16-12-2021 Bijlage 1. Toelichting bestemmingsplan 'Heibloemstraat 10'.pdf
Tekst van het document
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Heibloemstraat 10 te De Moer zullen mogelijke beschermde natuurwaarden niet verstoord worden. Er zullen geen nieuwe gebouwen worden gerealiseerd en er zullen ook geen bestaande gebouwen worden gesaneerd. De realisatie van de buitenrijbakken leidt niet tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Gezien het huidige gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak zijn beschermde en/of bijzondere soorten ook niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging heeft gevormd voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie was er sprake van de activiteiten ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘overig bouwwerk bouwen’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is (geweest), zie Afbeelding 13.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
27
Afbeelding 13: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
28
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1
Kwetsbare gebieden
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) of het Activiteitenbesluit is het toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. Voor het bedrijf aan de Heibloemstraat 10 te De Moer is het Activiteitenbesluit van toepassing. In het Activiteitenbesluit zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Paardenhouderijen zijn hiervan uitgezonderd (artikel 5 lid 1 Wav). Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt, zie Afbeelding 14. Daarnaast zal het aantal te houden paarden op het bedrijf niet wijzigen en er vindt dus geen toename in ammoniak plaats.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
29
Afbeelding 14: Uitsnede WAV-kaart kaartbank provincie Noord-Brabant (plangebied rood aangegeven) 4.4.2
Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit zijn geen maximale emissiewaarden voor paarden opgenomen en toetsing aan het besluit is voor de beoogde situatie derhalve niet van toepassing. 4.5 Bodemkwaliteit Er wordt geen nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. De bestemmingswijziging leidt tot een gelijkwaardige bestemming, waarbij geen activiteiten plaats zullen vinden die de bodemkwaliteit zullen verslechteren. Er vinden binnen de huidige bedrijfsvoering reeds enkele bodembedreigende activiteiten plaats die zullen worden voortgezet. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de paardenhouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt.
Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
30
4.6.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 15. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Daarnaast worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd en wordt bestaande bebouwing niet gesaneerd.
Afbeelding 15: Kaart aardkundige en/of cultuurhistorische waarden Iov (paragraaf 3.2.4), locatie met een roze pijl aangegeven 4.6.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, aldus vastgesteld d.d. 24 september 2014 is geen dubbelbestemming omtrent archeologie binnen het plangebied opgenomen. Daarnaast worden in de beoogde situatie geen gebouwen gebouwd of gesloopt en zullen er geen grondbewerkingen plaatsvinden. Voor de aanleg van de paardenrijbakken hebben grondbewerkingen in de bovenste grondlaag plaatsgevonden. In de bovenste grondlaag is het aantreffen van archeologische waarden nihil. Mogelijk aanwezige archeologische waarden zijn dus in situ behouden. Een nader archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.7 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
31
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals agrarische functies. Daarnaast is de locatie gelegen binnen de geluidzone-industrie en op korte afstand van het bedrijventerrein ‘De Wildert’. Een paardenfokkerij behoort tot milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden aan de Heibloemstraat 5 bevindt zich op een afstand van circa 44 meter van het beoogde bouwvlak aan de Heibloemstraat 10 te De Moer. Overige woningen zijn op ruimere afstand van de paardenhouderij gelegen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden.
4.8 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarin de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Loon op Zand heeft geen verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Voor paardenhouderijen, zoals aanwezig binnen het plangebied, zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 3.119 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
32
Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom aan de Heibloemstraat 5. Deze woning is gelegen op circa 75 meter van de huidige (en de te behouden) paardenstal. Het beoogde bouwvlak komt op een grotere afstand te liggen van deze woning dan het huidige bouwvlak. Ook overige nabijgelegen woningen komen op grotere afstand van het bouwvlak te liggen in de beoogde situatie. De vaste afstand van 50 meter dient ten allen tijde gerespecteerd te worden, dus er zal altijd aan die afstand voldaan kunnen worden. Derhalve wordt voldaan aan de regels uit het Activiteitenbesluit voor wat betreft het aspect geur. 4.9 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen.
Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd. Voor de beoogde situatie geldt dat er geen dieren (meer) worden gehuisvest waarvoor bij het ministeriële regeling fijnstofemissiefactoren zijn vastgesteld. Doordat er geen sprake meer zal zijn van een fijnstofemissie afkomstig van de bedrijfslocatie, zal de algehele luchtkwaliteit ter plaatse verbeteren ten opzichte van het voorheen gevestigde melkveebedrijf. Het aantal vervoersbewegingen zal niet toenemen als gevolg van de wijziging van het bouwvlak. Ten opzichte van de feitelijke situatie neemt het aantal dieren tevens niet toe. Negatieve effecten in het kader van luchtkwaliteit zijn derhalve uitgesloten.
4.10 Geluid In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting moet worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de vormverandering van het bouwvlak van de paardenhouderij ten behoeve van twee buitenrijbakken. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Zoals benoemd in paragraaf 4.7 kan worden voldaan aan de richtafstand tot geluidgevoelige objecten voor wat betreft het aspect geluid. Bovendien komt het beoogde bouwvlak op een ruimere afstand van de dichtstbij gelegen woningen aan de Heibloemstraat 3,5 en 8 te liggen dan in de huidige situatie. De geluidsproductie van een paardenhouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, dressuur- en springtrainingen die worden geven in de buitenbak en de bezoekers welke aanwezig zijn binnen de inrichting. Het merendeel van deze activiteiten vinden inpandig plaats. Daarnaast vinden de activiteiten overdag plaats.
Ten opzichte van de feitelijke situatie zal geen uitbreiding van dieraantallen plaatsvinden. Ten opzichte van de vigerende melding Activiteitenbesluit kan nog melkvee gehouden worden op het bedrijf. Omdat hier in de beoogde situatie geen sprake van
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
33
zal zijn, zal er een gelijk aantal of zelfs een afname van het aantal transportbewegingen zijn ten opzichte van de geaccepteerde melding Activiteitenbesluit d.d. 23 mei 2011. De afname in het aantal vervoersbewegingen leidt ook tot een afname van geluid. Tegenover de vermindering van het aantal vervoersbewegingen staat een toename van het aantal buitenpandige activiteiten zoals het berijden van paarden. Iedere dag zullen er paarden bereden worden, in de stapmolen worden geplaatst of in de wei/paddock worden gezet. Met name het transport van de paarden over de erfverharding kan voor geluidshinderzorgen doordat de ijzers van de paarden in aanraking komen met de erfverharding. De buitenrijbak zal hoofdzakelijk in de lente/zomermaanden worden gebruikt. Wanneer het regent en/of de grond te nat of bevroren is, is de buitenrijbak niet bruikbaar. De activiteiten zullen derhalve geen overlast veroorzaken op omliggende geluidgevoelige objecten. 4.11 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Ten opzichte van de geaccepteerde melding d.d. 23 mei 2011 zal het aantal verkeersbewegingen naar waarschijnlijkheid afnemen, omdat de zware verkeersbewegingen voor bijvoorbeeld het ophalen van melk weg zijn gevallen.
Daarnaast zijn in de geaccepteerde situatie iedere dag bewegingen noodzakelijk van en naar de sleufsilo’s. In de beoogde situatie zijn slechts enkele keren per week bewegingen met tractoren noodzakelijk voor het verzetten van hooi/stro. Het hooi/stro wordt op een strategische plek binnen de gebouwen neergezet waarna het met de hand in de stallen kan worden gebracht. Het plangebied is gelegen aan de Heibloemstraat 10 te De Moer. Dit betreft een verharde weg in het buitengebied die voornamelijk wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de N260 en de N632. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de eventuele beperkte toename in verkeersbewegingen. Ten aanzien van parkeren is de basisregel dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden. Voor grote woningen in de omgeving van de Moer zijn 2,1 parkeerplaatsen noodzakelijk. Voor de paardenhouderij zijn in het gemeentelijk parkeerbeleid geen parkeernormen opgenomen. Normaliter zullen er 1 tot 3 auto’s op het bedrijf geparkeerd zijn ten behoeve van het personeel van de paardenhouderij. Daarnaast zullen voor het kortstondig bezoek van de paardenhouderij (kopers van paarden of de veearts etc.) maximaal 5 parkeerplaatsen nodig zijn. Maximaal zullen derhalve 10 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zijn.
Er is voldoende erfverharding op het bedrijf aanwezig om aan 10 parkeerplaatsen op eigen terrein te kunnen voldoen. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer en voor parkeren. 4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
34
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties.
Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.12.2 Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande kaart in Afbeelding 16, van de risicokaart Nederland.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
35
Afbeelding 16: Uitsnede Risicokaart Nederland, plangebied met een rode pijl aangegeven Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (vormverandering van het agrarische bouwvlak ten behoeve van buitenrijbakken) op het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Omdat in de beoogde situatie geen nieuw kwetsbaar object zal worden gerealiseerd zullen de risicovolle inrichtingen in de nabije omgeving geen belemmering zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de (Rijks)weg. De A58 is gelegen op een afstand van circa 7,4 kilometer. De dichtstbij gelegen spoorweg welke te zien is op de risicokaart is gelegen op circa 4,4 kilometer van het plangebied (bij Tilburg). Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ is op het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding’ ten behoeve van een waterleiding en een olieleiding opgenomen. Daarnaast is op een afstand van circa 100 meter van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding’ ten behoeve van een hoogspanningsverbinding opgenomen.
Daarnaast is op circa 130 meter de dubbelbestemming ‘Leiding’ ten behoeve van een olieleiding opgenomen. Ter plaatse van deze bestemmingen is het slechts toegestaan om bouwwerken ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de leiding(en) te realiseren. Daarnaast is voor de aanleg van oppervlakteverhardingen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. In de beoogde situatie wordt ter plaatse van de dubbelbestemming geen oppervlakteverharding of bebouwing opgericht. Er wordt derhalve voldaan aan het Bevb.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
36
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 16). In de beoogde situatie zal echter geen nieuwe bebouwing worden opgericht, dus relevante kabels en leidingen hoeven niet in beeld gebracht te worden.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
37
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming: Agrarisch – Paardenhouderij; • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden -Landschapswaarden; • Bouwvlak; • Dubbelbestemming: Leiding; • Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing; • Figuur: hartlijn leiding – olie; • Figuur: hartlijn leiding – water; • Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel.
Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij de moederplannen bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’, bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ en het wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Het agrarische bouwvlak is op de verbeelding van vorm veranderd. Tevens is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’ op de verbeelding opgenomen. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
38
De regels van dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het realiseren van gelijk aan de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen landschapsmaatregelen die zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Heibloemstraat 10 te De Moer betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan).
6.2.1
Vooroverleg
6.2.2
Inspraak
6.2.3
Zienswijzen en beroep
Over het voorontwerpbestemmingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’ is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg gevoerd met diverse (overheids)organisaties). Van de volgende organisaties is over het bestemmingsplan een reactie ontvangen: • Provincie Noord-Brabant; • Waterschap Brabantse Delta; • TenneT; • Brandweer Midden- en West-Brabant; • Rijkswaterstaat; • Enexis; • PPS-Pipelines. De ontvangen vooroverlegreacties over het voorontwerpbestemmingsplan hebben geen aanleiding gegevens tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De vooroverlegreactie is als Bijlage 4 toegevoegd. Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’ heeft van donderdag 4 maart 2021 tot en met woensdag 14 april 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen inspraakreacties ontvangen. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp heeft van donderdag 8 juli 2021 tot en met woensdag 18 augustus 2021 ter inzage gelegen voor een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen op het plan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.
Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
40
7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan incl. beschrijving beplanting Bijlage 2: Invoergegevens AERIUS verschilberekening Bijlage 3: Rekenresultaten AERIUS verschilberekening Bijlage 4: Verslag vooroverleg
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
41
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
42