13-10-2022 Bijlage 1. Toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van Natura 2000-gebieden en van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden aan kunnen tasten. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. In paragraaf 4.13 is nader ingegaan op het aspect stikstof.
30
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand Aanvullend vleermuizen onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan kon niet worden uitgesloten dat de ontwikkeling negatieve effecten op kraam- zomer- en paarverblijven van gebouwbewonende vleermuizensoorten zou hebben. Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol dat is opgesteld door Gegevensautoriteit Natuur (GAN), Netwerk Groene Bureaus (NGB) en Zoogdiervereniging uitgevoerd. Het aanvullende vleermuizen onderzoek is toegevoegd als bijlage 7. Op basis van het aanvullende vleermuizen onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een zomerverblijf of kraamplaats binnen en direct buiten het plangebied (Gasthuisstraat 125). Er gaan geen zomerverblijfplaatsen of kraamplaatsen verloren door de ingreep, ook de sloop van het bedrijfsgebouw kan zonder maatregelen doorgang vinden. Tevens zijn er geen paarverblijf of winterverblijf van vleermuizen aanwezig binnen het plangebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect flora & fauna geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan en de realisatie van het geplande woningbouwprogramma.
(ontwerp)
31
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.5
Geluid
Wegverkeer In de Wet geluidhinder (Wg) is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare belasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. 30 km/h wegen zijn in de Wg vrijgesteld van onderzoek. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB, indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag enkel worden verleend, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn ook normen opgenomen voor gezoneerde industrieterreinen en spoorwegen.
Het plangebied ligt niet binnen een gezoneerd industrieterrein en/of de buurt van een spoorweg. Voor onderhavige ontwikkeling is alleen wegverkeerslawaai relevant.
4.5.1
Doorwerking plangebied
Bij de realisatie van woningen die gelegen zijn binnen de zone van een weg (met een snelheidsregime van 50 km/h of hoger) dient overeenkomstig de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de Gasthuisstraat geldt het snelheidsregime 50 km/u, de geluidszone van deze weg valt over het plangebied. De Leo XIII-straat kent een snelheidsregime van 30 km/u en is daarmee niet als gezoneerd aangemerkt. In het kader van de Wet geluidhinder is dan ook een akoestisch onderzoek op basis van de geluidszone van de Gasthuisstraat noodzakelijk.
4.5.2
Conclusie
Nipa Milieutechniek B.V. heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in verband met een bestemmingsplanwijziging voor de realisatie van woningen aan de Prins Hendrikstraat in Kaatsheuvel (gemeente Loon op Zand). Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 8. De geluidbelastingen Lden van de gevels in het jaar 2032 zijn berekend op de geluidgevoelige gevels van de nieuwe woonbestemmingen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat op de gevels van de nieuwe woonbestemming de geluidbelasting (inclusief correctie) ten hoogste 46 dB bedraagt als gevolg van het wegverkeer op de Gasthuisstraat. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De locatie ondervindt tevens een geluidbelasting van de (niet gezoneerde) de Leo XIII straat en de Prins Hendrikstraat. Deze beide wegen worden betrokken bij het bepalen van de gecumuleerde geluidbelasting. De gecumuleerde geluidbelasting is leidend bij de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De maximale geluidbelasting bedraagt in dat geval maximaal 55 dB. Er van uitgaand dat er wordt voldaan aan de minimale eis voor de geluidwering 20 dB mag de (gecumuleerde) geluidbelasting niet hoger zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau in de geluidgevoelige vertrekken van 33 dB te voldoen. Bij een geluidbelasting van 55 dB (Prins Hendrikstraat) is een geluidwering van 22 dB benodigd.
Een moderne nieuwe standaardwoning voldoet doorgaans aan deze eis. Daarom is voor de woningen aan de Prins Hendrikstraat geen nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel noodzakelijk. De achterzijde van alle woningen zijn met een geluidbelasting van maximaal 49 dB geluidluw. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingplan, het vaststellen van hogere waarden en/of het nemen van aanvullende akoestische maatregelen is niet noodzakelijk.
32
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.6
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in figuur 11 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
vanaf 11 juni 2011
Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10 Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
(ontwerp)
33
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand 4.6.1
Doorwerking plangebied
Bij nieuwe ontwikkelingen moet het effect op de luchtkwaliteit getoetst worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een woningbouwontwikkeling van maximaal 6 grondgebonden woningen. Deze ontwikkeling valt onder de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden binnen het NIBM. Het betreft namelijk een ontwikkeling met niet meer dan 1500 woningen. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Naast de richtlijnen van het NIBM is de NSL-monitor een tool om ontwikkelingen ten opzichte van de luchtkwaliteit te toetsen. Deze tool geeft een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Op afbeelding 9 is de indicatie weergegeven. Ter plaatse van het dichtstbijzijnde meetpunt, de Europalaan, is de lucht van voldoende kwaliteit. Het meetpunt ligt langs een drukke verkeersader van Kaatsheuvel waar ook het busstation is gevestigd. Het plangebied ligt op circa 300 meter van de Europalaan, logisch beredeneerd zal de luchtkwaliteit verbeteren naar mate de afstand tot deze drukke verkeersader toeneemt. Aangenomen kan worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied minimaal dezelfde acceptabele kwaliteit heeft als ter hoogte van het meetpunt.
Afbeelding 9: Uitsnede NSL-monitoringstool, NO2-/PM10concentratie toelaatbaar (bron: nsl-monitoringstool.nl)
4.6.2
Conclusie
De ontwikkeling zelf draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden van het NIBM en de NSL-monitor die de luchtkwaliteit toetsen. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.
34
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.7
Geur
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor geurgevoelige objecten (zoals woningen) moet het geuraspect meegewogen worden. Het is niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Deze verplichting vloeit voort uit de jurisprudentie over een goed woon- en leefklimaat (ABRvS 24 oktober 2007, nr. 200604926/1). Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) zijn de volgende vragen relevant: 1. Is ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) 2. Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen bedrijf en omgeving). Wat precies het belang geurgevoelig object is hangt af van welke definitie van toepassing is. Het Activiteitenbesluit kent twee verschillende definities: geurgevoelig object en gevoelige gebouwen. Binnen de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) worden geurgevoelige objecten, zoals woningen, tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen beschermd. Zowel het belang van de omliggende agrarische bedrijven als de nieuw woonbestemming mag niet onevenredig geschaad worden. Het is in principe niet mogelijk om de realisatie van geurgevoelige objecten in een geurcontour mogelijk te maken.
Voor het maken van uitzondering moeten zeer zwaarwegende belangen aan de orde zijn.
4.7.1
Doorwerking plangebied
Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied van de Kaatsheuvel op aanzienlijke afstand van eventuele geurcontouren behorende bij (agrarische) bedrijvigheid. Op basis van bureauonderzoek kan gesteld worden dat er geen geurcontouren van (agrarische) bedrijven tot over het plangebied reiken.
4.7.2
Conclusie
Op basis van de vigerende beheersverordening 'woongebieden Kaatsheuvel' op ruimtelijke plannen is geconcludeerd dat de geurcontouren van op afstand liggende bedrijven geen invloed hebben op het plangebied. Geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Aanvullend onderzoek naar het aspect geurhinder is niet noodzakelijk.
(ontwerp)
35
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.8
Bedrijven- en milieuzonering
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies, zoals wonen. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling passend is. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 2: richtafstandentabel VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering
4.8.1
Doorwerking plangebied
Om de mogelijke invloed van de omliggende bedrijven op het plangebied (en vice versa) te berekenen, wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden tabel van de VNG-brochure. Het plangebied ligt in het zuidoosten van Kaatsheuvel. Het plangebied kan gekenmerkt worden als een gemengd gebied. In de nabije omgeving van het plangebied zijn naast de bestemming 'Wonen' ook de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Horeca' aanwezig. Bovendien is de Gasthuisstraat een lokale ontsluitingsweg die druk is, waardoor de omgeving als gemengd gebied kan worden aangeduid. Binnen de vigerende beheersverordening 'Woongebieden Kaatsheuvel' zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 mogelijk in Kaatsheuvel. Categorie 3.1 bedrijven worden met een speciale aanduiding weergegeven op de verbeelding. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven met milieucategorie 3.1 aanwezig die invloed hebben op het plangebied. Op de nabij gelegen gronden met een bedrijfsbestemming zijn alleen bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een minimale afstand van 10 meter vanaf de perceelsgrens. Alle nabij gelegen bedrijfsbestemmingen liggen op een grotere afstand waardoor er geen belemmeringen optreden. Onderstaande tabel en afbeelding geven de bedrijfs - horeca bestemmingen nabij het plangebied weer.
De overige bedrijven zijn aan - huis - gebonden bedrijven en zijn per definitie mengbaar met de functie 'wonen'.
36
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
Afbeelding 10: uitsnede vigerend bestemmingsplan Bedrijf
Categorie
Minimale afstand Feitelijke afstand (afgerond) 'gemengd gebied'
A: Cafetaria Happy Days
2
10
60 meter
B: Hotel de Kroon
2
10
80 meter
C: Restaurant/hotel 'de Lakei'
2
10
40 meter
4.8.2
Conclusie
De ontwikkeling van 6 grondgebonden woningen in Kaatsheuvel aan de Prins Hendrikstraat voldoet aan de richtafstandentabel van de VNG. De aanwezige bedrijven in de omgeving liggen allen op ruim voldoende afstand van het plangebied. Bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
(ontwerp)
37
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.9
Kabels en leidingen
Het kan voorkomen dat er in of nabij het plangebied planologische relevante kabels en/of leidingen liggen. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Als dergelijke leidingen in of vlakbij het plangebied voorkomen worden deze als zodanig bestemd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. 4.9.1
Doorwerking plangebied
De beheersverordening 'Woongebieden Kaatsheuvel' heeft een paragraaf over gasleidingen, straalpaden en kabels in de dorpskern. Op de verbeelding van de beheersverordening zijn de locaties van de gasleidingen, straalpaden en kabels weergegeven. Op basis van deze verbeelding is geconstateerd het plangebied niet in de invloedsfeer valt van de gasleidingen, straalpaden en kabels.
4.9.2
Conclusie
Op basis van het vigerende bestemmingsplan kan geconcludeerd worden er in of nabij het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen voorkomen. Er is geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
38
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.
Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'
(ontwerp)
39
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand 4.10.1 Doorwerking plangebied Plaatsgebonden risico Om het plaatsgebonden risico te beschouwen is de risicokaart geraadpleegd. Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden er geen risicocontour tot over het plangebied reikt. De hieronder genoemde letters corresponderen met afbeelding 11. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat een aanvullende verantwoording ten aanzien van het plaatsgebonden risico niet noodzakelijk is. Bedrijven a. Enexis Kaatsheuvel op 1260 meter afstand; b. Service station Beerens B.V. op 1230 meter afstand; c. Sprang A (ontwateringsinstallatie) op 1560 meter afstand; d. Shell Hanex Kaatsheuvel op 1000 meter; e. Droomgaard (kampeerterrein) op 1260 meter afstand; f. Camping Duinluist op 1630 meter afstand; g. Attractiepark de Efteling op 820 meter afstand; Vervoer gevaarlijke stoffen h. Veiligheidscontour N261 op circa 750 meter afstand; i. I&M transport, vervoer via leidingen op circa 750 meter. j. Europalaan, vervoer via weg op circa 285 meter. k. Van Heeswijkstraat, vervoer via weg op circa 110 meter.
Afbeelding 11: Uitsnede risicokaart, omgeving plangebied groen omringd weergegeven (bron: www.risicokaart.nl)
40
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand Groepsrisico Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk vanwege vervoer van gevaarlijke stoffen over de Van Heeswijkstraat, op circa 110 meter afstand van het plangebied. Op basis van de risicokaart blijkt dat de locatie ligt in het gebied waarvoor de standaardverantwoording van het groepsrisico geldt. De verantwoordingsplicht van het GR houdt in dat naast een rekenkundige beoordeling van de hoogte en toename van het GR ook een beoordeling moet plaatsvinden naar de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ bij een incident. Deze beoordeling is noodzakelijk indien de locatie in het verantwoordingsgebied van een transportroute is gelegen. Verantwoordingsplicht zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het vermogen van de burger om zichzelf of andere burgers in veiligheid te brengen zonder tussenkomst van professionele hulpverleners bij de dreiging van, of het optreden van, een gevaarlijke situatie. Hierbij spelen o.a. de fysieke gesteldheid van de aanwezige personen, de beschikbare vluchtmogelijkheden en de mogelijkheden tot tijdig waarschuwen een belangrijke rol. De nieuwe woningen zijn geen functie die specifiek bedoeld is voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen.
Dit betekent dat de toekomstige bewoners van de woningen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Verantwoordingsplicht bestrijdbaarheid In de verantwoordingsplicht moet met name aandacht worden besteed aan de benodigde en aanwezige hulpverleningscapaciteit, de inzet van blusmiddelen, bereikbaarheid e.d. Het brandweeradvies is hierbij een belangrijke informatiebron. In het kader van het vooroverleg is advies gevraagd aan de brandweer Midden en West Brabant. De brandweer heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling en dat er geen bijzondere aandachtspunten zijn.
4.10.2 Conclusie Vanwege het realiseren van 6 woningen binnen het plangebied neemt de populatie in de dagperiode af, maar neemt het aantal personen in de nachtperiode toe. Het is aannemelijk dat de functiewijziging van bedrijfsbestemming naar woonbestemming leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen binnen het plangebied. Aangezien door de realisatie van 6 grondgebonden woningen in het plangebied de populatie beperkt toeneemt ten opzichte van de huidige bedrijfssituatie, wordt geen significante toename van het groepsrisico verwacht waardoor het groepsrisico hoger wordt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het voorontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voor vooroverleg toegestuurd aan de brandweer en de veiligheidsregio. Beide partijen hebben aangegeven geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling te hebben. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan
(ontwerp)
41
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.11
Water
4.11.1 Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert in het nieuwe NWP het waterbeleid op een aantal terreinen. 1. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015 en opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021; 2. Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma).
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP en de betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; 3. Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM) Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
4.11.2 Brabantse Delta Waterbeheerplan Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
42
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.
Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader hebben waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken. De stelregel is dat voor een toename van het verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 is vanuit het waterschap geen retentie vereist.
4.11.3 Gemeentelijk waterbeleid Het beleid van de gemeente Loon op Zand met betrekking tot water en riolering is opgenomen in in het 'Programma Water en Riolering 2021-2024' (PWR) welke sinds 8 september 2020 van kracht is. De gemeente geeft met de PWR invulling aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater. De gemeente heeft een viertal speerpunten opgesteld om te kunnen voldoen aan deze wettelijke zorgplicht: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem. 2. Werken volgens duurzame en levenscyclusgerichte principes. 3. Integraal werken. 4. Samenwerken met inwoners en ondernemers Elk ruimtelijke plan binnen de gemeente dient bij te dragen aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de PWR. Voorliggend plan heeft betrekking op de sloop van bestaande bebouwing (en verharding) voor de bouw van in totaal 6 woningen inclusief bijbehorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen en tuinen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de oppervlakte van de verharding niet toe, er is sprake van een afname. Wanneer sprake is van een afname van verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. De nieuwe woningen dienen wel te voldoen aan de beleidsregels uit de PWR. Conform de PWR zullen de woningen voorzien worden van een gescheiden rioolstelsel en zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende bouwmaterialen.
De functieverandering leidt niet tot een onevenredige toename van afvalwater welke invloed heeft op het bestaande rioolstelsel.
(ontwerp)
43
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand 4.11.4 Doorwerking plangebied Het Nationaal Waterplan streeft naar het voorkomen van wateroverlast, droogte en het bereiken van goede waterkwaliteiten. Het plangebied is gelegen in het centrum van een dorpskern. Waterhuishouding binnen de dorpskern Kaatsheuvel is voornamelijk interessant in het kader van droogte, grondwaterstand en hemelwater. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Loon op Zand. Doelstellingen die van toepassing zijn op het plangebied hebben veelal te maken met het behoud of herstel van 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Technische uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in De Keur. De Watertoets van het Waterschap Brabantse-Delta heeft met betrekking tot dit plan dezelfde uitgangspunten. Het rijks- en provinciaalbeleid geeft aan dat het wordt gewaardeerd wanneer infiltreren, bergen, afvoeren wordt toegepast bij een ontwikkeling onder de 2000 m², het is echter geen vereiste. Voor ontwikkelingen onder de 2000 m2 is ook geen watercompensatie vereist. Het gemeentelijk beleid hanteert het principe “tegel-eruit-plantje-erin”.
In hoofpunten houdt het beleid van de gemeente het volgende in: het beperken van de hoeveelheid ingezameld water, het scheiden van schone en vuile waterstromen, het verwerken ingezameld hemelwater, het afvoeren indien nodig, het beperken van risico's tijdens extreme neerslag en aansluiting bij de doelstelling “filtreren, bergen, vasthouden”.
4.11.5 Conclusie Met de beoogde ontwikkeling neemt het verharde oppervlak binnen het plangebied af. De sloop van het oude bedrijfsgebouw maakt de ruimte vrij voor de realisatie van 6 grondgebonden woningen. De nieuwe woningen hebben een kleiner oppervlak dan de bestaande bebouwing en de nieuwe tuinen zorgen ervoor dat water makkelijker de grond kan infiltreren. Ook indien de toekomstige bewoners een deel van hun tuin verharden zal er per saldo nog altijd sprake zijn van een verbetering ten opzichte van de voorgaande situatie. Om onnodige watervervuiling te voorkomen wordt hemel- en rioolwater separaat afgevoerd, de nieuw te realiseren woningen dienen te worden aangesloten op dit separate riool. Op deze wijze wordt ook voldaan aan de PWR van de gemeente Loon op Zand. Vooroverleg Waterschap Brabantse Delta Het voorontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voor vooroverleg toegestuurd aan het Waterschap Brabantse Delta. Het Waterschap heeft aangegeven dat er met de ontwikkeling geen waterschapsbelangen geschaad worden en de ontwikkeling in overeenstemming is met het Waterschapsbeleid. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming het aspect water uitgevoerd kan worden. De waterhuishouding vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
44
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.12
Verkeer en parkeren
In juni 2016 is door de gemeente Loon op Zand het parkeerbeleidsplan vastgesteld. Binnen dit plan worden de parkeernormen voor de verschillende functies binnen de gemeente weergegeven. De verkeersgeneratiecijfers staan hier niet in, daarvoor is uitgeweken naar CROW-uitgave 'kencijfer parkeren en verkeersgeneratie' publicatie 317. De kencijfers zijn juridisch geaccepteerd en vinden de oorsprong uit onderzoek gebaseerd op literatuur en praktijkervaringen van gemeenten.
4.12.1 Verkeersgeneratie Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Kaatsheuvel, dit wordt in het parkeerbeleidsplan aangeduid als: 'de rest van de bebouwde kom van Loon op Zand en Kaatsheuvel.' Op basis van demografische kencijfers van het CBS heeft de gemeente Loon op Zand een omgevingsadressendichtheid van 1.027. Daarmee valt de gemeente Loon op Zand binnen de categorie van matig stedelijk. Om de impact van de voorgestelde ontwikkeling in te schatten worden de huidige en toekomstige situatie met elkaar vergeleken Huidige situatie Binnen het plangebied is het bedrijfsgebouw aan de Prins Hendrikstraat 6 aanwezig. Het bestaande bedrijfspand kan gecategoriseerd worden als een arbeidsintensief bedrijfspand, dit houdt in dat de verkeersgeneratie minimaal 9,1 en maximaal 10,9 is per 100 m² BVO. Het totale bedrijfspand heeft een oppervlakte van circa 550 m2 BVO. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergegeven voor de huidige situatie binnen het plangebied. Functie
Bedrijfsintensief
Eenheid
Aantal
Min.
Max.
9,1
10,7
5,5
verkeersgeneratie Min.
Max.
50,05
58,85
Tabel 3 Verkeersgeneratie huidige situatie plangebied (bron: CROW) In de huidige situatie is de invloed van het plangebied op de totale verkeersgeneratie van Kaatsheuvel minimaal 50,05 en maximaal 58,85.
Toekomstige situatie De toekomstige situatie bestaat uit zes woningen aan de Prins Hendrikstraat. Het gehele plangebied krijgt daarmee een woonfunctie. De nieuwe woningen krijgen een oppervlak tussen de 50 en 90 m² GBO. Voor de CROW-kencijfers wordt derhalve uitgegaan van tussen/hoek woningen.
Functie
Tussen/hoek woning
Eenheid
Aantal
Min.
Max.
7,0
7,8
6
verkeersgeneratie Min.
Max.
42
46,8
Tabel 4: Verkeersgeneratie toekomstige situatie plangebied (bron: CROW) In de toekomstige situatie is de invloed van het plangebied op de totale verkeersgeneratie van Kaatsheuvel minimaal 42 maximaal 46,8 Conclusie verkeersgeneratie Op basis van bovenstaand bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie vanwege de beoogde ontwikkeling licht zal dalen. Vanwege het wegbestemmen van de bedrijfsbestemming zal zwaar bedrijfsverkeer afnemen en plaatsmaken voor personenauto's. Geconcludeerd wordt dat het bestaande verkeersnetwerk de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie kan dragen.
(ontwerp)
45
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand 4.12.2 Parkeren Voor het berekenen van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft de gemeente Loon op Zand in 2016 een parkeerbeleidsplan vastgesteld. Het parkeerbeleidsplan gaat uit van een functie, omvang en parkeernorm voor het maken van de berekening. Toekomstige situatie Aan de Prins Hendrikstraat worden 6 woningen gerealiseerd met een gebruiksoppervlakte van circa 75-90 m², in de parkeerbeleidsnota wordt dit getypeerd als kleine woning 1. Voor het woningtype kleine woning geldt voor de planlocatie de parkeernorm 1,4 voor bewoners en 0,3 voor bezoekers. Afgerond komt het totaal aantal noodzakelijk parkeerplaatsen op 10.
Functie
Kleine woning 1
Eenheid
Aantal
bewoner
bezoeker
1,4
0,3
6
Parkeerplaatsen bewoner
bezoeker
Totaal
8,4
1,8
10,2
Tabel 5 Benodigd aantal parkeerplaatsen toekomstige situatie. Conclusie parkeren In de toekomstige situatie bedraagt de totale behoefte aan parkeerplaatsen 10. Er worden 11 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de Prins Hendrikstraat, dat is voldoende voor zowel bewoners als bezoek voor de woningen aan de Prins Hendrikstraat. De extra parkeerplaats komt ten goede aan de gehele wijk. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer- en parkeren geen belemmeringen vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.13
Stikstofemissie
Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator (d.d. 13 januari 2022) kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de realisatiefase als de gebruiksfase doorgerekend te worden.
4.13.1 Doorwerking plangebied & conclusie Het plangebied ligt op circa 900 meter van het dichtstbijzijnde Natura - 2000 gebied en het Nationale Park 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Dit Natura - 2000 gebied is aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Om de eventuele stikstofdepositie in kaart te kunnen brengen is een Aerius berekening uitgevoerd. De Aerius - berekening is toegevoegd als bijlage 9 aan de toelichting. In dit onderzoek is voor het gebruik van 6 woningen aan de Prins Hendrikstraat te Kaatsheuvel de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. In gebruiksfase treedt op de meest nabijgelegen Natura2000-gebieden geen stikstofdepositie op groter dan 0,00 mol/ha/jr. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wnb voor het aspect stikstofdepositie niet nodig. Op grond van de depositie van stikstof is er dan geen belemmering om voorliggend bestemmingsplan vast te stellen.
46
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.14
Gezondheid
In Noord-Brabant en Noord-Limburg wonen veel mensen in de buurt van één of meerdere veehouderijen. Sommige mensen vragen zich af of het ongezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen. Daarom is een grootschalig onderzoek gedaan naar de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. In 2016 verscheen het rapport 'Veehouderij en gezondheid omwonenden'. In 2017 is er een tweede rapport 'Veehouderij en gezondheid omwonenden - aanvullende analyses' gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Het belangrijkste resultaat: Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor. Gemiddeld zijn er elk jaar 1650 mensen met een longontsteking op 100.000 inwoners. Daarvan worden ruim 200 longontstekingen veroorzaakt door het wonen in de buurt van een pluimveehouderij of geitenhouderij. Bij pluimvee wordt dit waarschijnlijk veroorzaakt door fijnstof en endotoxinen. Bij geiten is de oorzaak onbekend, maar Q-koorts is uitgesloten. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak, beschouwt de GGD vanuit gezondheidsperspectief de afstand tot geitenhouderijen van 2 kilometer als kritisch. Bovendien heeft de Provinciale Staten van Noord - Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan.
Het doel van deze maatregel is voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan.
Doorwerking plangebied Voor woningbouwprojecten in Loon op Zand heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant in samenwerking met de GGD een onderzoek gedaan naar diverse milieufactoren. Hierbij is ook gekeken naar de invloed van de geitenhouderijen in de buurt. Op basis van de kritische afstand van de 2 kilometer, opgesteld door de GGD, liggen geen geitenhouderijen binnen het invloedsgebied van het plangebied. De geitenhouderij aan de Dreefseweg ligt op een grote afstand dan 2 km van het plangebied. Om deze reden is een GGD advies niet noodzakelijk voor het plangebied.
Afbeelding 12. Afstand plangebied tot dichtstbijzijnde geitenhouderij 2,4 km. Conclusie Het impact van de geitenhouderij heeft geen negatieve invloed op het plangebied en vormt geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening.
(ontwerp)
47
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
4.15
Vormvrije m.e.r. - beoordelingen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
4.15.1 Doorwerking plangebied Uit het Besluit m.e.r. volgt dat een m.e.r.-beoordeling verplicht is voor de vaststelling van een bestemmingsplan voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met een oppervlakte van 100 ha of meer en/of een aaneengesloten gebied van 2.000 woningen of meer en/of een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer (Besluit m.e.r., onderdeel D, categorie 11.2). Omdat de beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 6 woningen met een omvang van 0,08 hectare grondoppervlak is op basis hiervan géén m.e.r.-beoordeling nodig. Wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden geldt in principe dat een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht volstaat. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de afdeling) heeft meermaals geoordeeld (ECLI:NL:RVS:2020:100) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de specifieke ontwikkeling. Aspecten als de aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij leidend. Naar het oordeel van de Afdeling kon de ontwikkeling van de twaalf vrijstaande woningen niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
De Afdeling besloot dat indien er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling er tevens geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. In voornoemde uitspraak ging het om de realisatie van 12 vrijstaande woningen, daarmee is de uitspraak van toepassing voor de realisatie van 6 woningen die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. 4.15.2 Conclusie Op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat er bij 6 woningen geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en dat een m.e.r. beoordeling achterwege kan blijven voor voorliggend bestemmingsplan.
48
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische en bestuurlijke aspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012 Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de vigerende bestemmingen en regels, zoals omschreven in paragraaf 5.3 Systematiek.
5.2
Opbouw van regels
De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken met een of meer artikelen: Hoofdstuk 1: 'Inleidende regels' bevat de begripsbepalingen (artikel 1) en een bepaling over de wijze van meten (artikel 2). De begripsbepalingen zijn in alfabetische volgorde opgesomd en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels' bevat de bestemmingen. Elk artikel heeft een vaste opbouw. Eerst wordt een bestemmingsomschrijving gegeven, vervolgens de bouwregels, gebruiksregels, eventuele nadere eisen en eventuele mogelijkheden voor afwijking van de bouwregels danwel gebruiksregels. In een aantal artikelen is als laatste een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden als eis opgelegd. Hoofdstuk 3: 'Algemene regels' bevat regels die algemeen gelden en die vanwege de algemeenheid gegroepeerd zijn. Hoofdstuk 4: 'Overgangs- en slotregels' omvat de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan. Deze zijn opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening 2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan.
(ontwerp)
49
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
5.3
Systematiek
Onderhavig bestemmingsplan kent de volgende regels: 5.3.1
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn
Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan 5.3.2
Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. In voorliggend bestemmingsplan komen twee enkelbestemmingen voor: Verkeer en Wonen. Beide enkelbestemmingen worden in paragraaf 5.4 nader toegelicht. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit (niet alle hierna genoemde onderdelen komen binnen elke bestemming voor): Bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle (hoofd)gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hierin vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding. Nadere eisen Deze regel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij vergunningverlening nadere eisen te stellen. Alleen daar waar het wenselijk is om bij de vergunningverlening sturend te kunnen optreden, heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen toegevoegde waarde. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming.
Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Daarnaast zijn voor wat betreft de bestemming ‘Wonen’ nadere regels opgenomen in verband met de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep. Afwijken van de gebruiksregels In dit onderdeel wordt een opsomming gegeven van de gebruiksregels waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. Dit betreft een regeling voor aan-huis-gebonden bedrijven. Deze bevoegdheid wordt objectief begrensd en bevat duidelijke criteria.
50
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In de dubbelbestemmingen is een omgevingsvergunning regeling opgenomen voor de gronden gelegen binnen de beschermingszone van bepaalde waarden. Hierin worden bepaalde werken en/of werkzaamheden vergunningplichtig gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht gelden enkele nadere voorwaarden.
5.3.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene gebruiksregels Dit artikel beschrijft de algemene gebruiksregels. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In dit artikel is benoemd welk gebruik in ieder geval als met het plan strijdig gebruik wordt beschouwd. Daarnaast zijn in dit artikel gebruiksregels opgenomen voor wat betreft het parkeren. Daarbij dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
5.3.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
(ontwerp)
51
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
5.4
Systematiek per bestemming
Artikel 3
Verkeer
De beoogde parkeervoorzieningen, paden, toegangswegen en direct aangrenzende groenstroken zijn in dit bestemmingsplan bestemd als ‘Verkeer’. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor wegen, voet- en fietspaden, verblijfsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Alleen gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter en een (per gebouw) maximaal oppervlak van 15 m2 . Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 2 meter. Alleen voor geluidwerende voorzieningen, 4 meter, en verlichtingsarmaturen, 10 meter, gelden afwijkende maximale bouwhoogtes.
Artikel 4
Wonen
De regels horende bij de enkelbestemming 'Wonen' zijn opgesteld voor ten behoeve van het oprichten 6 woningen aan Prins Hendrikstraat. De bestemming biedt ruimte voor de realisatie van 6 woningen aan de Prins Hendrikstraat met een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 10 meter. Binnen de enkelbestemming wordt met aanduidingen in de verbeelding onderscheid gemaakt tussen de verschillende woning typologieën in het plangebied. Het bestemmingsplan voorziet tevens in binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om een hogere goothoogte (in verband met de realisatie van dakopbouwen) mogelijk te maken. Aan deze afwijkingsmogelijkheden zijn regels verbonden.
52
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Bro is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. Het voorliggende bestemmingsplan beoogt een juridisch-planologische regeling vast te leggen, die het verwezenlijken van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd.
Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om binnen het plangebied 6 nieuwbouwwoningen te realiseren. Er wordt geen grondexploitatieovereenkomst opgesteld. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Loon op Zand en de initiatiefnemer, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
(ontwerp)
53
Ontwerpbestemmingsplan Prins Hendrikstraat 6 Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand
Hoofdstuk 7
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld. Dit bestemmingsplan is tot stand gekomen met de betrokkenheid van andere partijen. Er is overleg gepleegd met betrokken overheden en partijen in het kader van artikel 3.1.1 van de Bro. De resultaten van dit overleg worden in dit hoofdstuk toegelicht. Ook volgt in dit hoofdstuk een overzicht van eventuele zienswijzen. Daarnaast ligt het de (mogelijke) ambtshalve wijzigingen toe.
7.1
Overleg met betrokken overheden en andere partijen
De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Algemene wet Bestuursrecht (AwB). Voor het opstellen van een ontwerpbestemmingsplan verricht de gemeente onderzoek naar de bestaande toestand en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Het (voor)ontwerpbestemmingsplan is besproken met en/of toegezonden aan de relevante overlegpartners, conform de verplichting zoals opgenomen in artikel 3.1.1 Bro. In bijlage 10 is de zogenaamde Nota Vooroverleg toegevoegd. In het kader van burgerparticipatie is de inspraakverordening van de gemeente Loon op Zand leidend. De omgevingsdialoog is een belangrijk onderdeel om een ruimtelijk plan in samenwerking met de omgeving tot stand te laten komen. Met deze omgevingsdialoog informeren ontwikkelaars de omwonenden en andere belanghebbenden over het plan en kunnen deze hierover van gedachten wisselen. Mogelijk knelpunten zijn in een vroeg stadium aangekaart. De omgevingsdialoog is voorafgaand aan de procedure gevoerd. In paragraaf 7.2 is een samenvatting van de omgevingsdialoog opgenomen.
7.2
Burgerparticipatie
De initiatiefnemer heeft de omgeving op verschillende manieren laten participeren bij de totstandkoming van het voorontwerpbestemmingsplan en het bouwplan. In maart 2019 heeft initiatiefnemer Proudly Present B.V. een voorlichtingsavond georganiseerd om het conceptplan te presenteren aan de direct omwonenden van het plangebied. Na afloop heeft de initiatiefnemer een verslag gemaakt en met de omwonenden afgesproken met elkaar in gesprek te blijven. Het verslag van de inspreekavond is toegevoegd als bijlage 2. In oktober/december 2019 hebben er 4 aanvullende individuele gesprekken plaatsgevonden met direct omwonenden. Er is gekozen voor deze opzet omdat deze direct omwonenden de voornaamste belanghebbenden zijn in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Vanwege de landelijke Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) wordt hier in voorliggend (openbaar beschikbare) bestemmingsplan niet nader op ingegaan. In aansluiting hierop heeft de initiatiefnemer op 27 augustus 2020 een inloopavond georganiseerd bij 'Bij Anton' aan het Anton Pieckplein te Kaatsheuvel. Doel van deze bijeenkomst was om omwonenden te informeren over het concept voorontwerpbestemmingsplan, vragen te beantwoorden en input van bewoners op te halen voor het voorontwerpbestemmingsplan. De omwonenden zijn middels een individuele brief circa 2 weken voorafgaand aan de inloopavond geïnformeerd.