CConstaterende datLochem
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bijlage 7 Quickscan flora en fauna bedrijfslocatie

Raadsvergadering 11 november 2025, gemeente LochemBij agendapunt: Vaststelling bestemming Levenkamp 5 Laren10.129 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Flora- en faunaquickscan op een planlocatie aan de Levenkamp 5 te Laren Toetsing aan de Wet natuurbescherming

Flora- en faunaquickscan op een planlocatie aan de Levenkamp 5 te Laren

Colofon: Opdrachtgever:

Bonekamp Advies

Tekst en foto’s:

J.H.S. Rijsdijk MSc.

Rapportkenmerk:

R22024-03

Status rapport:

Definitief

Datum:

01-05-2025

Contact:

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies Ugchelseweg 86 7339 CL Ugchelen 06-15383223 info@natuurkompas.nl www.natuurkompas.nl

© Natuurkompas. Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie of anderszins noch mag het zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Natuurkompas is niet verantwoordelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurkompas. De opdrachtgever vrijwaart Natuurkompas voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding .......................................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding .............................................................................................................................. 3

1.2

Doel ......................................................................................................................................... 3

1.3

Leeswijzer .............................................................................................................................. 3

Beleidskader .................................................................................................................................. 4 2.1

Inleiding Wet natuurbescherming....................................................................................... 4

2.2

Soortbescherming................................................................................................................. 4

2.3

Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 5

Plangebied en werkzaamheden ................................................................................................. 9 3.1

Beschrijving onderzoeksgebied .......................................................................................... 9

3.2

Geplande werkzaamheden ............................................................................................... 11

Werkwijze ..................................................................................................................................... 13 4.1

Soortbescherming............................................................................................................... 13

4.2

Gebiedsbescherming ......................................................................................................... 13

Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................................... 14 5.1

Vaatplanten.......................................................................................................................... 14

5.2

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................. 14

5.3

Vleermuizen ......................................................................................................................... 16

5.4

Vogels ................................................................................................................................... 17

5.5

Reptielen en amfibieën ...................................................................................................... 18

5.6

Overige beschermde soorten............................................................................................ 18

5.7

Samenvatting....................................................................................................................... 19

6

Mitigatie en vervolgstappen ...................................................................................................... 21

7

Gebiedsbescherming ................................................................................................................. 22

8

7.1

Natura 2000-gebieden ....................................................................................................... 22

7.2

Storingsfactoren .................................................................................................................. 23

7.3

Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) ..................................................... 24

Conclusies ................................................................................................................................... 27 8.1 Soortbescherming ............................................................................................................... 27

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

1

8.2 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 27 Literatuurlijst ............................................................................................................................................ Bijlage 1 Kernkwaliteiten Dortherbeek ................................................................................................

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

2

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om het bestaande bedrijf Atop Recycling uit te breiden. Hiervoor dient tevens een wijziging van het bestemmingsplan plaats te vinden. Vanuit de Wet natuurbescherming is het verplicht om voorafgaand aan dergelijke werkzaamheden het plangebied te laten onderzoeken op mogelijke aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten. Dit vindt plaats in de vorm van een flora- en faunaquickscan. In een flora- en faunaquickscan worden de (mogelijke) effecten op beschermde dier- en plantensoorten in kaart gebracht. In deze quickscan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde dier- en plantensoorten. Indien dit niet uit te sluiten is, moet mogelijk nader onderzoek plaatsvinden, mitigerende (verzachtende) maatregelen getroffen worden en/of eventueel een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Natuurkompas is door Bonekamp Advies gevraagd een floraen faunaquickscan uit te voeren om de effecten van de voorgenomen plannen op eventueel aanwezige beschermde dier- en plantensoorten in kaart te brengen. Er wordt hierbij ingegaan op het soortbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming. Ook wordt kort ingegaan op het aspect gebiedsbescherming.

Voorliggende flora- en faunaquickscan is gebaseerd op een gebiedsanalyse, beschikbare verspreidingsgegevens van beschermde plant- en diersoorten en een biotoopinschatting die is gemaakt tijdens een verkennend veldonderzoek.

1.2

Doel

1.3

Leeswijzer

Deze flora- en faunaquickscan geeft antwoord op de volgende vragen: • Welke onder de Wet natuurbescherming beschermde dier- en plantensoorten komen (mogelijk) voor in het plangebied? • Welke negatieve effecten kunnen deze soorten ondervinden door de ingreep? • Welke negatieve effecten kunnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden ondervinden door de ingreep? • Leidt de ingreep tot negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Is er als gevolg van de voorgenomen plannen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming? • Is nader onderzoek noodzakelijk? • Is het treffen van mitigerende maatregelen noodzakelijk? • Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

Deze rapportage is ingedeeld in verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader, de Wet natuurbescherming, toegelicht. In hoofdstuk 3 worden de ligging van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden doorgenomen, waarna in hoofdstuk 4 de werkwijze wordt toegelicht. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van de flora- en faunaquickscan beschreven en worden de effecten van de voorgenomen ingreep bepaald. In hoofdstuk 6 worden mitigerende maatregelen beschreven waarmee negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden voorkomen. De toetsing aan gebiedsbescherming is beschreven in hoofdstuk 7. De toetsing wordt afgesloten met een conclusie in hoofdstuk 8. Eventuele relevante (verspreidings)literatuur is opgenomen in een literatuurlijst.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

3

2

Beleidskader

2.1

Inleiding Wet natuurbescherming

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op voor de voorgenomen ingreep relevante natuurwetgeving en het natuur- en soortenbeleid van de diverse overheden. In deze rapportage wordt ingegaan op hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk is de soortbescherming vastgelegd. Daarnaast wordt kort het beleidskader voor gebiedsbescherming geschetst.

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is de bescherming en ontwikkeling van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Op termijn gaat de Wet natuurbescherming op in de Omgevingswet. De in werking treden van de Omgevingswet is voorzien op 1 juli 2022. De uitwerking van de Wet natuurbescherming is vastgelegd in de Regeling Natuurbescherming en het Besluit Natuurbescherming. De Provincie Gelderland, waar dit project plaatsvindt, heeft de volgende relevante verordeningen en regelingen voor natuurbescherming vastgesteld: • Omgevingsverordening Gelderland • Omgevingsvisie Gelderland De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden).

2.2

Soortbescherming

De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) kent een apart hoofdstuk waarin de soortbescherming is vastgelegd. De Wnb kent 4 beschermingsregimes voor soorten: • art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; • art 3.5: bescherming van dieren en planten die in de bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten genoemd’; • art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving. • Algemene zorgplicht zoals verwoord in artikel 1.11. In de genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de tevens in dat artikel genoemde verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen uit de Wnb zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de Ffwet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten/voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden1.

Daarnaast is de lijst met beschermde soorten gewijzigd: naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wnb. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen.

1 De term jaarrond beschermde nesten (met een verdeling in 5 categorieën) is niet in de wet genoemd. De verwachting is wel dat uitwerking van dit onderwerp door provincies gevolgd gaat worden.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

4

Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). Onder de Wnb zal voor deze soorten een ontheffingsplicht gaan gelden, behalve als het bevoegd gezag, de Provincie of ministerie van LNV, door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. De bevoegdheid voor het verlenen van een ontheffing of vrijstelling wordt overgeheveld naar de provincie 2. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen middels een verordening. Provincie Gelderland heeft in januari 2017 de provinciale verordening en vrijstelling gepubliceerd. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën in geval van ruimtelijke ontwikkeling. Deze soorten stonden voorheen op tabel 1 van de Flora- en faunawet. Zorgplicht soortenbescherming Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb art. 1.11.

Deze plicht houdt in dat een ieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.

2.3

Gebiedsbescherming

Bescherming van gebieden verloopt over twee sporen, namelijk via de Wnb voor Natura 2000-gebieden en via een planologisch beschermingsregime voor het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige EHS (hierna: NNN). Hieronder worden beide beknopt toegelicht. Natura 2000 Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden. Naast beschermde Natura 2000gebieden was er vroeger ook sprake van Beschermde Natuurmonumenten. Deze zijn niet meer als zodanig beschermd en zijn, indien zij niet zijn opgenomen in een Natura 2000-gebied, al dan niet onder het NNN geschaard en als zodanig planologisch beschermd. Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog zijn aangemeld), te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op opstandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). In Aanwijzingsbesluiten wordt door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd.

Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

2 Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang).

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

5

De instandhoudingsdoelstellingen ofwel Natura 2000-doelen, geven een concretisering van de hoofddoelstelling van het Natura 2000-netwerk voor Nederland. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de Natura 2000-beheerplannen wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen willen realiseren. Het aanwijzingsbesluit definieert naast de instandhoudingsdoelstellingen de precieze omvang en begrenzing van het aangewezen gebied. Provincies en Rijksoverheid zijn verantwoordelijk voor de realisatie van maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Aanwijzingsbesluiten hebben een onbepaalde looptijd en worden vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Niet enkel activiteiten binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd.

Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Voor de vergunningverlening betekent dat ook voor activiteiten buiten het gebied getoetst moeten worden in het kader van de Wnb. Natuurnetwerk Nederland Met het oog op artikel 1.12, lid 1 van de Wnb draagt de provincie Gelderland zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, het NNN (in Gelderland het Gelders Natuurnetwerk, GNN, genoemd). Het GNN bestaat uit alle bestaande bos- en natuurbestemmingen binnen de voormalige EHS. Om de samenhang van de bestaande natuur in het GNN te beschermen heeft de provincie de Groene Ontwikkelingszone (GO) aangewezen. De GO is een zone die bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het GNN en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. GNN Bestemmingswijzigingen binnen het GNN zijn in principe niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn buiten het GNN.

Deze formulering is zo gekozen omdat een nieuwvestiging altijd gepaard gaat met oppervlakteverlies, hetgeen altijd een significant negatief effect op de kernkwaliteiten met zich brengt. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor ingrepen die van groot openbaar belang zijn. Is dat het geval dan kan een ingreep slechts doorgaan indien schade zoveel mogelijk wordt voorkomen en de resterende nadelige effecten volledig worden gecompenseerd. Bij deze categorie ingrepen mag de compensatie ook op afstand van de ingreep plaatsvinden. In alle gevallen waarin een significante aantasting niet bij voorbaat kan worden uitgesloten, zal de initiatiefnemer van een grootschalige ontwikkeling of een combinatie van ontwikkelingen binnen het GNN, de effecten van deze ontwikkelingen op de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het GNN moeten onderzoeken. De kernkwaliteiten die gelden binnen het GNN zijn neergelegd in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO, en de omgevingsverordening. Hierbij gaat het niet alleen om de aanwezige natuurwaarden, maar ook om de nagestreefde natuurwaarden en de bijbehorende milieucondities. Een ontwikkeling kan een significante aantasting van de kernkwaliteiten tot gevolg hebben, indien deze leidt tot: • een vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen zijn voor nieuwe natuur.

Onder landschapselementen verstaan wij onder andere heggen, houtwallen, bosjes, poelen en solitaire bomen; • een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren tussen de verschillende leefgebieden in delen van het GNN;

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

6

• • • • • • •

een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor conform de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing is vereist en als zodanig worden genoemd in de AMvB Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet; een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid); een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden; een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming; een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten; een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting; Een toename van de verstoring door licht. Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

Bij de beoordeling van de effecten op kernkwaliteiten in het GNN is het steeds van belang dat oppervlakte en ecologische samenhang niet worden aangetast dan wel substantieel worden versterkt. Daar waar het geluidbelasting, licht en verstoring van rust betreft, kan het voorkomen dat bij uitbreiding van een functie een beperkte toename niet te vermijden is. Alhoewel uitgangspunt is dat die beperkte aantasting zo veel mogelijk wordt voorkomen kan - in gevallen waarin dit niet mogelijk blijkt - door een toename in oppervlakte natuur en verbetering van de ecologische samenhang, toch een positief saldo worden bereikt. Indien is aangetoond dat geen reële alternatieven bestaan voor een ontwikkeling binnen het GNN, dient vervolgens te worden onderzocht of deze significante gevolgen kunnen worden voorkomen (gemitigeerd). Hierbij kan onder andere worden gedacht aan maatregelen met betrekking tot de inpassing van de ontwikkeling in de omgeving. Indien mitigatie niet of onvoldoende mogelijk is, wordt toegekomen aan compensatie. Hierbij gaat het om de realisatie van een nieuw areaal natuur. Compensatie dient te worden gerealiseerd in of nabij de GO en vindt bij voorkeur in de nabijheid van de ingreep plaats, mits zodoende een duurzame situatie ontstaat.

GO

De GO heeft een dubbeldoelstelling: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. De kernkwaliteiten van de GO bestaan uit de aanwezige ecologische waarden, de ecologische samenhang met inliggende en aangrenzende natuur van het GNN, de geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid en de landschappelijke waarden. De bestaande en te ontwikkelen kwaliteiten zijn beschreven in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO, en in de omgevingsverordening. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging enerzijds en uitbreiding van bestaande bestemmingen anderzijds. Vervolgens wordt een onderscheid gemaakt naar de schaal van de ingreep en daarmee naar het effect ervan op de kernkwaliteiten.

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: • geen reële alternatieven aanwezig zijn; • sprake is van redenen van groot openbaar belang; • de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; • de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

7

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen (tot 30 procent) mogelijk worden gemaakt, mits: • de betreffende activiteit landschappelijk wordt ingepast; • de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast. Bij de beoordeling van de effecten op kernkwaliteiten in de GO is het steeds van belang dat oppervlakte en ecologische samenhang niet worden aangetast dan wel substantieel worden versterkt. Daar waar het geluidbelasting, licht en verstoring van rust betreft, kan het voorkomen dat bij uitbreiding van een functie een beperkte toename niet te vermijden is. Alhoewel uitgangspunt is dat die beperkte aantasting zo veel mogelijk wordt voorkomen kan - in gevallen waarin dit niet mogelijk blijkt - door een toename in oppervlakte natuur en verbetering van de ecologische samenhang, toch een positief saldo worden bereikt.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

8

3

Plangebied en werkzaamheden

3.1

Beschrijving onderzoeksgebied

Het plangebied is gelegen aan de Levenkamp 5 te Laren, gemeente Lochem, in de provincie Gelderland. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Laren, in een voornamelijk agrarische omgeving. De directe omgeving van Laren wordt gekenmerkt door agrarische percelen, afgewisseld met bosgebieden. Ten zuiden van de bebouwde kom van Laren bevindt zich het Twentekanaal. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Levenkamp, aan de zuidzijde aan een bosgebied, in het westen aan een zandpad met aan de overzijde een bosgebied en in het noorden aan het erf van Levenkamp nr. 7 en 7A (zie ook afbeelding 3.1).

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

9

Afbeelding 3.1: Boven: Globale ligging van het plangebied met in rood de plangebiedsgrenzen. Onder: Topografische kaart met ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: PDOK, 2022. Bewerking: Natuurkompas, 2022.

In de huidige situatie is het plangebied deels bebouwd en verhard. Het niet-verharde deel bestaat overwegend uit agrarisch grasland. Op het perceel is een woning aanwezig met vier bedrijfsgebouwen. Het betreft een kapschuur, een werktuigenberging, een werkplaats voor melktransportvoertuigen en een schuur. Zowel de woning als de bedrijfsgebouwen worden niet gesloopt of gerenoveerd. Om deze reden wordt niet nader ingegaan op de bebouwing. Het achterste deel van het erf is in gebruik als op- en overslag van onder andere bouw- en sloopafval, zand en grind. In onderstaande afbeeldingen (afbeelding 3.2) wordt een korte impressie van het plangebied gegeven ten tijde van het veldbezoek.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

10

Afbeelding 3.2: Impressie van het plangebied. Van linksboven naar rechtsonder: Het achterterrein, een opslagbunker, het zuidelijk deel van het achterterrein, het noordelijk deel van het achterterrein, het westelijk deel van het achterterrein en enkele puinbulten. Foto’s: Natuurkompas, 2022.

3.2

Geplande werkzaamheden

Op het perceel rust thans de bestemming “Bedrijf”, met de aanduiding “gebiedsgebonden bedrijf”. Een deel van de werkzaamheden van het bedrijf Atop is binnen het huidige bestemmingsplan reeds vergund. Enkele werkzaamheden passen echter niet binnen het huidige bestemmingsplan. Daarnaast is het huidige bestemmingsvlak bedrijfsterrein (ca. 8.200 m2) te klein voor de activiteiten. Aan de zuidwestzijde is in de afgelopen jaren een deel van de agrarische gronden in gebruik genomen voor de opslag van diverse goederen, machines en materieel. Het is dan ook noodzakelijk dat dit gedeelte van ca. 3.150 m2 wordt toegevoegd aan het bedrijfsterrein. Om deze reden dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld, waarin de werkzaamheden en uitbreiding van het bedrijfsperceel wordt gelegaliseerd. Daarnaast is het noodzakelijk om de opslagbunkers voor grondstoffen (zand, grind, grond, granulaat, etc.) uit te breiden zodat de voorraad beter aansluit op vraag en aanbod. Het achterterrein wordt hiertoe opnieuw ingericht en verhard. Om het bedrijfsterrein landschappelijk goed in te passen wordt een grondwal langs de grenzen van het opslagterrein aangelegd. Deze wordt aangeplant met een brede haag van inheemse struikensoorten, zie ook afbeelding 3.3.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

11

Afbeelding 3.3: Impressie van de herinrichting van het plangebied. Bron: De Erfontwikkelaar, 2025.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

12

4

Werkwijze

4.1

Soortbescherming

De flora- en faunaquickscan is gebaseerd op een habitatinschatting. Met behulp van atlasgegevens van onder andere de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al., 1992), De Amfibieën en Reptielen van Nederland (Creemers et al., 2009), Atlas van de Nederlandse Vleermuizen (Limpens et al., 1997) en verschillende websites met verspreidingsgegevens en overige informatie (www.ndff.nl, www.ravon.nl, www.zoogdiervereniging.nl en www.verspreidingsatlas.nl) is op voorhand ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen. Op 26 oktober 2022 heeft Natuurkompas het plangebied en de directe omgeving bezocht voor een floraen faunaquickscan. Ten tijde van het veldbezoek was het halfbewolkt, droog en lag de temperatuur rond de 16°C. met een windkracht van 0 á 1 Bft. Doel van de quickscan is om een indruk te krijgen van de aanwezige habitats en deze te beoordelen op hun geschiktheid voor beschermde dier- en plantensoorten. Ook is er gekeken naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermde planten en dieren. Met betrekking tot zoogdieren is speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen, prooiresten en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Vanwege het eenmalige karakter geeft het veldbezoek slechts een globaal beeld van de aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

Het veldbezoek heeft daarmee nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Zowel het tijdstip (buiten het actieve dagdeel van diverse diergroepen als vleermuizen en uilen) als het eenmalige karakter is hiervoor niet toereikend.

4.2

Gebiedsbescherming

De Wnb biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken respectievelijk instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Het kunnen zowel activiteiten binnen als buiten het betreffende Natura 2000-gebied betreffen. De Wnb kent een zogenaamde externe werking, waardoor ook moet worden nagegaan of activiteiten buiten het Natura 2000-gebied negatieve effecten kunnen hebben op de voor dat gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer er geïntensiveerd gebruik of andere relevante wijzigingen plaatsvinden, is het nodig om te toetsen of de voorgenomen werkzaamheden niet leiden tot aantasting van de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. In dit kader wordt onderzocht of de ontwikkeling een schadelijke handeling betreft en of (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Dit wordt een voortoets genoemd. In voorliggend rapport is geen volledige voortoets uitgevoerd. Wel is onderzocht of het noodzakelijk is om een voortoets op te stellen. Daarnaast wordt ook ingegaan op het GNN en de GO.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

13

5

Resultaten en effectbeoordeling

In het kader van de Wnb moet er getoetst worden of er bij een ruimtelijke ingreep mogelijk negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten plaatsvinden. De voorgenomen plannen zouden kunnen leiden tot biotoopverlies of verstoring. In dit hoofdstuk wordt besproken welke beschermde soorten (mogelijk) voorkomen in het plangebied en welke effecten zij ondervinden van de voorgenomen ingreep.

5.1

Vaatplanten

Uit de verspreidingsgegevens zijn geen waarnemingen van beschermde vaatplanten bekend. Tijdens het veldbezoek zijn enkele algemene plantensoorten zoals smalle weegbree (Plantago lanceolata), ridderzuring (Rumex obtusifolius), teunisbloem (Oenothera spec.), paardenbloem (Taraxacum officinale), grote brandnetel (Urtica dioica), kropaar (Dactylis glomerata), gestreepte witbol (Holcus lanatus), gewone braam (Rubus fruticosus), koolzaad (Brassica napus) aangetroffen. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Beschermde plantensoorten zijn over het algemeen kritisch qua biotoop en komen overwegend voor in arme tot matig voedselrijke milieus. Het plangebied is volledig in cultuur gebracht en heeft een voedselrijk karakter. De kruidige vegetatie, aanwezig op de niet-verharde delen, is kenmerkend voor een verstoord en voedselrijk milieu. Geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten ontbreekt. Effectbeoordeling Doordat er geen streng beschermde plantensoorten voorkomen binnen het plangebied zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten.

5.2

Grondgebonden zoogdieren

Volgens de verspreidingsgegevens van onder meer de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al., 1992), waarneming.nl en www.verspreidingsatlas.nl komen er in de omgeving van het plangebied algemeen voorkomende soorten voor als de mol (Talpa europaea), ree (Capreolus capreolus) en konijn (Oryctolagus cuniculus). Daarnaast zijn er ook waarnemingen bekend van de strikt beschermde bever (Castor fiber), boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), das (Martes martes), eekhoorn (Sciurus vulgaris) en steenmarter (Martes foina). Gezien de ligging van het plangebied en de aanwezigheid van meerdere bijgebouwen is ook de aanwezigheid van hermelijn (Mustela erminea) en (Mustela nivalis) wezel niet uit te sluiten. Alle genoemde soorten vallen onder art. 3.10 van de Wnb, uitgezonderd de bever. Dit is een Habitatrichtlijnsoort en valt daarmee onder art. 3.5 van de Wnb. Voor algemeen voorkomende soorten als de mol, ree en konijn geldt binnen de provincie Gelderland een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de overige genoemde soorten is geen vrijstelling afgegeven. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) strikt beschermde zoogdieren aangetroffen. Verspreiding Het plangebied is grotendeels verhard en bebouwd. Er is een woning met enkele bedrijfsgebouwen aanwezig. Op het achterste deel van het erf zijn enkele opslagbunkers aanwezig.

Daarnaast zijn enkele storthopen aanwezig van o.a. bouw- en sloopafval. Voor het overige deel maakt het terrein een verruigde indruk. Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. Bomen en struiken ontbreken grotendeels. Enkel op de wal naast de opslagbunkers is een laurierhaag (Prunus laurocerasus) aanwezig. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende soorten zoals huismuis (Mus musculus) en bruine rat (Rattus norvegicus) zijn niet uit te sluiten. Bever De bever komt voor in de overgangszone tussen water en land. De soort wordt aangetroffen in moerassen, langs beken en rivieren en in en rondom meren. Het een soort met een voorkeur voor

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

14

rustige rivieren en meren met op de oever bomen als wilg en es. De aanwezigheid van deze bomen is een vereiste, open en rotsige oevers worden vermeden (www.zoogdiervereniging.nl). Gezien de aard en ligging van het plangebied (grotendeels verhard en bebouwd terrein) en het ontbreken van open water in de directe omgeving wordt de soort niet verwacht. De aanwezigheid van de bever in het plangebied is uit te sluiten. Boommarter De boommarter leeft in bossen van allerlei typen en leeftijden. Als rustplaats gebruiken ze vaak boomholten en konijnen-, vossen- en dassenholen. Ook holtes tussen boomwortels of onder takkenbossen kunnen voldoen als rustplaats. Nesten worden vaak gevonden in oude spechten- en eekhoornholen (www.zoogdiervereniging.nl). Binnen het plangebied zijn bomen afwezig, waardoor de aanwezigheid van boomholten kan worden uitgesloten. Ook geschikte holten of konijn-, vossen- of dassenholen zijn niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter in het plangebied is uit te sluiten. Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen. De soort heeft echter een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt.

Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt de bunzing ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. Als verblijfplaats kan een bunzing gebruik maken van oude holen van konijn, mol, vos en das. Verblijfplaatsen worden echter ook aangetroffen onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. In de winter worden schuilplaatsen gemaakt op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. Soms graaft de bunzing ook zelf een hol (www.zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is nauwkeurig geïnspecteerd op sporen van bewoning door bunzing. Deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bunzing is dan ook uitgesloten. Das Dassen maken hun grote en opvallende holen vaak op droge en zandige plaatsen. Ze maken daarnaast gebruik van vaste looproutes die worden gemarkeerd met uitwerpselen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (wissels, burchten, snuitputjes, mestputjes) aangetroffen van dassen (www.zoogdiervereniging.nl).

Gezien het karakter van het plangebied (deels verhard en bebouwd) worden ook geen vaste rust- of verblijfplaatsen van de soort verwacht. Mogelijk fungeert het grasland in het zuidelijk deel van het plangebied wel als marginaal foerageergebied van de das. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de das in het plangebied is echter uit te sluiten. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk voor in opgaand naaldbos en oud en gemengd bos met veel naaldhout. Hier foerageert de soort op eikels en dennenkegels (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn in het plangebied is uit te sluiten. Steenmarter De steenmarter is een soort die voorkomt in en nabij grote steden, dorpen en boerenerven en lijkt zich aan de menselijke bebouwing te hebben aangepast. Van steenmarters is bekend dat ze rust- en verblijfplaatsen creëren in kruipruimtes en loze ruimtes tussen plafonds, muren en zolders in huizen en andere gebouwen (www.zoogdiervereniging.nl). De bedrijfsgebouwen zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van sporen (uitwerpselen, prooiresten, prenten) van de steenmarter. Deze zijn echter niet waargenomen.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

15

Binnen het plangebied zijn echter ook verschillende bergen puin, klinkers en betonplaten aanwezig waarin zich diverse holten en kieren bevinden. Hierdoor is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter niet uitgesloten. Effectbeoordeling Het plangebied vormt mogelijk marginaal foerageergebied voor de das. Met de voorgenomen plannen blijft het grasland behouden. Bovendien wordt het grasland in de toekomst beter afgeschermd van het erf door een brede haag van inheemse struikensoorten. Hierdoor kan het grasland ook in de toekomst fungeren als foerageergebied voor de das. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat de steenmarter een verblijfplaats heeft in één van de bergen met puin op het achterterrein. Met de voorgenomen plannen blijven dergelijke bergen met puin ook in de toekomst aanwezig. Hoewel een eventuele bestaande verblijfplaats niet continue op dezelfde locatie aanwezig zal zijn, biedt het plangebied altijd diverse alternatieve verblijfplaatsen voor de steenmarter. Negatieve effecten op de steenmarter zijn dan ook uitgesloten. Samengevat zijn negatieve effecten op grondgebonden zoogdiersoorten uitgesloten.

5.3

Vleermuizen

Volgens de verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 1992; Limpens et al., 1997, waarneming.nl en www.verspreidingsatlas.nl) komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en franjestaart (Myotis nattereri). Alle vleermuissoorten vallen onder art. 3.5 van de Wnb en zijn daarmee strikt beschermd. Er is geen vrijstelling mogelijk. Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen. Er wordt onderscheid gemaakt in typen verblijfplaatsen. Er zijn bijvoorbeeld kraamverblijven, paarverblijven en winterverblijven. Boombewonende vleermuizen Tijdens het veldbezoek is het plangebied doorzocht op het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Op het perceel zijn geen bomen aanwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten. Gebouwbewonende vleermuizen Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en achter luiken (BIJ12, 2017; Dietz et al., 2011).

In het plangebied zijn een woning en vier bedrijfsgebouwen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied niet op voorhand is uit te sluiten. De woning is opgetrokken uit baksteen. De woning is voorzien van een wolfskap (in de vorm van een zadeldak) en is voorzien van verbeterde Hollandse dakpannen. De onderste rij pannen eindigt in een goot. De kopse kanten van het dak zijn voorzien van kantpannen. Hierdoor hebben vleermuizen toegang tot het dak en kan de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de woning niet worden uitgesloten. Het betreft hier mogelijk de gewone dwergvleermuis, laatvlieger (Eptesicus serotinus) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) De bedrijfsbebouwing is grotendeels opgetrokken uit (geïsoleerde) damwandprofielen. Deze platen zijn geplaatst op een bakstenen borstwering. De daken bestaan uit golfplaten. Zowel het dak als de wanden bieden geen geschikte wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen. De betreffende gebouwen zijn daardoor ongeschikt voor vleermuizen. De aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de bedrijfsbebouwing kan daardoor worden uitgesloten.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

16

Samenvattend is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten in de woning niet uit te sluiten. Vaste vliegroutes Vleermuizen staan erom bekend dat ze vaak jarenlang gebruik maken van vaste vliegroutes tussen de verblijfplaats en het foerageergebied. Hierbij volgen ze bestaande lijnvormige elementen in het landschap, zoals bomenrijen. Het behoud van dergelijke lijnvormige elementen is cruciaal voor de instandhouding van het leefgebied van vleermuizen. Hoewel de laurierhaag een lijnvormig element vormt, staat deze niet aan beide zijden in verbinding met andere lijnvormige elementen. Hierdoor is de aanwezigheid van een vaste vliegroute binnen het plangebied uit te sluiten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Wanneer dergelijk foerageergebied verloren gaat, verdwijnt de voedselvoorziening van deze vleermuizen waardoor ze hun verblijfplaats mogelijk moeten verlaten.

Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd onder de Wnb Het plangebied vormt mogelijk foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Het is echter niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied vormt voor een populatie vleermuizen. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig van vergelijkbare of betere kwaliteit (in de vorm van bospercelen aan de Wittendijk en de vijver bij Camping de Vrolijk). Het is daarom uitgesloten dat het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Nader onderzoek naar essentieel foerageergebied is niet noodzakelijk. Effectbeoordeling Door het ontbreken van geschikte holten zijn negatieve effecten op boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Wel kan het dak van de woning fungeren als verblijfplaats voor diverse vleermuissoorten. De voorgenomen plannen voorzien echter niet in werkzaamheden aan de woning, waardoor is uitgesloten dat er sprake is van negatieve effecten op vleermuizen.

5.4

Vogels

Alle vogelsoorten zijn tijdens het broedseizoen beschermd. De bescherming geldt vooral voor de actieve broedplaatsen en vaste verblijfplaatsen. Voor de meeste vogels loopt het broedseizoen van half maart tot half juli. Er wordt in de Wnb echter geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Broedseizoen Voor een begrip als ‘broedseizoen’ is geen standaardperiode te hanteren. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist later broeden dan normaal het geval zoubeschermde zijn. Dit kan zelfs per regio verschillen. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, Jaarrond vogelsoorten ongeacht de datum. De vaak geciteerde periode 15 maart t/m 15 juli is dus slechts een indicatie. De periode Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit houdt in dat januari tot begin oktober kan theoretisch door broedvogels nog gebruikt worden als een broedperiode. Voor hun nesten hele jaar door dient beschermd zijn. Binnen gecontroleerd deze categorie worden vijf subcategorieën aanvang vanhet de werkzaamheden altijd op broedgevallen te worden.

onderscheiden: 1. Nesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de steenuil (Athena noctua). 2. Nesten van koloniebroeders die elk jaar terugkeren om op dezelfde plaats te broeden. Deze soorten zijn zeer honkvast of zijn afhankelijk van bebouwing of specifieke biotopen. Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de huismus (Passer domesticus). 3. Nesten van solitaire vogels die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en afhankelijk zijn van bebouwing of honkvast zijn. Een voorbeeld van een soort die een dergelijk nest heeft is de ooievaar (Ciconia ciconia).

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

17

4. Vogelsoorten die elk jaar gebruik maken van hetzelfde nest en zelf nauwelijks in staat zijn om een nest te bouwen. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de buizerd (Buteo buteo). 5. Nesten van vogels, die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar ervoor hebben gebroed of de directe omgeving ervan, maar dan wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, maar vragen wel extra onderzoek, omdat ze jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Voorbeelden van soorten zijn de spreeuw (Sturnus vulgaris) en boerenzwaluw (Hirundo rustica). Tijdens het veldbezoek zijn verschillende algemene vogelsoorten als groenling (Chloris chloris), vink (Fringilla coelebs), winterkoning (Troglodytes troglodytes), grote bonte specht (Dendrocopos major), koolmees (Parus major), zwarte specht (Dryocopus martius), houtduif (Columba palumbus), boomklever (Sitta europaea), roodborst (Erithacus rubecula) en heggenmus (Prunella modularis) waargenomen. Dit zijn zonder uitzondering soorten waarvan het nest enkel tijdens het broedseizoen zijn beschermd. Het is mogelijk dat deze soorten tot broeden komen in de aanwezige beplanting.

Effectbeoordeling Algemene broedvogels Het is niet op voorhand uit te sluiten dat het plangebied fungeert als broedlocatie voor bijvoorbeeld de roodborst. Wanneer de bestaande laurierhaag wordt gerooid tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het verstoren en vernietigen van nesten en vogels en het doden van (jonge) vogels. Dit is een mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Omdat het hier echter om algemene broedvogelsoorten gaat, is artikel 3.1, lid 5 van toepassing welke stelt dat lid 4 “niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort”. Hierdoor is er enkel sprake van mogelijk overtreding van art. 3.1, lid 1 en 2. Hiervoor kan in principe geen ontheffing worden verkregen. Jaarrond beschermde nesten Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig binnen het plangebied. De voorgenomen plannen leiden dan ook niet tot negatieve effecten op vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest.

5.5

Reptielen en amfibieën

Uit de openbaar beschikbare verspreidingsgegevens (www.ravon.nl en www.verspreidingsatlas.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de kamsalamander (Triturus cristatus). Deze soort valt onder art. 3.5 van de Wnb. Mogelijk komen er ook enkele algemene amfibiesoorten voor als gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria). Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Kamsalamander De kamsalamander komt voornamelijk voor in matig voedselrijke tot voedselrijke en stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie (www.ravon.nl). Binnen het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van voortplantingswateren van de kamsalamander kan worden uitgesloten. Effectbeoordeling Doordat er geen streng beschermde reptielen- en amfibiesoorten voorkomen binnen het plangebied, zijn negatieve effecten op deze soortgroepen op voorhand uit te sluiten.

5.6

Overige beschermde soorten

Uit de openbaar beschikbare verspreidingsgegevens (www.ravon.nl, www.vlinderstichting.nl, www.anemoon.org, www.eis-nederland.nl en www.verspreidingsatlas.nl) blijkt dat in de omgeving van

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

18

het plangebied waarnemingen bekend zijn van overige beschermde soorten. Het betreft de grote vos (Nymphalis polychloros) en kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla). Tijdens het veldbezoek zijn echter geen beschermde ongewervelden waargenomen. Grote vos De grote vos wordt gevonden in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Als waardplant wordt vooral gebruik gemaakt van iep (Ulmus spec.) maar ook wel zoete kers (Prunus avium) en sommige wilgensoorten (www.verspreidingsatlas.nl). Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van voortplantingslocaties van de grote vos uit te sluiten. Mogelijk komt de soort wel sporadisch al zwervend voor in het plangebied. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder wordt gevonden in gevarieerde, vochtige gemengde loofbossen zoals elzenbroekbossen. De soort heeft als waardplant de wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum). Deze plant groeit doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden (www.vlindernet.nl).

Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig. De aanwezigheid van de kleine ijsvogelvlinder wordt uitgesloten. Overig Voor overige beschermde soorten is geen geschikt biotoop aanwezig. Overige beschermde insectensoorten zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al., 2007). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden. Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende boomstronken in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl). De Europese rivierkreeft komt op slechts 1 plek voor in Nederland, te weten landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (www.anemoon.org, www.verspreidingsatlas.nl). Beschermde vissoorten komen voor in diverse typen watergangen. In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig.

Overige beschermde insecten, andere ongewervelden en vissen zijn daarom niet te verwachten in het plangebied Effectbeoordeling Doordat er geen overige streng beschermde soorten voorkomen zijn negatieve effecten op overige beschermde soorten uit te sluiten.

5.7

Samenvatting

In navolgende tabel wordt een samenvatting gegeven van de mogelijk aanwezige beschermde soorten en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden. Tabel 5.1: Overzicht met de mogelijk aanwezige beschermde soorten en de negatieve effecten die zij ondervinden.

Soortgroep

Mogelijk aanwezig

Soorten

Mogelijk effect

Wnb-artikel

Vaatplanten

Nee

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

19

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Das en steenmarter

N.v.t.

N.v.t.

Vleermuizen

Ja

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger

N.v.t.

N.v.t.

Algemene broedvogels

Ja

Zangvogels als roodborst

Doden van individuen en beschadigen of vernielen van nesten en eieren

3.1, lid 1 en 2.

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Nee

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Reptielen en amfibieën

Nee

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Overige soorten

Nee

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

20

6

Mitigatie en vervolgstappen

In dit hoofdstuk worden mitigerende (verzachtende of schadebeperkende) maatregelen voorgesteld om negatieve effecten op beschermde soorten en eventueel een mogelijke overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. Algemene broedvogels Het verstoren van broedgevallen van vogels is te voorkomen door: • buiten het broedseizoen te werken, en/of; • te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; • de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een – voor zover mogelijk – constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Het grote voordeel van deze methode is dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. • Indien de werkzaamheden opgestart worden in het broedseizoen moet een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden het studiegebied controleren op de aanwezigheid van broedvogels. Daarbij geeft de ecoloog aan of eventueel aanvullende maatregelen genomen moeten worden om verstoring te voorkomen of vestiging van broedende vogels te voorkomen.

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

21

7

Gebiedsbescherming

7.1

Natura 2000-gebieden

Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen in het kader van Natura 2000 (zie ook onderstaande afbeelding). De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de Sallandse Heuvelrug, Borkeld en Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden IJssel) op respectievelijk circa 9.120, 9.440 en 10.575 meter afstand.

Afbeelding 7.1: Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden Sallandse Heuvelrug, Borkeld en Rijntakken (groen). Bron: PDOK, 2022. Bewerking: Natuurkompas, 2022.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt in onderstaande paragraaf beschreven. In de daaropvolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de verstoringsfactoren en effecten op Natura 2000-gebieden. Beschrijving De Sallandse Heuvelrug wordt gevormd door een glaciale zandrug die een totale lengte heeft van veertien kilometer en een variabele breedte van één tot zes kilometer. In het sterk geaccidenteerde terrein bevatten de heuveltoppen (met een gemiddelde hoogte van 45 tot 70 meter boven NAP) grote aaneengesloten struikheibegroeiingen, met enkele jeneverbesstruwelen en zure vennen. In de lagere delen en op de flanken van de heuvelrug komt een vochtiger heidetype voor, waaronder ook een hellingveentje. De flanken van de stuwwal zijn grotendeels begroeid met naaldbos, loofbos en gemengd bos van verschillende leeftijden. De Sallandse Heuvelrug is zowel een Vogel- als Habitatrichtlijngebied. Dit gebied is in april 2013 door de staatssecretaris van het toenmalige ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Momenteel ligt er een ontwerp wijzigingsbesluit waarin een extra habitattype wordt

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

22

aangewezen. Samengevat is het gebied definitief aangewezen voor zes habitattypen, één Habitatrichtlijnsoort en drie Vogelrichtlijnsoorten. Daarnaast is het gebied in ontwerp aangewezen voor één habitattype.

7.2

Storingsfactoren

Voordat een effectbepaling van de voorgenomen ingreep kan worden uitgevoerd, is het van belang om de op voorhand te verwachten storingsfactoren in beeld te brengen. De selectie van de storingsfactoren is gebaseerd op de effectenindicator van het Ministerie van LNV. De storingsfactoren zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 7.1: Overzicht van mogelijke storingsfactoren. Bron: Ministerie van LNV

Storingsfactoren Oppervlakteverlies en versnippering

Verandering dynamiek substraat

Verzuring en vermesting (stikstofdepositie)

Verstoring door geluid

Verzoeting

Verstoring door licht

Verzilting

Verstoring door trilling

Verontreiniging

Verstoring door optische effecten

Verdroging

Verstoring door mechanische effecten

Vernatting

Verandering in populatiedynamiek

Verandering stroomsnelheid

Bewuste verandering soortensamenstelling

Verandering overstromingsfrequentie Niet alle hierboven genoemde storingsfactoren zijn van toepassing bij de voorgenomen werkzaamheden. Vanwege de ligging buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn oppervlakteverlies en versnippering bij voorbaat uitgesloten. Doordat er geen ingrepen plaatsvinden die reiken tot het grondwaterniveau of anderszins effect hebben op de waterhuishouding van de Sallandse Heuvelrug en de overige gebieden zijn effecten door verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van de stroomsnelheid of overstromingsfrequentie ook op voorhand uitgesloten. Verontreiniging is evenmin aan de orde, gezien het feit dat er geen stoffen worden geloosd. Verandering in de dynamiek van het substraat, verstoring door mechanische effecten of verandering in populatiedynamiek of soortensamenstelling zijn ook niet aan de orde. Wat resteert zijn de volgende verstoringsfactoren: • Verzuring en vermesting • Verstoring door geluid • Verstoring door licht • Verstoring door trilling • Verstoring door optische effecten Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de tussenliggende verstorende elementen (zoals de bebouwde kom van Holten en de A1) met bijbehorende bestaande achtergrondverstoring en de omvang van het bedrijf zijn verstorende effecten op voorhand uit te sluiten.

Enkel verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie kan niet worden uitgesloten. Voor verzuring en vermesting (stikstofdepositie) gold dat met ingang van 1 juli 2021 er sprake is van een partiële vrijstelling Natura 2000-vergunningsplicht voor de bouw- en infrasector. Op 2 november

Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies

23

heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State echter geoordeeld dat de partiële bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Dat betekent dat voor de effecten van aanlegfase en sloop van projecten die nog niet vergund zijn (omgevingsvergunning en/of natuurvergunning Wnb) niet op de partiële bouwvrijstelling geleund kan worden. Er dient dan ook een AERIUS-berekening aangeleverd te worden voor de uitbreiding van de inrichting van het erf (realisatiefase). Aangezien het uitvoeren van de bedrijfswerkzaamheden niet is vergund, is het ook hiervoor noodzakelijk om een AERIUS-berekening op te stellen (gebruiksfase). Indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige instandhoudingsdoelstellingen dient een onderbouwing opgesteld te worden hoe negatieve effecten op deze instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15902091/1