegeven dat voor het (collectief) vervoer afwijkende tarieven gelden en niet onder het abonnementstarief valt.

45

Artikel5.2 Bijdrage in de kostenvan algemene voorzieningen,met uitzondering van de bij verordeningaangewezen algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeentede hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs.

Hoofdstuk6 Toezicht en handhaving Artikel6.1 Nieuwefeitenen omstandigheden, herziening,intrekkingof terugvordering In dit artikel zijn regels opgenomen ter bestrijding van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of PGB alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is tevens van toepassing op de algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. Bij verhuizing is de gemeentevan de nieuwe woonplaats verantwoordelijk voor het verstrekken van een Wmo voorziening. Als daar een nieuwe voorziening wordt toegekend wordt de voorziening verstrekt door (op kosten van) de gemeenteLoon op Zand terug gegeven aan de gemeenteLoon op Zand. Bij een pgb kan de voorziening verstrektdoor Loon op Zand verkocht worden en kan het restbedrag teruggevorderd worden. Een voorziening wordt toegekend aan een individueel persoon. Bij overlijden vervalt de noodzaak tot die voorziening. Bij een zorg in natura voorziening wordt deze teruggegeven aan de gemeente.Bij een pgb kan die verkocht worden en kan het verkregen bedrag teruggevorderd worden. Deze maatregelen zorgen voor gelijke behandeling van Wmo cliënten ongeacht de leveringsvorm van de voorziening. Ook helpt het bij het beheersbaar houden van de Wmo uitgaven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=2d279283-ffbd-40f0-8725-f674a9089ec1