CConstaterende datLochem
Koppel je AI →
Document · PDF

Documenten vergunningsaanvraag2

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente LochemBij agendapunt: Het plaatsen van 35 flexwoningen voor de periode van 10 jaar op de locatie Zonnekampstraat in Gorssel26.778 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Flexwonen Gorssel Ruimtelijke motivering ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Motivering BOPA 24 april 2025

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Verantwoording Titel

Flexwonen Gorssel Ruimtelijke motivering ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Opdrachtgever

Gemeente Lochem

Projectleider

Paul Lammers

Auteur(s)

Tristan van Herk

Tweede lezer

Suzanne Swenne

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Aantal pagina’s

43 (exclusief bijlagen)

Datum

24 april 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2

Ligging plangebied ............................................................................................................. 5

1.3

Omgevingsplan .................................................................................................................. 6

1.3.1

Vigerende planologische situatie ................................................................................ 6

1.3.2

Strijdigheid met het omgevingsplan ............................................................................ 8

1.4

Waarom een BOPA? .......................................................................................................... 8

1.5

Leeswijzer .......................................................................................................................... 8

2

Beschrijving huidige situatie ...................................................................................................... 9

3

De beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 10

4

5

3.1

Stedenbouwkundig ontwerp ............................................................................................. 10

3.2

Beschrijving woningen ..................................................................................................... 13

3.3

Tijdelijkheid van het initiatief ............................................................................................ 13

Beleid en regelgeving .............................................................................................................. 14 4.1

Rijksbeleid en Rijksregels ................................................................................................ 14

4.2

Provinciaal beleid en provinciale regels ........................................................................... 17

4.3

Regionaal beleid .............................................................................................................. 18

4.4

Gemeentelijk beleid .......................................................................................................... 19

Omgevingsaspecten ................................................................................................................ 20 5.1

Cultureel erfgoed .............................................................................................................. 20

5.1.1

Archeologie ............................................................................................................... 20

5.1.2

Monumenten ............................................................................................................. 21

5.2

Landschap ........................................................................................................................ 22

5.3

Bodem .............................................................................................................................. 22

5.4

Water ................................................................................................................................ 23

5.5

Stikstof ............................................................................................................................. 24

5.6

Ecologie ........................................................................................................................... 25

5.7

Mobiliteit en parkeren ....................................................................................................... 28

5.8

Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 30

5.9

Geur ................................................................................................................................. 31

3/43

Kenmerk

6

7

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

5.10

Externe veiligheid ............................................................................................................. 33

5.11

Geluid ............................................................................................................................... 35

5.12

Bedrijven– en milieuzonering ........................................................................................... 37

5.13

Duurzaamheid .................................................................................................................. 38

5.14

Gezondheid ...................................................................................................................... 39

5.15

Mer-beoordeling ............................................................................................................... 40

Uitvoerbaarheid ....................................................................................................................... 40 6.1

Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 40

6.2

Participatie ....................................................................................................................... 41

Conclusie ................................................................................................................................. 42

Bijlage 1

Situatie tekening bovengronds

Bijlage 2

Archeologisch inventariserend- en booronderzoek

Bijlage 3

Archeologisch proefsleuven onderzoek

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 5

Waterhuishoudingsplan

Bijlage 6

Stikstofdepositie-onderzoek

Bijlage 7

Natuurtoets

Bijlage 8

Verkeersonderzoek

Bijlage 9

Akoestisch onderzoek

Bijlage 10

Participatiejournaal

4/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Gemeente Lochem heeft het voornemen om op locatie de Smitskamp aan de N348 in Gorssel tijdelijke woningen te realiseren. Naar aanleiding van een locatiestudie is het plangebied naar voren gekomen als meest geschikte locatie voor deze ontwikkeling. Het betreft hier een gebied ten noorden van de N348, waarbinnen 35 flexwoningen gerealiseerd zullen worden. De woningen dienen voor maximaal 10 jaar op deze plek te staan en zijn bedoeld voor ontheemden vanuit Oekraïne en spoedzoekers zoals jongeren, alleenstaanden en gezinnen met een urgente woonbehoefte. Om de komst van de flexwoningen mogelijk te maken, wordt de procedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) doorlopen.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan zuidzijde van het dorp Gorssel, het wordt begrensd door de Zutphenseweg (N348), door de bebouwing aan de Wiltinkhof en Lijnbaan aan de noordzijde, de Grootekamp aan de oost- en zuidzijde. Het kadastrale perceelnummer is GSL01-E-8199. Het plangebied ligt op het snijvlak van drie verschillende landschappen (figuur 1.1). Aan de zuidoostkant zijn uitgestrekte boscomplexen, ten westen de open agrarische gronden met groene erven en ten noorden het dorpse karakter van Gorssel. Gorssel is steeds verder uitgebreid in zuidelijke richting waardoor het plangebied nu tegen de kern gelegen is.

Figuur 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van Gorssel en omgeving

5/43

Kenmerk

1.3

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Omgevingsplan

1.3.1 Vigerende planologische situatie Voor vrijwel het gehele plangebied is het geldende juridisch-planologische kader van het plangebied bepaald in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem, geconsolideerde versie’ (vastgesteld op 14-05-2015), onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Lochem1. Een klein deel aan de noordzijde van het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Kern Gorssel 2011’ (vastgesteld op 01-07-2013), eveneens onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente2. Onderstaand is een toelichting gegeven op de bestemmingen zoals die geldend zijn op de planlocatie. Buitengebied Lochem, geconsolideerde versie Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de geldende functies (figuur 1.2). Deze zijn als volgt: • Agrarisch • Waarde – Archeologie 4 • • •

Waarde – Archeologie 5 Waarde – Archeologie 6 Waarde – Archeologie 7

Figuur 1.2 Uitsnede uit het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied

1 2

Geraadpleegd op 25 januari 2025 Geraadpleegd op 25 januari 2025

6/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor: a) De uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf b) Met de daarbij behorende agrarische bedrijfsgronden en een agrarisch bouwvlak c) Het bestaande aantal bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met inwoning/mantelzorg volgens een algemene afwijking in Artikel44 d) De instandhouding en ontwikkeling van de in 43.2 genoemde landschapstypen en hun kernkwaliteiten De bestemming ‘Waarde – archeologie’ zorgt er aanvullend voor dat het gebied beschermd is voor archeologie in verband met de hoge archeologische verwachting. Kern Gorssel 2011 Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de geldende functie (figuur 1.3). Deze is als volgt: • •

Groen Waarde – Archeologie 4

Figuur 1.3 Uitsnede uit het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) Plantsoenen en/of b) Groenvoorzieningen (waaronder begrepen fiets- en voetpaden, water en waterberging, taluds) en/of c) Speelvoorzieningen en/of d) Beplanting e) Het hobbymatig houden van dieren f) Een heemtuin alsmede een openluchttheater ten behoeve van kleinschalige theater- en/of muziekvoorstellingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - heemtuin'

7/43

Kenmerk

g)

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Evenemententerrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen ontsluitingsmogelijkheden en zitplaatsen ten behoeve van het openluchttheater

De bestemming ‘Waarde – archeologie’ zorgt er aanvullend voor dat het gebied beschermd is voor archeologie in verband met de hoge archeologische verwachting. 1.3.2 Strijdigheid met het omgevingsplan Het voornemen bestaat in het kort uit: • De geplande woningen waarmee de functie wonen mogelijk wordt gemaakt • De ontsluitingsweg waarvoor de functie ‘verkeer’ noodzakelijk is • Omliggend groen in de buitenruimte Het ontwikkelen van de woningen, de ontsluitingsweg en het groen passen niet binnen de bestemmingsomschrijving van de daar geldende bestemming. Ook zijn op het terrein in de huidige planologische regeling geen bouwmogelijkheden toegestaan die noodzakelijk zijn voor het realiseren van de woningen.

1.4

Waarom een BOPA?

Zoals toegelicht in paragraaf 1.3 zijn de voorgenomen functies strijdig met het geldende bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Gemotiveerd afwijken van het omgevingsplan is daarmee noodzakelijk. De strijdigheid met het omgevingsplan opheffen kan op basis van: • Binnenplanse afwijking (artikel 8.0a, lid 1 Bkl) • Buitenplanse afwijking (artikel 8.0a, lid 2 Bkl) - BOPA •

Wijziging omgevingsplan

Omdat het omgevingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden biedt waar de ontwikkeling binnen past is gekozen voor een buitenplanse afwijking, een Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit (BOPA). Het voorliggende document dient als ruimtelijke motivering voor deze vergunning. Hierbij is getoetst of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Met deze vergunning wordt direct ook de omgevingsplan activiteit bouwen aangevraagd waardoor eenmalig de vergunningprocedure doorlopen wordt.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Afsluitend een conclusie in hoofdstuk 7 waarin een terugkoppeling op het EFTAL-principe is opgenomen.

8/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

2 Beschrijving huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de dorpskern van Gorssel (figuur 2.1). Het plangebied is aan de westzijde begrensd door de N348. Aan de noord- en oostzijde liggen de wijken Grooterkamp en Smitskamp en woningen gelegen aan de Hoofdstraat (nummer 2, 6 en 8). Aan de zuidzijde zijn twee woningen gelegen aan de N348 (Zutphenseweg 3 en 5). Verder zijn er veel bomen, hagen en struiken rond het plangebied (figuur 2.2).

Figuur 2.1 & 2.2 Ligging van het plangebied en Luchtfoto van het plangebied (Bronnen: Cyclomedia en Stedenbouwkundige visie Smitskamp Gorssel)

De huidige functie van het plangebied is grasland. Het is een open terrein zonder bebouwing, dit is ook te zien op figuur 2.3.

Figuur 2.3 Foto vanaf de zuidzijde van het plangebied genomen van de N348 (Stedenbouwkundige visie Smitskamp Gorssel)

9/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

3 De beoogde ontwikkeling 3.1

Stedenbouwkundig ontwerp

Het voornemen betreft de bouw en het in gebruik nemen van 35 flexwoningen binnen het plangebied. Het gaat om flexwoningen met een tijdelijk gebruik van maximaal 10 jaar op deze locatie. Flexwoningen zijn flexibele woningen die relatief snel kunnen worden geproduceerd en geplaatst. Kenmerkend is het tijdelijke karakter van de woning; ze zijn gemakkelijk aanpasbaar, verplaatsbaar of demontabel. Ze zijn flexibel inzetbaar om te voldoen aan de behoefte aan tijdelijke huisvesting en kunnen een flexibele schil van verplaatsbare woningen vormen, die schommelingen in vraag en aanbod op kunnen vangen. Verder zijn flexwoningen modulair en duurzaam te realiseren3. Deze flexwoningen zijn bestemd voor ontheemden vanuit Oekraïne en spoedzoekers. Het stedenbouwkundig ontwerp is opgenomen in bijlage 1 en te zien in figuur 3.1. Het ontwerp in deze figuren is indicatief waar het gaat om exacte maatvoering. Voor de exacte maatvoering zijn tekeningen van Hodes toegevoegd aan deze vergunningaanvraag. Naast de 35 flexwoningen worden er parkeerplaatsen voor bewoners, collectieve bergruimten, een speelvoorziening en verblijfsplekken gerealiseerd. De woningen worden ontsloten middels een nieuw aan te leggen weg vanuit de Lijnbaan (figuur 3.2). Op deze manier worden de woningen goed verbonden met de dorpskern.

Figuur 3.1 Situatietekening van de beoogde ontwikkeling, opgenomen in bijlage 1

3

Definitie Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

10/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Figuur 3.2 Nieuwe situatie bovengronds ontsluitingsweg, opgenomen in bijlage 1

In de figuren 3.3 en 3.4 is het indicatief stedenbouwkundig ontwerp verder gevisualiseerd waarbij wordt opgemerkt dat de locatie van de berging niet juist is weergegeven. Deze komt meer richting de provinciale weg zoals weergegeven in figuur 3.1. Ook wordt de berging met plat groendak uitgevoerd in plaats van een puntdak. De rode stippellijn in figuur 3.3 markeert de afstand vanuit de weg waarbinnen niet zondermeer gebouwd mag worden in verband met geluidhinder. In paragraaf 5.11 wordt nader ingegaan op het thema geluid.

11/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Figuur 3.3 Indicatief stedenbouwkundig ontwerp Smitskamp Gorssel (Stedenbouwkundige visie Smitskamp Gorssel, 2024)

Figuur 3.4 Visualisatie indicatief ontwerp Smitskamp Gorssel4 (Stedenbouwkundige visie Smitskamp Gorssel, 2024)

In het noorden van het plangebied worden de parkeerplaatsen en opbergruimten gerealiseerd. Dit zorgt ervoor dat de rest van het plangebied autovrij kan blijven. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd met half verharding. De woningen zijn vervolgens bereikbaar via een wandel- en fietspad. Dit pad is ook aangesloten aan de zuidwestzijde op het fietspad dat parallel aan de N348 loopt. Deze aansluiting is enkel bedoeld voor fietsers en hulpdiensten. De woningen zijn gepositioneerd in drie rijen met een hoofdpad ertussendoor die van noord naar zuid loopt. Aan dit hoofdpad zijn de speelvoorzieningen en zitgelegenheid gelegen. De rest van het plangebied bestaat uit gras en begroeiing met hoogteverschil om wadi’s te creëren die het hemelwater opvangen. Rondom het plangebied worden bomen en dichte begroeiing gerealiseerd.

4

Deze visualisatie geeft slechts een eerste beeld van het stedenbouwkundig ontwerp. De definitieve uitwerking kan zorgen voor aanpassingen aan het uiterlijk van de gebouwen en de verdere invulling van het plangebied.

12/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

De 35 flexwoningen zijn onderverdeeld in 33 woningen die bedoeld zijn voor gezinnen tot 4 personen en 2 woningen die geschikt zijn voor grotere gezinnen tot 6 personen.

3.2

Beschrijving woningen

De woningen hebben een gebruiksoppervlakte van circa 58 m2. (kleiner type) en circa 74 m² (groter type). De woningen worden modulair gebouwd, waardoor realisatie binnen relatief kort tijdsbestek plaatsvindt. De te realiseren woningen worden uitgevoerd met een hoge mate van duurzaamheid. De materialen zijn milieuvriendelijk en zorgen voor goede isolatie en luchtdichtheid. De buitenwanden, plafonds en dak elementen zijn gemaakt uit duurzame houtskeletbouw. De vloerelementen bestaan uit een stalen frame met hoogwaardige isolatie en een trillingarme, geluiddempende betonvloer. Andere duurzame maatregelen zijn zonwerend glas en verdiepte buitenkozijnen. Dit beperkt ’s zomers de warmteoverlast, bij een ruime natuurlijke lichtinval. Regenwater wordt opgevangen in wadi's en infiltreert in de bodem. De grasbetontegels op de parkeerplaatsen hebben hetzelfde infiltratie-effect; bovendien slaan ze minder hitte op (en stralen die weer uit) dan traditionele verharding. De daken van de bergingen worden van sedum voorzien. Dat biedt extra isolatie en houdt regenwater vast. De woningen beschikken over: • Zonnepanelen voor eigen energieopwekking • •

Hoogwaardige isolatie die bijdraagt aan een energielabel A of hoger Energiezuinige verwarmingssystemen, zoals een warmtepomp

De woningen worden modulair gerealiseerd wat betekent dat ze grotendeels in de fabriek worden gebouwd en op locatie worden geplaatst. Daar vindt enkel de afbouw plaats en aansluiting op kabels, leiding en riool. De woningen worden uitgevoerd met: • Een woonkamer met open keuken • • •

Twee of drie slaapkamers, afhankelijk van het type woning Een moderne badkamer met douche en toilet Een eigen buitenruimte, zoals een terras of tuintje

De woningen worden geplaatst op een tijdelijke fundering die minimale impact heeft op de ondergrond. Na de gebruiksperiode van maximaal 10 jaar kunnen de woningen eenvoudig worden verwijderd of elders worden herplaatst.

3.3

Tijdelijkheid van het initiatief

De woningen worden geplaatst met een tijdelijke vergunning voor maximaal 10 jaar. Tijdens deze periode bieden ze een belangrijke oplossing voor de woningnood en voorzien ze in een dringende maatschappelijke behoefte. Na afloop van de gebruiksperiode worden de woningen inclusief fundering verwijderd en worden de woningen mogelijk elders herplaatst. Het groen kan in stand gehouden worden als dit landschappelijk een toegevoegde waarde heeft.

13/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

4 Beleid en regelgeving 4.1

Rijksbeleid en Rijksregels

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van vier AMvB’s die vallen onder de Omgevingswet. In het Bkl heeft het Rijk regels opgenomen over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Met name de instructieregels zijn voor deze BOPA relevant. De instructieregels, opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl, geven aan hoe decentrale overheden om moeten gaan met onder meer relevante milieuthema’s. Zo zijn de oorspronkelijke wettelijke kaders van de afzonderlijke milieuthema’s opgenomen in het Bkl. Bij de verschillende milieuthema’s vindt de toetsing plaats aan de kaders uit het Bkl. Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving.

Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het

•

stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld

•

het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. 3. 4.

Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen.

14/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties

Beoordeling en conclusie Afwegingsprincipe 3, afwentelen wordt voorkomen, speelt in op de ontwikkeling van de flexwoningen in Gorssel. Er is namelijk een behoefte aan tijdelijke woonruimte op deze locatie om de vraag op te vangen. Doordat de flexwoningen tijdelijk (10 jaar), op deze locatie, in gebruik genomen worden gaat het niet ten kosten van toekomstige generaties. Doordat de woningen tijdelijk op locatie worden geplaatst, is voor deze locatie in de toekomst andersoortig gebruik weer mogelijk. Hiermee wordt indirect ingespeeld op het combineren van functies op locatie, afwegingsprincipe 1. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de kaders uit de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt aangegeven dat, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, er met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die ontwikkeling (lid 2a).

Indien het omgevingsplan deze ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijk gebied, is bovendien een motivering vereist waarom die behoefte niet binnen het bestaande stedelijk gebied kan worden vervuld (lid 2b)5.

5

De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk.

15/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit drie stappen bestaat: 1. 2. 3.

Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? Vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: waarom kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte worden voorzien?

Beoordeling en conclusie Ten eerste moet er sprake zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening’. In het voorliggende plan is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, al is het in dit geval wel van tijdelijke aard. Ten tweede is de vraag of de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaats vindt. In het voorliggende plan is dit ook het geval. De planlocatie grenst aan de kern Gorssel, maar behoort formeel tot het buitengebied. Daarom moet aanvullend gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Voor het kiezen van een locatie is een quickscan uitgevoerd naar zoeklocaties in de gemeente. In totaal zijn 28 zoeklocaties in beeld gebracht voortgekomen uit diverse kernvisies, locaties uit de projectopdracht en locaties toegevoegd vanuit de ambtelijke werkgroep. Deze locaties zijn op hoofdlijnen beschouwd aan de hand van vijf ruimtelijke indicatoren: eigendom, ontsluiting, nabijheid van voorzieningen, nabijheid van riool en stedenbouwkundige inpassing. Uiteindelijk zijn hieruit 7 geschikte locaties naar voren gekomen.

Deze locaties zijn gedetailleerder bekeken en daarbij zijn, naast ruimtelijke afwegingen, ook maatschappelijke aspecten betrokken. Uit de gedetailleerde analyse is de huidige projectlocatie naar voren gekomen vanwege de volgende voordelen: • • • • •

De locatie grenst aan de in de kernvisie aangewezen woningbouwlocatie Smitskamp. Locatie is niet aangewezen in de kernvisie en concurreert dus niet met geplande woningbouw De bereikbaarheid van de voorzieningen is goed gezien de korte afstand tot de kern van Gorssel De taalschakelklas voor basisschoolkinderen is gekoppeld aan een reguliere basisschool in kern Lochem In Gorssel is een kinderopvang aanwezig en er is ook een voor- en vroegschoolse educatie aanbieder De Oekraïeners die nu in Gorssel wonen hebben inmiddels een netwerk opgebouwd door middel van school, sport en werk en blijven om deze reden graag in Gorssel wonen

Gezien de ruimtelijke en maatschappelijke aspecten van deze locatie is deze als beste naar voren gekomen. Ondanks dat de locatie buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd sluit deze wel aan op de, in de kernvisie aangewezen, woningbouwlocatie Smitskamp waardoor deze aansluit op de dorpsrand.

16/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Daarnaast is de ontwikkeling van tijdelijke aard, maximaal 10 jaar, waarna het plangebied grotendeels weer hersteld wordt tot oorspronkelijke aard. Op deze manier wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte. Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het BkI volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: • De activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s • •

De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit) De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is

vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert De instructieregels hebben onder meer betrekking op de verschillende milieuregelgeving. Hier wordt bij deze thema’s in hoofdstuk 4 op ingegaan.

4.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

Omgevingsvisie Gelderland De omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld op 19 december 2018, richt zich op uitdagingen zoals energie, klimaatverandering en verstedelijking, en benadrukt de noodzaak van samenwerking tussen inwoners, bedrijven, organisaties en overheden. Het doel is een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, waarbij zeven ambities worden gehanteerd. 1. Energietransitie, Van fossiel naar duurzaam 2. 3. 4.

Klimaatadaptatie, Omgaan met veranderend weer Circulaire economie, Sluiten van kringlopen Biodiversiteit, Werken met de natuur

5. 6. 7.

Bereikbaarheid, Duurzaam verbonden Vestigingsklimaat, Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving, Dynamisch, divers, duurzaam

Aan de hand van vier ‘spelregels’ of ‘Doe-principes’ – Doen, Laten, Zelf en Samen – wordt aan deze ambities werking gegeven. Onder de ambitie woon- en leefomgeving valt onder andere het streven om de voorkeur te geven aan het benutten van bestaande gebouwen. Het gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, wordt er uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

17/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Verder wordt er ook benoemd dat er soms zelfs tijdelijke woonvormen nodig zijn, willen ze snel in kunnen spelen op de vraag. Een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën en voor specifieke doelgroepen staat voorop. Beoordeling en conclusie De ontwikkeling past binnen de omgevingsvisie van de provincie Gelderland. Er is aansluiting met de ambities door te zorgen voor een duurzame kwaliteit van de woningen en minimale ruimtelijke impact. Daarnaast wordt binnen de ambitie woon- en leefomgeving gestuurd op een goede balans tussen de vraag en aanbod onder andere voor specifieke doelgroepen, zoals ontheemden vanuit Oekraïne en spoedzoekers. Het voornemen speelt in op de specifieke vraag naar tijdelijk extra woonruimte voor deze doelgroepen. Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Deze geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening (moederplan vastgesteld door PS op 24 september 2014) is 1 mei 2024 voor het laatste gewijzigd. De inhoud van de omgevingsverordening is bedoeld om de plannen uit de omgevingsvisie waar te maken. Artikel 5.63 De regionale woonagenda bevat in ieder geval afspraken over: •

Het bouwen van flexibele woningen

Artikel 5.64 Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan. Beoordeling en conclusie De omgevingsverordening Gelderland geeft aan dat wanneer de ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda, een ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt in het omgevingsplan. In de volgende paragraaf is de regionale woonagenda omschreven en beoordeeld of de ontwikkeling hierbinnen past.

4.3

Regionaal beleid

Regionale woondeal 2022 – 2030, Regio Stedendriehoek, Provincie Gelderland (ondertekend 0803-2023) Met de woondeal leggen gemeenten, woningcorporaties, provincie en Rijk de hoeveelheid te bouwen woningen en het aandeel sociale en betaalbare woningen vast. Op basis van deze afspraken slaan corporaties, bouwers, gemeenten, regio, provincie en Rijk de handen ineen om als partners de woningbouwopgave aan te pakken. De afspraken hieromtrent voor de Regio Stedendriehoek zijn vastgelegd in de regionale woondeal 2022 – 2030. De regionale woondeal is het startpunt voor een gezamenlijke aanpak van de woningbouwopgave. Voor de gehele provincie Gelderland wordt ingezet op het realiseren van minimaal 3.000 flexwoningen tot medio 2025, waarvan 500 tot 1.000 flexwoningen in 2023 gerealiseerd hadden moeten zijn. De provincie gaat in overleg met gemeenten en woonregio’s bepalen of en hoe het realiseren van flexwoningen na 2025 vorm gaat krijgen.

18/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Beoordeling en conclusie Een onderdeel van de woondeal is het realiseren van meer flexwoningen om bij te dragen aan de grote woningopgave. De ontwikkeling van de flexwoningen sluit aan bij de woondeal en daardoor is deze ook in lijn met de omgevingsverordening Gelderland.

4.4

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Lochem 2040 ‘Krachtig en in balans’ De omgevingsvisie Lochem 2040 ‘Krachtig en in balans’, vastgesteld op 13 september 2024, geeft een toekomstbeeld voor Lochem in 2040. Het doel is dat Lochem in 2040 nog steeds een aantrekkelijke, landelijke en groene gemeente is. Het is daar goed wonen, werken en recreëren. De verschillende dorpen, buurtschappen en stad Lochem zijn gegroeid ten opzichte van 2024, maar hebben ieder hun eigen identiteit behouden. In 2040 is Lochem een veelzijdige gemeente, waar iedereen er toe doet en mee kan doen. Met elkaar en voor elkaar. Een inclusieve, autonome gemeente, krachtig, en in balans. Onderdeel van deze visie is het inspelen op de vraag en aanbod van wonen. Om ervoor te zorgen dat extra woningen geen te grote impact hebben wordt bij elke transformatie, inbreidings- en uitbreidingslocatie zorgvuldig gekeken naar de samenhang met de omgeving, voorzieningenniveau en het karakter van dorp of stad. Er wordt rekening gehouden met de stedenbouwkundige structuur en de overgang naar de omgeving. De identiteit van dorp, stad of buurtschap staat hierbij centraal. Deze woningbouw vindt plaats binnen de kernen en op uitbreidingslocaties. Hierop aansluitend wordt er ook benoemd dat er meer dan in het verleden een passende en betaalbare woning is er voor elke doelgroep.

Beoordeling en conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de punten van de visie door woningen te realiseren nu ze nodig zijn voor ontheemden vanuit Oekraïne en spoedzoekers. Dit wordt gedaan op een zorgvuldig uitgekozen uitbreidingslocatie. Deze locatiekeuze is zorgvuldig tot stand gekomen aan de hand van een quickscan locatiekeuze waarbij een groot aantal locaties binnen de gehele gemeente Lochem zijn beschouwd. De locatie is strategisch gekozen vanwege de gunstige ruimtelijke en maatschappelijke aspecten. Kernvisie Wonen Gorssel De kernvisie Wonen Gorssel is op 22 mei 2023 vastgesteld door de gemeenteraad van Lochem. Het doel van de kernvisie is om per kern helderheid te geven over wat er nodig is op het gebied van wonen. Hoe bereiken we een woonaanbod dat aansluit bij de behoefte van de gemeente Lochem en in dit geval voor de kern Gorssel. Het plangebied is aangrenzend aan de uitbreidingslocaties Smitskamp, Gorssel. Deze uitbreidingslocatie is uitgekozen vanwege de volgende punten: • Er kan een goede aansluiting op de bestaande bebouwingsstructuur worden gemaakt • De locatie ligt centraal, dichtbij het centrum en voorzieningen •

De locatie scoort op financiële haalbaarheid goed

19/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

•

De grond is in eigendom van de gemeente en kan relatief snel worden ingezet voor

•

woningbouw Gezien de ligging ten opzichte van voorzieningen is deze locatie geschikt voor ouderen en voor sociale woningbouw

Beoordeling en conclusie Het projectgebied grenst aan de, in de kernvisie aangewezen, uitbreidingslocatie Smitskamp. Het projectgebied is niet aangewezen in de kernvisie en is daarmee niet in concurrentie met de geplande woningbouw uit de Kernvisie Wonen Gorssel. Daarbij worden de woningen tijdelijk gerealiseerd voor een periode van maximaal 10 jaar. Na afloop van de gebruiksperiode worden de woningen inclusief fundering verwijderd en worden de woningen mogelijk elders herplaatst. Het groen kan in stand gehouden worden als dit landschappelijk een toegevoegde waarde heeft.

5 Omgevingsaspecten 5.1

Cultureel erfgoed

De Omgevingswet gaat onder meer over cultureel erfgoed. Onder cultureel erfgoed kunnen als monument aangewezen gebouwen, stedenbouwkundige structuren en (groen)aanleg vallen maar ook erfgoed onder het maaiveld (archeologie). In onderstaande paragrafen wordt op deze onderdelen van het cultureel erfgoed nader ingegaan. 5.1.1

Archeologie

Wettelijk kader Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht Europese overheden om archeologisch erfgoed te beschermen. Het uitgangspunt is dat archeologische waarden in situ, oftewel op de locatie zelf, bewaard moeten blijven. Als dit niet mogelijk is vanwege andere belangen, moeten de waarden worden opgegraven en ex situ, buiten de oorspronkelijke locatie, worden behouden. De uitgangspunten van het Verdrag van Valletta zijn vertaald in de Omgevingswet en vormen de basis voor de omgang met archeologie. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel en houden rekening met archeologische waarden in het omgevingsplan door middel van regelgeving. Het stellen van deze regels moet gebaseerd zijn op voldoende informatie over de archeologische situatie, die kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten met zichtbare archeologische waarden in de ondergrond. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Toetsing ADC ArcheoProjecten heeft in september 2024 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied (bijlage 2). Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de aanwezigheid van een plaggendek binnen het plangebied.

Onder het plaggendek kunnen de archeologische waarden intact zijn gebleven aangezien het plaggendek als buffer dient voor moderne diepe verstoringen.

20/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Deze hoge verwachting geldt voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen met, vanwege vondsten nabij het plangebied, een nadruk op de IJzertijd. De archeologische waarden liggen naar verwachting onder het plaggendek waarvan de dikte is bepaald in het veldonderzoek. Om bovenstaande verwachting te toetsen en aan te vullen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit booronderzoek is inderdaad een plaggendek aangetroffen. Onder het plaggendek is een intacte inspoelingshorizont aangetroffen in alle boringen. De hoge archeologische verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek wordt daarmee bevestigd. Om uitsluitsel te geven over eventuele aanwezigheid van archeologie binnen het plangebied is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in april 2025 (bijlage 3). Uit het proefsleuvenonderzoek komt naar voren dat de hoge verwachting die op grond van het vooronderzoek is gesteld, kan worden aangepast naar een lage verwachting. De hoge verwachting van het vooronderzoek was gebaseerd op de aanwezigheid van een intact plaggedek en inspoelingshorizont. Er bleek echter geen sprake te zijn van een intact plaggendek. Het proefsleuvenonderzoek heeft ook geen relevante sporen opgeleverd. Hiermee kan het project zonder beperkingen voor archeologie worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag archeologie heeft ingestemd middels een selectiebesluit.

Dit betekent dat het gebied wordt vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten en het selectiebesluit kan de ontwikkeling plaatsvinden op het gebied van archeologie. 5.1.2

Monumenten

Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. De Omgevingswet stelt regels voor het waarborgen van cultuurhistorie bij ontwikkelingen. In artikel 5.130 Bkl is de instructieregel opgenomen dat onder andere rekening gehouden moet worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een plangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die betrokken worden bij het verlenen van de BOPA. Cultuurhistorische waarden omvatten meer dan alleen bouwhistorische objecten en monumenten. Toetsing en conclusie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig waardoor toetsing aan dit thema niet relevant is. Het mogelijk maken van de activiteiten wonen en verkeer zijn mogelijk vanuit het thema monumenten.

21/43

Kenmerk

5.2

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Landschap

Wettelijk kader Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Toetsing Het projectgebied ligt op het snijvlak van drie verschillende landschappen. In het zuidoosten zijn uitgestrekte bossen aanwezig, ten westen de open agrarische gronden met erven en ten noorden ervan ligt het dorp Gorssel. Het oprichten van 35 flexwoningen zorgt ervoor dat het huidige open landschap een ander aanzien krijgt. In het ontwerp is een groene overgang van de woningbouwontwikkeling naar de omgeving opgenomen door realisatie van bomen en struiken onder meer aan de randen van het plangebied. Hierdoor wordt extra groen toegevoegd, ontstaat een meer geleidelijke overgang naar de omgeving en wordt het coulisselandschap hersteld. De woningen worden gerealiseerd voor de periode van maximaal 10 jaar. Na afloop van de gebruiksperiode worden de woningen inclusief fundering verwijderd. Het groen dat het coulisselandschap versterkt kan in stand gehouden worden als dit een toegevoegde waarde heeft.

De ontwikkeling sluit op een zorgvuldige manier aan op de omgeving en is daarmee uitvoerbaar wat betreft het landschap. Conclusie De realisatie van de tijdelijke woningen heeft (tijdelijk) gevolgen voor het landschap. Het ontwerp houdt rekening met het landschap door de woningen zoveel mogelijk in de omgeving in te passen. De woningen worden gerealiseerd voor de periode van maximaal 10 jaar. Na afloop van de gebruiksperiode worden de woningen inclusief fundering verwijderd. Het groen dat het coulisselandschap versterkt kan in stand gehouden worden als dit een toegevoegde waarde heeft. Daarnaast sluit de ontwikkeling op een zorgvuldige manier op de omgeving aan, daarmee is de ontwikkeling uitvoerbaar wat het aspect landschap betreft.

5.3

Bodem

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem.

22/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag nog niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor een mens (bijlage VA van het BkI). Toetsing TAUW heeft een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 57406 uitgevoerd (bijlage 4). In zowel de boven- als ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters boven de kwaliteitswaarden die gelden voor landbouw/natuur gemeten. Zowel de boven- als ondergrond zijn indicatief als klasse landbouw/natuur beoordeeld. In het grondwater zijn geen concentraties boven 0,5* signaleringswaarde aangetoond, wat erop wijst dat er geen sprake is van verontreiniging. Conclusie In zowel de grond als het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Zowel de bovenals ondergrond zijn indicatief als klasse landbouw/natuur beoordeeld. Op basis van deze onderzoeksresultaten zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van bodem. De activiteit wonen is op deze locatie toelaatbaar wat betreft bodem.

5.4

Water

Wettelijk kader Nederland is een waterrijk land, daarom is het belangrijk dat de waterbelangen goed in beeld zijn. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de projectontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Deze waterbelangen zijn gewaarborgd met instructieregels die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.3 Bkl. Voor ruimtelijke ontwikkeling wordt hierbij de ‘weging van het waterbelang’ opgenomen, waarbij de verschillende wateraspecten worden beoordeeld en afstemming met het waterschap als waterbeheerder plaatsvindt. Toetsing TAUW heeft in november 2024 een waterhuishoudingsplan opgesteld voor het projectgebied (bijlage 5). Doel is om het stedenbouwkundig plan af te stemmen op het grotere watersysteem en dat het voldoet aan de actuele eisen van de gemeente Lochem en waterschap Rijn en IJssel. Hiermee vindt de ‘weging van het waterbelang’ plaats. De ontwikkeling bevindt zich in een goed doorlatend gebied en heeft een maaiveld vergelijkbaar met de omgeving. Het grondwater zit op ruime diepte zodat geen grondwateroverlast wordt verwacht. In de huidige situatie is het terrein volledig onverhard. Door toename van verhard oppervlak op de locatie, dient infiltratie van het hemelwater plaats te vinden. Hiervoor wordt een ruime wadi met een omvang van circa 4.000 m2 en een berging van circa 1.065 m3.

De diepte van de wadi ligt op 7.70+ NAP. Al het hemelwater wordt naar deze wadi geleid, waarna het kan infiltreren in de ondergrond. Door de ruime opvang van de wadi is de realisatie van een hemelwateroverstort op het bestaande gemengde stelsel niet van toepassing. 6

NEN 5740: 2023 nl: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, oktober 2023

23/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Het afvalwater wordt middels een persleiding en rioolgemaal van de ontwikkellocatie afgevoerd en aan gesloten op het gemengd stelsel onder de Lijnbaan. Waterschap Rijn en IJssel heeft het plan beoordeeld en ingestemd met de maatregelen zoals voorgesteld. De procedure van de weging waterbelang is hiermee doorlopen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar wat het aspect water betreft.

5.5

Stikstof

Wettelijk kader Bronnen en effecten van stikstofdepositie Projecten kunnen bronnen omvatten die stikstofoxiden (NOx) en/of ammoniak (NH3) emitteren naar de lucht. Het kunnen bronnen zijn tijdens het realiseren van het project (bouw- of aanlegfase) of tijdens het in werking zijn van het project (gebruiksfase). De NOx en NH3 in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit af kan nemen. Ecologische voortoets en/of passende beoordeling Voor een nieuw project of een beoogde wijziging van een bestaand project moet onderzocht worden of er sprake is van een Natura 2000-activiteit. Een project met een stikstofdepositiebijdrage op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen7 in een (naderend) overbelaste situatie heeft mogelijk een significant negatief effect. Bij een toename van de stikstofdepositie, als gevolg van het project, kan in een ecologische voortoets onderzocht worden of de effecten van deze toename op de Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Als die effecten niet uitgesloten kunnen worden, dan is het project vergunningplichtig (omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit).

Voor de Natura 2000-activiteit wordt dan een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor Natura 2000gebieden rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Het bevoegd gezag verleent voor de Natura 2000-activiteit uitsluitend een vergunning, als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Referentiesituatie Bij wijziging van een project wordt het effect van de wijziging bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie voor een bestaand project is de situatie waarvoor in het verleden voor de activiteit een natuurtoestemming is verleend, of bij het ontbreken daarvan een milieutoestemming (milieuvergunning of algemene regels als er geen milieuvergunning nodig was) daterend van voor de referentiedatum, tenzij nadien een milieutoestemming is verleend die leidt tot een lagere stikstofdepositie. In dat geval geldt die latere milieutoestemming als referentiesituatie.

7

Rekeninstrument AERIUS berekent de depositie op ‘hexagoon’ niveau (een zeshoek met een oppervlak van 1 ha)

24/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

De referentiedatum is de datum waarop het Natura 2000-gebied als vogelrichtlijngebied is aangewezen of als habitatrichtlijngebied door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst. Indien er geen natuur- of milieutoestemming aanwezig is, geldt een andere referentiesituatie op grond van het omgevingsplan. Toetsing TAUW heeft een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). De bijdrage aan de stikstofdepositie van het project is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2024.1.1). AERIUS Calculator berekent voor zowel de aanlegfase als de beoogde situatie een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het project. Voor het aspect stikstofdepositie is er geen sprake van een vergunningplicht voor het project in het kader van natuurbescherming. Conclusie Uit de resultaten blijk dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, daarmee is de voorgenomen activiteit toelaatbaar vanuit het thema stikstof.

5.6

Ecologie

Wettelijk kader De Wet Natuurbescherming (Wnb) richt zich op behoud en herstel van biodiversiteit en het daarvoor benodigde leefgebied. De wet is sinds 1 januari 2017 van kracht en betreft een samenvoeging van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wnb vormt het juridische kader voor natuurbescherming in Nederland, op basis van Europese regelgeving. Via de Aanvullingswet Natuur is de Wnb beleidsneutraal opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet maakt natuur een deel uit van het bredere begrip fysieke leefomgeving. De wet is gericht op het in onderlinge samenhang: • Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en •

Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften

Het uitgangspunt op het gebied van natuur is 'nee, tenzij'. Dit houdt in dat activiteiten met een (mogelijk) schadelijk effect op beschermde landschappen, gebieden en soorten, in principe verboden zijn (‘nee’), tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Uitzonderingen op het verbod voor schadelijke handelingen (door het verlenen van een omgevingsvergunning of een vrijstelling) zijn onder strikte voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of wetenschappelijk onderzoek.

25/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

In het natuurdeel van de Ow is, naast verbodsbepalingen, een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen mag hebben voor alle in het wild levende flora en fauna en hun directe leefomgeving, beschermd of niet. De zorgplicht geldt ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend voor bepaalde activiteiten, of een zogeheten gedragscode wordt toegepast. Behoud en herstel van biodiversiteit is in de wet via twee sporen uitgewerkt: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het beschermde areaal beslaat de in Europees verband aangewezen zogeheten Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Het betreft gebieden die worden beschermd vanuit de Habitat- en de Vogelrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor de Natura 2000-gebieden gelden specifiek omschreven instandhoudingsdoelstellingen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Soortenbescherming Dit onderdeel van de Ow regelt de bescherming van dieren en planten. Het betreft beschermde soorten uit de Habitat- en de Vogelrichtlijn en daarnaast soorten die nationaal zijn aangewezen als specifiek beschermde soort. Naast behoud en bescherming van soorten, regelt dit onderdeel het faunabeheer. Dit betreft schadebestrijding, jacht en bestrijding van overlast. Tevens regelt dit onderdeel de bestrijding van invasieve exoten. De bescherming van bovengenoemde soorten is uitgewerkt in verbodsbepalingen. Deze houden onder andere in dat beschermde planten niet geplukt mogen worden en dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook de rust- en verblijfplaatsen van de dieren zijn beschermd. Toetsing TAUW heeft onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor het realiseren van tijdelijke woningen op de planlocatie in Gorssel (bijlage 7). De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend.

26/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

Natura 2000-gebieden Significante gevolgen op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn niet aanwezig. Dit is nader beschreven in paragraaf 5.5. Overige effecten op Natura 2000-gebieden zijn niet aanwezig gezien de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Omgevingswet beschermde soorten, namelijk vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nestlocatie en algemene broedvogels. Effecten op overige soort(groep)en worden uitgesloten door het nemen van mitigerende maatregelen zoals onderstaand toegelicht. Door lichtuitstraling in de actieve periode van vleermuizen (april tot en met oktober van zonsondergang tot zonsopgang) te voorkomen en voor algemene broedvogels door te werken buiten het broedseizoen (loopt van maart tot en met augustus) of het uitvoeren van een broedvogelcontrole, uitgevoerd voorafgaand aan de start van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten worden voorkomen. Provinciaal beschermde gebieden Effecten op provinciaal beschermde gebieden (NNN, Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden, Natte landnatuur en dergelijke) zijn op voorhand uitgesloten gezien de afstand tot deze gebieden. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Omgevingswet beschermde soorten, namelijk vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nestlocatie en algemene broedvogels. Door het nemen van de volgende mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op deze soorten voorkomen: • Lichtuitstraling van zonsondergang tot zonsopkomst van april tot en met oktober moet worden voorkomen richting de omliggende bebouwing, waterlichamen en bomen in de omgeving, ook bij de nieuwe permanente situatie. Concreet betekent dit dat, gedurende de aanleg, verlichting op een dusdanige manier plaatsvindt, dat enkel de bouwwerkzaamheden worden aangelicht. Vanuit (sociale) veiligheid is het wenselijk om straatlantaarns te plaatsen in de gebruiksfase van de woningen. Om de straatlantaarns op een correcte manier in te passen wordt gebruikt gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting, zoals de Batlamp, die amberkleurig of rood licht uitstraalt en vrij is van ultraviolet licht. Daarnaast zijn de lichtmasten niet hoger dan 6 meter en voorzien zijn van armaturen die het licht gericht naar beneden schijnen, om lichtverstrooiing te beperken. Waar mogelijk wordt de verlichting uitgerust met •

bewegingssensoren, zodat deze alleen activeert bij aanwezigheid van verkeer of voetgangers Omdat de uitvoeringswerkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels plaatsvinden, wordt maximaal een week voor de start van de werkzaamheden een aanvullende nestencheck uitgevoerd. Hiermee wordt vastgesteld of broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Aan de hand van deze check worden, in overleg met een ecoloog, passende maatregelen genomen zodat verstoring van de broedactiviteiten

wordt voorkomen Effecten op overige soort(groep)en zijn tijdens het onderzoek uitgesloten.

27/43

Kenmerk

R005-1296306SSW-V03-kzo-NL

De maatregelen met betrekking tot de zorgplicht kunnen tot aanpassingen van de uitvoeringsplanning en -wijze leiden, en tot het inpassen van natuurfuncties in het voornemen. Bij werkzaamheden in het broedseizoen worden passende maatregelen genomen om de kans op verstoring van broedende vogels te voorkomen. Op basis van deze onderzoeksresultaten en de te treffen maatregelen tijdens de uitvoering is de voorgenomen ontwikkeling toelaatbaar voor het thema ecologie.

5.7

Mobiliteit en parkeren

Wettelijk kader Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Parkeren De kaders voor het berekenen van de parkeervraag zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en het gemeentelijke parkeerbeleid. De gemeente Lochem heeft een Parapluplan Parkeernormen opgesteld, wat verwijst naar de gemeentelijke parkeernormen die zijn vastgelegd in het beleidsdocument Nota Parkeernormen 2020. De normen die daarin vastgelegd zijn, zijn daarmee vigerend. Voor tijdelijke huisvesting van Oekraïners en spoedzoekers, zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen. In dat geval geeft de Nota Parkeernormen aan dat de parkeerkencijfers van het CROW als uitgangspunt dienen. De meest actuele parkeerkencijfers van het CROW zijn opgenomen in de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ (voorheen publicatie 381). Echter, ook in deze publicatie zijn geen specifieke kencijfers voor de opvang van Oekraïners en spoedzoekers opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15607619/1