TOE Bijlage 7 Quickscan flora en fauna bedrijfslocatie
Tekst van het document
7.3
Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk)
Het plangebied waar de uitbreiding van het bedrijf gepland staat, grenst direct aan het Gelders Natuurnetwerk (hierna GNN). Het compensatiegebied ligt binnen de begrenzing van het NNN. Omdat binnen het compensatiegebied de GNN enkel versterkt wordt, zijn negatieve effecten op het GNN en GO binnen dit gebied uitgesloten. Er wordt daarom enkel gefocust op het bedrijfsperceel, dat zoals gezegd buiten de begrenzing van het GNN ligt. Doordat het GNN echter geen externe werking kent, zijn negatieve effecten van de voorgenomen plannen op de kernkwaliteiten van het GNN uitgesloten. Wel ligt het bedrijfsperceel in de Groene Ontwikkelingszone (GO) en daarnaast in een ecologische verbindingszone. Om deze reden wordt nader ingegaan op de mogelijke effecten op de GO. In navolgende afbeelding wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van het GNN en GO weergegeven.
Afbeelding 7.2: Indicatieve ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het GNN (groen), het GO (geel) en de ecologische verbindingszone (gearceerd). Bron: PDOK, 2022. Bewerking: Natuurkompas, 2022.
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
24
Effectbeoordeling Kernkwaliteiten De GO is in Gelderland ingedeeld in verschillende deelgebieden. Per deelgebied heeft de provincie gedefinieerd wat de ontwikkelingsdoelen van het betreffende deelgebied zijn en waarop deze betrekking hebben. De projectlocatie is gelegen in deelgebied 0, Dortherbeek. In bijlage 1 is een beschrijving van de gedefinieerde ontwikkelingsdoelen van dit gebied opgenomen. Van deze gedefinieerde kernkwaliteiten heeft slechts één kernkwaliteit betrekking op het plangebied. Deze staat hieronder weergegeven. Leefgebied das De das komt voor in de omgeving van het plangebied en het plangebied zelf kan sporadisch door een das doorkruist worden. Het zuidelijk deel van het plangebied (het agrarisch grasland) kan daarnaast fungeren als marginaal foerageergebied voor de das. De aanwezigheid van burchten en essentieel foerageergebied is echter uitgesloten. Met de voorgenomen herinrichting van het erf is geen sprake van een onderbreking in het landschap of ruimtebeslag op essentieel foerageergebied. In de uiteindelijke gebruiksfase wordt het erf op de grenzen ook voorzien van hagen en bomen, waardoor de toekomstige situatie voor de das juist verbeterd. De soort foerageert namelijk graag in kleinschalig landschap dat is omsloten door hagen en bomen.
Het zuidelijke graslandperceel zal in de toekomst daarmee nog steeds (en mogelijk beter) kunnen fungeren als foerageergebied voor de das. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op het leefgebied van de das. Ontwikkelingsdoelen Naast de genoemde kernkwaliteiten zijn er ook diverse ontwikkelingsdoelen gesteld voor het betreffende deelgebied (zie bijlage 1). De gestelde ontwikkelingsdoelen hebben echter geen betrekking op het plangebied of de toekomstige inrichting. Negatieve effecten van de voorgenomen plannen op deze doelen zijn dan ook uitgesloten. Conclusie Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging enerzijds en uitbreiding van bestaande bestemmingen anderzijds. Vervolgens wordt een onderscheid gemaakt naar de schaal van de ingreep en daarmee naar het effect ervan op de kernkwaliteiten.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: • geen reële alternatieven aanwezig zijn; • sprake is van redenen van groot openbaar belang; • de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; • de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen (tot 30 procent) mogelijk worden gemaakt, mits: • de betreffende activiteit landschappelijk wordt ingepast; • de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast. Bij de beoordeling van de effecten op kernkwaliteiten in de GO is het steeds van belang dat oppervlakte en ecologische samenhang niet worden aangetast dan wel substantieel worden versterkt. Daar waar het geluidbelasting, licht en verstoring van rust betreft, kan het voorkomen dat bij uitbreiding van een functie een beperkte toename niet te vermijden is.
Alhoewel uitgangspunt is dat die beperkte aantasting zo veel mogelijk wordt voorkomen kan - in gevallen waarin dit niet mogelijk blijkt - door een toename in oppervlakte natuur en verbetering van de ecologische samenhang, toch een positief saldo worden bereikt.
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
25
De voorgenomen plannen betreffen de uitbreiding van een bestaande bestemming. De uitbreiding leidt niet tot aantasting van aangewezen kernkwaliteiten en/of ontwikkelingsdoelen van het GO, waardoor deze geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het betreft echter geen kleinschalige uitbreiding. Aangezien het hier een uitbreiding betreft van meer dan dertig procent (in oppervlakte), verlangt de gemeente Lochem dat de kernkwaliteiten van het gebied versterkt worden. Dit moet verankerd worden in het bestemmingsplan. Hiertoe wordt een ruimtelijk kwaliteitsplan en inrichtings- en beheerplan opgesteld.
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
26
8
Conclusies
8.1
Soortbescherming
In het kader van de Wnb is nagegaan of er met de voorgenomen plannen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten worden aangetast. De voorgenomen plannen kunnen leiden tot biotoopverlies of verstoring. Plannen die ertoe leiden dat het plangebied minder geschikt is als foerageergebied voor dieren zijn niet ontheffingsplichtig, tenzij er in de onmiddellijke omgeving van het plangebied geen alternatieve geschikte foerageergebieden aanwezig zijn. Daarnaast is nagegaan of de plannen leiden tot negatieve effecten op beschermde gebieden. Hierbij is gekeken naar zowel Natura 2000-gebieden als gebieden die onderdeel vormen van het Gelders Natuurnetwerk.
Algemeen voorkomende soorten Binnen het plangebied komt een aantal algemeen voorkomende soorten voor. Deze soorten vallen allemaal onder art. 3.10 van de Wnb. Voor deze soorten heeft de provincie Gelderland een vrijstelling afgegeven voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat voor de werkzaamheden geen ontheffing voor deze soorten nodig is. Strikt beschermde soorten Voor soorten van art. 3.10 van de Wnb en waarvoor geen vrijstelling is afgegeven en voor soorten van art. 3.5 of 3.1, geldt dat bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffing moet worden aangevraagd. Van de hieronder vallende soorten komen de das, steenmarter, vleermuizen en algemene broedvogelsoorten mogelijk voor in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt mogelijk marginaal foerageergebied voor de das. Met de voorgenomen plannen blijft het grasland behouden. Bovendien wordt het grasland in de toekomst beter afgeschermd van het erf door een brede haag van inheemse struikensoorten. Hierdoor kan het grasland ook in de toekomst fungeren als foerageergebied voor de das. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat de steenmarter een verblijfplaats heeft in één van de bergen met puin op het achterterrein. Met de voorgenomen plannen blijven dergelijke bergen met puin ook in de toekomst aanwezig.
Hoewel een eventuele bestaande verblijfplaats niet continue op dezelfde locatie aanwezig zal zijn, biedt het plangebied altijd diverse alternatieve verblijfplaatsen voor de steenmarter. Negatieve effecten op de steenmarter zijn dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het dak van de woning kan fungeren als verblijfplaats voor diverse vleermuissoorten. De voorgenomen plannen voorzien echter niet in werkzaamheden aan de woning, waardoor is uitgesloten dat er sprake is van negatieve effecten op vleermuizen. Algemeen voorkomende broedvogels Bij start van de werkzaamheden in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord of gedood en/of nesten worden aangetast. Dit is een overtreding van art. 3.1, lid 1 en 2 van de Wnb. Hiervoor kan geen ontheffing worden aangevraagd. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op te starten en continu door te laten lopen, worden negatieve effecten op broedvogels voorkomen. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wnb. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden opgestart, moet een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied inspecteren op aanwezigheid van broedgevallen.
8.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de tussenliggende verstorende elementen (zoals de bebouwde kom van Holten en de A1) met bijbehorende bestaande
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
27
achtergrondverstoring en de omvang van het bedrijf zijn verstorende effecten op voorhand uit te sluiten. Enkel verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie kan niet worden uitgesloten. Voor verzuring en vermesting (stikstofdepositie) gold dat met ingang van 1 juli 2021 er sprake is van een partiële vrijstelling Natura 2000-vergunningsplicht voor de bouw- en infrasector. Op 2 november heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State echter geoordeeld dat de partiële bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Dat betekent dat voor de effecten van aanlegfase en sloop van projecten die nog niet vergund zijn (omgevingsvergunning en/of natuurvergunning Wnb) niet op de partiële bouwvrijstelling geleund kan worden. Er dient dan ook een AERIUS-berekening aangeleverd te worden voor de uitbreiding van de inrichting van het erf (realisatiefase). Aangezien het uitvoeren van de bedrijfswerkzaamheden niet is vergund, is het ook hiervoor noodzakelijk om een AERIUS-berekening op te stellen (gebruiksfase). Indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige instandhoudingsdoelstellingen dient een onderbouwing opgesteld te worden hoe negatieve effecten op deze instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden voorkomen.
Gelders Natuurwerknetwerk en de Groene Ontwikkelingszone Het plangebied maakt geen deel uit van het Gelder Natuurnetwerk, maar grenst er direct aan. Daar het GNN geen externe werking kent, zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de kernkwaliteiten van het GNN uitgesloten. Het plangebied maakt wel onderdeel uit van de GO. Hoewel één van de kernkwaliteiten (leefgebied das) van toepassing is op een deel van het plangebied, leiden de ontwikkelingen niet tot negatieve effecten op dit leefgebied. Negatieve effecten van de voorgenomen plannen op de aangewezen kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen zijn dan ook uitgesloten. Het voornemen valt echter niet onder de noemer kleinschalige uitbreiding. Aangezien het hier een uitbreiding betreft van meer dan dertig procent (in oppervlakte), verlangt de gemeente Lochem dat de kernkwaliteiten van het gebied versterkt worden. Dit moet verankerd worden in het bestemmingsplan. Hiertoe wordt een ruimtelijk kwaliteitsplan en inrichtings- en beheerplan opgesteld te worden.
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
28
Literatuurlijst •
Bos, F., Wasscher, M. & Reinboud, W., 2007. Veldgids libellen, 5e volledig herziene druk. KNNV Uitgeverij, Zeist.
•
Broekhuizen, S., Hoekstra, B., van Laar, V., Smeenk, C. & Thissen, J.B.M., 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren, uitgeverij KNNV, Utrecht.
•
Creemers, R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (RAVON), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden.
•
Dienst Regelingen, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten.
•
Dietz, C., von Helversen, O. & Nill, D., 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, uitgeverij De Fontein|Tirion Uitgevers B.V., Utrecht.
•
Limpens, H., Mostert, K. & Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, uitgeverij KNNV, Utrecht.
•
SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European Invertebrate Survey Nederland, Leiden.
Websites • Website Stichting Anemoon (www.anemoon.org). • Website Atlas voor de leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl) • Website Eis-Nederland (www.eis-nederland.nl). • Website FLORON (www.verspreidingsatlas.nl). • Website Provincie Gelderland (www.gelderland.nl). • Website RAVON (www.ravon.nl). • Website Rijksoverheid (www.rijksoverheid.nl). • Website Vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl). • Website Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl).
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
29
Bijlage 1 Kernkwaliteiten Dortherbeek Natuur en landschap • Kleinschalig kampenlandschap, Larense Broek grootschaliger; • Enkele landgoederen met oud bos; • Vooral van belang voor dieren en planten van (vochtige) bossen en cultuurlandschappen; • Leefgebied das; • Leefgebied steenuil; • Leefgebied kamsalamander; • Goed voorbeeld van dekzandlandschap, o.a. bij Harfsen; • Exelse Broek weidevogelgebied. Aardkundige waarden Dekzandrug bij Harfsen Waardevol open gebied of verkaveling Exelse Broek Parel Nee Natte landnatuur Landgoed Dorth, ‘t Joppe
Ontwikkelingsdoelen Natuur en landschap GNN (omvorming, natuurontwikkeling) • Ontwikkelen van oude vochtige en droge loofbossen Natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone • Ontwikkelen van ecologische verbinding Dortherbeek: gradiënten naar de beken met waterloopjes en poelen, schraallanden, ruigtes en opgaande singels en houtwallen; • Ontwikkelen meer samenhang tussen en kwaliteit van bosgebieden en landschapselementen • Verdichting met lijnvormige gebiedseigen landschapselementen en vochtige bosjes Ecologische verbindingen met evz-model Dortherbeek, verbindt de landgoederen onderling en met Salland en het IJsseldal: das, kamsalamander, winde
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
30