11-02-2021 Bijlage 4. Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplanWeteringstraat 15B LOZ.pdf
Tekst van het document
Historische informatie
Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat er eind 19e eeuw sprake was van een gebied met een agrarische bestemming. Deze bestemming is vanaf midden 20e eeuw aan verandering onderhevig naar stedelijk gebied. Onderhavige locatie is nooit bebouwd geweest. De locatie grenst aan de noordzijde aan de geasfalteerde weg ‘Weteringstraat’. De westzijde grenst aan een weiland. De overige zijden grenzen aan grondgebonden woningen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend van activiteiten die de bodem mogelijk negatief hebben kunnen beïnvloeden. Er is niets bekend over een (voormalige) ondergrondse c.q. bovengrondse brandstof tank. Explosieven De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de zone ‘Munitieopslagplaats’. Op de munitieopslagplaatsen kunnen naast aanzienlijke hoeveelheden onontplofte munitie en wapens diverse sporen worden verwacht, in de vorm van grondsporen maar ook als nog bewaard (micro)reliëf: munitieopslagpunten, Splitterboxen, loopgraven. Ook kunnen resten van infrastructuur, versterkingen en gebouwstructuren (hout/steen) worden verwacht. projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
2
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
2.3
Gebiedsgericht beleid
Het onderhavige onderzoeksgebied is gelegen binnen een gebied waarvoor geen bodemkwaliteitskaart is opgesteld. 2.4
Archiefonderzoek
Bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant zijn gegevens bekend van bodemonderzoeken en/of potentieel bodembedreigende activiteiten die ter plaatse van en/of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn uitgevoerd. Weteringstraat 16 Oriënterend bodemonderzoek, UDM Midden BV, d.d. 17 december 2010 (resultaat onbekend); Verkennend bodemonderzoek, Milon, d.d. 5 maart 2010 (resultaat onbekend); Historisch onderzoek, Combinatie Consulmij Milieu & MUG Ingenieursbureau, d.d. 21 november 2009 (resultaat onbekend); Verkennend bodemonderzoek, Milon, d.d. 17 december 2003. Weteringstraat 17 Lasinrichting; Metaalconstructiebedrijf; Ondergrondse brandstoftank. Weteringstraat 20 Nulsituatieonderzoek, Tukkers Milieu-onderzoek, rapportnr. 218-204 d.d. 26 augustus 1996 (resultaat onbekend); Oriënterend bodemonderzoek, Zeeuwen Milieu, rapportnr. 218-204/1 d.d. 1 november 1994 (resultaat onbekend); Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijf; Metaalwarenfabriek. Kloosterstraat 23 Verkennend bodemonderzoek, G&O Consult BV, rapportnr. 217-203 d.d. 19 juni 1996 (resultaat onbekend). Kloosterstraat 27 Ondergrondse brandstoftank (gesaneerd en verwijderd d.d. 1 april 1994). 2.5
Regionale bodemopbouw en geohydrologie
De op basis van de geraadpleegde bronnen verwachte ondiepe geologie op de locatie is weergegeven in tabel 2.1. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het de geologische bodemopbouw betreft die door TNO is geïnterpoleerd op basis van onderzoek in de omgeving. De werkelijke laagopbouw en –samenstelling kunnen hiervan afwijken. tabel 2.1 Geohydrologische bodemopbouw*
*
Diepte [m-mv]
Formatienaam
Lithologie
0 – 8,2
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
8,2 – 15,2
Formatie van Sterksel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
Bron: Landelijk DGM model V1.3 – 2009, NITG-TNO, de werkelijke diepte en formatienaam kan afwijken (met name nabij geologische breukzones)
De grondwaterstand van het freatisch pakket bedraagt circa 3 m-mv. Het grondwater in het ondiepe (freatische) grondwater stroomt regionaal gezien in overwegend noordelijke richting. De locatie ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning c.q. een grondwaterbeschermingsgebied. 2.6
Resumé
Uit het vooronderzoek is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat op of in de directe nabijheid van de locatie (<25 meter) sprake is, of is geweest van (bedrijfsmatige) activiteiten welke een bedreiging voor de bodemkwaliteit zouden kunnen vormen. projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
3
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
3 Hypothese en Onderzoeksstrategie 3.1
Hypothese
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie ten aanzien van de grond en het grondwater als ‘onverdacht’ gekwalificeerd. 3.2
Onderzoeksstrategie
Voor de onderzoekslocatie is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsteringsen analysestrategie gehanteerd, zoals beschreven in de NEN5740/A1‘Onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL, tabel 3.1). In het kader van onderhavig bodemonderzoek is géén onderzoek naar asbest in de bodem verricht. Tijdens de veldwerkzaamheden zal het maaiveld en de uitkomende grond wel indicatief visueel beoordeeld worden op het voorkomen van asbestverdacht (plaat)materiaal. In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden. tabel 3.1 Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Oppervlak (m2)
250
Veldwerk
Analyses
0,5 m-mv
2 m-mv1
peilbuis2
bovengrond
ondergrond
grondwater
2
1
1
1 x NEN57403
1 x NEN57403
1 x NEN57404
1
Handboring tot minimaal 0,5 m- freatische grondwaterstand of 1 m-mv, maximaal tot 2,5 meter. Indien visueel schoon dan boren tot opgegeven einddiepte, anders boren tot 0,5 meter minus verdachte bodemlaag.
2
Indien een grondwaterspiegel wordt aangetroffen dieper dan 5 m-mv behoeft geen peilbuis te worden geplaatst
3
Standaard NEN5740 pakket voor grond: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), organische parameters (PAK (som 10), minerale olie , PCB (som 7)), lutum en organische stof. Als gevolg van waarnemingen in het veld kan het noodzakelijk zijn een extra mengmonster samen te stellen om een voldoende representatief beeld van de locatie te krijgen. Aanvullende werkzaamheden worden alleen na toestemming van de opdrachtgever uitgevoerd.
4
zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen, minerale olie, vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, Som1,2dichlooretheen, 1,1-dichlooretheaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, Somdichloorpropaan, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen, bromoform
projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
4
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
4 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL SIKB 2000, conform de protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Evenals de daaraan gekoppelde Nederlandse Eenheidsnormen (NEN). 4.1
Grond
De veldwerkzaamheden zijn door de ervaren KWALIBO erkend persoon dhr. W. Vogels uitgevoerd op 30 april 2018 (uitvoering boringen, plaatsing peilbuis en bemonstering grond). De verklaring van onafhankelijkheid is als bijlage 6 aan dit schrijven toegevoegd. In tabel 4.1 zijn ten behoeve van het onderzoek de uitgevoerde werkzaamheden opgenomen: tabel 4.1 Uitgevoerde werkzaamheden Boring
Diepte [m-mv]
Filterdiepte [m-mv]
B3 en B4
0,5
-
B2
2,0
-
B1
4,3
3,3 – 4,3
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,3 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. Tevens wordt in de ondergrond een sterk zandige leemlaag aangetroffen. In de uitkomende grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen. Voor de complete boorbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 3. De situering van de onderzoekslocatie en de geplaatste boringen en peilbuis is opgenomen in bijlage 2. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. 4.2
Grondwater
De peilbuis is voorafgaande aan de monstername voldoende doorgespoeld. In tabel 4.2 zijn de gegevens hiervan weergegeven: tabel 4.2 Peilbuisgegevens Peilbuisnummer Datum bemonstering Bemonsterd door Diepte grondwaterspiegel [m-mv] Filterstelling [m-mv] Toestroming Beluchting Zuurgraad [pH] Elektrische geleidbaarheid [Ec, S/cm] Troebelheid (NTU) Waargenomen afwijkingen Drijflaag
4.3
B1 6 april 2018 Dhr. W. Vogels en dhr. T. van der Staak 2,8 3,3 – 4,3 goed niet belucht 6,03 317 8,2 geen geen
Afwijkingen BRL SIKB 2000 protocollen 2001 en 2002
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen opgetreden in het kader van de BRL SIKB 2000 protocollen 2001 en 2002. Opgemerkt wordt dat de troebelheid niet op de onderzoekslocatie is gemeten maar ten kantore van Lankelma te Oirschot. Het grondwatermonster wordt pas dan genomen, wanneer conform de NEN5744 en het protocol 2002 is voldaan aan de overige gestelde eisen. Het meten van de troebelheid vindt als laatste handeling plaatst, voorafgaande aan de daadwerkelijke monstername van het grondwater. Deze laatste stap wordt door Lankelma dus omgedraaid. Hetgeen verder niet van invloed kan zijn op de daadwerkelijk gemeten waarde. Derhalve wordt dit niet als een kritieke afwijking beschouwd.
projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
5
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek 5.1
Samenstelling en analyseparameters
De grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn in het laboratorium van SYNLAB te Rotterdam (door de RvA erkend) chemisch geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000. In tabel 5.1 is inzichtelijk gemaakt hoe de betreffende grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens zijn in tabel 5.2 de resultaten van het grondwateronderzoek weergegeven. De analysecertificaten zijn weergegeven in bijlage 4. De resultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden en weergegeven in bijlage 5. 5.2
Toetsingscriteria
Teneinde de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters getoetst aan de richtlijnen die zijn vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (de zogenaamde generieke referentiewaarden). 5.2.1 Generiek referentiekader Wet bodembescherming (Wbb) De gehalten en concentraties van de milieuschadelijke stoffen in respectievelijk de grond- dan wel grondwatermonsters worden gerelateerd aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering (Per 1 juli 2013), die een onderdeel vormt van de Wet bodembescherming (Wbb). Bij de referentiewaarden wordt onderscheid gemaakt in zogenaamde generieke ofwel landelijke achtergrondwaarden (in geval van grond), streefwaarden (in geval van grondwater) en de interventiewaarden (zowel grond als grondwater): achtergrondwaarde (grond) of S-waarde (grondwater) ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex
=
waarde voor een schone, multifunctionele bodem
=
interventiewaarde of I-waarde
=
Waarde waarbij men een aanvullend/nader onderzoek in overweging dient te nemen ((achtergrond- of streefwaarde + interventiewaarde) / 2) interventiewaarde voor sanering(sonderzoek)
De referentiewaarden voor grond zijn mede afhankelijk gesteld van het gehalte lutum (fractie <2m) en organische stof. Dit betekent dat bij elk (verkennend) bodemonderzoek de gemeten waarden moeten worden omgerekend als zijnde “standaard bodem” (10% organische stof en 25% lutum). De omgerekende waarden worden vervolgens getoetst aan de vigerende referentiewaarden. Ten aanzien van de resultaten van de toetsing wordt in voorliggend rapport de volgende terminologie gehanteerd: licht verhoogd gehalte: gehalte tussen de achtergrondwaarde (grond) c.q. streefwaarde (grondwater) en de ½ (AW+I) waarde; matig verhoogd gehalte: gehalte tussen de ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex en gelijk interventiewaarde; sterk verhoogd gehalte: gehalte groter dan de interventiewaarde. 5.2.2 Generiek referentiekader kader Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Bij het op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) toepassen van een partij grond, volgens het generieke toetsingskader, spelen de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem een belangrijke rol. In verband met hergebruiksmogelijkheden van de grond voor een toepassing als zijnde landbodem, zijn de in de grond(meng)monsters gemeten gehalten indicatief getoetst aan de waarden afkomstig uit de Regeling bodemkwaliteit (Bijlage B, tabellen 1 en 2).
Dit is geschied met behulp van het toetsingsinstrument BoToVa (Bodemtoets- en validatieservice) Ten aanzien van de resultaten van de toetsing wordt in voorliggend rapport de volgende terminologie gehanteerd: achtergrondwaarden: grond die vrij toepasbaar is bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit; wonen: grond kan worden toepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten ‘wonen’ en ‘industrie’; industrie: grond kan worden toegepast bij bodemfunctie en bodemkwaliteit ‘industrie’; niet toepasbaar: grond kan niet elders worden toegepast en dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker. projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
6
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
5.3
Toetsingen
5.3.1 Grond In tabel 5.1 zijn alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de concentraties de betreffende achtergrondwaarden overschrijden. tabel 5.1 Resultaten grondonderzoek Monsternr. MM1 MM2
Boringnr. (cm-mv) B1 (0-50) B2 (0-50) B3 (0-50) B4 (0-50) B1 (50-80) B1 (80-130) B2 (50-70) B2 (70-120) Verklaring gebruikte afkortingen: voldoet aan bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde 2000 voldoet aan bodemkwaliteitsklasse maximale waarde wonen voldoet aan bodemkwaliteitsklasse maximale waarde industrie voldoet aan bodemkwaliteitsklasse niet toepasbaar indicatief getoetst aan Besluit bodemkwaliteit
AW WO IND NT Bbk
Analyse
Parameters >AW
NEN5740 grond NEN5740 grond
Zink -
* **
Toets (Wbb) * -
Bbk AW AW
Verklaring van de tekens: groter dan AW en kleiner of gelijk aan de bodemindex
***
groter dan bodemindex (0,5) en kleiner of gelijk interventiewaarde groter dan interventiewaarde
-
gehalte niet verhoogd t.o.v. AW dan wel detectiegrens
5.3.2 Grondwater In tabel 5.2 zijn alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de concentraties de betreffende streefwaarden overschrijden. tabel 5.2 Resultaten grondwateronderzoek Monsternr.
Analyse
Parameters >SW
Toets (Wbb)
B1
NEN5740 grondwater
Barium
*
Verklaring van de tekens: * ** *** -
5.4
groter dan streefwaarde en kleiner of gelijk ½ (streefwaarde+I) waarde groter dan ½ (SW+I) waarde en kleiner of gelijk interventiewaarde groter interventiewaarde gehalte niet verhoogd t.o.v. streefwaarde dan wel detectiegrens
Verklaring analyseresultaten
Grond In grondmengmonster MM1 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte met zink aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de achtergrondwaarde, doch overschrijdt de interventiewaarde niet. In grondmengmonster MM2 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B1 is analytisch een licht verhoogd gehalte met barium aangetoond. Deze overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde.
projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
7
verkennend bodemonderzoek, Weteringstraat ong. te Loon op Zand
6 Conclusie en aanbeveling In opdracht van Van Dun Advies BV heeft Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de Weteringstraat ong. te Loon op Zand. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). 6.1
Conclusie
Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,3 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. Tevens wordt in de ondergrond een sterk zandige leemlaag aangetroffen. In de uitkomende grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de bovengrond is analytisch een licht verhoogd gehalte met zink aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de achtergrondwaarde, doch overschrijdt de interventiewaarde niet. In de ondergrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Grondwater In het grondwater is analytisch een licht verhoogd gehalte met barium aangetoond. Deze overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.
Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten formeel worden aanvaard. 6.2
Aanbeveling
Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de grond indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld; het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.
projectnummer: 1800889, d.d. 20 april 2018
8