11-07-2022 Bijlage 4. Bijlagen bij de toelichting vast te stellen bestemmingsplan SalmRijck te Loon op Zand.pdf
Tekst van het document
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) voor een onderzoekslocatie van maximaal 9.000 m2. Voor de ondergrond wordt uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL; 9.000 m2). In aanvulling op de verdachte strategie VED-HE-NL uit de NEN 5740/A1 worden 16 extra boringen geplaatst (0,5 en 2,0 m-mv) in verband met de diverse deelgebieden, in combinatie met het aanvullend onderzoek naar asbest bij de (verharde) druppelzones. Hiervoor zijn tevens 4 extra grondanalyses op een standaard NEN-pakket opgenomen. De teeltlaag van de onderzoekslocatie wordt aanvullend geanalyseerd op OCB, waarbij rekening wordt gehouden met de situering van de volkstuinen. Alle NEN-grond- en grondwateranalyses worden aanvullend geanalyseerd op arseen en chroom in verband met de leerlooierijenindustrie in Loon op Zand.
Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt in eerste instantie uitgegaan van de NEN 5707:2015/C2:2017 (asbest in bodem) voor een diffuse locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging met een oppervlakte van maximaal 9.000 m2. Ter plaatse van de diverse (verharde) druppelzones wordt uitgegaan van de NEN 5707/C2 (asbest in bodem) voor een verdachte locatie met een duidelijke verontreinigingskern (VEP), waardoor diverse aanvullende proefgaten en asbestanalyses zijn opgenomen bij de betreffende schuurtjes. Ten behoeve van het uitgebreide onderzoek naar asbest worden in totaal 39 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv middels een Edelmanboor met brede diameter (gecombineerd met het verkennend onderzoek). Hierdoor zijn ruim voldoende proefgaten opgenomen, waardoor bij de situering van de proefgaten rekening kan worden gehouden met de (voormalige) asbestverdachte dakbedekkingen, afwatering op de aanwezige verharding, eventueel aangetroffen asbestverdachte materialen op maaiveld en de waarnemingen uit het verkennend bodemonderzoek. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd.
Minimaal 13 mengmonsters van de meest verdachte grondlagen, waarvan 9 voor de grondlagen in de directe omgeving van de (voormalige) asbesthoudende dakbedekking en 4 voor de overige grond op de locatie, worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN 5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. De werkzaamheden van het verkennend onderzoek naar asbest worden zoveel als mogelijk gecombineerd uitgevoerd met de werkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
10
6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6) en protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). Aangezien het grondwater zich dieper dan 5,0 m-mv bevindt, is grondwateronderzoek conform NEN 5740/A1 niet noodzakelijk. In plaats hiervan zijn de boringen B04 en B33 doorgezet tot 5,5 m-mv. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde/opgegraven grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 31 mei 2021 1 en 2 juni 2021
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal De heer J.B. Koppelman
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie, conform de onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek, zijn in totaal 39 boringen (B01 t/m B39) geplaatst. Bij de situering van de boringen is daarnaast rekening gehouden met de bebouwing, de volkstuinen en de overige locatie. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen tot circa 0,5 m-mv B01 t/m B03, B05 t/m B12, B14 t/m B21, B23 t/m B28, B30, B32, B34, B35, B37 t/m B39
Boringen Boringen tot circa 2,0 m-mv B13, B22, B29, B31, B36
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
Boringen tot circa 5,5 m-mv B04, B33
11 Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is op de locatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie deels bedekt is met verhardingen en vegetatie (circa 60 %). Desondanks heeft efficiënte maaiveldinspectie ( > 25 % zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 39 proefgaten (B01 t/m B39) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. De proefgaten zijn verspreid over de onderzoekslocatie, rekening houdend met diverse deellocaties en de afwatering van de asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot die afwateren op verharding. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm) aangetroffen. In het veld zijn 13 grondmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Hierbij is rekening gehouden met de diverse deellocaties en de afwatering van de asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot, die afwateren op verharding.
Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De situatieschets met de geplaatste boringenen gegraven proefgaten is opgenomen als bijlage 2. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen als bijlage 6.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
12
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.2.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een verkennend bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
13 Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020), worden gehanteerd. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.
Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
14
8.
RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot circa 1,0 mmv uit matig fijn, zwak siltig, matig humeus zand. Vanaf 1,0 m-mv tot aan de maximale boordiepte van 5,5 m-mv bestaat de bodem uit matig fijn, zwak siltig zand. Lokaal is een sterk zandige leemlaag aanwezig van 2,8 m-mv tot 3,0 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn in alle boringen/proefgaten bijmengingen met sporen baksteen waargenomen. De zintuiglijke waarnemingen zijn vermeld in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring
Proefgat
Diepte boring (m -mv) 0,50 0,50 0,50 5,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 2,00 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 2,00 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 2,00 0,50 2,00 0,50 5,50 0,50 0,50 2,00 0,50 0,50 0,50
Traject (m -mv) 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,30 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 1,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,20 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 1,00 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,30 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50
B01 Ja B02 Ja B03 Ja B04 Ja B05 Ja B06 Ja B07 Ja B08 Ja B09 Ja B10 Ja B11 Ja B12 Ja B13 Ja B14 Ja B15 Ja B16 Ja B17 Ja B18 Ja B19 Ja B20 Ja B21 Ja B22 Ja B23 Ja B24 Ja B25 Ja B26 Ja B27 Ja B28 Ja B29 Ja B30 Ja B31 Ja B32 Ja B33 Ja B34 Ja B35 Ja B36 Ja B37 Ja B38 Ja B39 Ja Toelichting bij de tabel: Sporen < 1 % bodemvreemd materiaal;
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand
Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend Sporen baksteenhoudend
Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm aangetroffen of overige waarnemingen (zoals puinbijmengingen, slib en/of olie-water reacties) gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
15
8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en de maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13473689
Monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MM04
Individuele PCB
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot
Aangezien de som parameter voor PCB de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Grond Op basis van de onderzoeksopzet, de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden en de bekende gegevens zijn diverse grondmengmonsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. De mengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen MM02
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM03
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM04
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM05
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM06
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM07
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
MM08
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
Boringen (traject in m -mv)
Analysepakket > AW < I
Resultaten >I
B02 (0,05 - 0,50) B03 (0,05 - 0,50) B06 (0,05 - 0,50) B08 (0,05 - 0,50) B11 (0,05 - 0,50) B12 (0,05 - 0,50) B14 (0,05 - 0,50) B16 (0,05 - 0,50) B21 (0,05 - 0,50) B23 (0,05 - 0,50) B26 (0,00 - 0,50) B27 (0,00 - 0,50) B31 (0,00 - 0,50) B32 (0,00 - 0,50) B34 (0,00 - 0,50) B36 (0,00 - 0,50) B30 (0,00 - 0,50) B33 (0,00 - 0,50) B35 (0,05 - 0,50) B37 (0,00 - 0,50) B01 (0,05 - 0,50) B09 (0,05 - 0,50) B38 (0,05 - 0,50) B39 (0,05 - 0,50) B10 (0,05 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B17 (0,20 - 0,50) B19 (0,05 - 0,50) B24 (0,05 - 0,50) B25 (0,05 - 0,50) B28 (0,05 - 0,50) B29 (0,10 - 0,30)
NEN, As, Cr
Cd, PAK
-
NEN, As, Cr
-
-
NEN, As, Cr
Pb, PAK
-
NEN, As, Cr
Hg, Pb, PAK
-
NEN, As, Cr
Hg, Pb, PAK
-
NEN, As, Cr
-
-
NEN, As, Cr
Pb
-
NEN, As, Cr
PAK
-
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
16 Vervolg tabel 8.3: Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving monster Algemene kwaliteit MM09 Ondergrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen MM10
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
(Vermoedelijke) teeltlaag MMOCB01 Vermoedelijke teeltlaag, zand Zintuiglijk: sporen baksteen (moestuinen) MMOCB02
Vermoedelijke teeltlaag, zand Zintuiglijk: sporen baksteen (moestuinen)
MMOCB03
Vermoedelijke teeltlaag, zand Zintuiglijk: sporen baksteen (overige locatie) Vermoedelijke teeltlaag, zand Zintuiglijk: sporen baksteen (overige locatie)
MMOCB04
Boringen (traject in m -mv)
Analysepakket
B13 (0,50 - 1,00) B13 (1,00 - 1,50) B22 (0,50 - 1,00) B04 (0,50 - 1,00) B29 (1,50 - 2,00) B31 (1,00 - 1,50) B31 (1,50 - 2,00) B33 (0,80 - 1,30) B33 (1,50 - 2,00) B36 (0,80 - 1,30) B36 (1,50 - 2,00)
NEN, As, Cr
Pb
-
NEN, As, Cr
-
-
B30 (0,00 - 0,30) B31 (0,00 - 0,30) B32 (0,00 - 0,30) B33 (0,00 - 0,30) B34 (0,00 - 0,30) B35 (0,05 - 0,35) B36 (0,00 - 0,30) B37 (0,00 - 0,30) B22 (0,05 - 0,35) B23 (0,05 - 0,35) B26 (0,00 - 0,30) B15 (0,00 - 0,30) B16 (0,05 - 0,35) B38 (0,05 - 0,35) B39 (0,05 - 0,35)
OCB
-
-
OCB
HCB
-
OCB
-
-
OCB
-
-
> AW < I
Resultaten >I
Toelichting bij tabel 8.3: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); OCB Organochloor bestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); As Arseen; Cr Chroom; AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.
PFAS Aanvullend zijn mengmonsters geanalyseerd op PFAS. De grondmengmonsters met bijbehorende analyses en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4 Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster
Omschrijving
Boring (traject in m -mv)
Analysepakket
MMPFAS01
Grond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
PFAS
MMPFAS02
Grond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen
B04 (0,30 - 0,50) B13 (0,50 - 1,00) B22 (0,50 - 1,00) B39 (0,05 - 0,50) B24 (0,05 - 0,50) B28 (0,05 - 0,50) B33 (0,00 - 0,50) B35 (0,05 - 0,50)
Resultaten* > landbouw/natuur > Wonen/industrie (> AW) -
PFAS
-
-
Toelichting bij tabel 8.4: PFAS: Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); * Geen toetsingsnorm aanwezig, de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” bedraagt voor PFOA: < 1,9 µg/kg d.s. en voor de overige PFAS en GenX: < 1,4 µg/kg d.s. en de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen/industrie” bedraagt voor PFOA: < 7 µg/kg d.s. en voor de overige PFAS: < 3 µg/kg d.s.; Niets aangetroffen/waargenomen.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
17 Asbest Op het maaiveld zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In de opgeboorde en opgegraven grond zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) eveneens geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de onderzoeksopzet zijn 13 grondmengmonsters samengesteld en aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm). De samenstelling van de grondmonsters met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyse zijn in tabel 8.5 weergegeven. De monsters MMASB01 en MMASB06 zijn samengesteld van de proefgaten ter plaatse van de moestuinen. De monsters MMASB02 t/m MMASB05, MMASB07 en MMASB09 t/m MMASB12 zijn samengesteld van de proefgaten bij de asbesthoudende dakbedekking. De monsters MMASB08 en MMASB13 zijn samengesteld van het overig terrein. Tabel 8.5: Samenstelling grondmonsters asbest Monstercode
Proefgaten
Zintuiglijke waarnemingen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50
Soort
MMASB01 B31 t/m B35 Grond MMASB02 B20, B21 Grond MMASB03 B12, B15 t/m B18 Grond MMASB04 B01, B04, B10 Grond MMASB05 B11, B13, B14 Grond MMASB06 B36 t/m B39 Grond MMASB07 B23 Grond MMASB08 B19, B22, B24 Grond MMASB09 B02, B03 Grond MMASB10 B07 t/m B09 Grond MMASB11 B05, B06 Grond MMASB12 B26, B27 Grond MMASB13 B25, B28 t/m B30 Grond Toelichting bij tabel 8.5: MV Maaiveld; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm; Niets waargenomen.
Analysepakket Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1
De resultaten van de geanalyseerde grondmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht onderzochte grondmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaten Monstercode
Soort
Hechtgebonden
Type
MMASB01 MMASB02
Bundels chrysotiel Verweerde golfplaat
Nee Nee
Chrysotiel Chrysotiel, crocidoliet
Gemeten <20 mm (mg/kg d.s.) <2 4,2
Totaal gewogen <20 mm (mg/kg d.s.) <2 12,71
MMASB03 <2 <2 MMASB04 Verweerde golfplaat Nee Chrysotiel, crocidoliet 0,28 0,63 MMASB05 <2 <2 MMASB06 <2 <2 MMASB07 <2 <2 MMASB08 <2 <2 MMASB09 <2 <2 MMASB10 <2 <2 MMASB11 <2 <2 MMASB12 <2 <2 MMASB13 <2 <2 Toelichting bij tabel 8.6: * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; Niets aangetoond.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
18
8.3.
Interpretatie analyseresultaten
Grond In mengmonster MM01 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium en PAK aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden. In de mengmonsters MM02 en MM06 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In de mengmonsters MM03, MM04 en MM05 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen zijn licht verhoogde gehalten voor kwik, lood en/of PAK aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden. In mengmonster MM07 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen is een licht verhoogd gehalte voor lood aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim onder de interventiewaarde. In mengmonster MM08 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen is een licht verhoogd gehalte voor PAK aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim onder de interventiewaarde. In mengmonster MM09 van de ondergrond (zand) met sporen baksteen is een licht verhoogd gehalte voor lood aangetoond.
Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim onder de interventiewaarde. In mengmonster MM10 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Vermoedelijke teeltlaag moestuinen In mengmonster MMOCB02 van de vermoedelijke teeltlaag (zand) met sporen baksteen is een licht verhoogd gehalte voor hexachloorbenzeen aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim onder de interventiewaarde. In mengmonster MMOCB01 van de vermoedelijke teeltlaag (zand) met sporen baksteen zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Vermoedelijke teeltlaag overige locatie In de mengmonsters MMOCB03 en MMOCB04 van de vermoedelijke teeltlaag (zand) met sporen baksteen zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
19 PFAS In mengmonster MMPFAS01 van de grond (zand) met sporen baksteen zijn voor PFAS geen gehalten boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” aangetoond. De grond (boven grondwaterniveau) voldoet derhalve aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond, buiten grondwaterbeschermingsgebieden en op de landbodem. In mengmonster MMPFAS02 van de bovengrond (zand) met sporen baksteen zijn voor PFAS geen gehalten boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” aangetoond. De grond (boven grondwaterniveau) voldoet derhalve aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond, buiten grondwaterbeschermingsgebieden en op de landbodem. Asbest Tijdens de veldwerkzaamheden is zintuiglijk (fractie > 20 mm) op het maaiveld en in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In het onderzochte mengmonster MMASB02 van de bovengrond met sporen baksteen is analytisch (< 20 mm) een gehalte van 12,71 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. Het gehalte blijft ruim onder de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) alsmede de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.).
In het onderzochte mengmonster MMASB04 van de bovengrond met sporen baksteen is analytisch (< 20 mm) een gehalte van 0,63 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. Het gehalte blijft ruim onder de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) alsmede de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). In de overige onderzochte mengmonsters MMASB01, MMASB03 en MMASB05 t/m MMASB13 is analytisch (< 20 mm) geen asbest (< 2,0 mg/kg d.s.) aangetoond.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
20
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 9.1.
Verkennend bodemonderzoek , teeltlaagonderzoek (OCB) en PFAS
Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien in de grond maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse zware metalen en zijn aangetoond. Aangezien het grondwater zich dieper dan 5,0 m-mv bevindt, is grondwateronderzoek conform NEN 5740/A1 niet noodzakelijk en achterwege gelaten. Teeltlaagonderzoek In de teeltlaag zijn geen noemenswaardige verontreinigingen voor OCB aangetoond, aangezien maximaal een licht verhoogd gehalte voor HCB is aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 en de interventiewaarde niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. PFAS Op basis van de resultaten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de boven- en/of ondergrond (zand; 0,0-1,0 m-mv en zand, 0,00,5 m-mv) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor deze grond wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden.
Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. 9.2.
Verkennend onderzoek naar asbest
Voor wat betreft asbest in de bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Tijdens de werkzaamheden zijn op het maaiveld en in de opgeboorde en opgegraven grond is zintuiglijk (fractie > 20 mm) en analytisch (fractie < 20 mm) geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Analytisch is maximaal 12,71 mg/kg d.s. (proefgaten B20 en B21) en 0,63 mg/kg (proefgaten B01, B04 en B10) d.s. aan niet hechtgebonden asbest aangetoond. Op basis van deze resultaten wordt de gestelde hypothese derhalve verworpen, aangezien het gehalte voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en het gehalte voor nader onderzoek niet wordt overschreden. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
21
9.3.
Algehele conclusie en aanbevelingen
Met de diverse (bodem- en asbest)onderzoeken is, ons inziens, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen sloop en herontwikkeling ter plaatse van de locatie ‘Salmrijck’ te Loon op Zand in voldoende mate onderzocht (fase 2 vóór sloop). De diverse aandachtspunten ( OCB, PFAS, (voormalige) asbestverdachte dakbedekking met/zonder afwatering op de diverse opstallen) hebben niet geleid tot een ernstige bodem- en asbestverontreiniging. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan, ons inziens, geen bezwaren tegen de voorgenomen sloop en herontwikkeling, rekening houdend met de volgende aanbevelingen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen (inclusief PFAS) worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Na sloop en verwijdering van de verharding dient nog het onderzoek fase 3 te worden uitgevoerd, waarbij de grond onder de gesloopte opstallen wordt onderzocht op NEN en asbest.
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
22
10.
REFERENTIES 1. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2017. NEN 5725, norm Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. 2. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2009. NEN 5740/A1:2016, Norm Bodem - Landbodem Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond. 3. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2015. NEN 5707/C2:2017, Norm Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 4. Ministerie van VROM en Verkeer en Waterstaat, Regeling bodemkwaliteit, Staatscourant, 20 december 2007, nr. 247 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend). 5. Ministerie van VROM, Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant, 27 juni 2013, nr. 16675 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend).
Diverse (bodem)onderzoeken fase 2 vóór sloop, SalmRijck te Loon op Zand Rapportnr.: B21.8176 versie: 01 datum: 23 juni 2021
Bijlage 1
Bijlage 1
Tekening: B21.8176
Schaal: 1 : 50.000
Bron: CC-BY Kadaster; Topografische kaart van Nederland (uitgave 2020) Onderdeel: Situering in de regio