RV Bijlage 12 def. besluit 1e fase Hietland 4 Barchem 2171888
Tekst van het document
BESCHIKKING op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
datum: 3 april 2024
Gemeente: Lochem
kenmerk: Z2023-00000675
BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING 1e fase 1 1.1
BESLUIT Onderwerp
Op 1 augustus 2023 is een omgevingsvergunning 1e fase gevraagd voor een pluimveehouderij op het adres Hietland 4 in Barchem. Op 11 januari 2024 is deze aanvraag aangevuld. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Lochem, sectie L, nummer 200 en 201. De aanvraag is geregistreerd met de volgende kenmerken: • zaaknummer gemeente Lochem: Z2023-00000675 • zaaknummer Omgevingsdienst Achterhoek: 2023WU0783 De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten: • het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.6, eerste lid Wabo (revisie1)); De aanvraag betreft eerste fase aanvraag. Fase 2 (bouw) is op 27 december 2023 ingediend. 1.2
Besluit
Wij hebben, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij, besloten: • de omgevingsvergunning (eerste fase beschikking) te verlenen voor de volgende activiteiten: o het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo revisie) • dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uit maken van deze vergunning: o aanvraagformulier (OLO-nummer: 7532829), exclusief bijlagen, gedateerd: 1 augustus 2023; o Toelichting aanvraag Omgevingsvergunning Fase 1, gedateerd: 11 januari 2024, inclusief bijlage 1, bijlage 2 onderdeel Diertabel, bijlage 3 en bijlage 7; o Geurbeheersplan, gedateerd: 13 december 2023; o rapportage akoestisch onderzoek, GO-Consult, kenmerk: 2760ao29822 v2, gedateerd: 06 december 2023. • aan deze vergunning voorschriften te verbinden die zijn opgenomen in het onderdeel “Voorschriften milieu”.
revisievergunning betekent een vergunning die over hele inrichting gaat en die alle voorafgaande vergunningen vervangt. 1
1 van 40
1.3
Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingswet
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning 1e fase is ingediend op 1 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft tot het besluit op deze aanvraag onherroepelijk wordt. 1.4
Inwerkingtreding
Tot uitvoering van het project mag pas worden overgegaan als de definitieve besluiten eerste en tweede fase in werking zijn getreden. Het besluit eerste fase treedt in werking op de dag dat ook de tweede fase in werking treedt. Van de beschikking met betrekking tot de eerste fase kan daarom pas gebruik worden gemaakt als ook op de beschikking tweede fase positief is beslist en deze in werking is getreden.
Hengelo, 3 april 2024, het college van burgemeester en wethouders van Lochem, namens deze
Petra G.M. van Oosterbosch directeur Omgevingsdienst Achterhoek
2 van 40
1.5
Laat weten als u het niet eens bent met ons besluit
Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u hiertegen twee dingen doen: 1.
Beroep instellen: U kunt beroep instellen bij de Rechtbank Gelderland. Dat kan schriftelijk of digitaal. Beroep instellen betekent dat u in een brief (‘beroepschrift’) aan de rechtbank uitlegt waarom u het niet eens bent met ons besluit. Wanneer u eerder tegen het ontwerpbesluit zienswijzen heeft ingebracht, dan kunt u in uw beroep op alle besluitonderdelen ingaan. Dus ook tegen besluitonderdelen die u niet in uw zienswijzen naar voren heeft gebracht. Voor het instellen van beroep zijn kosten (griffiekosten) verbonden. Als u beroep instelt, krijgt u een acceptgiro van de rechtbank. Zorg ervoor dat u de griffiekosten op tijd betaalt.
2.
Een ‘voorlopige voorziening’ vragen: In de periode dat de rechtbank uw beroepschrift behandelt, blijft ons besluit gelden. Is er sprake van een dringende situatie, bijvoorbeeld doordat door ons besluit een ‘onomkeerbare situatie’ ontstaat die niet meer is terug te draaien? En wilt u dat ons besluit daarom tijdelijk wordt opgeschort? Dan kunt u de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland vragen een ‘voorlopige voorziening’ te treffen. De rechtbank regelt dan meestal een spoedzitting. Treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening? Dan wordt ons besluit opgeschort totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan over uw verzoek voorlopige voorziening. Een voorlopige voorziening kunt u schriftelijk of digitaal aanvragen. Let op: U kunt alleen een voorlopige voorziening aanvragen als u eerst beroep heeft ingesteld. Als u een voorlopige voorziening aanvraagt, dan moet u griffiekosten betalen aan de rechtbank. U ontvangt hiervoor een acceptgiro van de rechtbank. Zorg ervoor dat u de griffiekosten op tijd betaalt.
Hoe u beroep kun instellen en een voorlopige voorziening aan kunt vragen, leggen we hieronder verder uit. Beroep instellen: Schriftelijk: U heeft maximaal zes weken de tijd om beroep in te stellen. Deze periode van zes weken begint op de dag dat het besluit ter inzage is gelegd. Als u uw beroepschrift ná die zes weken stuurt, dan kan het zijn dat de rechtbank uw beroepschrift niet in behandeling neemt. Dus wees op tijd. U kunt beroep instellen door een brief (‘beroepschrift) te schrijven en te sturen naar: Rechtbank Gelderland locatie Arnhem postbus 9030 6800 EM Arnhem
3 van 40
Stuur uw beroepsschrift bij voorkeur aangetekend. Dat voorkomt later discussie over de (datum van) ontvangst door de rechtbank. In uw beroepschrift moet in ieder geval staan: • uw naam en adres • de datum waarop u uw beroepschrift verstuurt • een omschrijving van het besluit waartegen u beroep instelt. U kunt een kopie van ons besluit meesturen of de datum en het kenmerk van ons besluit vermelden • de reden waarom u beroep instelt • uw handtekening Digitaal: Wilt u liever digitaal beroep instellen? Dat kan via het digitaal loket bestuursrecht. Dit doet u via de website: www.rechtspraak.nl. U heeft hiervoor uw DigiD nodig. Nadat u (schriftelijk of digitaal) beroep heeft ingesteld, krijgt u rechtstreeks van de rechtbank informatie over de verdere procedure.
Een voorlopige voorziening vragen: Schriftelijk: Om een voorlopige voorziening aan te vragen, stuurt u een brief (‘verzoekschrift’) naar de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland: Rechtbank Gelderland De voorzieningenrechter Locatie Arnhem Postbus 9030 6800 EM ARNHEM In uw verzoekschrift moet in ieder geval staan: • uw naam en adres • de datum waarop u het verzoekschrift verstuurt • waarom u vindt dat door ons besluit een onomkeerbare situatie ontstaat die niet meer is terug te draaien en waarom u ons besluit op heel korte termijn wilt tegenhouden • wat de uitspraak van de rechter volgens u zou moeten worden • uw handtekening Stuur als bewijs altijd een kopie van uw beroepschrift en een kopie van ons besluit mee. Digitaal: Wilt u liever digitaal een voorlopige voorziening aanvragen? Dat kan via het digitaal loket bestuursrecht. Dit doet u via de website: www.rechtspraak.nl. U heeft hiervoor uw DigiD nodig.
4 van 40
INHOUDSOPGAVE BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING 1e fase ................................................................................... 1
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
BESLUIT ........................................................................................................................ 1 Onderwerp 1 Besluit 1 Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingswet 2 Inwerkingtreding 2 Laat weten als u het niet eens bent met ons besluit 3
VOORSCHRIFTEN MILIEU .............................................................................................................. 8
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
ALGEMEEN .................................................................................................................... 8 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid 8 Instructies 8 Onderhoud en inspectie 8 Registratie 9 Bedrijfsbeëindiging 9
2 2.1 2.2
AFVAL ........................................................................................................................... 9 Afvalscheiding 9 Opslag van afvalstoffen 10
3 3.1 3.2 3.3
GELUID ....................................................................................................................... 10 Meten en berekenen conform handleiding 10 Representatieve bedrijfssituatie (RBS) 11 Incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituaties (IBS) 11
4 4.1 4.2
HOUDEN VAN DIEREN ................................................................................................. 12 Algemeen 12 Geurbeheersplan 12
OVERWEGINGEN ALGEMEEN ........................................................................................................ 13
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
PROCEDURELE ASPECTEN ........................................................................................... 13 Gegevens aanvrager 13 Projectbeschrijving 13 Omschrijving van de aanvraag 13 Bevoegd gezag 13 Volledigheid van de aanvraag 14 Procedure (uitgebreid) en zienswijzen 14 Adviezen en Verklaring van geen bedenkingen 14
5 van 40
2 2.1 2.2 2.3
SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING ................................................... 14 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en omgevingsplan 14 Coördinatie met de Waterwet 15 Milieueffectrapportage 15
1 1.1 1.2
TOETSINGSKADER MILIEU .......................................................................................... 16 Inleiding 16 Toetsing oprichten, veranderen of revisie 16
2 2.1 2.2
DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE ................................................................................ 16 Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund 16 Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag 17
3 3.1 3.2 3.3
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN ............................................................................. 17 IPPC-installatie 18 BBT-documenten 18 BBT-conclusies 18
4 4.1 4.2
AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN ............................................................. 22 BBT dierenverblijven ammoniak 22 Ammoniakemissie dierenverblijven 23
5 5.1 5.2 5.3 5.4
GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN ....................................................................... 23 Toetsingskader 23 Toetsing geurhinder 23 Beoordeling dieren met geuremissiefactoren 23 Conclusie geurhinder dierenverblijven 25
6 6.1 6.2 6.3
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ .................................................................... 25 Toetsingskader 25 Maatregelen en voorzieningen 25 Beoordeling en conclusie 25
7 7.1
OVERIG AGRARISCH ................................................................................................... 26 Directe ammoniakschade 26
8 8.1 8.2
VERRUIMDE REIKWIJDTE ........................................................................................... 26 Energiebesparing 26 Waterbesparing (leiding- en grondwater) 26
9 9.1 9.2 9.3
AFVALWATER .............................................................................................................. 26 Toetsingskader 26 De gevolgen van de aangevraagde activiteiten 26 Beoordeling en conclusie 27
6 van 40
10 10.1
BODEM ........................................................................................................................ 27 Algemeen 27
11 11.1 11.2 11.3 11.4 11.5
GELUID ....................................................................................................................... 27 Algemeen 27 Beoordelingskader vergunningplichtige inrichtingen 27 Vigerende vergunning 28 Akoestisch onderzoek GO-consult 28 Conclusies 32
12 12.1 12.2
LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................... 32 BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes 32 Luchtkwaliteitseisen 33
13 13.1
(EXTERNE) VEILIGHEID .............................................................................................. 35 Besluit bouwwerken leefomgeving 35
14 14.1 14.2 14.3 14.4
OVERIGE ASPECTEN .................................................................................................... 35 Bijzondere bedrijfsomstandigheden 35 Bedrijfsbeëindiging 36 Toekomstige ontwikkelingen 36 Andere regels en wetten 36
CONCLUSIE .................................................................................................................................. 36
BEGRIPPEN .................................................................................................................................. 37
7 van 40
VOORSCHRIFTEN MILIEU
1
ALGEMEEN
1.1
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1.1.1
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.1.2
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
1.1.3
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn. Van de werkzaamheden conform dit ongediertebestrijdingsplan moet een registratie worden bijgehouden.
1.1.4
Van de ongediertebestrijding moet per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden daarvan in een logboek worden bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf.
1.1.5
De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.
1.2
Instructies
1.2.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.2.2
De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aan wijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.
1.3
Onderhoud en inspectie
1.3.1
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 5 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
8 van 40
1.3.2
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
1.4
Registratie
1.4.1
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: • alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen voor de activiteit milieu • de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen • de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoudsbeurten en/of metingen • de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik • de afleverbonnen van de bijproducten
1.4.2
De documenten genoemd in voorschrift 1.4.1 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.4.3
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
1.5
Bedrijfsbeëindiging
1.5.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de - te beëindigen - activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënische verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.5.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag binnen 90 dagen op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
2
AFVAL
2.1
Afvalscheiding
2.1.1
Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: • de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen • papier en karton • elektrische en elektronische apparatuur • kunststoffolie • metalen
9 van 40
2.2
Opslag van afvalstoffen
2.2.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
2.2.2
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
2.2.3
Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.
2.2.4
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: • niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; • het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; • deze tegen normale behandeling bestand is; • deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2.2.5
Verontreinigde emballage moet worden behandeld als gevulde emballage. Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de verontreinigde emballage niet meegerekend te worden.
2.2.6
Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden.
2.2.7
Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten direct worden opgeruimd en opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage.
2.2.8
In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zo nodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven in het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite.
3
GELUID
3.1
Meten en berekenen conform handleiding
3.1.1
Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen
10 van 40
Industrielawaai, uitgave 1999. 3.2
Representatieve bedrijfssituatie (RBS)
3.2.1
Het langtijdgemiddeld geluidniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mogen op onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Geluidniveaus RBS in dB(A)
Dag h=1,5m 07.00-19.00 uur
Avond h=5m 19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
nr.
LAr,LT
LAmax
LAr,LT
LAmax
LAr,LT
LAmax
40 40 40 40 40 40 40
52 50 50 50 50 50 50
35 35 35 35 35 35 35
45 45 45 45 45 45 45
30 30 30 30 30 30 30
40 40 40 40 40 40 40
Beoordelingspunt
T01 Hietland 2 oost T02 Weusdijk 1 oost T03 Berenpassteeg 5 (huis 1) noord T04 Berenpassteeg 5 (huis 2) noord T05 Wiechersweg 3A zuid T06 Wiechersweg 3A west T07 Hietland 1 zuid
Nacht h=5m
3.3
Incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituaties (IBS)
3.3.1
In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 3.2.1 mag gedurende maximaal 12 dagen per kalenderjaar vanwege, het afvoeren van vleeskuikens 6 keer per jaar (IBS1) en het afvoeren van vleeskuiken en mest (IBS2), het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, ter plaatse onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Geluidniveaus RBS in dB(A)
Dag h=1,5m 07.00-19.00 uur
Avond h=5m 19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
nr.
LAr,LT
LAmax
LAr,LT
LAmax
LAr,LT
LAmax
40 40 40 40 40 40 40
52 50 50 50 50 50 50
35 35 35 35 35 35 35
45 45 45 45 45 45 45
37 30 30 30 30 30 30
48 42 40 40 43 42 43
Beoordelingspunt
T01 Hietland 2 oost T02 Weusdijk 1 oost T03 Berenpassteeg 5 (huis 1) noord T04 Berenpassteeg 5 (huis 2) noord T05 Wiechersweg 3A zuid T06 Wiechersweg 3A west T07 Hietland 1 zuid 3.3.2
Nacht h=5m
Van de activiteit(en) genoemd in voorschrift 3.3.1 moet een logboek worden bijgehouden waarin binnen twee dagen nadat de activiteit(en) heeft/hebben plaatsgevonden wordt vermeld: • De datum waarop de activiteit(en) heeft/hebben plaatsgevonden; • Welke IBS heeft plaatsgevonden (IBS1 of IBS2); • De begin- en eindtijd van deze activiteit.
11 van 40
4
HOUDEN VAN DIEREN
4.1
Algemeen
4.1.1
In de inrichting mogen ten hoogste de in de aanvraag aangevraagde aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn.
4.1.2
In de inrichting moeten de maatregelen (als uitwerking van de BBT-conclusies) worden getroffen die zijn vastgelegd in het ingediende document (bijlage 7 van de toelichting aanvraag) “BBT-conclusies intensieve veehouderij”.
4.2
Geurbeheersplan
4.2.1
De protocollen uit het geurbeheersplan dat deel uitmaakt van deze beschikking moeten worden opgevolgd.
4.2.2
Uiterlijk binnen 2 maanden na afloop van elk kalenderjaar moet een geurjaarverslag van het afgelopen kalenderjaar worden geregistreerd en bewaard als bedoeld in paragraaf 1.4 (‘Registratie’).
4.2.3
Alle BBT-maatregelen uit het geurbeheersplan moeten worden uitgevoerd.
12 van 40
OVERWEGINGEN ALGEMEEN
1
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1
Gegevens aanvrager
Op 1 augustus 2023 is een omgevingsvergunning (eerste fase) als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevraagd voor vleeskuikenhouderij op het adres Hietland 4 in Barchem. Op 11 januari 2024 is deze aanvraag door de aanvrager aangevuld. 1.2
Projectbeschrijving
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: Stal D wordt voorzien van overdekte uitlopen en in deze stal worden minder dieren gehouden. De huidige stallen B en C worden gesloopt en hiervoor worden 2 nieuwe (grotere) stallen gebouwd. Verder worden bij deze nieuwe stallen ook overdekte uitlopen gerealiseerd. Op bedrijfsniveau worden 1.500 minder vleeskuikens gehouden. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. De aanvrager heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de faseringsregeling van de Wabo. Gelet op het verzoek gaat de eerste fase beschikking slechts in op de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: • het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.6, eerste lid Wabo (revisie)). In de tweede fasebeschikking zullen de overige activiteiten op vergunbaarheid worden beoordeeld. 1.3
Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen: • aanvraagformulier (OLO-nummer: 7532829), gedateerd: 1 augustus 2023; • Toelichting aanvraag Omgevingsvergunning Fase 1, gedateerd: 11 januari 2024, inclusief 7 bijlagen; • Geurbeheersplan, gedateerd: 13 december 2023; • rapportage akoestisch onderzoek, GO-Consult, kenmerk: 2760ao29822 v2, gedateerd: 06 december 2023; • informatie biomassaketel (ETA Hack), ingekomen 11 januari 2024; • leaflet BWL 2010.13.V7; • leaflet BWL 2021.01; • beschikking m.e.r. aanmeldingsnotitie, gedateerd: 6 december 2022. 1.4
Bevoegd gezag
De aanvraag heeft op grond van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met onderdeel C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), betrekking op een vergunningplichtige inrichting, vanwege artikel 2.1, tweede lid Bor: het houden van meer dan 40.000 stuks pluimvee.
13 van 40
Burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo. De Omgevingsdienst Achterhoek heeft van de gemeente het mandaat gekregen te beslissen op de aanvraag. 1.5
Volledigheid van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag en de aanvullingen hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 1.6
Procedure (uitgebreid) en zienswijzen
De aanvraag is ingediend voordat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden. Voor de vergunningprocedure blijft overeenkomstig het overgangsrecht in artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat in dit geval de procedure op grond van de Wabo wordt gevolgd. Nadat de besluiten fase 1 en fase 2 onherroepelijk zijn geworden, ontstaat er van rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. Dit volgt uit artikel 4.13, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop is er geen verplichting een kennisgeving van de aanvraag te plaatsen in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of het op andere geschikte wijze bekend te maken, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. De gemeente Lochem heeft er echter voor gekozen om de kennisgeving van de aanvraag toch te plaatsen in het gemeenteblad van 9 augustus 2023. De ontwerpvergunning heeft zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het definitieve besluit wijkt niet af van het ontwerpbesluit. 1.7
Adviezen en Verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij geen advies gevraagd.
2 2.1
SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en omgevingsplan
Op 1 januari 2024 is het Activiteitenbesluit en bijbehorende ministeriële regeling vervallen. Vanaf deze datum zijn voor milieubelastende activiteiten die niet (meer) onder de vergunningplicht vallen de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan van toepassing. In deze vergunning zijn daarom alleen voorschriften voor milieubelastende activiteiten opgenomen die onder de Omgevingswet vergunningplichtig zijn. Als in het Bal algemene regels zijn opgenomen, wordt - net als bij het Activiteitenbesluit – deze regel niet als voorschrift in de vergunning opgenomen. De algemene regel volstaat dan. De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt tevens aangemerkt als een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan.
14 van 40
2.2
Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft geen betrekking op een handeling waarvoor een Waterwetvergunning als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet is vereist.
2.3
Milieueffectrapportage
De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd heeft betrekking op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 66.000 dierplaatsen voor vleeskuikens. Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij besluit van 6 december 2022 is namens het bevoegd gezag besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen. Dat besluit is bij deze aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. In het besluit van 6 december 2022 is in tabel 1 (geldende situatie) aangegeven dat de dieren in stal C in een traditioneel huisvestingsysteem worden gehouden. Er is in de geldende situatie echter een emissiearm huisvestingsysteem (E 5.10) vergund. Deze omissie in de tabel geeft echter geen aanleiding om een ander besluit te nemen. De omgevingsvergunning kan daarom op dit onderdeel worden verleend.
15 van 40
OVERWEGINGEN MILIEU
1 1.1
TOETSINGSKADER MILIEU Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (revisie). Vergunning wordt gevraagd in verband met het wijzigen van de inrichting. Stal D wordt voorzien van overdekte uitlopen en in deze stal worden minder dieren gehouden. De huidige stallen B en C worden gesloopt en hiervoor worden 2 nieuwe (grotere) stallen gebouwd. Verder worden bij deze nieuwe stallen ook overdekte uitlopen gerealiseerd. Op bedrijfsniveau worden 1.500 minder vleeskuikens gehouden. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. 1.2
Toetsing oprichten, veranderen of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: • de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken • met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden • de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed zijn of kunnen zijn.
2 2.1
DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend: • 10 mei 2011: een revisievergunning milieu op grond van de Wet milieubeheer; • 29 maart 2012: een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van het bedrijf en het verlenen van de activiteit bouw; • 25 april 2018: een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van het bedrijf; • 21 februari 2020: een ambtshalve wijziging op grond van de Wabo voor het actualiseren van de voorschriften van de IPPC installatie. In tabel 1 zijn het aantal dieren, de geuremissie (OUE/s), de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), en de fijnstofemissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning.
16 van 40
tabel 1: geldende vergunningen stal diercategorie
Rav-code aantal geur in NH3 in max. NH3 PM10 in dieren OU/ kg/jaar emissie g/jaar seconde
max. PM10 emissie
B, C vleeskuikens
E 5.10
54000 17.820,0 1.890,0
2.430,0 1.188.000,0 1.188.000,0
D
E 5.10
47500 15.675,0 1.662,5
1.662,5 1.045.000,0
760.000,0
0,0 -323.950,0
0,0
vleeskuikens
D
additionele technieken voor E 7.6 emissiereductie van fijn stof Totaal
47500
0,0
0,0
33.495,0 3.552,5
4.092,5 1.909.050,0 1.948.000,0
• •
emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting
2.2
Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag
Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de geuremissie (OUE/s), de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), en de fijnstofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in tabel 2 weergegeven. tabel 2: aangevraagde vergunning stal diercategorie
D
Rav-code aantal geur in dieren OU/ seconde
NH3 in kg/jaar
max. NH3 PM10 in emissie g/jaar
max. PM10 emissie
vleeskuikens
E 5.10
34000 11.220,0 1.190,0
1.190,0
B, C vleeskuikens
E 5.11
66000 21.780,0 1.386,0
1.584,0 1.452.000,0 1.056.000,0
D
additionele technieken voor E 7.6 emissiereductie van fijn stof B, C additionele technieken voor E 7.18 emissiereductie van fijn stof Totaal
• •
3
748.000,0
544.000,0
34000
0,0
0,0
0,0
-231.880,0
0,0
66000
0,0
0,0
0,0
-450.120,0
0,0
33.000,0 2.576,0
2.774,0 1.518.000,0 1.600.000,0
emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies zijn documenten met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande ‘BAT (Best Available Techniques) Reference documents’ (BREF’s). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk),
17 van 40
gelden als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld. Op 15 februari 2017 zijn nieuwe BBT-conclusies vastgesteld en op 21 februari 2017 zijn ze gepubliceerd en in werking getreden. 3.1
IPPC-installatie
De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE: • meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, • meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg) of • meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 100.000 dierplaatsen voor diercategorie pluimvee. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 40.000 plaatsen voor deze categorie overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de desbetreffende artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarin de RIE is geïmplementeerd. 3.2
BBT-documenten
Bij het beoordelen van de aanvraag hebben wij rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: tabel 3: categorie in bijlage 1 RIE Intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee
primair relevante BBT-conclusies / BREF BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij 2017 en BBTConclusies (Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302 van de Commissie van 15 februari 2017)
tevens van belang zijnde BBTconclusies / BREF’s BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) BREF Energie-efficiëntie
Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht (Mor) aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: • Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), 2012; • Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS-15:2016 (versie 1.0)): Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. In dit hoofdstuk is de toetsing van de dierenverblijven in het kader van de toepassing van de beste beschikbare technieken verder uitgewerkt. Een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. 3.3
BBT-conclusies
BBT-Conclusies intensieve veehouderij van 15 februari 2017 (2017/302) Op 15 februari 2017 zijn nieuwe BBT-conclusies vastgesteld voor de intensieve veehouderij. Tot die datum gold de BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij voor deze sector. In juli 2017 is het BBT-referentiedocument (BREF) gepubliceerd op de website van het Europese
18 van 40
IPPC bureau. De BREF is een uitwerking van de BBT-conclusies. Daar waar hierna BBT-conclusies staat moet ook BREF worden gelezen. De BBT-conclusies en de BREF bevatten de volgende, voor deze inrichting relevante aspecten: Milieubeheerssytemen en Goede bedrijfspraktijken Deze aspecten vertalen zich in algemene zin het situeren van de activiteiten, het instrueren van personeel, het opstellen van plannen, efficiëntie van processen, het onderhouden en controleren van installaties. Hiervoor gelden de registratievoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Bal en in deze vergunning. Met betrekking tot de meststoffen gaat het hier om de voorwaarden die zijn opgenomen in het nationaal mestbeleid. Efficiënt gebruik van water en emissies uit afvalwater In de BBT-conclusie wordt een aantal waterbesparende maatregelen beschreven. Het gaat hierbij om gebruik van hogedrukreinigers die zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van drinkwaterinstallatie en het bijhouden van het waterverbruik. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Bal. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Bal. Voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Bal. Voor afvalwater dat via de openbare riolering wordt geloosd gelden de voorschriften uit het Bal.
Efficiënt gebruik van energie In de BBT-conclusie worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen, warmteterugwinning en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Geluidemissies Om geluidemissies te voorkomen worden algemene geluidsreducerende maatregelen genomen, waardoor naar verwachting aan de geluidnormen kan worden voldaan. Als de geluidsreducerende maatregelen onvoldoende blijken, moet een geluidsbeheersplan worden opgezet en uitgevoerd. In het onderdeel ‘Geluid’ bij de overwegingen van deze aanvraag is een uiteenzetting gegeven van het geluidsaspect bij de inrichting. Voor zover geluid een relevant aspect is, wordt - gelet op de geluidemissie in relatie tot de afstand tot gevoelige objecten - een akoestisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de geluidbelasting op de omgeving. De maatregelen die in de rapportage van dat onderzoek zijn opgesomd – en die in alle redelijkheid van de inrichting kunnen worden verlangd - worden in de vergunning opgenomen. Stofemissies Stofemissies uit pluimveestallen hangen nauw samen met de toegepaste huisvestingssystemen en ventilatietechnieken voor de verschillende diersoorten. De huisvestingssystemen die voor nieuwe dierenverblijven moeten worden toegepast zijn BBT.
Dat betekent dat voor deze systemen al rekening is gehouden met stofemissiereductie en dat (maximale) emissiewaarden voor stof zijn vastgesteld. Deze normen stelt het Ministerie I&W jaarlijks vast. Er mogen geen systemen worden toegepast met een hogere emissiewaarde dan de maximale emissiewaarde. Voor stalsystemen die al vergund zijn kunnen geen verdergaande stofemissienormen worden geëist. Bij de overwegingen wordt in hoofdstuk 12 ingegaan op de luchtkwaliteitseisen, waaronder de emissie van (fijn)stof. Voor de fijnstofbelasting op de omgeving wordt de Handreiking fijnstof en veehouderijen toegepast. De belasting van fijnstof op de omgeving is berekend met ISL3a. De berekening geeft de jaargemiddelde concentratie van de stofbelasting weer en het aantal dagen per jaar de maximale emissieconcentratie wordt overschreden. Deze berekeningswijze van de emissie van fijnstof is
19 van 40
de wettelijk vastgelegde methode. Monitoring van de emissie van stof vindt (indirect) plaats door middel van periodieke controle van de gehouden soorten en aantallen dieren en - de aanleg en de werking - van de huisvestingssystemen die zijn toegepast. Met betrekking tot de emissie van stof dat niet samenhangt met de toegepaste stalsystemen, zoals stof dat vrijkomt bij het vullen van voersilo’s, gelden de voorschriften uit het Bal. Geuremissies Het periodiek monitoren van geuremissies is alleen toepasbaar in die gevallen waar geurhinder bij gevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. In en dergelijk geval moet door de aanvrager een Geurbeheersplan worden opgesteld. In overleg met het Ministerie van I&W stellen wij vast dat een Geurbeheersplan alleen nodig is in die gevallen waarbij sprake is van een overbelaste situatie of in die gevallen waarbij sprake is van een bijna-overbelaste situatie in combinatie met gegronde geurklachten. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op het geuraspect, waaronder de geurbelasting op de omgeving. De geurbelasting op de omgeving wordt berekend met V-Stacks vergunning. De uitkomst van deze berekening geeft de gemiddelde geurbelasting weer op de omgeving, waarbij rekening is gehouden met de gehouden diersoorten en –aantallen en het toegepaste huisvestingssysteem.
De binnen de inrichting toegepaste huisvestingssystemen zijn wettelijk toegestaan. De geuremissie van de toegepaste huisvestingssystemen zijn onderzocht en vastgelegd in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij. Verder worden technieken voorgeschreven die minimaal moeten worden gebruikt om geuremissie en/of geureffecten te voorkomen of te verminderen. Er moet een combinatie van technieken worden gebruikt. Per geval moet worden beoordeeld welke technieken nodig zijn en deze moeten zo nodig in de omgevingsvergunning worden vastgelegd. Opslag van mest Voorkomen moet worden dat mest zich in de bodem en het grondwater kan verspreiden. Er moet daarom sprake zijn van lekdichte opslagsystemen. Voor de opslag van mest gelden de voorschriften uit het Bal. Deze voorschriften houden voldoende rekening met de BBT-conclusies, zoals de verplichte toepassing van mestdichte opslagplaatsen. Ammoniakemissies uit dierenverblijven Om de emissie van ammoniak uit stallen te verminderen is een aantal BBT-conclusies opgesteld. BBT is om één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. In de BBTconclusies zijn - voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld – (huisvestings)systemen beschreven die voldoen aan het criterium BBT.
De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, de bouwwijze, het ontwerp, het onderhoud en de ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria. Verder heeft het Besluit emissiearme huisvesting als doel om – bij nieuwbouw van stallen – de emissie van ammoniak uit die stallen te verminderen. Er mogen bij nieuwbouw geen stalsystemen meer worden toegepast die een emissie van ammoniak tot gevolg hebben die hoger is dan de maximale emissiewaarde die dat besluit als norm stelt. Voor stalsystemen die al vergund en gebouwd zijn kunnen geen verdergaande stofemissienormen worden geëist. Bij een toename van ammoniak is ook getoetst aan de 'beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij’. Bij een toename van ammoniak van meer dan 5.000 kg per jaar moeten verdergaande emissiereducerende technieken worden toegepast. Bij een toename van meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar worden nog strengere emissie-eisen opgelegd. In dit geval is overigens geen sprake van een toename van de emissie van ammoniak. De beleidslijn wordt niet toegepast bij een afname van de emissie van ammoniak.
Monitoring van de emissie van ammoniak vindt (indirect) plaats door middel van periodieke
20 van 40
controle van de gehouden soorten en aantallen dieren en - de aanleg en de werking - van de huisvestingssystemen die zijn toegepast. Bij toepassing van (nieuwe) luchtwassystemen vindt directe monitoring plaats. Uit de beoordeling van de emissie van ammoniak elders in deze overwegingen blijkt dat de toegepaste systemen voldoen aan BBT. Monitoren overige parameters Het waterverbruik, elektriciteitsverbruik, verbruik van brandstof en gegevens met betrekking tot aantallen dieren moeten worden bijgehouden. De plicht tot het bijhouden van deze parameters wordt standaard in een omgevingsvergunning opgenomen, voor zover dit van toepassing is op de inrichting. Aan de hand van de verzamelde gegevens kunnen al of niet maatregelen worden geëist om reducties af te dwingen. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is - onafhankelijk van de sector of industrie - van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof. In de oplegnotitie bij de BREF wordt ingegaan op de relatie tussen de BREF op- en overslag en andere BREF’s.
In deze primaire BREF’s zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen uit de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de andere BREF’s. Zo zijn de BREF Intensieve veehouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op grond van de algemeen werkende regels in het Bal of op grond van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten. De aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houdend met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiëntie is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve die RIE-inrichtingen die onder het systeem van Emissiehandel vallen.
Deze BREF bevat richtsnoeren en conclusies met betrekking tot technieken voor energie-efficiëntie die voor alle installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen, in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen; • stelt geen sectorspecifieke BBT vast. Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. De aangevraagde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften zijn in overeenstemming met de BREF Energie-efficiëntie.
21 van 40
4 4.1
AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN BBT dierenverblijven ammoniak
Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de Beste Beschikbare Technieken in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.22, derde lid) en het Besluit omgevingsrecht (Bor, artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen, zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Beh gestelde eisen, kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. Wanneer op basis van het Beh geen maximale emissiewaarde van toepassing is, moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek. De Wav legt een aanvullende toets op bij IPPC-installaties (artikel 3, derde lid).
Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om een strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit emissiearme huisvesting op te nemen in de omgevingsvergunning. Toetsing ammoniak op basis van het Besluit emissiearme huisvesting In tabel 4 is per diercategorie per stal de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet. tabel 4: huisvestingssystemen aangevraagde situatie stal diercategorie stalsysteem D
vleeskuikens
B, C vleeskuikens
D
stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V7)
stal met E 5.11 luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7)
additionele technieken warmtewisselaar; 31% E 7.6 voor emissiereductie emissiereductie fijn stof van fijn stof (BWL 2011.02.V6)
B, C additionele technieken warmtewisselaar; 31% voor emissiereductie emissiereductie fijnstof van fijn stof (BWL 2021.01) Totaal
• •
Rav-code aantal NH3 per max. NH3 NH3 in max. NH3 dieren dier waarde kg/jaar emissie E 5.10 34000 0,035 0,035 1.190,0 1.190,0
E 7.18
66000 0,021
0,024
1.386,0
1.584,0
34000 0
0,0
0,0
66000 0
0,0
0,0
2.576,0
2.774,0
emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting
22 van 40
In de stallen B, C en D overschrijdt de emissiefactor van het huisvestingssysteem de maximale emissiewaarde niet. De uitvoering van deze stallen voldoen aan de eis van het toepassen van de BBT. Aanvullende toetsing ammoniak bij IPPC-installatie De aanvraag heeft geen betrekking op de uitbreiding van het aantal te houden dieren. In de aangevraagde situatie is, door het toepassen van verdergaande emissiereducerende technieken, geen sprake van een hogere ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven dan de ammoniakemissie in de vergunde situatie op het niveau van de BBT (niveau maximale emissiewaarde volgens het Besluit emissiearme huisvesting). De toegepaste technieken voldoen aan de eis van het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). De technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting of de plaatselijke milieuomstandigheden vormen geen reden een strengere emissiegrenswaarde vast te stellen voor deze IPPC-installatie. Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel ammoniak aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning hierom te weigeren. 4.2
Ammoniakemissie dierenverblijven
Toetsingskader Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Toetsing De dierenverblijven van deze inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Voor deze inrichting geldt op grond van de Wav geen beperking met betrekking tot het ammoniakemissieplafond.
Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
5 5.1
GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN Toetsingskader
De aanvraag is getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). 5.2
Toetsing geurhinder
Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, dan vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. 5.3
Beoordeling dieren met geuremissiefactoren
Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. In afwijking hiervan moet tot geurgevoelige objecten bij een andere veehouderij en objecten die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit
23 van 40
te maken van een andere veehouderij, een vaste afstand worden aangehouden (artikel 3, tweede lid, Wgv). Ook moet op grond van artikel 5 van de Wgv een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3, derde lid, van de Wgv. Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is weergegeven in onderstaande tabel 5 en 6. tabel 5: Bronnen Volgnr. BronID X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag Geb. Hoogte
1
Stal B
229 696
457 667
4,1
0,9
4,00
11 715
4,8
2
Stal C
229 694
457 676
4,1
0,9
4,00
10 065
4,8
3
Stal D
229 715
457 743
5,3
0,9
4,00
11 220
4,3
tabel 6: Geurgevoelige locaties, geurnormen en geurbelasting Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. Geurnorm
Geurbelasting
4
Hietland 1
229 676
458 056
14,0
3,5
5
Hietland 2
229 597
457 724
14,0
13,2
6
Wiechersweg 3-3a
229 975
457 912
14,0
3,3
7
Wiechersweg 4-4a
229 983
457 201
14,0
1,1
8
Berenpassteeg 5
229 584
457 351
14,0
1,9
9
Waaijenburg 2
228 379
456 660
3,0
0,3
10
Weusdijk 1
229 380
457 619
14,0
3,1
Uit de berekening met ‘V-stacks vergunning’ blijkt dat wordt voldaan aan de normen voor geurbelasting. Verder wordt aan de in artikel 3, lid 2 en artikel 5 van de Wgv genoemde minimum afstanden voldaan. Ten opzichte van de vergunde situatie vindt er een afname van de geurbelasting plaats. Binnen het bedrijf worden de stallen voorzien van overdekte uitlopen (Wintergarten). Het rekenmodel 'V-Stacks vergunning' is niet geschikt om voor deze uitlopen de geurbelasting op geurgevoelige objecten te berekening. Voor de beoordeling van geur van deze uitlopen is daarom aansluiting gezocht bij de minimaal aan te houden vaste afstanden die gelden voor de buitenzijde van dierverblijven tot de gevel van een geurgevoelig object (artikel 5, lid 1 Wgv). De minimale afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf (overdekte uitlopen) van het bedrijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object (Hietland 2 in Barchem) wordt in de nieuwe situatie ongeveer 54 meter. Dit geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom. Deze afstand voldoet aan de minimale afstanden uit de Wgv (25 meter).
24 van 40
5.4
Conclusie geurhinder dierenverblijven
De afstanden tot en de geurbelasting op geurgevoelige objecten vormen geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
6
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ
Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. 6.1
Toetsingskader
Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de ABRvS en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om de volksgezondheid mee te nemen bij de verlening van de omgevingsvergunning milieu. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig. Ook kan geen relatie worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. 6.2
Maatregelen en voorzieningen
Binnen de inrichting zijn de bepalingen ingevolge de Wet dieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van toepassing. Deze bepalingen waarborgen dat dierziektes binnen de inrichting worden voorkomen, dan wel worden bestreden. Het gaat daarbij onder andere om het gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. 6.3
Beoordeling en conclusie
Voor zover gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan door geur-, fijn stof- of geluidemissie wordt erop gewezen dat voor deze emissies wettelijke toetsingskaders beschikbaar zijn. Aan de geldende normstellingen, dan wel bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij en hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer wordt voldaan. Hierbij verwijzen wij naar de overwegingen in de ‘Geurhinder uit dierenverblijven’, ‘Geluid’ en ‘Luchtkwaliteit’. Gezondheidsrisico’s vanwege de aspecten geur, geluid en luchtkwaliteit worden uitgesloten geacht. Voor dierenverblijven voor pluimvee zijn maximale emissiewaarden voor zwevende deeltjes (PM10) opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Aan deze emissiewaarden, die van toepassing zijn op dierenverblijven die op of na 1 juli 2015 zijn of worden opgericht, wordt voldaan (zie het hoofdstuk ‘Beste Beschikbare Technieken’). Voor micro-organismen en het voorkomen van zoönosen zijn geen normen of grenswaarden beschikbaar. Alleen voor endotoxinen geeft de Gezondheidsraad een aanbeveling om de gezondheidskundige advieswaarde voor werknemers te verlagen naar 30 EU per kubieke meter lucht als advieswaarde voor de algemene bevolking. Deze aanbeveling is niet wettelijk verankerd. De (goede) werking van de huisvestingssystemen wordt geregeld in het Bal.
Wanneer wordt voldaan aan dit besluit en de vigerende wetgeving ten aanzien van volksgezondheid en besmettingsgevaar, zijn er geen redenen om een onderzoekverplichting op te leggen met betrekking tot volksgezondheid.
25 van 40
Er is een behoorlijke afname van fijnstof en dus ook van potentiële endotoxinen. De inrichting levert niet zodanige risico’s op voor de volksgezondheid dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd.
7 7.1
OVERIG AGRARISCH Directe ammoniakschade
De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend. De inrichting ligt niet in de nabijheid van een tuinbouwkas, boomkwekerij of fruitboomgaard. De aanvraag draagt niet bij aan mogelijke directe ammoniak schade.