11-07-2022 Bijlage 2. Toelichting vast te stellen bestemmingsplan SalmRijck te Loon op Zand.pdf
Tekst van het document
43
5.3.2 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied is de Loonse- en Drunense duinen & Leemkuilen op een afstand van circa 150 meter. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten. Als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied kunnen storingsfactoren optreden als geluid, optische verstoring, trillingen etc. Vanaf 1 juli 2021 zijn alle tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten, voor wat betreft stikstofdepositie, vrijgesteld van de vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb. Voor deze activiteiten hoeft dan ook geen onderzoek naar stikstofdepositie meer te worden uitgevoerd.
Dit betekent dat de realisatiefase niet meer hoeft te worden meegenomen in de AERIUS stikstofberekening naar de depositiebijdrage van een project. De gebruiksfase van je project is níet vrijgesteld en blijft dus wél onderwerp van onderzoek. Ook andere mogelijke verstoringsfactoren zoals licht, geluid, trillingen etc. moeten in het kader van de Wet natuurbescherming getoetst blijven. Voorgaande is een resultaat van de wetswijziging Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming. Artikel 2.9a Wnb en 2.5 Bnb worden toegevoegd/gewijzigd om voorgaande te regelen.
Onderzoek Volantis B.V. heeft een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport 'Berekening stikstofdepositie SalmRijck te Loon op Zand, Volantis, projectnummer 20210297, versie C, 4 maart 2022'. Het project bestaat uit de nieuwbouw van 19 nul trede-woningen en een appartementencomplex bestaande uit 31 appartementen verdeeld over 3 woonlagen. Voordat de nieuwbouw plaats kan vinden dient eerst de huidige bebouwing gesloopt te worden. De huidige bebouwing bestaat uit 24 woningen en 4 beneden-bovenwoningen. Ten behoeve van de berekening van de stikstofdepositiebijdrage in de Natura 2000-gebieden is een rekenmodel opgesteld met behulp van Aerius Calculator 2020. In voorliggend plan zijn niet alleen de voorgenomen activiteiten beschouwd. Vanwege de afstand tot het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied zijn ook de activiteiten die voorheen op locatie plaatsvonden beschouwd. Er is derhalve intern gesaldeerd. Dit houdt in dat de nieuwe situatie niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de huidige situatie. Momenteel resulteert het gebruik van de 26 woningen op de planlocatie in een stikstofdepositie.
Deze stikstofdepositie bestaat uit de stikstofuitstoot als gevolg van de verbranding van aardgas ten behoeve van verwarming en stikstofuitstoot als gevolg van vervoersbewegingen van de huidige bewoners. Door het slopen van deze woningen verdwijnen deze emissies. Momenteel is de bebouwing nog aanwezig. De stikstofdepositie ten gevolge van de nieuwe situatie bestaat uit stikstofuitstoot ten gevolge van de gebruikssituatie, bestaande uit de vervoersbewegingen van de toekomstige bewoners. Met behulp van intern salderen mag de stikstofdepositie als gevolg van het huidige gebruik in mindering worden gebracht op de stikstofdepositie ten gevolge van de nieuwe situatie. Op basis van de verschil-berekening gemaakt met de Aerius calculator versie 2021, kan worden geconcludeerd dat voor 2023 (gebruiksfase) geen toename in stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden zal plaatsvinden als gevolg van de ingebruikname van de 31 appartementen en de 19 nul trede-woningen.
Onderbouwing overige effecten Gezien de korte afstand tot het natura 2000-gebied "Loonse- en Drunense Duinen & Leemkuilen" zijn significante negatieve effecten van de overige effecten niet op voorhand uit te sluiten. Volantis B.V. heeft om die reden een aanvullende onderbouwing van de overige effecten opgesteld. In deze aanvullende onderbouwing wordt aan de hand van de volgende punten getoetst: ^ Depositie (verzuring, vermesting) ^ Verontreiniging
44
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
^ ^ ^ ^ ^
Verdroging Geluid Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten Verandering soortensamenstelling
Deze onderbouwing is opgenomen in het rapport 'Notitie effectenindicatie en analyse, Volantis B.V., projectnummer 20210297, 7 maart 2022' en als bijlage bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Uit de onderbouwing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve significante effecten heeft op het nabij gelegen Natura-2000 gebied. Conclusie Uit de berekening blijkt, na saldering, dat de stikstofuitstoot ter plaatse van de nabij gelegen Natura 2000gebieden maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft. Hiermee wordt voldaan aan het wettelijk kader en is een Wnbvergunning niet noodzakelijk. Aangetoond is dat als gevolg van het project geen toename van stikstofdepositie te verwachten is in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast.
5.3.3
Waterparagraaf
Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
45
waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: ^ het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; ^ de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; ^ de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; ^ de toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: ^ de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; ^ de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; ^ daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Beleid gemeente Loon op Zand Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Loon op Zand heeft een Water- en rioleringsplan (PWR) opgesteld voor de periode 2021 - 2024. Hierbij vormt de hemelwatervisie een belangrijke basis. In deze hemelwatervisie staat beschreven dat de gemeente Loon op Zand streeft naar situatie waarbij het hemelwater, zoveel als mogelijk, op natuurlijke wijze in de bodem wordt verwerkt (infiltreren) en niet ingezameld wordt. Om te beoordelen wanneer ingrijpen in bestaande gebieden noodzakelijk is, is in de hemelwatervisie de een afwegingssystematiek geformuleerd waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hinder, overlast en schade.
46
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
Nieuwbouwplannen van woningbouw en infrastructuur kunnen tot een toename van afvoerend verhard oppervlak leiden. Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Bij dergelijke ontwikkelingen geldt dan ook het uitgangspunt dat plannen zo veel mogelijk hydraulisch neutraal uit worden gevoerd en dat percelen maximaal 65% verhard mogen zijn. Het Bouwbesluit vereist dat nieuwe bebouwing wordt voorzien van een gescheiden afvoer/verwerking van schoon en afvalwater. Voor de dimensionering van infiltratie/bergingsvoorzieningen met afvoer naar de bodem en/ of riolering hanteert de gemeente de uitgangspunten uit onderstaand tabel. Aanvullend op de bergingsopgave adviseert de gemeente om een bouwpeil van 0,25 m boven straatpeil te hanteren. Indien afvoer naar oppervlaktewater plaatsvindt, gelden de hydrologische uitgangspunten van Waterschap Brabantse Delta.
Toename afstromend verhard oppervlak Toelichting Specifieke invulling op basis van de lokale noodzaak en mogelijkheden, c 500 m2 waarbij in ieder gevalrekening wordt gehouden met de voorkeurs- volgorde uit hoofdstuk 2 van bijlage C uit het Water enRioleringsplan. Benodigde retentiecapaciteit (m3 ) = toename verhard oppervlak (m2 ) * 500 m2 - 10.000 m2 gevoeligheidsfactor * 0,06 De gevoeligheidsfactor is afhankelijk van de geohydrologische kenmerken van de ontwikkellocatie en is beschikbaar via de gemeente en waterschap. De eventuele afvoer naar oppervlaktewater valt onder de uitgangspunten van de algemene beleidsregels van Ws Brabantse Delta. De wijze van hemelwaterverwerking dient in een waterhuishoudkundig plan > 10.000 m2 (whp) te worden onderbouwd. De richtlijnen voor het whp zijn omschreven in de Hydrologische uitgangspunten van het waterschap. Voor de eventuele afvoer naar oppervlaktewater is een Watervergunning vereist. Het doel van het PWR is een invulling te geven aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater. In het verlengde hiervan heeft gemeente Loon op Zand de ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving.
Om invulling te geven aan de gemeentelijke visie en bijbehorende ambities/gemeenschappelijke doelen zijn er voor de komende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd: ^ Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem ^ Werken volgens duurzame en levenscyclusgerichte principes ^ Integraal werken ^ Samenwerken met inwoners en ondernemers
Onderzoek Door Econsultancy is een watertoets opgesteld. De resultaten zijn vervat in het rapportage watertoets SalmRijck (Econsultancy, raportnummer 15759.001, versie D3, 16 november 2021). Om de waterbergingsopgave inzichtelijk te maken is de totale verharding van de bestaande situatie en de totale verharding van de toekomstige situatie berekend. In het kader van de watertoets wordt, conform het beleid van de gemeente, maximaal 65 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Type verharding Bebouwing Erfverharding (ca. 65% van het perceeloppervlak) Infrastructuur Parkeren
Verharding bestaande situatie (m2) ca. 1920 m2 ca. 1960 m2 ca. 1685 m2 ca. 130 m2
Verharding toekomstige situatie (m2) ca. 2690 m2 ca. 675 m2
Totaal
ca. 5695 mz
ca.6680 m2
ca. 2565 m2 ca. 750 m2
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
47
De toename van het verhard oppervlak bedraagt meer dan 500 m2. Conform het beleid van waterschap Brabantse Delta is ten aanzien van de toename in het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 72 m3 (1.185 m2 x 0,06 m). Bij wijzigingen in het verhard oppervlak als gevolg van reconstructies en afkoppelen van bestaande gebieden wil de gemeente kansen benutten voor een duurzame(re) verwerking van hemelwater. Over het huidige verhard oppervlak dient een berging van 30 mm per m2 gerealiseerd te worden. Dit komt voor deze ontwikkeling neer op een berging van circa 170 m3 (5.695 m2 x 0,03 m). Voor het planvoornemen bedraagt de waterbergingsopgave in totaal circa 240 m3. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
5.3.4
Wegverkeerslawaai
Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor het binnenstedelijk gebied. Onderzoek Econsultancy B.V. heeft een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. De resultaten van het onderzoek zijn vervat in het rapport 'Onderzoek wegverkeerslawaai Rijckevorselstraat te Loon op Zand, Econsultancy, rapportnummer 15759.002, versie D2, 6 september 2021'. In het onderzoek wordt de geluidbelastingen op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de bouwvlakken. Het plan is opgedeeld in vijf bouwvlakken. Voor elke zijde van de bouwvlakken zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd.
De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021. Conclusie De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt maximaal 47 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
5.3.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
48
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
Adres Hoge Steenweg 52 Hoge Steenweg 38 Hoge Steenweg 27 (Lederfabriek) Bedrijvenpark de Hoogt
Categorie categorie 2 categorie 3.1 categorie 4.2
Richtafstand 30 m 50 m 300 m
Feitelijke afstand tot plangebied ca. 70 m ca. 70 m ca. 270 m
Voldoet Ja Ja Nee
maximaal categorie 3.2
100 m
ca. 140 m
Ja
categorie 2 transportbedrijf Hoge Steenweg 52 categorie 3.1 transportbedrijf Hoge Steenweg 38
Maximaal categorie 3.2 Bedrijvenpark De Hoogt categorie 4.2 Lederfabriek Hoge Steenweg 27
\v Figuur 5.4: Nabij gelegen bedrijven, locatie rood omlijnd Rustige woonwijk Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Classificatie omgevingstype planlocatie SalmRijck Het plangebied is gelegen in een bestaande woonwijk in de kern Loon op Zand. Dit deel van Loon op Zand is voornamelijk bestemd als woonwijk. Langs de Hoge Steenweg zijn enkele bedrijven en een bedrijvenpark gevestigd. Het merendeel van deze bedrijven ligt gescheiden van de woonwijk door de Hoge Steenweg. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er van het omgevingstype 'rustige woonwijk' kan worden uitgegaan. Ten westen van het plangebied aan de Hoge Steenweg 38 en 52 liggen enkele percelen met de bestemming 'Bedrijf'. Het betreft twee transportbedrijven die vallen onder categorie 2 en 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter (categorie 2 ) en 50 meter (categorie 3.1). Aan deze richtafstand wordt voldaan.
Bovendien liggen tussen de bedrijven en het plangebied meerdere gevoelige objecten (woningen). De transportbedrijven worden niet in bedrijfsvoering beperkt door de beoogde ontwikkeling. Naast deze bedrijven ligt er ook een bedrijventerrein ten westen van het plangebied, namelijk bedrijventerrein de Hoogt. Op dit bedrijventerrein is generiek maximaal milieucategorie 3.1 tot 3.2 toegestaan. Het bedrijventerrein kent een enkel perceel waarop, naast de algemeen toegestane bedrijfsactiviteiten in maximaal milieucategorie 3.1 of 3.2, ook een lederfabriek in milieucategorie 4.2 is toegestaan. Deze lederfabriek heeft een richtafstand van 300 meter. Deze richtafstand wordt in beginsel niet gerespecteerd. De afstand van de lederfabriek tot het plangebied bedraagt ca. 270 meter. In beginsel wordt er niet voldaan aan deze richtafstand. Aangezien er tussen deze lederfabriek en het plangebied meerdere gevoelige objecten (woningen) zijn gelegen die al bepalend zijn voor de milieuruimte van het bedrijf, wordt het bedrijf niet verder beperkt in de bedrijfsvoering. 49
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
Gelet op het feit dat er in de huidige situatie meerdere gevoelige objecten zijn gesitueerd tussen de lederfabriek en de planlocatie kan er geconcludeerd worden dat er kan uit worden gegaan van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Conclusie Gelet op het voorstaande kan geconcludeerd worden dat kan worden voldaan aan de richtafstanden voor de bedrijven aan de Hoge Steenweg. Op het bedrijventerrein De Hoogt zit een bedrijf van categorie 4.2 (lederfabriek). Aan de richtafstand tot dit bedrijf kan niet worden voldaan. Aangezien er in de huidige situatie meerdere gevoelige objecten zijn gesitueerd tussen de lederfabriek en de planlocatie kan er geconcludeerd worden dat er kan uit worden gegaan van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect "milieuzonering bedrijven" er geen beperkingen zijn voor de geplande ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie.
Geurhinder Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen opgenomen. Voor bedrijven waarvoor een geuremssie is vastgesteld gelden de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de afstand tot een geurgevoelige functie. Er zijn ook diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv. De minimale afstandseisen zijn van toepassing: ^ 100 meter bij ontwikkelingen gelegen binnen de bebouwde kom ^ 50 meter bij ontwikkelingen gelegen buiten de bebouwde kom Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom.
Gemeenten mogen van bovenstaande normen en afstanden afwijken middels een gemeentelijke verordening. In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten middels deze verordening binnen bepaalde bandbreedten mogen afwijken van de wettelijke standaardnormen. De gemeente Loon op Zand heeft geen gemeentelijke verordening vastgesteld. In de omgeving van de locatie zijn geen agrarische bedrijven gelegen. Conclusie Gezien het feit dat nabij het plangebied geen veehouderijen en bedrijven die in het kader van Bedrijven en milieuzonering geurhinder veroorzaken aanwezig zijn, kan gesteld worden dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat heerst.
5.3.6 Luchtkwaliteit Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat 'in niet betekenende mate wordt bijgedragen' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met de realisatie van ruim 50 woningen wordt de grens zoals gesteld in de Regeling- NIMB (gevallen zoals bedoeld in Artikel 4 lid 1 van AMvB-NIBM), de grens van 1500 woningen, niet overschreden. Verder is op basis van de NSL-monitoringstool nagegaan wat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PMz,5 zijn in de nabijheid van het plangebied. Uit de rekenpunten, die in de monitoringstool zijn opgenomen aan de Hoge Steenweg, blijkt dat in de omgeving de grenswaarden van NO2, PM10 en PMz,5 in 2020 en 2030 niet worden overschreden. Geconcludeerd wordt dat bezien vanuit het aspect luchtkwaliteit er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
50
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
HF^straat
R .i-; ,-i-i:
i
Ĩ2Ą 24.
Jätŕi H
59
X İ
şg’įj p
‘Ķ
51 ï
. , ‘ is.. i - "
'4 3'
1!.
j
4
\
v^4 10
ärtac^ ę
h-6.
Ì3 Ş 1C
\w j'ŵ 3»’*
''.fSüSs- ..--- ■\ìē4:-‘
gr 10 a
iįķķ ,.6’ï" o . 364
24 ^
aO*
4"
125 I2ė 2Í -
306 «n
lá 3.
. -,6
R-R,
4B ,4-TR
N261
Oud-Loon
-Uļj».
18F ISM
19
\-Ĵs
P ŵ’Sï
lïžJŰP, uŵ
JÜttJá
ld
N02 (ig/ntf
PM10 Įjg/nrô
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 ļig/ntå
laar
15789
18,6
18.7
6.6
11,5
2020
15790
18,7
18.7
6.5
11.5
2020
15791
18,5
18.7
6.6
11,4
2020
15792
18.6
18.7
6.5
11,5
2020
15793
19,1
18.7
6.7
11,5
2020
15794
19,2
18.8
6.7
11,5
2020
15795
19.0
18.7
6.7
11,5
2020
15796
19,1
18.7
6.7
11,5
2020
Figuur 5.5: Uitsnede Nsl monitoringstool 2020, locatie rood omlijnd ^ornesţiaat
:l.
V
49 \
•i i Á- g13'
sa?*
jaŞį-T
207,220
53 S ?įG ;dĘ,Hoogt 7,34-
” \ -ŕ , IC, ^
107 202 11.1 205,
P
4"^®’ fi
ld
N02 Įig/nrâ
PM10 lig/mĴ
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 lig/m3
Jaar
15789
12.9
15.9
6.Ū
9,0
2030
1579Ũ
13.0
15.9
6.0
9,0
2030
15791
12.8
15.9
6.0
9,0
2030
15792
12.9
15.9
6.0
9,0
2030
15793
13.1
16.0
6.0
9.1
2030
15794
13.2
16.0
6.0
9,1
2030
15795
13.1
16.0
6.0
9,1
2030
15796
13.1
16.0
6.0
9,1
2030
Figuur 5.6: Uitsnede Nsl monitoringstool 2030, locatie rood omlijnd
5.4 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimumbeschermingsniveau (plaatsgebonden risico). 51
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (het groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het "Besluit externe veiligheid transportroutes" en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen"(Bevb).
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van de verantwoording van het groepsrisico moet advies gevraagd worden aan de regionale brandweer.
Conclusie Uit de risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: ^ het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; ^ de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; ^ het invloedsgebied van een basisnet; ^ een toekomstig plasbrandaandachtsgebied en ^ het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. De dichtsbijzijnde gasleiding ligt op ca. 450 meter afstand ten westen van het plangebied parallel aan de MiddenBrabantweg. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5 Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. 5.6 Vormvrije MER beoordeling Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd en op 7 juli 2017 is de herziene m.e.r.-richtlijn in werking getreden. De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk is. In algemene zin komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op die op de D-lijst zijn vermeld volgt óf een m.e.r.-beoordelingsplicht óf een motivering dat een m.e.r.(beoordeling) niet noodzakelijk is. Hierbij is de bij de activiteit behorende drempelwaarde onder andere van belang.
52
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, conform het aangepaste Besluit m.e.r., is het type plan en het soort ontwikkeling van het plan van belang, zoals opgenomen in de Structuurvisie Ruimte (SVIR). Onderhavig bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsplan. De activiteiten die door dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt behoren niet tot de C-lijst, waardoor er geen directe m.e.r.-plicht is. De voorgenomen ontwikkeling, behoort echter wel tot de D-lijst, namelijk onder nummer 11.2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling is opgenomen in lijst D van het besluit m.e.r.. Voor projecten groter dan 75 hectare en meer dan 2000 woningen dient altijd een m.e.r.- beoordeling plaats te vinden. De omvang van de woningbouw is zodanig beperkt dat er geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden. Voor de voorgenomen ontwikkeling dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden.
Conclusie Gelet op de geringe omvang van het project, de in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerde analyses en onderzoeken (zie ook de voorgaande paragrafen) én het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit (vanaf 75 ha.), kan geconcludeerd worden dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen onevenredige nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van de m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Wel is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
53
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
6
Juridische aspecten
6.1. Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het gebied van deze herziening. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) gehanteerd. Zo zijn de bestemmingen qua benaming en volgorde afgestemd op de SVBP 2012. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wro en het Bro. Daarnaast zijn de op grond van de Bro verplicht gestelde regels voor het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel conform de daarvoor gestelde standaarden in de regels opgenomen. Ook de Wro biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uit te werken. Het onderhavige bestemmingsplan is niet zeer gedetailleerd, maar wel gebaseerd op het stedenbouwkundig plan. Het bestemmingsplan biedt nog enige flexibiliteit. Voor het plangebied is de planopzet primair gericht op ontwikkeling. Één en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.
6.2.
Beschrijving van de bestemmingen
6.2.1 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen "Algemene regels", algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. 6.2.2
Bestemmingen
Groen Binnen de bestemming 'Groen' mogen groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, fiets- en voetpaden en waterretentie worden gerealiseerd. Er mogen uitsluitend gebouwen ter dienste van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gerealiseerd worden. Verkeer Deze bestemming is gegeven aan de wegen, parkeerplaatsen en de gebieden met een functie voor verkeer en verblijf. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Wonen Op de gronden met de bestemming 'Wonen' zijn woningen toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd. Er mogen maximaal 50 woningen worden gerealiseerd. Op de verbeelding zijn bouwaanduidingen opgenomen die aangeven welk type woning gerealiseerd mag worden. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mag het wonen in appartementen plaatsvinden. Maximale goot- en bouwhoogtes zijn op de verbeelding aangegeven. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden in de vorm van monumenten. Er geldt een onderzoeksplicht voor gebieden groter dan 500 m2 en waarbij de bodem dieper dan 50 cm -mv wordt geroerd
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
54
6.2.3
Algemene regels en slotbepaling
Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het bouwen van gebouwen, het overschrijden van bebouwingsgrenzen en het afwijken van de bestemmingsgrenzen. Algemene procedure regels Algemene procedureregels waarin is bepaald welke procedure doorlopen wordt bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Indien het strijdig gebruik na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode van langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand".
55
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
7
Uitvoerbaarheid
7.1. Economische uitvoerbaarheid Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaande paragrafen, zal ook inzicht moeten worden gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het project (artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening vormt de mogelijkheid om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vast ligt. In de toelichting op elk bestemmingsplan moet aandacht worden besteed aan het exploitatieplan. In het Bro (artikel 6.2.1) is voorgeschreven voor welk type bouwplannen een exploitatieplan moet worden opgesteld, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om onder andere nieuwbouwplannen, zoals thans aan de orde. Uiteraard moet sprake zijn van kosten, die verhaalbaar zijn. Van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het verhaal van kosten op een andere wijze verzekerd is en/of het instellen van inrichtingseisen via een exploitatieplan niet nodig is. De verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan vervalt hierdoor. In het voorliggende geval is de locatie deels in eigendom van de woningcorporatie Casade en deels in eigendom van de gemeente Loon op Zand.
De gemeente zal, om haar kosten te dekken, een anterieure overeenkomst afsluiten met Casade en hierin afspraken vastleggen omtrent de gronden die in eigendom zijn bij de gemeente.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voorontwerp Het voorontwerp bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, voor overleg verzonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast heeft het voorontwerp bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode was eenieder in de gelegenheid een inspraakreactie inte dienen. Inloopavond Voor omwonenden is op 9 december 2021 een inloopavond georganiseerd. Belanghebbenden kregen tijdens deze avond de mogelijkheid om informatie in te winnen over het plan en het bestemmingsplan. Tevens was het mogelijk om tijdens deze avond een mondelinge inspraak-reactie op het plan te geven. Er is enthousiast gereageerd op het plan. Omwonenden waren tevreden met de aanpassingen die in het plan zijn doorgevoerd naar aanleiding van de voorgaande klankbordgroep. Daarnaast wordt er aandacht gevraagd voor de veiligheid van het parkeerterrein ten zuidwesten van de woningen aan het hofje. Op deze locatie zal worden gezorgd voor voldoende verlichting in de openbare ruimte. Daarnaast zullen de woningen rondom het hofje openingen krijgen in de kopgevels, zodat er zicht is op dit parkeerterrein. Ten slotte wordt er nog aandacht gevraagd voor de rijrichting van de parkeerplaats op het binnenterrein in verband met verkeersveiligheid en de mogelijke overlast van koplampen ter hoogte van de uitritten.
Voor een veilige inrichting zal worden gezorgd. Dit zal in overleg met bewoners worden gedaan tijdens het ontwerpproces van de herinrichting van de Willibrordusstraat. Eindverslag inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan heeft in de periode van 2 december 2021 tot en met 12 januari 2022 voor iedereen ter inzage gelegen. Er zijn inspraakreacties geleverd op het bestemmingsplan. Deze inspraakreacties zijn geleverd door bewoners aan de van Rijckevorselstraat, Waterschap Brabantse Delta, Provincie Noord-Brabant, Tennet, en Enexis. Het eindverslag van deze inspraakreacties, inclusief de reacties vanuit gemeente Loon op Zand, is als bijlage bijgevoegd bij dit bestemmingsplan.
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
56
Ontwerp Het ontwerp bestemmingsplan is, conform het Besluit ruimtelijke ordening, voor overleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast heeft het ontwerp bestemmingsplan in de periode van 24 maart tot en met 4 mei 2022 voor iedereen ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen geleverd op het bestemmingsplan. Het plan zal verder de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Omgevingsdialoog Het plan is tijdens meerdere bijeenkomsten voorgelegd aan de klankbordgroep met bewoners uit de buurt. Het plan is voor het eerst op 25 maart 2021 tijdens een digitale informatie avond gepresenteerd aan de leden van de klankbordgroep. Op 21 oktober 2021 heeft een fysieke bijeenkomst van de klankbordgroep plaatsgevonden. Tijdens deze avond is het aangepaste plan gepresenteerd aan de leden van de klankbordgroep. Na beide presentaties is er de mogelijkheid geweest tot het stellen van vragen en het delen van suggesties en ideeën over het plan. Beide informatiebijeenkomsten zijn samengevat in het verslag Omgevingsgdialoog. Dit verslag is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Vastgesteld bestemmingsplan "SalmRijck te Loon op Zand" -16 mei 2022
57
WELMERS BURG STEDENBOUW Spijksedijk 8 4207 GN Gorinchem t 0183 - 821 497 w welmersburgstedenbouw.nl e info@welmersburg.nl