16-12-2021 Bijlage 1. Toelichting bestemmingsplan 'Heibloemstraat 10'.pdf
Tekst van het document
Heibloemstraat 10 De Moer bestemmingsplan vastgesteld
Colofon
Plannaam: Gemeente: Status: IMRO-code:
Heibloemstraat 10 De Moer Loon op Zand vastgesteld NL.IMRO.0809.BPHeibloemstraat10-VG01
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Inhoudsopgave
Toelichting
5
bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer vastgesteld
3
bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer vastgesteld
4
Toelichting
bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer vastgesteld
5
Toelichting bestemmingsplan
Heibloemstraat 10 De Moer
Colofon
Gemeente
Loon op Zand
Plangebied
Heibloemstraat 10 De Moer
Datum
15-6-2021 / 23-9-2021
Status
Vastgesteld
IMRO-code
NL.IMRO.0809.BPHeibloemstraat10-VG01
Opgesteld door
Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer
15288.012
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING..................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied ........................................................................................... 5 1.3 Geldend planologisch regime ........................................................................................ 6 1.4 Procedure ....................................................................................................................... 8 1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 9 2. PLANBESCHRIJVING ................................................................................................... 10 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................................10 2.2 Beoogde situatie ...........................................................................................................10 3. BELEIDSKADER ............................................................................................................
12 3.1 Provinciaal beleid .........................................................................................................12 3.1.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant ...................................................................................12 3.1.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................................12 3.1.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................................13 3.2 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................17 3.2.1 Structuurvisie Loon op Zand 2030 ..............................................................................17 3.2.2 Bestemmingsplan ......................................................................................................18 4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN..............................................
20 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ..........................................20 4.2 Waterhuishouding ........................................................................................................20 4.2.1 Waterrelevant beleid ..................................................................................................20 4.2.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...................................................................23 4.2.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie .....................................................................24 4.3 Natuur ...........................................................................................................................24 4.3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................................................................................24 4.3.2 Wet natuurbescherming .............................................................................................25 4.4 Ammoniak .....................................................................................................................29 4.4.1 Kwetsbare gebieden ..................................................................................................29 4.4.2 Besluit emissiearme huisvesting .................................................................................30 4.5 Bodemkwaliteit
.............................................................................................................30 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ................................................................30 4.6.1 Cultuurhistorie en aardkunde .....................................................................................31 4.6.2 Archeologie ...............................................................................................................31 4.7 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................31 4.8 Geur ...............................................................................................................................32 4.9 Luchtkwaliteit ...............................................................................................................33 4.10 Geluid ............................................................................................................................33 4.11 Verkeer en parkeren .....................................................................................................34 4.12 Externe veiligheid .........................................................................................................34 4.12.1 Regelgeving
..............................................................................................................34 4.12.2 Toetsing aan beleid ...................................................................................................35 4.13 Technische infrastructuur ............................................................................................37 5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING .............................................................................. 38 5.1 Juridische achtergrond .................................................................................................38 5.2 Toelichting verbeelding ................................................................................................38 5.3 Toelichting regels .........................................................................................................38 6. UITVOERBAARHEID .....................................................................................................
40 6.1 Financiële uitvoerbaarheid...........................................................................................40 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..............................................................................40 6.2.1 Vooroverleg ..............................................................................................................40 6.2.2 Zienswijzen en beroep ...............................................................................................40 7. BIJLAGEN..................................................................................................................... 41
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer exploiteert een paardenhouderij aan de Heibloemstraat 10 te De Moer. Het agrarische bedrijf heeft zich er een aantal jaar geleden gevestigd, na het beëindigen van het melkveebedrijf ter plaatse. Om de paarden te kunnen trainen is het realiseren van buitenrijbakken bij de bedrijfslocatie noodzakelijk. De realisatie van de buitenrijbakken heeft reeds plaatsgevonden, maar planologisch is deze ontwikkeling nog niet geborgd. Het realiseren van de paardenrijbakken, deels buiten het bouwvlak, is in strijd met het vigerende planologische beleid. Om de buitenrijbakken te kunnen legaliseren is een vormverandering van het huidige agrarische bouwvlak noodzakelijk. Met dit bestemmingsplan wordt de vormverandering van het agrarische bouwvlak, en daarmee de realisatie van de buitenrijbakken, planologisch toegestaan. 1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied, de Heibloemstraat 10 te De Moer, is kadastraal bekend onder: Gemeente Loon op Zand, sectie G, nummer 2064. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Loon op Zand.
Het bedrijf is op circa 1,2 kilometer ten zuidwesten van de bebouwde kom van de Moer, op circa 3 kilometer ten oosten van de bebouwde kom van Dongen en op 2 kilometer ten noorden van de bebouwde kom van Tilburg gelegen. De omgeving van de Heibloemstraat 10 te De Moer wordt gekenmerkt door een verscheidenheid aan functies in het agrarische buitengebied. Tegenover het agrarische bedrijf zijn niet-agrarische bedrijven gelegen op bedrijventerrein ‘De Wildert’. Aan de Heibloemstraat vindt een afwisseling van agrarische functies en woonfuncties plaats, zie Afbeelding 1 voor de ligging van het plangebied.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (Bron: GoogleMaps)
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
5
1.3 Geldend planologisch regime Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is het wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’, aldus vastgesteld op 1 september 2015, voor wat betreft de enkelbestemming en het bouwvlak. Voor wat betreft de verbeelding van de dubbelbestemming en de figuren is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, aldus vastgesteld op 24 september 2014, van toepassing. Voor wat betreft de verbeelding van de gebiedsaanduidingen en de gronden buiten het plangebied van het wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’ is het bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’, aldus vastgesteld d.d. 28 december 2016 van toepassing. Voor de regels is het laatst genoemde bestemmingsplan tevens van toepassing. Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 2, Afbeelding 3 en Afbeelding 4: • Enkelbestemming: Agrarisch – Paardenhouderij; • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden -Landschapswaarden; • Bouwvlak; • Dubbelbestemming: Leiding; • Figuur: hartlijn leiding – olie; • Figuur: hartlijn leiding – water; • Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel.
Afbeelding 2: Uitsnede wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
6
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
7
Afbeelding 4: Uitsnede bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’ 1.4 Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd.
Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
8
tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.5 Leeswijzer In deze toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
9
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen het plangebied. 2.1 Bestaande situatie In 2011/2012 is de veehouder ter plaatse van de Heibloemstraat 10 te De Moer gestopt met de melkveehouderij, waarna het bedrijf enige tijd te koop heeft gestaan. De locatie beschikt nog over een melding in het kader van het Activiteitenbesluit d.d. 23 mei 2011 voor het houden van 51 melken kalfkoeien, 24 stuks vrouwelijk jongvee en 30 vleesstieren. Het bestaande bouwvlak heeft een omvang van 10.020 m². Initiatiefnemer heeft de agrarische locatie aangekocht in 2014. Initiatiefnemer is gespecialiseerd in het houden, fokken en trainen van paarden. Om een volwaardige paardenhouderij te exploiteren is besloten om door middel van een wijzigingsplan de bestemming van de locatie te wijzigen naar Agrarisch - Paardenhouderij. De hoofdfunctie van het huidige agrarische bedrijf aan de Heibloemstraat 10 is dan ook een paardenhouderij. Er worden paarden gefokt, veulens worden opgefokt, geselecteerd, beleerd en worden vervolgens weer geselecteerd. Een deel van de dieren blijft op de fokkerij en een deel wordt verkocht. In de bestaande situatie worden circa 25 paarden en circa 20 jonge paarden/veulens gehouden op het bedrijf.
De inrichting van de bebouwing bestaat uit paardenboxen, een spuitplaats voor het schoonmaken van de paarden en een zadelkamers voorziening, met kasten, een douche/kleedkamer voor de ruiters en verzorgers. Afbeelding 5 weergeeft de huidige bebouwing en voorzieningen die binnen het plangebied aanwezig zijn. Deze gebouwen en voorziening zullen middels dit bestemmingsplan planologisch worden toegestaan. Het land rondom het huidige bouwvlak wordt gebruikt ten behoeve van het weiden van paarden (weidegang) en het winnen van gras (hooien). Op 9 april 2020 is een melding in het kader van het Activiteitenbesluit gedaan voor het omzetten van het melkveebedrijf naar een paardenhouderij gespecialiseerd in het houden, fokken en trainen van paarden. Uit deze melding blijkt dat ten opzichte van het melkveebedrijf een afname plaatsvindt van ammoniak, geur en fijnstof. 2.2 Beoogde situatie De paarden worden in de beoogde situatie gestald binnen de huidige gebouwen. Daarnaast zal het aantal te houden dieren niet wijzigen. De huidige bebouwing is reeds ingericht ten behoeve van het houden van circa 25 paarden en circa 20 jonge paarden/ veulens. Er zullen geen extra gebouwen nodig zijn of worden gebouwd. De reeds aanwezige paardenrijbakken zijn momenteel buiten het bouwvlak gelegen.
Om de buitenrijbakken planologisch toe te staan is dit bestemmingsplan opgesteld, waarmee het agrarische bouwvlak van vorm zal worden veranderd. Door het in vorm veranderen van het bouwvlak zullen de paardenrijbakken komen te liggen binnen het bouwvlak. Wellicht zal op langere termijn gebruik gemaakt gaan worden van de mogelijkheid om een kleinschalig bed & breakfast voorziening te beginnen. Naar waarschijnlijkheid zal dan een deel van de etage van de bedrijfswoning geschikt worden gemaakt als bed & breakfast. Daarbij zullen de regels en voorschriften, zoals opgenomen in de bestemming Agrarisch – Paardenhouderij, in acht worden genomen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk tot maximaal 5 bed & breakfast kamers van maximaal 70 m² per stuk te ontwikkelen. De beoogde ontwikkeling zal landschappelijk worden ingepast in de omgeving. De bestaande beplanting aan de straatzijde, langs de rijbakken, langs de vaste mestopslag en langs de longeercirkel zullen worden gehandhaafd en tevens zal nieuwe beplanting aan de noord-, west-, en zuidzijde van het bedrijf worden gerealiseerd, zie Afbeelding 5. In de beoogde situatie wordt de bestaande landschapsstructuur vernieuwd en versterkt door middel van landschappelijke beplantingen die zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
10
op schaal opgenomen. Tevens is in deze bijlage een uitgebreide beschrijving van de aanplanting opgenomen.
Afbeelding 5: Landschappelijk inpassingsplan beoogde situatie
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
11
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2
Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
12
voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 6, ligt het plangebied in de groenblauwe mantel. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap.
De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.
Afbeelding 6: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie 2010- partiële herziening 2014 3.1.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 14 februari 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 22 februari 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
13
opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 7. Artikel 3.52 (aanvullende regels stalderen) is voor de beoogde ontwikkeling niet van toepassing. Het bestemmingsplan regelt geen toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren. Een paardenhouderij valt conform de Interim omgevingsverordening onder een ‘overig-agrarisch bedrijf’. Voor een overig-agrarisch bedrijf is artikel 3.59 van toepassing.
Afbeelding 7: Uitsnede werkingsgebieden (hoofdstuk 3) Interim omgevingsverordening Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
14
Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. In onderstaande toetsing is getoetst aan artikel 3.6 van de Interim omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het in vorm veranderen van het huidige agrarische bouwvlak. Dit is noodzakelijk in verband met de gerealiseerde buitenrijbakken.
a. De toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Iov is toegestaan kan er worden uitgebreid in het bestaand ruimtebeslag. Vanuit kwalitatieve en fysieke redenen is er geen ruimte binnen het bestaande bouwperceel om de buitenrijbakken te realiseren. Daarnaast komen door de vormverandering van het bouwvlak de buitenrijbakken verder van omliggende woningen af te liggen dan voorheen mogelijk was. Vanuit kwalitatieve redenen is besloten om de buitenrijbakken zo ver mogelijk van de woningen af te leggen, zodat woningen geen overlast zullen ondervinden van het trainen van de paarden. Daarnaast is in de toelichting van de Iov beschreven dat het doel van artikel 3.6 is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Dit draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. Door het plaatsen van de buitenrijbakken achter de bestaande bebouwing en door het versmallen en verlengen van het bouwvlak zijn de buitenrijbakken nauwelijks zichtbaar. Het toestaan van de buitenrijbakken op voorgestelde locatie gaat dan ook niet ten koste van het doel van artikel 3.6.
Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Iov voldaan te worden:
b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
De beoogde ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft worden toegepast.
c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken geconcentreerd binnen een bouwperceel.
en
andere
permanente
voorzieningen
worden
De beoogde bebouwing en bijbehorende voorzieningen zullen worden geconcentreerd binnen het beoogde agrarische bouwvlak, zie Afbeelding 5.
Conclusie: Er wordt voldaan aan de bepaling om te kunnen afwijken van het bestaand ruimtebeslag. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
15
goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit de toetsing in hoofdstuk 4 blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de waarden in de omgeving en ook in de toekomst geen beperkingen zal opleveren voor de omgeving.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing.
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Loon op Zand zijn de ‘werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant’ van toepassing. Hierin is de vormverandering van een agrarisch bouwvlak aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat alleen landschappelijke inpassing is vereist vanwege de beperkte invloed van de ontwikkeling op het landschap. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de aanduiding ‘groen – landschappelijke inpassing’ op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.
Overig-agrarisch bedrijf in groenblauwe mantel (artikel 3.59) Voor een bestemmingsplan binnen het werkingsgebied Groenblauwe mantel voor een overig-agrarisch bedrijf dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. bepaalt dat de vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is uitgesloten;
Er is geen sprake van een vestiging van een overig-agrarisch bedrijf. Met het wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’, aldus vastgesteld d.d. 1 september 2015 is de vestiging van een paardenhouderij reeds toegestaan. De beoogde ontwikkeling betreft slechts het in vorm veranderen van het bouwvlak behorende bij het overig-agrarisch bedrijf.
b. kan bepalen dat omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel is toegestaan, als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied; Zoals in de vorige bepaling is benoemd is er geen sprake van een omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf. De paardenhouderij is reeds planologisch toegestaan op de locatie aan de Heibloemstraat 10 te De Moer. Daarnaast blijkt uit de melding in het kader van het
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
16
Activiteitenbesluit, die op 9 april 2020 is gedaan, dat er een afname plaatsvindt in ammoniak, geur en fijnstof bij het omschakelen van melkvee naar paarden.
c. kan voorzien in een uitbreiding van een bestaand overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel als dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Er is geen sprake van een uitbreiding van het overig-agrarisch bedrijf, maar slechts van een vormverandering van het bestaande bouwvlak om de buitenrijbakken binnen het bouwvlak te kunnen situeren. Het bouwvlak bedraagt tevens niet meer dan 1,5 hectare (1,002 hectare).
Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het initiatief en wordt een landschappelijke inpassing verzekerd door opname van voorwaarden in de regels bij dit bestemmingsplan. 3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1
Structuurvisie Loon op Zand 2030
De gemeente heeft op 8 maart 2018 de structuurvisie ‘Loon op Zand 2030 – 1e herziening’ vastgesteld. Ter plaatse van het te wijzigen bouwvlak is op de kaart behorende bij de visie de categorie ‘de jonge ontginningsgronden’ opgenomen, zie Afbeelding 8. Hiervoor is een analyse en visie opgenomen in Deel A en een projectenplan van thema’s in Deel B. Deel A – paragraaf 4.5 ‘De jonge ontginningsgronden’ Langs de westrand van de gemeente Loon op Zand liggen jonge ontginningsgronden. Dit deelgebied is opener en meer rationeel verkaveld dan het halfopen, kleinschalige cultuurlandschap in de schil. Agrarisch grondgebruik (akkerbouw en grondgebonden veehouderijen) voert de boventoon en bepaalt voor een groot deel de identiteit. Ook in de toekomst blijft het primaat in dit gebied bij de landbouw. Dit betekent dat de agrariërs hier meer ruimte krijgen dan elders in de gemeente. Er is ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven, maar ook van nevenfuncties. De beoogde ontwikkeling betreft het van vorm veranderen van het agrarische bouwvlak om twee buitenbakken bij de paardenhouderij te realiseren. Dit is passend binnen de visie dat het primaat in dit gebied bij de landbouw blijft.
Uit onderdeel A, paragraaf 5.5 van de structuurvisie blijkt het volgende uitgangspunt bij de ontwikkeling van de agrarische sector en van andere economische activiteiten in het buitengebied: De landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van de gebieden dienen behouden te blijven en daar waar mogelijk versterkt te worden. In dit bestemmingsplan wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Deel B Zoals benoemd is deel B het projectplan van thema’s van de structuurvisie. De beoogde ontwikkeling (agrarische ontwikkeling of een ontwikkeling in het buitengebied) is niet in dit onderdeel opgenomen. Er wordt derhalve aangesloten bij de gemeentelijke structuurvisie Loon op Zand 2030 – 1e herziening.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
17
Afbeelding 8: Uitsnede kaart Structuurvisie Loon op Zand 2030 – 1e herziening 3.2.2
Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven zijn voor het plangebied het wijzigingsplan ‘Heibloemstraat 10 De Moer’, bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ en bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming: Agrarisch – Paardenhouderij; • Enkelbestemming: Agrarisch met waarden -Landschapswaarden; • Bouwvlak; • Dubbelbestemming: Leiding; • Figuur: hartlijn leiding – olie; • Figuur: hartlijn leiding – water; • Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie; • Gebiedsaanduiding: overige zone – groenblauwe mantel. In het bestemmingsplan is het realiseren van paardenbakken buiten het bouwvlak niet rechtstreeks mogelijk. In artikel 5.3.1 van het bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’ is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het bouwen van paardenbakken buiten het bouwvlak binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Er wordt echter niet aan voorwaarden van deze afwijkingsmogelijkheid voldaan. De oppervlakte van de paardenbak bedraagt meer dan in deze afwijkingsmogelijkheid is opgenomen en er worden tevens lichtmasten gerealiseerd. Binnen de bestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ is in het bestemmingsplan ‘Herziening Buitengebied 2015’ geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwvlak van vorm te veranderen om de buitenrijbakken mogelijk te maken.
Daarnaast is in artikel 36.3 een mogelijkheid opgenomen om het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Paardenhouderij’ van vorm te veranderen. Deze wijzigingsbevoegdheid betreft echter niet het van vorm veranderen van het bouwvlak, waardoor de paardenrijbakken nog steeds gelegen zullen zijn buiten het bouwvlak. Derhalve is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
18
De herbestemming ziet alleen op de vormverandering van het bouwvlak behorende bij de enkelbestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
19
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 van deze toelichting is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen mogelijk significante effecten zal hebben op de Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het vergroten van het bouwvlak is geen activiteit die is aangewezen in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
20
een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Uit Afbeelding 9 blijkt dat er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water zijn gelegen op het plangebied. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart grondwaterbescherming, waterveiligheid- en berging (afdeling 2.1 Iov) De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
21
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 10 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor deze deelfunctie geldt beperkt beschermingsbeleid. Dit houdt in, dat binnen deze gebieden in beginsel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden, mits deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities. Het ruimtelijk beleid in de groenblauwe mantel is vooral gericht op ontwikkeling van groenblauwe waarden. Het initiatief betreft het in vorm veranderen van het huidige bouwvlak van een bestaande paardenhouderij. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de conditie van de natuur wordt verbeterd.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart PMWP 2016-2021 Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
22
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Ten westen van het plangebied zijn watergangen gelegen, zie Afbeelding 11. De watergangen zijn niet gelegen binnen het plangebied.
Afbeelding 11: Uitsnede legger Waterschap Brabantse Delta. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
23
hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Ten behoeve van de gewenste situatie is er geen nieuwe bebouwing en/of nieuwe verharding gerealiseerd. Er zijn slechts twee buitenrijbakken bijgekomen. Het hemelwater dat terecht komt op de buitenrijbakken kan direct infiltreren in de bodem, waardoor bij de realisatie van de buitenrijbakken geen sprake is van een toename van verharding. Omdat er geen toename van verharding is en de toename dus minder dan 2.000 m² bedraagt, dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
24
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ van de Iov (paragraaf 3.2.3) is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 12. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ Iov, plangebied rood omcirkeld 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
25
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Loonse en Drunese Duinen & Leemkuilen, Langstraat en Regte Heide & Riels Laag. Het dichtstbij liggende Natura 2000gebied betreft Loonse en Drunese Duinen & Leemkuilen, dat op een afstand van circa 4,5 kilometer ligt. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. De beoogde situatie kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden.
Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf is niet in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Het bedrijf beschikt over meerdere verleende milieuvergunningen welke zijn verleend op 06-11-1975 en 01-03-1996. De verleende vergunning van 01-03-1996 beschikt over een lagere ammoniakemissie dan de verleende vergunning van 06-11-1975. Hierdoor dient te worden uitgegaan van de ammoniakemissie zoals deze was op 01-03-1996. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet. De invoergegevens van de AERIUS verschilberekening zijn uiteengezet in Bijlage 2.
Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 3, blijkt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. Voor de beoogde situatie is op 29 mei 2020 een vergunning conform art 2.7, lid 2 van de Wnb aangevraagd. De invoergegevens en rekenresultaten die apart zijn bijgevoegd bij deze toelichting zijn de bijlagen uit de aanvraag in het kader van de Wnb. In werkelijkheid zullen minder paarden/pony’s gehouden worden dan aangegeven in de AERIUS-berekening.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Bestemmingsplan Heibloemstraat 10 De Moer
26
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.