CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

13-10-2022 Bijlage 2. Toelichting bestemmingsplan 'Bernsehoef 1 Kaatsheuvel' met bijlagen.pdf

Raadsvergadering 13 oktober 2022, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel over gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'Bernsehoef 1 Kaatsheuvel'27.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bernsehoef: lijn van redelijk hoge waarde

Plangebied Historische geografie — Zeer hoog —

Hoog Redelijk hoog

Figuur 14: Uitsnede ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ Noord-Brabant

De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. De regio wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Karakteristiek zijn de vele kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. De grote stedelijke gebieden zijn met elkaar verbonden dooreen netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Daarnaast valt het plangebied binnen het cultuurhistorisch landschap Loonse en Drunense Duinen. Het betreft het grootste stuifzandgebied van Brabant. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bezien liggen de waarden in de elementen en structuren uit verschillende perioden, die tezamen een beeld geven van de

23

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

geschiedenis van bewoning en gebruik van dit bijzondere gebied en de strijd die geleverd moest worden tegen de natuurlijke krachten, die dorpen en akkers bedreigden. Verder ligt het plangebied in het archeologisch landschap Loonse en Drunense Duinen. Dit landschap wordt gedomineerd door de Loonse en Drunense Duinen, een reliēfrijk bos-, heide- en stuifduinengebied met grote oppervlakte open en actief stuifzand. De zandverstuivingen zijn veroorzaakt door te intensieve exploitatie door de laatmiddeleeuwse bewoners van de regio. De jongere verstuivingen hangen samen met het gebruik als militair oefenterrein in de vorige eeuw. De kern van het landschap bestaat uit een dekzandrug, waarop vanaf de late middeleeuwen door zandverstuivingen landduinen met bijbehorende laagten zijn ontstaan. Onder het stuifzand kunnen nog oude landbouwgronden en nederzettingen voorkomen. De weg Bernsehoef aan de oostzijde van het plangebied betreft een historische lijn van redelijk hoge waarde. Onderhavig plan ziet niet op een toename van bebouwing. De ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard, dat deze geen nadelige invloed op cultuurhistorische waarden zal hebben. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.3.2

Archeologische waarden

Bij de opstellingen uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Het plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2’. Hier geldt dat voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en met een diepte van 0,5 meter onder maaiveld, een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Volgens de bepalingen onder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2’ (artikel 29.2) zijn de regels met betrekkingtot een onderzoeksplicht niet van toepassing bij ontwikkelingen die binnen het bouwvlak plaatsvinden (lid c). Onderhavige ontwikkeling vindt binnen het bestaande en toekomstige bouwvlak plaats. Daarnaast vindt de realisatie van nieuwe/renovatie van de bestaande bebouwing op dezelfde locatie plaats als de locatie van de bestaande stal.

Er vindt dan ook geen uitbreiding van de oppervlakte van bebouwing plaats (zelfs een kleinere oppervlakte). Verder bevinden zich onder deze bestaande stal putten waardoor de grond onder het bestaande gebouw reeds is geroerd tot een behoorlijke diepte. De bestaande diepte van de putten is voldoende voor het realiseren van de fundering en extra grondwerk met een grotere diepte is derhalve niet noodzakelijk. Er wordt zelfs gedacht aan het benutten van de bestaande putten voor installaties. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische vondsten worden gedaan, dient hiervan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag.

24

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

4.4

Ontsluiting, verkeer en parkeren

4.4.1

Ontsluiting

Binnen het plangebied is in de huidige situatie een drietal inritten aanwezig waarmee de locatie wordt ontsloten op de weg Bernsehoef (zie volgende figuur).

Bestaande inrit (komt Bestaande inrit bedrijfswoning (blijft gehandhaafd)

vervallen)

Bestaande inrit (blijft gehandhaafd)

Figuur 15: Ligging bestaande inritten

In de beoogde situatie komt de westelijke inrit te vervallen. De middelste inrit blijft gehandhaafd en dient ter ontsluiting van de verblijfsrecreatieve voorzieningen (entree). Ook de inrit bij de bedrijfswoning blijft gehandhaafd. 4.4.2

Verkeer

De ontwikkeling brengt een toename van verkeersbewegingen met zich mee door het ontstaan van nieuwe activiteiten. Deze verkeersbewegingen in de beoogde situatie worden gegenereerd door de bewoners van de bedrijfswoningen de gasten van de vakantieappartementen en decamping. Om te bepalen hoeveel verkeersbewegingen de ontwikkeling met zich meebrengt, is hiervan een berekening gemaakt. Waar mogelijk wordt uitgegaan van de kencijfers verkeersgeneratie zoals gepubliceerd in de CROW-module 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Het gebied kan worden gekarakteriseerd als niet stedelijk, buitengebied. De volgende tabel geeft een overzicht van de verkeersbewegingen in de beoogde situatie. Tabel 1: Verkeersgeneratie beoogde situatie (op basis van module ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ CROW) Functie (buitengebied)

Kencijfers (dagelijks; per eenheid)

Aantal dagelijkse verkeersbewegingen

Bedrijfswoning (1)

8,2 per koop, huis, vrijstaand

8,2

Vakantieappartementen (10)

2,7 per bungalow

27

Camping (8 standplaatsen)

0,4 per standplaats

3,2

Totaal * Geen kencijfers beschikbaar

4.4.3

39

Parkeren

Ten aanzien van parkeren is het uitgangspunt dat dit moet plaatsvinden op eigen terrein.

25

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

De parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling is gebaseerd (indien mogelijk) op de parkeernormen uit de 'Uitwerking parkeerbeleid Loon op Zand’ (2016). Tabel 2: Overzicht aantal benodigde parkeerplaatsen beoogde situatie Functies/activiteiten

Functietype (conform

Parkeernorm (aantal

Aantal

parkeerbeleid)

parkeerplaatsen per

parkeerplaatsen

eenheid) Bedrijfswoning (1)

Woning (type: groot ŕ 135 m2

2,4 per woning

3

Bungalowpark*

2,1 per bungalow*

21

Camping*

1,2 per standplaats*

GBO) Vakantieappartementen (10) Camping (8 standplaatsen) Totaal

10 34

* Geen kencijfers beschikbaar in parkeerbeleid; uitgegaan van functies en kencijfers CROW

Bij de bedrijfswoning is voldoende ruimte voor het parkeren van drie auto’s. Op het kampeerterrein is bij elke standplaats 1 parkeerplaats aanwezig (in totaal 8 stuks). Bij de vakantieappartementen worden 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal zijn ten behoeve van de recreatieve activiteiten 32 parkeerplaatsen aanwezig in de beoogde situatie. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte; het parkeren wordt volledig op eigen terrein geregeld. Het terras betreft ondergeschikte horecavoorziening speciaal gericht op de cam pi nggasten en niet op derden. Derhalve behoeven hiervoor geen aparte parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De volgende figuur geeft de ligging van de parkeergelegenheden weer.

parkeerplekken vakantie­ appartementen en camping

8

parkeerplekken camping

û*~:

3

parkeerplekken bedrijfswoning

Figuur 16: Ligging parkeergelegenheden

26

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

5. Milieuaspecten Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang vol waardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.

5.1

M.e.r.-beoordeling

Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben dientop basis van wet- en regelgeving vaak een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Onderhavig plan ziet op de vestiging van een kleinschalig verblijfsrecreatief bedrijf. De ontwikkeling op de projectlocatie betreft de vestiging van een recreatiebedrijf waarvoor de functie dient te worden gewijzigd in recreatie. Dit betreft een ontwikkeling die valt onder onderdeel D, categorie 9 (landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan) van het Besluit m.e.r. Voor een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Doordat de activiteit onder de drempelwaarde valt, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Voor deze activiteit geldt dat het bevoegd gezag op een vormvrije wijze moet beoordelen of voor deze activiteiten toch een m.e.r. beoordeling (met procedurele en inhoudelijke vereisten) dient te worden doorlopen. Bij het bevoegd gezag is een vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend, die op 17 augustus 2020 akkoord is bevonden. De vormvrije m.e.r. is voldoende voor gebruik in de ruimtelijke procedure.

5.2

Bodem

Wettelijke basis In het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit. Aanleidingen doel Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Beoordeeld dient te worden of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Aanleiding van de bodemtoets vormt de wijziging van de agrarische bestemming in een verblijfsrecreatieve bestemming. Verkennend bodemonderzoek Om de bodemgesteldheid binnen het plangebied in beeld te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd1. Dit onderzoek is aangevuld op 25 juni en 9 augustus 2020. Historie Conform de NEN 5725 is historisch onderzoek uitgevoerd. De locatie is vanaf 1972 tot 2001 in gebruik voor agrarische doeleinden (varkenshouderij tot 1988 en pluimveehouderij van 1988 tot 2001). Het dak op de pluimveestal bestaat uit asbesthoudend plaatmateriaal en heeft geen dakgoot. Ten oosten van destal

1 Verkennend bodemonderzoek Bernsehoef 1 Kaatsheuvel, Bakker Milieuadviezen Waalwijk, april 2020 27

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

heeft een ondergrondse tank gelegen. Deze is in 1989 gereinigd en verwijderd onder certificaat. Daarnaast heeft er onder het terras bij de woning ook een ondergrondse tank gelegen. Deze is in 1992 gereinigd en gevuld met zand onder certificaat. In 2001 is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn de beide voormalige ondergrondse tanklocaties ook onderzocht. In zowel de grond als het grondwater van de hele locatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Er zijn geen activiteiten of objecten bekend die de bodem kunnen hebben verontreinigd. Op 1 april 2020 is een terreininspectie uitgevoerd, waarbij geen aanleiding is gevonden een bodemverontreiniging (behoudens asbesthoudende dakplaten op stal) te verwachten. Resultaten onderzoeken 2020 De locatie is, vanwege bovengenoemde historie, onderzocht conform de NEN-5740 strategie onverdacht (ONV). Daarnaast is de druppelzone van het asbesthoudende dak van de stal conform NEN-5707 voor een verdachte locatie onderzocht. Uit het historisch onderzoek en de indicatieve veldinspectie volgt geen verdere verdenking op het voorkomen van asbestin de bodem. De bodem bestaat tot 3,2 meter beneden maaiveld (m-mv) uit zand. Er zijn op of in de bodem geen bodemvreemde en/of asbestverdachte materialen waargenomen. De grondwaterspiegel is op 1,62 m-mv aangetroffen.

In zowel de boven- als de ondergrond overschrijden geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden. In het grondwater overschrijdt de parameter barium de streefwaarde. De overige onderzochte parameters overschrijden de streefwaarden niet. In het mengmonster van de druppelzone is 19 mg/kgds asbest aangetroffen. Dit is lager dan het criterium voor nader onderzoek en de interventiewaarde voor asbest. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemmingswijzigingen evenmin voor het voornemen om de huidige stal te verbouwen voor recreatieve doeleinden. De rapportage van het bodemonderzoek is als bijlage toegevoegd.

5.3

Geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: » Wordt iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij; berekening voorgrondbelasting); » Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object; berekening achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij).

Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolgvan de aanwezige veehouderijen in de omgevingvan het plangebied (belang geurgevoelig object). 28

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Normen voorgrondbelasting De gemeente Loon op Zand heeft voor haar grondgebied geen verordening geurhinder en veehouderij opgesteld met afwijkende geurnormen. Dit betekent dat getoetst dient te worden aan de maximale normen zoals opgenomen in de Wgv. Voor geurgevoelige objecten in het buitengebied geldt een maximale geurnorm van 14,0 oue/íti3; voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom geldt een maximale geurnorm van 3,0 ouE/m3.

Toetswaarden achtergrondbelasting In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor veehouderijen normen gesteld aan de geurbelasting. Bij ontwikkeling van de veehouderij (uitbreiding, vestiging of omschakeling) dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder op gevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 1296 en in het buitengebied niet hoger is dan 2096, tenzij de ontwikkeling van de veehouderij leidt tot een daling van de achtergrondbelasting. Een achtergrondconcentratie van 20 ouE/m3 bij 98 percentiel veroorzaakt maximaal 2096 kans op geurhinder in het buitengebied. In de bebouwde kom is een goed woon- en leefklimaat te borgen indien de achtergrondconcentratie niet hoger is dan 10 ouE/m3. Dit komt overeen met een kans op geurhinder die niet hoger is dan 1296. De cumulatieve geurbelasting wordt aan deze waarden getoetst. 5.3.1

Voorgrondbelasting

In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: » Bernsehoef 4 (paardenhouderij): afstand circa 185 meter; » Bernsehoef 5 (paardenhouderij): afstand circa 220 meter. De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.

Bernsehoef 5 (paardenhouderij)

q'o 8

Vakantiepark

Bernsehoef 4 (paardenhouderij)

Plangebied

Figuur 17: Ligging dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven

Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. Voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor (zoals paardenhouderijen) geldt ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een vaste afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom die moet worden aangehouden tussen een emissiepunt en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

29

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

De meest nabijgelegen veehouderijen betreffen paardenhouderijen (Bernsehoef 4 en 5) en liggen op een afstand van meer dan 185 meter van het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de afstand van 50 meter. Ingevolge artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of een voormalige veehouderij (beëindigd na 19 maart 2000) ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. De woning Bernsehoef 1 betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning; hier dient dan ook te worden voldaan aan de vaste afstanden met betrekking tot geur. De afstand van deze woning tot de dichtstbijzijnde veehouderij (Bernsehoef 4) bedraagt circa 185 meter. Er wordt dan ook voldaan aan de minimale afstand. Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmeringvoor de ontwikkeling van omliggende veehouderijbedrijven. Er wordt voldaan aan de wettelijke afstanden. 5.3.2

Achtergrondbelasting

Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen, is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgevingvan het initiatief meegenomen zijn. Om het woon- en leefklimaat te bepalen is de achtergrondgeurbelastingter plaatse van het plangebied bepaald middels het rekenprogramma V-Stacks Gebied. Hiervoor zijn alle veehouderijbedrijven in een straal van 2,0 kilometer rondom het plangebied betrokken. De gegevens van de veehouderijbedrijven zijn afkomstig uit WebBVB (d.d. 20 maart 2020). De volgende tabel geeft de cumulatieve geurbelasting weer op de geurgevoelige objecten (zie ook bijlage). Tabel 3: Achtergrondbelasting Geurgevoelig object Middelpunt plangebied Bernsehoef 1

Toetswaarde

Achtergrondbelasting

(ouĘ/m3)

(ouĘ/m3)

20,0

1,2

Ter plaatse van het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de toetswaarde. Het woon- en leefklimaat is daarmee aanvaardbaar. De volgende figuur geeft een visualisatie van het woon- en leefklimaat binnen en in de omgeving van het plangebied.

30

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Plangebied

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht

Į Extreem slecht

Figuur 18: Visualisatie woon- en leefklimaat

Het woon- en leefklimaat kan worden gekwantificeerd als zeer goed (op basis van bijlage 6 en 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij). Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter beschermingen/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekkingtot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. Uitgangspunt hierbij is dat de richtafstand in principe geldt tussen de bouwvlak van het bedrijf en de maximale bouwmogelijkheden ten aanzien van het hindergevoelige object. De volgende figuur toont de bedrijven in de omgeving van het plangebied.

31

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Bernsehoef 5 (paardenhouderij) Bernsehoef 2 (plantenkwekerij)

Bernsehoef 4 (paardenhouderij)

Efteling Bosrijk (bungalowpark)

Verblijfsrecreatief terrein Bernsehoef ong.

Plangebied

Duiksehoef 12 (agrarisch loonbedrijf)

Efteling Golfbaan

Figuur 19: Bedrijven in de directe omgeving

De volgende tabel toont het type bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied en de bijbehorende richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering. Het gaat hierbij om de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan op basis van de regels toestaat. Tabel 4: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid

Indices en richtafstanden (meters)

Werkelijke afstand tot maximale

Efteling Golfbaan (golfbaan)

bouwmogelijkheden (m)

Cultuur, sport en recreatie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

0

0

10

0

Restaurant etc.

10

0

10

10

Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

30

0

50

30

0

0

10

0

0

0

10

0

Logies-, maaltijden- en drankenverstrekkinġ

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

30

0

50

30

Hotels en pensions met keuken etc.

10

0

10

10

0

0

10

0

Sporthallen

0

0

50

0

Tennisbanen met verlichting

0

0

50

0

Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Tuinbouw

10

10

30

10

Golfbanen

Logies-, maaltijden- en drankenverstrekkinġ 65

Detailhandel en reparatie t.b.v. particulieren Detailhandel voor over n.e.g.

Overige zakelijke dienstverlening Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Efteling Bosrijk (bungalowpark)

Overige zakelijke dienstverlening Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

80

Cultuur, sport en recreatie

Bernsehoef 2 (plantenkwekerij)

32

30

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)

10

10

30

10

Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Fokken en houden van paarden

50

30

30

0

Stof

Geluid

Gevaar

Bernsehoef 4 en 5 (paardenhouderij) 185, 220

Duiksehoef 12 (agrarisch loonbedrijf) Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw

Geur

Loon-, grondverzet-, sloop- en transportbedrijf van ten

Maximaal 100 meter

160

hoogste categorie 3.2 Bernsehoef ong (verblijfsrecreatief terrein)

Logies- maaltijden- en drankenverstrekkinġ

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

30

0

50

30

Hotels en pensions met keuken etc.

10

0

10

10

0

0

10

0

10*

Overige zakelijke dienstverlening Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

* De richtafstand wordt hier niet berekend vanaf de rand van het bouwvlak, maar vanaf de rooilijn van de bestaande stal, aangezien vóór deze lijn niet zal worden gebouwd. Dit laatste is ook niet wenselijk gelet op de geringe afstand tot de weg.

Er wordt voldaan aan alle richtafstanden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Uitzondering vormt het verblijfsrecreatieve terrein aan de zuidzijde van het plangebied, aan de overzijde van de weg. Hier wordt niet voldaan aan alle richtafstanden. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk’/'rustig buitengebied’ en 'gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn dan ook de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk’. Voor woningen in een 'gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Kaatsheuvel. Echter, ter plaatse is sprake van een gebied met relatief dicht op elkaar gelegen functies, een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hier zijn naast burgerwoningen ook agrarische en niet-agrarische bedrijven (Efteling Bosrijk en golfbaan) gelegen. Derhalve kan de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als 'gemengd gebied’ als bedoeld in de VNG-brochure.

De richtafstanden uit de publicatie kunnen dan ook met een afstandstap worden verlaagd. Dit betekent dat de richtafstand van 50 meter kan worden verlaagd naar 30 meter, van 30 meter naar 10 meter en van 10 meter naar 0 meter. Hiervan uitgaande geldt voor het aspect geluid nog een te hoge richtafstand tot het plangebied. Conform de VNG-brochure dient in dat geval het stappenplan in bijlage 5 te gevolgd te worden. Dit betekent dat voor het afwijken van de richtafstanden een nader onderzoek noodzakelijk zou zijn waaruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Echter, er wordt in de beoogde situatie geen nieuwe geluidgevoelige bestemming toegevoegd; de vakantieappartementen betreffen geen geluidgevoelige objecten. Daarbij komt dat door de bestemmingswijziging aan de gevoeligheid van de bedrijfswoning Bernsehoef 1 niets wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. Aangezien in het plangebied ook een kampeerterrein is beoogd, ligt eventuele hinder vanuit een ander verblijfsrecreatief terrein, zoals aan de zuidzijde, niet voor de hand. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

33

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Eventuele hinder bedrijfsactiviteiten Bernsehoef 1 Omgekeerd dient te worden getoetst aan de richtafstanden die horen bij de nieuwe bedrijfsactiviteiten op de locatie Bernsehoef 1. De bedrijfsactiviteiten passen binnen de categorie 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’, wat in de VNG-publicatie wordt beschouwd als een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 3.1. In de volgende tabel zijn de richtafstanden opgenomen die van toepassing zijn op de nieuwe recreatieve bedrijfsactiviteiten. Tabel 5: Richtafstanden plangebied op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid

Indices en richtafstanden (meters)

Bernsehoef 1 (vakantieappartementen en camping) Cultuur, sport en recreatie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

30

0

50

30

Uitgaande van gemengd gebied (zie onderbouwing hiervoor) kan de richtafstand voor het aspect geur worden verlaagd van 30 naar 10 meter en voor het aspect geluid van 50 naar 30 meter. Het meest nabijgelegen hindergevoelig object betreft de woning Bernsehoef la. De woning is gelegen op een afstand van circa 50 meter van de rand van het nieuwe recreatieve bestemmingsvlak. Deze woning mag niet buiten de bestaande fundering/locatie worden herbouwd; derhalve kan de woning niet dichter bij de nieuwe recreatieve bestemming worden opgericht, waardoor de afstand niet kleiner wordt. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Daarnaast neemt de hinder ten opzichte van de situatie waarin de pluimveehouderij actief was af. Er kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat door de beoogde ontwikkeling niet verslechtert.

5.5

Geluid

In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving. 5.5.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De wegen rondom het plangebied betreffen voornamelijk 60 km/uur-weg met een geluidzone. Echter, er wijzigt niets aan de huidige woning en daarmee aan het beschermingsregime van de woning. Daarnaast worden de nieuw te realiseren verblijfsrecreatieve voorzieningen in het kader van de Wet geluidhinder niet beschouwd als een geluidgevoelig object. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een rustig buitengebied met verschillende, voornamelijk recreatieve functies. Deze functies (waaronder Bosrijk en de golfbaan) genereren op zich veel verkeer, maar de verkeersbewegingen van en naar deze terreinen vinden plaats aan de noordzijde ervan, op grote afstand van het plangebied.

De activiteiten op deze terreinen an sich brengen weinig tot geen geluidemissie voort. De verkeersintensiteiten op zowel de Bernsehoef als de Duiksehoef zijn dermate laag, dat deze geen noemenswaardige geluidhinder opleveren.

34

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Een akoestisch onderzoek naar de geluidhinder van de omliggende wegen is dan ook niet noodzakelijk. 5.5.2

Industrielawaai

Voor dit aspect wordt aangesloten bij de richtafstanden uit de 'Handreiking bedrijven en milieuzonering’. In paragraaf 5.4 is onderbouwd dat ten aanzien van het aspect geluid voldaan kan worden aan de richtafstanden.

5.6

Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit vormt een belangrijk aspect voor het milieu. Bij luchtkwaliteit wordt voornamelijk naar de mate van fijn stof in de lucht gekeken. Naar verwachting zullen geen andere stoffen, waarvoor in de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen, in relevante hoeveelheden worden geëmitteerd. Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteiť. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de 'Wet luchtkwaliteiť bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 396 van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Toets initiatief De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PMio) bedraagt ter plaatse van het plangebied 17,98 pg/m3. Deze concentratie voldoet aan de wettelijke fijn stof-norm. Met behulp van de NIBM-tool is berekend of de ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide in de buitenlucht. In het rekenmodel is uitgegaan van een van maximaal 39 dagelijkse voertuigbewegingen van en naar de locatie als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. De volgende figuur geeft een overzicht van het resultaat.

35

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaarvan planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

39

Aandeel vrachtverkeer

Ū.0%

NO2 in pg/m3

0.03

PM10 in pg/m3

0.01

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 20: Resultaat berekening bijdrage aan luchtkwaliteit (NIBM-tool)

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Woon-en leefklimaat Verder is getoetst aan de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hiermee wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland gevolgd. De volgende figuur toont hoe de actuele invloed van veehouderijen op de luchtkwaliteit is.

Invloed veehouderijen op luchtkwaliteit per gemeente

Plangebied

0

Niet berekend

0

0

Geen overschrijdingen

@

0

Eén of meer overschrijdingen

0

Figuur 21: Uitsnede kaart viewer monitoring NSL (www.nsl-monitoring.nl/viewer)

De figuur laat zien dat ter plaatse van het plangebied geen overschrijdingen van de normen plaatsvinden als gevolgvan veehouderijbedrijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling

5.7

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang en -dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht.

36

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Voorde normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. De Risicokaart toont de risicovolle bronnen en inrichtingen in de omgeving van het plangebied (zie volgende figuur).

Propaantank Bernsehoef 4

Plangebied

Figuur 22: Uitsnede Risicokaart

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bronnen gelegen. Daarnaast worden door de ontwikkeling geen nieuwe risicovolle bronnen toegevoegd. De meest nabijgelegen risicovolle bron betreft een bovengrondse propaantank (3 m3) op een afstand van circa 200 meter ten noordenwesten van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten de invloedszone van deze bron. Uit onderzoek uit 2018 in het kader van het project vervoergevaarlijke stoffen door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is gebleken dat er op de wegen Bernsehoef en Duiksehoef trans po rtbewegin gen met gevaarlijke stoffen te verwachten zijn. Het initiatief ligt binnen het invloedsgebied van deze route. Voor onderhavige ontwikkeling kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient te worden voldaan aan hetgeen opgenomen in artikel 7 en artikel 8, lid 2 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Verantwoording artikel 7 Bevt Beperkte verantwoording groepsrisico De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is volledig kwalitatief uitgevoerd.

37

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Groepen zeer kwetsbare personen verblijven niet in het gebied waar mensen direct moeten vluchten bij een (dreigende) calamiteit. Dit betreft scenario’s zoals plasbrand, BLEVE, natuurbrand, gebieden meteen hoogoverstromingsrisico. De doelgroepen die de locatie (vakantieappartementen en kampeerterrein) bezoeken zijn voldoende zelfredzaam om bij calamiteiten te vluchten. De afstand tot een risico is dusdanig groot dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen en dat ook mensen die niet zelfredzaam zijn in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast zorgt afstand tussen verschillende risico’s voor een beperking van gevolgeffecten. Personen kunnen zich aan de westzijde verwijderen van het risicogebied, via de weg Bernsehoef en via de naastgelegen (landbouw)gronden. Beschermende omgeving Fysieke elementen kunnen als obstakel gedurende langere tijd bescherming bieden en beperken de effecten voor gebouwen en mensen. Deze elementen kunnen tevens meerdere functies hebben in de ruimte (voor onder andere kleinschalige recreatie of natuurstrook). Ook gevelconstructies en technische installaties in gebouwen kunnen mensen die er verblijven beschermen tegen de effecten. Tussen het plangebied en de transportroute is een dichte houtwal gelegen.

Bij calamiteiten kunnen de gasten van het kampeerterrein evenals de recreanten in de vakantieappartementen schuilen in of in de luwte van de bebouwing (aan de westzijde). Gebouwen Als de bebouwing en de omgeving onvoldoende bescherming bieden bij incidenten, voorkomt een veilige ontvluchting (evacuatie) verdere slachtoffers. De aanwezigheid van goede vluchtroutes in een gebied zorgt ervoor dat de zelfredzaamheid van mensen in het gebied omhoog gaat. Op basis van een analyse van de risico’s houdt het ontwerp van de gebouwen en ontsluitingswegen zelf rekening met de mogelijkheid om veilig en snel naar een veilige omgevingte vluchten. De (bewegwijzerde) vluchtroutes (per appartement) bevinden zich aan de gebouwzijde die van de risicobron is afgekeerd (westzijde bebouwing). Deze vluchtroutes zijn ook bruikbaar voor verminderd zelfredzamen en voor het in veiligheid brengen van gewonden door de hulpdiensten. Deze vluchtroutes zorgen ervoor dat mensen makkelijk en zo snel als mogelijk een veilige plaats kunnen bereiken, waar mogelijk geschikt voor verminderd zelfredzame personen. Belangrijke informatie over het incident kan in het gebied ontvangen worden, zodat mensen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten zoen. Routes hulpdiensten De inrichting van de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan snelle en effectieve hulpverlening.

Hulpverleners kunnen sneller optreden als de bereikbaarheid en aanrijdroutes doordacht is. Zo kunnen hulpdiensten de mensen sneller bereiken, in veiligheid brengen en de gevolgen van incidenten beperken. Toegesneden voorzieningen voor bluswater zorgen voor een snelle en efficiënte bestrijding van incidenten. Daardoor beperkt dit de gevolgen voor de omgevingen haar bewoners en is naderhand een snellere terugkeer naar de 'normale’ situatie mogelijk. Het plangebied is in geval van calamiteiten op de route Bernsehoef/Duiksehoef door de hulpdiensten te bereiken over het gedeelte van de Bernsehoef aan de westzijde van het plangebied. Deze kan fungeren als toegangswegen aanrijdroute en is geschikt voor een snelle opkomst van het materieel van de hulpverleners en voor het afvoeren van gewonden. Opstel plaatsen voor het materieel zijn beschikbaar, zowel op het terrein van de locatie als op de omliggende landbouwgronden. Het plangebied is voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken. In de directe omgeving (op een afstand van circa 100 meter) is voldoende bluswater beschikbaar, op het terrein van de naastgelegen golfbaan.

38

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Communicatie Communicatie over risico’s zelf en de voorbereiding erop, draagt bij aan de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners. Iedereen die in de gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Daar hoort ook kennis van de inrichting van de omgevingen van de mogelijkheden om te handelen bij. Hierdoor stijgt het veiligheidsbewustzijn van mensen en is het handelingsperspectief bekend. De initiatiefnemer informeert hun gasten, werknemers en overheden over risico’s en het handelingsperspectief tijdens crisissituaties. Kortheidshalve wordt verwezen naar de standaard brief van de veiligheidsregio. Deze is toegevoegd als bijlage 6. Verantwoording artikel 8 lid 2 Bevt In artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is bepaald dat indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwingvan die vergunning tevens ingegaan wordt op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute, het groepsrisico in de beoogde situatie en maatregelen ter beperking van het groepsrisico.

In lid 2 is geregeld dat het gestelde in lid 1 buiten toepassing kan blijven bij de vaststelling van het bestemmingsplan of omgevingsvergunning indien wordt aangetoond dat het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, niet hoger is dan 0,1 maal de oriēntatiewaarde, of het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt, en de oriēntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Bij de verantwoording dient gebruik te worden gemaakt van de Handleiding Risicoanalyse Transport (2017). Deze handleiding biedt een eenduidig kader voor het uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses. In het externe veiligheidsbeleid is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) het middel om de risico's voor omwonenden als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen in beeld te brengen. Het resultaat van een QRA is de kans op overlijden op een bepaalde locatie als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen en de kans op overlijden van een groep personen met een bepaalde omvang. Het risico wordt bepaald door de transportroute, de vervoerde stoffen en de aard van de omgeving. De QRA geeft inzicht in de hoogte van de externe risico’s van een transportroute.

De gevolgen van het betrokken besluit blijken uit een vergelijking van de situatie voor het besluit met de situatie na het besluit. Behalve de hoogte van het risico kan zo ook de toe- of afname van het risico ten gevolge van het besluit worden beoordeeld. Het risico van een transportroute wordt bepaald door het samenspel van vervoer, ruimtelijke ordening en beider ontwikkeling in de tijd (qua aantallen en veiligheid). De planperiode van een bestemmingsplan is tien jaar. Voor ruimtelijke besluiten is dit dan ook een relevante termijn. In de Nota van toelichting op het Bevt en de Nota van toelichting op de Beleidsregels EV is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Hiervoor zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld die de gebruiker een indicatie geven van de hoogte van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding te kunnen leiden van grenswaarde of richtwaarde voor het plaatsgebonden risico dan wel tot een overschrijding van de oriēntatiewaarde of 0,1 maal de oriēntatiewaarde voor het groepsrisico.

39

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

De vuistregels voor vervoer over de weg worden geformuleerd voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico gaat het om de grens- en richtwaarde, ÏO5 en ÏO6 per jaar, voor het groepsrisico om de oriēntatiewaarde en een factor 0,1 maal de oriēntatiewaarde. De geschatte jaarintensiteit op de Bernsehoef bedraagt ter hoogte van het plangebied 80 transporten brandbare gassen (GF1, GF2, GF3) op jaarbasis. De Bernsehoef is van het routetype 'weg buiten de bebouwde kom’. Voor wat betreft het plaatsgebonden risico kan op basis van vuistregel 1 en 2 gesteld worden dat deze weg geen 105-contour en 10 6-contour (minder dan 500 GF3-transporten). Ten aanzien van het groepsrisico wordt getoetst aan de vuistregels die gelden voor de oriēntatiewaarde en 1096 van de oriēntatiewaarde. Voor de oriēntatiewaarde en 1096 van de oriēntatiewaarde geldt dat vuistregel 1 niet van toepassing is; deze heeft geen betrekking op brandbare stoffen. Voor de toetsing van de oriēntatiewaarde geldt vuistregel 2: wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriēntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Voor de toetsing van 1096 van de oriēntatiewaarde geldt: wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 1096 van de oriēntatiewaarde niet overschreden. Het aantal jaarlijkse transporten op de weg Bernsehoef is dermate laag, dat de drempelwaarden en daarmee de (1096 van de) oriēntatiewaarde niet worden overschreden. Voor onderhavige is het opstellen van een QRA niet noodzakelijk. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.8

Volksgezondheid

5.8.1

Spuitzones gewasbescherming

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Deze middelen hebben effecten op de gezondheid van de mens. Dit contact kan plaatsvinden via opname door de huid dan wel inademing. Teneinde te voorkomen dat een dergelijk contact kan plaatsvinden, is het wenselijk om een zekere afstand in acht te nemen tussen open teelten en woonpercelen, om een goed woon- en leefklimaat te garanderen dat planologisch gewaarborgd kan worden. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand.

Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijvoorbeeld bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering.

40

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Het plangebied grenst aan zowel de oost- als zuidzijde aan agrarisch bestemde gronden waar agrarische teelten zijn toegelaten. Op deze agrarische gronden is het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. Aangezien de nieuwe verblijfsrecreatieve bestemming een gevoelige bestemming betreft die op minder dan 50 meter afstand van de aangrenzende agrarische gronden zijn gelegen, dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden onderzocht of er kan met maatregelen kan worden volstaan meteen kleinere afstand. Onderzoek spuitzonering Met het oog op de beoogde ontwikkeling is een spuitzoneringsonderzoek2 uitgevoerd naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid wat betreft woon- en leefklimaat van de nieuw te realiseren verblijfsrecreatieve eenheden in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij de agrarische exploitaties die plaatsvinden op naastgelegen gronden. Het onderzoek heeft plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarische gronden gelegen ten oosten en ten westen van de plan locatie. Bij het onderzoek is niet uitgegaan van het rapport 'Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (PRI-rapport 609, mei 2015), van Wageningen University ã Research.

De Afdeling bestuursrechtspraak is in 2020 tot het oordeel gekomen dat dit rapport dat in het verleden werd gebruikt, geen deugdelijke grondslag vormt voor locatiespecifiek onderzoek (zie uitspraak 201806136/1/Rl en 201806358/1/Rl d.d. 16 december 2020). In het onderzoek dat in het kader van onderhavige ontwikkeling is uitgevoerd is uitgegaan van een aantal middelen die als worstcase kunnen worden beschouwd, uitgaande van de teelt van boomkwekerijgewassen als representatieve invulling van de maximale planologische situatie. De volgende tabel toont de resultaten van het toegepaste rekenmodel (EFSA-model) voor blootstelling in een situatie van tijdelijk verblijf (bystander) hetgeen representatief is voor een recreatieve verblijfsituatie, gebruikmakende van de invoergegevens met betrekking tot de verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De resultaten laten zien wat de maximale blootstelling is op diverse afstanden van de te spuiten producten. Een 10096 blootstelling betekent dat de personen de maximale blootstelling krijgt om nog net niet ziek te worden.

Tabel 6: Resultaten berekende maximale blootstelling (bron: Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden, gemeente Loon op Zand, Andromi B.V., 7 februari 2022) Tobel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een kind van 3 jaar in een tijdelijke verblijfssituatie kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten Gewasbeschermingsmiddel

Werkzame stof

Afstand 2-3 m

Teppeki

flonicamid

Roundup

glyfosaat

VSM Captan 80 WG

captan

26,95 96

5 m

10 m

18,52 96

17,47 96

17,96 96

14,73 96

5,29 96

5,07 96

Gelet op de beoordeling die voor individuele representatieve middelen heeft plaatsgevonden op basis van het EFSA-model, behoeft op een afstand van 5 meter uit de gewaspercelen al geen rekening meer te

2 Bernsehoef 1 Kaatsheuvel, Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden, gemeente Loon op Zand, Andromi B.V., 7 februari 2022

41

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

worden gehouden met een te hoog risico op blootstelling aan drift. Op kortere afstand dienen beperkingen te worden gesteld aan regulier menselijk verblijf. Uit voorzorg, ook vanwege het aspect cumulatie, synergisme en blootstelling van kleine kinderen, wordt aanvullend geadviseerd om een vanggewas te plaatsen op alle posities waar de afstand tussen een gewasperceel en een verblijfsfunctie (buitenruimte, zoals (speel)tuin en sportveldje) minder dan 5 meter bedraagt. Aangezien in de onderhavige situatie sprake zal zijn van recreatief verblijf en geen woonsituatie (met dito kortdurend verblijf van gasten en eventuele medewerkers), kan bij wijze van alternatief voor afscherming ook worden gekozen voor een strook van 10 meter uit de grens met een gewasperceel waar beperkingen worden gesteld aan regulier menselijk verblijf (enkel gebruik voor ontsluiting en parkeren, betreding met het oog op onderhoud en instandhouding etc.). De aanwezige bedrijfswoning kan als een bestaande situatie worden beschouwd, zodat deze niet bij deze advisering is betrokken. Maatregelen binnen plangebied op basis van aanbevelingen Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat de blootstelling op een afstand van 5 meter acceptabel is.

Om te borgen dat een strook van 5 meter aan oostelijke en westelijke perceelsgrens groenvoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden als afscherming in het kader van de spuitzonering, wordt hier een groenbestemming met een breedte van 5 meter gelegd. Hiermee wordt regulier menselijk verblijf binnen deze strook voorkomen en wordt geborgd dat niet binnen een afstand van 5 meter van de perceelsgrens gebouwd wordt. De hoogte van de houtsingel bedraagt meer dan 10 meter conform de hoogte van de bestaande houtsingel). Hiermee wordt voldaan aan de eis dat de hoogte van het vanggewas in principe 1 meter hoger dient te zijn dan het behandelde gewas. Het alternatief voor het toepassen van een strook van 10 meter uit de grens waar beperkingen worden gesteld aan regulier menselijk verblijf wordt hier niet gekozen. Hiermee wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat planologisch geborgd. 5.8.2

Handreiking veehouderij en gezondheid

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1: endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De projectlocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2: emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

42

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

Stap 3b: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-yieefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling (minimaal 185 meter). Stap 4a: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij De afstand tussen het plangebied en een veehouderij met meerdere diersoorten binnen de inrichting bedraagt circa 600 meter (Heideweg 10). Stap 5: afstand tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Op een afstand van 2 kilometer van de projectlocatie is een geitenhouderij gelegen (Dreefseweg 22). Op een afstand van circa 1.860 meter is een pluimveehouderijbedrijf gelegen (Blauwloop 1). Echter, gelet op de ruime afstanden wordt niet verwacht dat er negatieve effecten bestaan vanuit de veehouderij op de ontwikkeling. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerk!ng als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: er wordt voldaan aan het stappenplan uit de Handreiking voldaan. Er hoeft geen GGD-advies te worden opgevraagd. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet.

Op een afstand van 2 kilometer van de projectlocatie is een geiten houderij gelegen op de locatie Dreefseweg 22. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.

43

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

6. Waterparagraaf 6.1

Watertoets

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt.

6.2

Beleid

Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021, Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Brabantse Delta, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: » Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); » Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Provinciaal Milieu-en Waterplan 2016-2021 Noord-Brabant Op 18 december 2015 heeft de provincie Noord-Brabant het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP geeft richtingaan het milieu- en waterbeleid van de provincie, met specifieke nadruk op een aantal thema’s, waaronder grondwaterbeheer, waterveiligheid, klimaat en gezondheid. Uitgangspunten van dit plan zijn: » balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving; » uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen, streng voor achterblijvers; » opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen; » een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, die de provincie samen met haar partners uitvoeren.

Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Baarle- Nassau. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodem beheer en vaak ook hetscheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheersplan 2016-2021, dat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn risico’s beheersen, duurzame ontwikkeling, maatschappelijk verantwoord en vernieuwend, effectief en efficiënt. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening: de Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit 44

Toelichting bestemmingsplan Bernsehoef 1, Kaatsheuvel

principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009’. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur van het waterschap Brabantse Delta van toepassing. De Keur is een waterschapsverordeningdie bepalingen bevat met betrekking tot activiteiten die gevolgen hebben voor waterhuishouding en waterbeheer. Op grond van Keur is het zonder ontheffing van het waterschap is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=2b17d6dc-11b1-460e-aaf9-4df4639175c6