Bijlage 4 Begroting 2027
Tekst van het document
Begroting 2027
Meerjarenbegroting 2028 - 2030
1
Begroting 2027 Meerjarenbegroting 2028 - 2030
Datum: 8 januari 2026 Status: Concept © Omgevingsdienst Achterhoek
Hanzestraat 3 7006RH Doetinchem info@odachterhoek.nl www.odachterhoek.nl www.gelderseomgevingsdiensten.nl
2
Inhoudsopgave I.
Ontwikkelingen ....................................................................................... 5
ii.
De beleidsbegroting .............................................................................. 8
iii.
Programma 1 – Vergunningverlening ................................................. 10
iv.
Programma 2 – Toezicht en Handhaving............................................. 12
v.
Programma 3 – Advies ........................................................................ 15
vi.
Programma 4 – Stelseltaken ............................................................... 17
vii.
Programma 5 – Projecten ................................................................... 19
viii.
De paragrafen .................................................................................. 21
PARAGRAAF BEDRIJFSVOERING............................................................................. 21 PARAGRAAF WEERSTANDSVERMOGEN EN RISICOBEHEERSING .......................................... 22 PARAGRAAF FINANCIERING ................................................................................. 30 PARAGRAAF ONDERHOUD KAPITAALGOEDEREN ........................................................... 30
ix.
De financiële begroting ....................................................................... 31
OVERZICHT VAN LASTEN EN BATEN ........................................................................ 31 TOELICHTING FINANCIËLE BEGROTING .................................................................... 31 FINANCIËLE MEERJARENBEGROTING 2026 – 2029 ..................................................... 34 OVERZICHT VAN BATEN EN LASTEN PER TAAKVELD ...................................................... 34 OVERZICHT VAN DE OVERHEADKOSTEN ................................................................... 35 GEPROGNOSTICEERDE BALANS ............................................................................. 35
x.
Besluit Algemeen Bestuur ................................................................... 36
BIJLAGE 1: BEVOORSCHOTTING DOOR DE PARTNERS 2027 ........................................... 37 BIJLAGE 2: BESTUURSORGANEN ........................................................................... 38
3
Voorwoord Voor u ligt de begroting 2027, inclusief de meerjarenraming 2028-2030, van de Omgevingsdienst Achterhoek. De ODA is sterk in beweging. We zijn gestart met een proces dat moet leiden tot een fusie met OD Veluwe. Op 18 december 2025 is hiervoor een intentieverklaring getekend door beide Algemeen Besturen. Uiteindelijk moet deze fusie ervoor zorgen dat wij voldoen aan alle wettelijke eisen en criteria die aan omgevingsdiensten door middel van het Interbestuurlijk programma zijn gesteld. Dit fusietraject vraagt een investering aan de voorkant van het proces. Daarom zijn fusiekosten opgenomen in deze begroting. Daarnaast zijn er veel ontwikkelingen op het gebied van milieu waar de ODA mee te maken heeft naast alle reguliere taken die zij al uitvoert. Extra milieu(plus)taken, wetswijzigingen, toename van complexiteit en extra verzoeken om inzet van de aangesloten gemeenten. Dit heeft de afgelopen jaren geleid tot extra inzet en dus extra uitgaven van de ODA. De begroting van de ODA was niet actueel en al jaren waren de uitgaven groter dan de inkomsten. Met de begrotingswijziging van 2026 is dit gerepareerd. Die wijzigingen zijn opgenomen in deze begroting. Dit betekent echter nog niet dat alle nieuwe ontwikkelingen al volledig geïmplementeerd zijn in de begroting.
De visitatie in 2024 en de uitgevoerde verkenning in 2025 hebben laten zien dat de capaciteit van de ODA verder moet groeien om alle (wettelijke) ontwikkelingen op het gebied van milieu op te vangen. Denk daarbij aan de grote Achterhoekse ambities op het terrein van woningbouw, de Kaderrichtlijn Water, Zeer zorgwekkende stoffen, circulaire economie, ondermijning, de opbouw van een goede kennispositie etc. Deze ontwikkelingen zijn nu meegenomen in de voorliggende begroting van 2027. Met deze uitbreiding zorgen we er niet alleen voor dat we onze wettelijke taken goed kunnen uitvoeren maar ook dat we een gelijkwaardige partner zijn om te fuseren met de OD Veluwe. Al deze nieuwe taken en ontwikkelingen kunnen niet door de huidige formatie worden opgevangen. In de Verkenning die vorig jaar ten behoeve van de fusie is opgesteld is een inschatting gemaakt van het aantal extra fte dat nodig is. Het gaat hier om zowel uitbreiding van het huidig aantal vergunningverleners en toezichthouders als uitbreiding met adviseurs voor de nieuwe taken. Zie hiervoor de toelichting op de personeelskosten / inhuur derden van de financiële begroting. Tegelijkertijd blijven we scherp op onze uitgaven. Waar mogelijk proberen we nu al efficiencyvoordelen te behalen door het ingezette fusieproces met OD Veluwe. Ook blijven we kritisch kijken hoe we onze capaciteit zo optimaal mogelijk kunnen inzetten.
Samen met gemeenten kijken we ook hoe kosten voor de omgevingsdienst kunnen worden doorbelast in de leges. Samen met onze gemeenten en andere partners zetten we ons onvermoeibaar in om de Achterhoek schoon, gezond, duurzaam en veilig te houden. Joost van Oostrum Voorzitter
4
I.
Ontwikkelingen
PVTH-uitvoeringsbeleid De ODA heeft samen met de Achterhoekse gemeentes een PVTH-uitvoeringsbeleid (PVTH staat voor Preventie, Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) opgesteld. Dit beleid bevat een omgevingsscan per milieuthema met daarin doelen en ambities, mogelijke beschikbare instrumenten en strategieën over hoe en wanneer deze instrumenten ingezet kunnen worden. Dit beleid geeft richting aan de wijze waarop de ODA zijn werk moet uitoefenen. Hierdoor kunnen wij niet alleen duidelijker sturen op onze werkzaamheden maar ook zorgen voor een betere kwaliteit van het werk. Risicoanalyse In bovenstaand PVTH-uitvoeringsbeleid was in eerste instantie ook een vernieuwde, geactualiseerde risicoanalyse meegenomen. Dit betreft een doorontwikkelde risicogerichte aanpak van de VTH-milieutaken binnen de ODA. Hiermee zou de aanpak ook in overeenstemming komen met de uitgangspunten van de Omgevingswet en neemt het ook ontwikkelingen mee zoals energiebesparing, circulaire economie, zeer zorgwekkende stoffen en de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze risicoanalyse geeft echter ook aan wat de benodigde capaciteit voor de werkzaamheden zou moeten zijn. Gelet op de financiële situatie van de gemeenten en de toekomstige fusie is besloten om de risicoanalyse later mee te nemen in de komende ontwikkelingen samen met de OD Veluwe.
Hierdoor worden niet op voorhand al keuzes op capaciteit gemaakt die mogelijk later teruggedraaid moeten worden. Kanttekening is wel dat we dan terugvallen op de risicoanalyse uit 2017. We lopen daarmee dus enkele jaren behoorlijk achter de feiten aan en nagenoeg alles is complexer geworden in vergelijking met 10 jaar geleden. Daarom is in het PVTH-uitvoeringsbeleid ook aangegeven dat deze geactualiseerde risicoanalyse zo snel mogelijk en in ieder geval voor de formele fusie moet worden vastgesteld. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor emissies van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), zoals PFAS, naar bodem, water en lucht. ZZS vormen een structureel risico voor de leefomgeving. Deze stoffen kunnen het milieu bereiken via meerdere emissieroutes, zoals indirecte lozingen van afvalwater via het rioolstelsel en rwzi's (rioolwaterzuiveringsinstallaties) en emissie naar de lucht. Beide routes dragen, direct of via depositie en doorwerking, bij aan de belasting van het oppervlaktewater en het grondwater. De zorg voor deze emissies is een wettelijke taak van de omgevingsdiensten omdat zij namens bevoegd gezag het milieurecht uitvoeren. Onder de omgevingswet geldt voor ZZS een verzwaarde minimalisatieplicht, ongeacht de emissieroute.
Emissies moeten zoveel mogelijk aan de bron worden voorkomen en, als dat niet mogelijk is, tot het minimaal technisch haalbare niveau worden teruggebracht. Daarbij ligt de bewijslast nadrukkelijk bij de initiatiefnemer. Dit vraagt om een actieve, integrale en specialistische inzet van de ODA op het gebied van zowel vergunningverlening, toezicht en handhaving en advies. Hiervoor is extra capaciteit nodig. Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht werd. De doelstellingen van de KRW ondersteunen het realiseren en behouden van schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater voor drinkwater, zwemmen, varen en een gezonde leefomgeving voor het waterleven. De Europese lidstaten hebben gezamenlijk afgesproken dat uiterlijk in 2027 een goede toestand bereikt moet zijn. In Nederland zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de indirecte lozingen die uiteindelijk ook in het oppervlaktewater en grondwater terechtkomen. De uitvoering van VTH-taken op het gebied van de indirecte lozingen bij bedrijven ligt bij de omgevingsdiensten. Om te voldoen aan de KRW moet nog veel gebeuren, ook ten aanzien van de indirecte lozingen. Dit betekent voor de ODA veel extra werk op zowel vergunningverlening, toezicht en handhaving en advisering. We doen dit in goede samenwerking met het Waterschap Rijn en IJssel.
5
Circulaire economie De rijksoverheid geeft aan dat de Nederlandse economie in 2050 volledig circulair moet zijn. Dat betekent dat producten en grondstoffen opnieuw gebruikt worden en er bijna geen afval meer is. Redenen voor de rijksoverheid om circulair te worden, zijn: -
de wereldwijde vraag naar producten en grondstoffen, waardoor voorraden slinken; verminderde afhankelijkheid voor grondstoffen van landen buiten Europa; verbetering economie, klimaat en biodiversiteit omdat minder grondstoffen nodig zijn; minder (zwerf)afval op straat en in de natuur; meer banen in b.v. de reparatiesector maar ook in nieuwe innovatieve bedrijven.
De rijksoverheid maakt hiervoor afspraken met bedrijven en andere organisaties om circulair te gaan werken. Zo is op 30 december 2025 het Circulair Materialenplan (CMP) als vervanger van het Landelijk afvalbeheerplan 2017–2029 (LAP 3) inwerking getreden. Dit plan ondersteunt de transitie naar een circulaire economie en fungeert als de schakel tussen beleid en uitvoeringspraktijk door praktische kennis en handvatten aan overheden en bedrijven te bieden. Het helpt bedrijven bij het maken van meer circulaire keuzes en bevoegde gezagen moeten rekening houden met het CMP bij het nemen van besluiten. Overheden zijn dan ook verplicht om de toetsingskaders van het CMP te gebruiken. Dit betekent dat de ODA ook deze toetsingskaders moet implementeren in haar milieutaken wat ook weer meer werk oplevert in b.v. het actualiseren van vergunningen en extra toezicht en handhaving hierop. Integraal advies aan de voorkant van ruimtelijke ontwikkeling De Omgevingswet vraagt om een integrale benadering van ruimtelijke ontwikkeling en alle nieuwe bouwinitiatieven, waarbij vroegtijdige afstemming en samenwerking centraal staan. De nadruk verschuift van toetsing achteraf naar het leveren van deskundig en samenhangend advies aan de voorkant van het proces. Dit vraagt om een actieve en zichtbare rol van de ODA in de initiatieffase van plannen.
De ODA levert dit door structurele deelname aan omgevingstafels en andere vormen van vooroverleg, onder andere via inzet van gespecialiseerde adviseurs Fysieke Leefomgeving en Milieu. In deze fase wordt integraal advies gegeven op het gebied van milieu, gezondheid, veiligheid, duurzaamheid en uitvoerbaarheid. Hierdoor worden risico’s, randvoorwaarden en afwegingsruimte vroegtijdig inzichtelijk gemaakt voor initiatiefnemers en bevoegde gezagen. Deze werkwijze draagt bij aan kwalitatief betere plannen, meer voorspelbaarheid in besluitvorming en efficiëntere vergunningverlening. Door vroegtijdige signalering en afstemming worden aanpassingen in een later stadium voorkomen, wat leidt tot kortere doorlooptijden en een afname van herstelbesluiten en bezwaar- en beroepsprocedures. Dit komt zowel de bestuurlijke uitvoerbaarheid als het vertrouwen van initiatiefnemers ten goede. Om deze rol structureel en kwalitatief goed te kunnen vervullen, is voldoende capaciteit en deskundigheid aan de voorkant noodzakelijk. Investeren in integrale advisering is daarmee geen uitbreiding van taken, maar een essentiële voorwaarde voor een doelmatige uitvoering van de Omgevingswet en voor het realiseren van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Uitstoot van stikstof (N) Al jaren loopt de stikstofdiscussie in Nederland.
Gezien de politieke en maatschappelijke onenigheid zal dit ook niet direct tot duidelijkheid leiden. Wat dit voor de ODA gaat betekenen is nog niet heel concreet. Mogelijk moeten vergunningen geactualiseerd of ingetrokken worden en dat moeten we bij specifieke bronnen extra toezicht houden. Denk daarbij aan grotere veehouderijen of fabrieken met grote stookinstallaties. Landelijke kennisinfrastructuur In het Interbestuurlijke programma (IBP) is gekeken naar een verbetering in de landelijke kennisinfrastructuur tussen omgevingsdiensten. De oplossing is gezocht in het verdelen van kennis op landelijk niveau, op het niveau van 6 landsdelen en op niveau van de individuele omgevingsdiensten, waarbij er tussen alle niveaus verbindingen tussen kennis en kennishouders zijn. De ODA bevindt zich in het landsdeel Oost wat bestaat uit alle omgevingsdiensten in Gelderland en Overijssel. In het kort gaat het om de volgende structuur. 6
Landelijk Kennisteam van 6 kennisregisseurs op de kennisthema’s bodem en ondergrond, waterkwaliteit, energie, ZZS, circulaire economie, data en informatie en actuele onderwerpen. Landsdeel Per landsdeel zijn er: - 1 van bovenstaande kennisregisseurs die kennis haalt, brengt, deelt en borgt per kennisthema en per landsdeel (is ook de verbinder tussen kennis bij omgevingsdiensten en ODNL); - 6 kennisvertegenwoordigers die als VTH-expert een landsdeel vertegenwoordigt voor 1 van bovengenoemde kennisthema’s en als contactpersoon fungeert voor de VTH-experts bij de andere omgevingsdiensten binnen het landsdeel. Omgevingsdienst Per omgevingsdienst zijn er: - een kennismakelaar die de verbindende schakel is tussen de VTH-experts binnen de eigen omgevingsdienst en tussen de kennisregisseur en andere kennismakelaars binnen het landsdeel; - minimaal 6 VTH-experts voor de bovengenoemde kennisthema’s. Voor de ODA is hiervoor extra capaciteit nodig voor een kennismakelaar en de VTHexperts. Echter dit zorgt voor nog meer kennis en kunde binnen de ODA waardoor het werk op den duur kwalitatief beter en vaak ook efficiënter wordt.
7
II.
De beleidsbegroting
Het Programmaplan Het programmaplan van de Omgevingsdienst is opgebouwd uit de volgende programma’s: ➢ Programma 1 – Vergunningverlening ➢ Programma 2 – Toezicht en Handhaving ➢ Programma 3 - Advies ➢ Programma 4 – Stelseltaken ➢ Programma 5 - Projecten Overzicht van baten en lasten per taakveld x € 1.000
Taakveld
Baten
Begroting 2027 Lasten
Programmaplan Programma 1 Vergunningverlening Programma 2 Toezicht en handhaving Programma 3 Advies Programma 4 Stelseltaken
Programma 5 Projecten Overzichten Fusie Bijdrage partners Fusie Rijksbijdrage
7.4 Milieubeheer 7.4 Milieubeheer 7.4 Milieubeheer 7.4 Milieubeheer Eigen stelseltaak Kosten Gelders stelsel van Omgevingsdiensten Omgevingsdiensten 7.4 Milieubeheer
2.346 5.964 2.026 0 60 0 210 600 200
0.4 Overhead ondersteuning Overhead organisatie Algemene dekkingsmiddelen 0.5 Treausury 0.8 Algemene baten en lasten Bedrag onvoorzien Gerealiseerde totaal saldo van baten en lasten normale bedrijfsvoering Bijdrage deelnemers in het tekort 2024 Toevoegingen en ontrekkingen aan de reserves Resultaat
5.872
17.278 0 17.278
1.983 5.883 1.873 0 32 0 500 248 0 600 200 5.876 0 83 17.278 0 17.278
De begroting 2027 is gebaseerd op de begroting 2026 en begrotingswijziging 2026. Beleidswijzigingen die consequenties hebben voor de begroting 2027 (en volgende jaren), worden in de begroting 2027 verwerkt, dan wel via de eerste begrotingswijziging 2027 indien dat nodig is. Bovenregionale taken Taken die bovenregionaal worden uitgevoerd, maar inrichting gebonden zijn, zijn opgenomen in ons productenboek. Deze lopen dus gewoon mee in de begrote dienstverlening. De programmatische stelseltaken worden afgerekend op uren op basis van een vastgesteld werkplan met een passende verdeelsleutel, afhankelijk van het onderwerp. Indexatie Zowel de loonindex als de prijsindex baseren we op de externe berichtgeving aan de hand van de septembercirculaire. Deze geeft voor 2027 een loonindexatie aan van 5,1% en een prijsindexatie aan van 2,3%. Mochten bij nader inzien de indexaties toch duidelijk anders uitpakken dan kunnen deze, zo nodig, in de begrotingswijziging 2027 meegenomen worden. Deze (mogelijke) begrotingswijziging is een wijziging die, op basis van artikel 28 lid 10 van de GR, niet voor zienswijze naar de gemeenten en de Provincie hoeft. Mocht op het moment van opstellen van de begroting er een nieuw (meerjarig) cao-akkoord liggen dan zullen we rekenen met de percentages uit het akkoord. Kortom: De loonindex te bepalen op 5,1%; De prijsindex te bepalen op 2,3%. 8
Ondersteunende diensten Voor de bestaande ondersteunende diensten zullen de in de begroting 2027 opgenomen bedragen worden geactualiseerd aan de hand van de eind 2026 geldende DVO’s. Weerstandsvermogen/Onvoorzien De relatie tussen weerstandsvermogen en benodigde weerstandscapaciteit is in een verhoudingsnorm weer te geven. In het Algemeen Bestuur van 9 november 2016 is besloten om te streven naar een voldoende weerstandscapaciteit. Volgens de robuustheidscriteria moet de weerstandsratio minimaal ≥0,8 zijn. Hier voldoet de ODA aan. Procedure Voor de aanbieding en vaststelling van de (ontwerp) begroting geldt de volgende procedure. • Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting 2027 vóór 30 april 2026 aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. • Gemeenteraden en Provinciale Staten hebben 12 weken om hun zienswijzen over de ontwerpbegroting in te dienen bij het dagelijks bestuur. • Het dagelijks bestuur verzamelt de zienswijzen en biedt de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur aan voorzien van de zienswijzen. • Het algemeen bestuur stelt de begroting vóór 15 september 2026 vast. • Onmiddellijk na de vaststelling van de begroting 2027 door het algemeen bestuur zendt het algemeen bestuur deze aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. • Het dagelijks bestuur zendt de begroting 2027 vóór 15 september 2026 aan de minister.
9
III. Programma 1 – Vergunningverlening 1. Wat willen we bereiken? De Omgevingsdienst Achterhoek is verantwoordelijk voor de vergunningverlening aan agrarische-, industriële- en MKB-bedrijven. Daarbij staat een zorgvuldige en tijdige afhandeling, binnen de geldende termijnen, centraal. Vergunningen dienen handhaafbaar en juridisch houdbaar te zijn. Tevens dienen vergunningen bij te dragen aan een veilige, schone leefomgeving. Naast vergunningaanvragen worden meldingen en informatieplichten behandeld. Deze worden beoordeeld op juistheid en volledigheid. De omvang en planning van de vergunningverlening zijn lastig vooraf te voorspellen, omdat deze sterk afhankelijk zijn van het aantal aanvragen en het moment waarop deze worden ingediend. Dit vraagt om flexibiliteit in de inzet van capaciteit. Bij de behandeling van verzoeken wordt een heldere prioritering gehanteerd: aanvragen worden opgepakt op volgorde van binnenkomst. Vergunningaanvragen hebben daarbij voorrang op ambtshalve wijzigingen. Met deze werkwijze zorgen wij voor transparantie, rechtsgelijkheid en een zo efficiënt mogelijke inzet van middelen, terwijl de kwaliteit van de vergunningverlening gewaarborgd blijft.
De ontwikkeling van de problematiek rond ZZS, indirecte lozingen en circulaire economie (zie hoofdstuk I Ontwikkelingen) betekent dat de complexiteit voor vergunningverlening toeneemt door: Identificeren en beoordelen van ZZS in processen, grondstoffen en emissies; Integraal beoordelen van emissieroutes (indirecte lozingen en luchtemissies); Beoordelen en borgen van vermijdings- en reductieprogramma's (VRP's). Daarnaast verliezen verleende vergunningen in de praktijk hun actualiteit door externe ontwikkelingen waarop het bevoegd gezag beperkt invloed heeft. Dit betreft onder meer nieuwe jurisprudentie, wijzigingen in wet- en regelgeving en voortschrijdende inzichten in de meest milieuvriendelijke technieken die een bedrijf kan inzetten op basis van Europese regelgeving (zoals BREF-documenten en Best Beschikbare Technieken). Deze ontwikkelingen maken periodieke herbeoordeling en actualisatie van vergunningen noodzakelijk om de juiste bescherming aan de omgeving te blijven bieden. 2. Wat gaan we daarvoor doen? Vergunningaanvragen integraal beoordelen en actief meedenken in oplossingen, met een zorgvuldige afweging van belangen van de aanvrager, omgeving en gemeenten/provincie.
De beschikbare menskracht en specialistische deskundigheid flexibel en doelmatig inzetten, zodat vergunningen met voldoende kwaliteit, juridisch houdbaar en handhaafbaar tot stand komen, met klantgericht werken als uitgangspunt. Afspraken met opdrachtgevers en ketenpartners uitvoeren en hierover transparant verantwoording afleggen. Investeren in het actueel houden van kennis en expertise van medewerkers, onder andere op het gebied van ZZS, BBT, VRP’s en jurisprudentie. Gerichte prioriteiten stellen en werken met meetbare doelstellingen voor vergunningverlening en – waar noodzakelijk – de actualisatie van bestaande vergunningen, waarbij deze tevens worden omgezet naar mba's. Beperkingen De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat het tijdig afhandelen van vergunningen steeds meer onder druk staat. Dit komt door de toenemende complexiteit van wet- en regelgeving, een tekort aan beschikbare capaciteit en het feit dat de provincie slechts beperkt verklaringen van geen bedenkingen afgeeft in het kader van de Wet natuurbescherming (bij vergunningaanvragen die nog voor de Omgevingswet zijn ingediend). Deze knelpunten spelen ook bij het verlenen van advies en instemming voor Natura 2000-aanvragen onder de Omgevingswet. Daarnaast worden (onder ander bij actualisaties) bestaande vergunningen omgezet naar milieubelastende activiteiten (mba’s).
Deze overgang zal naar verwachting aanzienlijke inspanning vergen en de komende jaren veel capaciteit vragen. 10
3. Wat mag het kosten?
Overzicht baten en lasten Programma 1 Vergunningverlening x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan 2.346
Programma 1 Vergunningverlening
1.983
362
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen Overhead
0
Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien
Saldo van baten en lasten
2.346
11
19
-19
2.002
344
IV.
Programma 2 – Toezicht en Handhaving
1. Wat willen we bereiken? Toezicht De ODA houdt toezicht op de naleving van milieuregelgeving. Hiervoor worden milieubelastende activiteiten gecontroleerd aan de hand van omgevingsplannen, een omgevingsvergunning of een melding. Als er voor de betreffende activiteit geen benodigde vergunning is verleend of wanneer er geen benodigde melding is ingediend, wordt erop toegezien dat dit alsnog gebeurt. Maar nog belangrijker: we zien erop toe dat bedrijven de (landelijke) regels op het gebied van milieu naleven. Naast het toezicht op bedrijven worden in het uitvoeringsprogramma 2027 ook andere aspecten van toezicht meegenomen. Hierbij moet je denken aan bodemtoezicht, toezicht op geluid bij b.v. evenementen, airco’s en warmtepompen, toezicht op asbestsloop en toezicht op aspecten zoals vuurwerk en energiebesparing. Verder blijft ook ondermijning en ketentoezicht de komende jaren een grote rol spelen bij onze werkzaamheden. Milieuklachten en meldingen De ODA neemt door burgers en/of bedrijven ingediende milieuklachten en meldingen in behandeling en geeft daar een vervolg aan. Het indienen van klachten en meldingen gaat via het meldpunt voor milieuklachten in Gelderland. Dit kan zowel telefonisch als digitaal. Handhaving, bezwaar en beroep De inzet vanuit de ODA is met name gericht op toezicht met daarin het bewustmaken van het naleven van de regelgeving.
Maar helaas leidt alleen toezicht niet altijd tot het beoogde resultaat. Dan moeten we de naleving van de regels afdwingen door gebruik te maken van bestuursrechtelijke en/ of strafrechtelijke handhavingsinstrumenten. De afhandeling van de in dit kader ingediende bezwaar- en beroepschriften wordt ook door de ODA verzorgd. 2. Wat gaan we daarvoor doen? Preventie Met de komst van ons PVTH-uitvoeringsbeleid hebben we vastgelegd om waar mogelijk nog meer preventie als instrument toe te passen. Hierbij kun je denken aan: - voorlichting; - publicaties; - gerichte communicatie; - bibob-toets (mits de gemeenten akkoord zijn met het gebruik van deze toets); - zelftoetsing door het bedrijf met behulp van een door de ODA gestuurde vragenlijst. Risico-, effect en naleefgericht toezicht op bedrijven We werken met een risico & effectgerichte benadering, gebaseerd op steeds meer beschikbare informatie vooraf. Zo is er een prioriteringslijst gemaakt van de eerst te bezoeken bedrijven op basis van milieurelevantie, naleefgedrag en wanneer de laatste reguliere controle is uitgevoerd.
Verder werken we zoals ook aangegeven in ons PVTH-uitvoeringsbeleid met verschillende manieren van toezicht, zoals: - cyclisch door traditionele reguliere controles; - branchegericht op basis van een thema of een doel; - vrije veld (gebiedsgericht); - administratief vanuit aangeleverde gegevens zoals onderzoeksrapporten en/of certificaten; - vraag gestuurd vanuit een vraag, (handhavings)verzoek of een melding. Complexe en aandachtsbedrijven Binnen het Gelders stelsel wordt toezicht op de gemeentelijke complexe bedrijven uitgevoerd onder een gezamenlijk Gelders programma. Dit om meer uniformiteit en kennisverdeling- en uitbreiding te creëren op het gebied van dit soort bedrijven.
12
Verder hebben we binnen de ODA meerdere aandachtsbedrijven. Dit betreft bedrijven die extra aandacht nodig hebben en daardoor vaak ook veel tijd kosten. Elk jaar vallen er bedrijven af, maar er komen ook wat bij. Er zijn 4 verschillende categorieën, aandachtsbedrijven met: - een hoog risicoprofiel; - een slecht naleefgedrag; - veel klachten uit de omgeving; - gevaar voor ondermijning/ milieucriminaliteit. Bedrijven kunnen soms ook in meerdere categorieën vallen. Niet geplande werkzaamheden Deze werkzaamheden ontstaan als gevolg van wensen van onze partners op dat moment, landelijke, regionale en lokale ontwikkelingen (zie ook hoofdstuk 1), klachten en/of onvoorziene voorvallen/ incidenten. Ons uitvoeringsprogramma is daarom flexibel opgesteld, waardoor waar nodig ook verschuivingen van werkzaamheden binnen de ODA plaats kunnen vinden. Daarbij wordt altijd gekeken of deze verschuivingen geen risico’s voor het uitvoeren van de reguliere taken met zich meebrengen. We merken de laatste jaren echter dat deze niet geplande en vaak wel verplichte werkzaamheden steeds meer toenemen en dat hierdoor of de reguliere taken niet allemaal gedaan kunnen worden (en er dus achterstanden ontstaan) of dat er grote budgetoverschrijdingen op het gebied van toezicht en handhaving zijn.
Daarom is een capaciteitsuitbreiding voor toezicht en handhaving in 2027 benodigd om alle werkzaamheden goed uit te kunnen blijven voeren. Ondersteuning bij het voorkomen en bestrijden van ondermijning
Ook in 2027 zal er weer aandacht worden besteed aan ondermijning. Ondermijning is de vermenging van de onderwereld met de bovenwereld. In de Achterhoek hebben wij er helaas ook regelmatig mee te maken. Denk daarbij aan de drugslabs en hennepkwekerijen die zijn aangetroffen en waar lozingen of dumpingen van (gevaarlijke) afvalstoffen op bodems, in mestkelders, etc. hebben plaatsgevonden. Daar wordt o.a. de expertise van de ODA met betrekking tot handhaving en het veiligstellen van de omgeving in de praktijk gebracht. De ODA helpt verder door de ogen en oren te zijn voor het signaleren van dit soort zaken en het meegaan met de politie en gemeentes naar verdachte situaties en bedrijven. Handhaving Als ODA opereren we, zoals ook aangegeven in ons PVTH-uitvoeringsbeleid, binnen de kaders van het Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO). Op basis hiervan wordt bepaald welke vorm van handhaving passend is.
De volgende vormen van handhaving zijn mogelijk: - waarschuwen, zowel mondeling als schriftelijk; - last onder dwangsom, waarbij een bedrag betaald moet worden als de overtreding niet of niet op tijd is hersteld; - last onder bestuursdwang, waarbij de ODA het (gedeeltelijk) herstellen van de overtreding regelt en de kosten verhaald worden op de overtreder als de overtreding niet of niet op tijd is hersteld; - intrekkingen van eerder genomen besluiten of gedane uitspraken; - bestuurlijke boete (bestuursrechtelijk); - proces-verbaal (strafrechtelijk); - gedogen (het initiatief en de besluitvorming hiertoe ligt bij de gemeente).
13
5. Wat mag het kosten?
Overzicht baten en lasten Programma 2 Toezicht en Handhaving x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan Programma 2 Toezicht en Handhaving
5.964
5.883
81
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen
0
Overhead
0
Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien Saldo van baten en lasten
5.964
14
45
-45
5.928
36
V.
Programma 3 – Advies
1. Wat willen we bereiken? De ODA vervult een wettelijke en ondersteunende rol bij het verstrekken van onafhankelijk en deskundig (milieu)advies ten behoeve van het ontwikkelen, inrichten en beheren van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Deze advisering maakt integraal onderdeel uit van vergunningverlening, toezicht en handhaving en wordt daarnaast ingezet binnen ruimtelijke processen en planvorming. De vraag naar advisering vanuit de deelnemende gemeenten is de afgelopen jaren structureel toegenomen, onder meer door de Omgevingswet, complexe gebiedsontwikkelingen en specialistische milieuvraagstukken. Deze ontwikkeling is in de begroting 2027 financieel verwerkt en vormt een structureel onderdeel van de dienstverlening van de ODA. De adviezen zijn gericht op het tijdig en samenhangend beoordelen van de (on)mogelijkheden van (ruimtelijke) ontwikkelingen en het ondersteunen van een zorgvuldige belangenafweging door bevoegde gezagen. Hierbij worden de relevante milieu- en leefomgevingsaspecten in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder archeologie, constructieve veiligheid, geluid, bodem, luchtkwaliteit, geur, licht, externe veiligheid, milieueffectrapportage, milieuzonering, ecologie en natuurbescherming, water, juridische ondersteuning en gevaarlijke stoffen waaronder ZZS zoals PFAS.
De ontwikkeling van de problematiek rond ZZS, indirecte lozingen en circulaire economie (zie hoofdstuk I Ontwikkelingen) vraagt structureel om specialistische ondersteuning, onder ander op het gebied van: Stofidentificatie en ZZS-duiding; Afval- en grondstoffenexpertise (circulaire ketens); Beoordeling van BBT en alternatieven voor lucht- en wateremissies; Interpretatie van emissiemetingen (lucht, water en slib); Inzicht in verspreiding, depositie en cumulatieve effecten; Ondersteuning van vergunningverleners, toezichthouders en handhavers bij complexe casuïstiek. In het kader van de Omgevingswet, waarin bij het toekennen van functies aan het omgevingsplan sprake dient te zijn van een integrale afweging van belangen, ontwikkelt de ODA haar integrale advisering verder. Doel hiervan is om milieuaspecten structureel, vroegtijdig en consistent te betrekken bij ruimtelijke besluitvorming en omgevingsplanvorming (zie ook hoofdstuk I Ontwikkelingen). Voor zover mogelijk kunnen gemeenten de kosten van deze advisering (deels) verhalen via leges of door het sluiten van anterieure overeenkomsten. Hiermee wordt bijgedragen aan een doelmatige inzet van publieke middelen, waarbij de kwaliteit, onafhankelijkheid en tijdigheid van de advisering zijn geborgd. 2. Wat gaan we daarvoor doen? -
Het binnen afgesproken termijnen leveren van specialistische en juridische adviezen met een zorgvuldige afweging van belangen van de aanvrager, omgeving en gemeenten/provincie; Het proactief signaleren van risico’s, randvoorwaarden en afwegingsruimte ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Het planmatig inzetten en ontwikkelen van deskundigheid, gericht op integrale en kwalitatief hoogwaardige advisering. Het borgen van klantgerichtheid, betrouwbaarheid en voorspelbaarheid in de dienstverlening; Het meedenken in mogelijkheden en oplossingen; Het actueel houden en doorontwikkelen van kennis en expertise van medewerkers, passend bij wet- en regelgeving en maatschappelijke ontwikkelingen. 15
3. Wat mag het kosten?
Overzicht baten en lasten Programma 3 Advies x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan Programma 3 Advies
2.026
1.873
153
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen Overhead
0
Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien
Saldo van baten en lasten
2.026
16
19
-19
1.892
135
VI.
Programma 4 – Stelseltaken
Inleiding De individuele Gelderse omgevingsdiensten zijn niet voor alle opgedragen taken voldoende “robuust”. Om die robuustheid wel te garanderen, is een Gelders stelsel ontwikkeld. Omgevingsdiensten waar bovenregionale taken zijn belegd, zorgen voor de uitvoering daarvan ten behoeve van alle Gelderse omgevingsdiensten. Op dit moment wordt er onderzocht of het Gelders stelsel nog voldoende functioneert. Mogelijk volgt er in de nabije een toekomst een herziening. Een uitkomst zou kunnen zijn dat het landsdeel Oost, en niet meer alle diensten in Gelderland, taken onderling blijft verdelen. De volgende bovenregionale taken zijn als volgt belegd: Bovenregionale taak
Belegd bij
Kwaliteit en coördinatie Gelders stelsel Ketentoezicht Portaal en kenniscentrum Complexe vergunningverlening (provinciale bedrijven)
Omgevingsdienst De Vallei (ODDV) Omgevingsdienst Rivierenland ODR) Omgevingsdienst Veluwe (ODV) Omgevingsdienst Groene Metropoolregio (ODGM) Omgevingsdienst Groene Metropoolregio (ODGM) Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) Omgevingsdienst Veluwe (ODV)
Complexe toezicht en handhaving (provinciale bedrijven), meetdienst en bezwaar en beroep Personeel en Organisatie BSBm (Bestuurlijke Straf Beschikking milieu)
1. Wat willen we bereiken? In Gelderland hebben gemeenten en provincie gekozen voor een samenhangend stelsel van uitvoeringsdiensten waarin nabijheid, samenhang, kwaliteit en efficiency belangrijke uitgangspunten zijn. De keus om zo veel mogelijk in de regio en daarmee in de eigen organisatie te blijven werken, maakt samenwerking tussen de uitvoeringsdiensten nodig en gewenst. Nodig omdat niet in alle regio’s de uitvoering van alle taken robuust en volgens de landelijk opgestelde en vereiste kwaliteitscriteria 3.0 mogelijk is. Samenwerking is gewenst omdat het een goede manier is om kwalitatief goede producten tegen een redelijke prijs te leveren. 2. Wat gaan we daarvoor doen? Kwaliteit en coördinatie Gelders stelsel Om het Gelders stelsel van zes uitvoeringsdiensten blijvend, op een kwalitatief goed niveau te laten functioneren, is het van groot belang duurzaam met elkaar in gesprek te zijn. De ODDV voert daarover de regie. Ketentoezicht De ODR is verantwoordelijk voor de analyses, de keuze van de ketens en de uitvoeringsplanning. De ketenprogramma’s worden uitgevoerd in samenwerking met de medewerkers van de verschillende omgevingsdiensten. In overleg met de ODR worden projecten bepaald voor de inzet op ketentoezicht. Hiervoor is vanuit de ODA capaciteit beschikbaar gesteld. Portaal en kenniscentrum De ODV fungeert als portaal en kenniscentrum.
De ODV verzorgt de gemeenschappelijke contacten vanuit het stelsel met andere organisaties zoals het OM. Daarmee hebben deze organisaties in Gelderland één aanspreekpunt. Complexe vergunningverlening en toezicht en handhaving Vanuit de Omgevingswet geldt dat het bevoegd gezag voor complexe bedrijven ligt bij de provincie. De provincie heeft deze taken belegd bij de ODRN voor vergunningverlening en de ODRA voor toezicht en handhaving. Dit geldt ook voor toezicht en handhaving van vuurwerk en bodemsaneringen waarbij de provincie bevoegd gezag is.
17
Personeel en Organisatie De ODA vervult de rol van trekker van de stelseltaak HRM. Vanuit deze rol coördineren wij het Centraal Lokaal Overleg (CLO) en verzorgen wij de ondersteuning daarvan. Omdat toekomst van het Gelders Stelsel momenteel wordt herzien, kan dit gevolgen hebben voor de inrichting en het voortbestaan van het CLO. Naast het CLO coördineren wij ook de werkzaamheden van de Expertgroep HRM. De Expertgroep HRM fungeert primair als overleg- en afstemmingsplatform voor de gezamenlijke arbeidsvoorwaarden die binnen het Gelders Stelsel zijn afgesproken. Binnen deze expertgroep vindt afstemming plaats over alle HR-regelingen, met als doel om gezamenlijk op te trekken, te voorkomen dat elke omgevingsdienst afzonderlijk beleid moet ontwikkelen en om onderlinge concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. De expertgroep is gezamenlijk verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering van de P&O-taken en wordt hierbij ondersteund door een arbeidsjurist. Het voordeel van deze gezamenlijke aanpak is dat kennis en ervaringen worden gedeeld en regelingen zoveel mogelijk uniform worden toegepast. Dit betreft onder andere de evaluatie en doorontwikkeling van bestaande regelingen, zoals de reiskostenregeling, het Individueel Keuzebudget (IKB) en de gesprekkencyclus.
De gemeenschappelijke arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd in de Lokale Arbeidsvoorwaardenregeling Gelderse Omgevingsdiensten (LAGO) en het Arbeidsvoorwaardenreglement Gelderse Omgevingsdiensten (AvR). De kosten die de ODA in dit kader maakt, zoals personele inzet, het HR21-functiewaarderingssysteem en het HRM-kennisplatform RAP, worden verdeeld over de zes omgevingsdiensten. Bestuurlijke Straf Beschikking milieu (BSBm) De stelseltaak coördinatie BSBm is belegd bij de ODV. Dit gaat om de ‘grijze’ BSBm. Voor deze taak wordt gebruik gemaakt van een centrale registratie. Ook de afstemming met het Openbaar Ministerie wordt door de ODV gedaan. 3. Wat mag het kosten?
Overzicht baten en lasten Programma 4 Stelseltaken x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan Programma 4 Stelseltaken
0
532
-532
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen Overhead
0
Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien
0
Saldo van baten en lasten
0
18
532
-532
VII. Programma 5 – Projecten Inleiding Voorheen stonden in dit hoofdstuk specifieke projecten die een incidenteel karakter hebben, denk daarbij aan de invoering van de Omgevingswet. Voor de aankomende jaren zal dit hoofdstuk zich richten op enerzijds het Interbestuurlijk programma versterking VTH met de daaraan verbonden robuustheidscriteria. Anderzijds zal hierin de voorgenomen fusie tussen ODA en OD Veluwe worden opgenomen, zoals is bekrachtigd met de intentieverklaring op 18 december 2025. 1. Wat willen we bereiken? De maatschappelijke opgaven op het gebied van milieu, vergunningverlening, toezicht en handhaving nemen toe in omvang en complexiteit. Door samen te werken en mogelijk te fuseren, kunnen ODA en ODVeluwe hun kennis, capaciteit en expertise bundelen. Schaalvergroting draagt bij aan een sterkere organisatie, beter toegerust om ook op de lange termijn kwalitatief goede dienstverlening te bieden. 2. Wat gaan we daarvoor doen? Interbestuurlijk programma versterking VTH Vanaf 2023 werkt ODA aan het Interbestuurlijk programma versterking VTH. Dit programma is gestart vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met als doel om voor 1 april 2026 de omgevingsdiensten te laten voldoen aan de robuustheidscriteria. Dit is de aanleiding om te fuseren met Omgevingsdienst Veluwe.
ODA basis op orde Om de daadwerkelijk stap tot een fusie te kunnen maken moeten de te fuseren diensten gelijkwaardige aan elkaar zijn en daarvoor de benodigde stappen zetten in het op orde brengen van de eigen organisatie. Voorbereidingen op de fusie met Omgevingsdienst Veluwe Dit proces start in 2026 met een nulmeting, waarna vervolgens een meerjarenplan wordt uitgewerkt. Beide diensten zullen worden bijgestaan door deskundigen gespecialiseerd bij fusietrajecten. Integratie van de bedrijfsvoering Voorafgaand aan de feitelijk fusie zullen de diensten haar bedrijfsvoering integreren. Een belangrijke eerste stap is het harmoniseren van ICT. Er zal op eenzelfde manier gewerkt moeten gaan worden. Dit zorgt voor een integratie van de hard- en software en een eenduidige werkwijze. Daarna zal de financieringssystematiek, sturing op data, HR, wijze van administreren en archiveren volgen. 3. Wat mag het kosten? Toelichting op de verwachte fusiekosten zijn hieronder terug te vinden in de paragraaf bedrijfsvoering.
19
Overzicht baten en lasten Programma 5 Projecten x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan Programma 5 Projecten
270
248
22
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen Overhead
0
Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien
0
Saldo van baten en lasten
270
20
248
22
VIII. De paragrafen Inleiding In het Besluit Begroting en Verantwoording zijn zeven verplichte paragrafen opgenomen voor provincies, gemeenten en hun gemeenschappelijke regelingen. Deze zijn niet allemaal relevant voor de omgevingsdienst Achterhoek. Om die reden zijn de paragrafen lokale heffingen, grondbeleid en verbonden partijen achterwege gelaten. De volgende paragrafen worden achtereenvolgens behandeld: 1. Bedrijfsvoering 2. Risicobeheer en weerstandsvermogen 3. Financiering 4. Onderhoud kapitaalgoederen PARAGRAAF BEDRIJFSVOERING Overzicht baten en lasten Overhead en Fusie x € 1.000
Begroting 2027 Baten
Lasten
Saldo
Programmaplan Fusie Kosten partners
600
600
0
Fusie kosten rijksbijdrage
200
200
0
5.872
5.876
-4
Overzicht Algemene dekkingsmiddelen Overhead Heffing vennootschapsbelasting Onvoorzien
0
Saldo van baten en lasten
6.672
6.676
-4
Kwaliteit Voor de beoordeling van kwaliteit zijn de kwaliteitscriteria 3.0 de uitgangspunten. Periodiek worden zowel de procescriteria als de criteria voor de kritieke massa (op basis van capaciteit, kennis en ervaring van de medewerkers) gemonitord. Daaruit blijkt dat we over het algemeen aan alle kwaliteitscriteria volledig voldoen. We hebben ons als doel gesteld om robuust te zijn op alle deskundigheidsgebieden waarvoor de ODA aan de lat staat. Daarnaast streven we ernaar dat onze medewerkers zoveel mogelijk individueel voldoen. Ons opleidingsplan en andere acties zijn daarop gericht. Om blijvend te voldoen aan de kwaliteitscriteria 3.0 en aan de eisen vanuit het Interbestuurlijk Programma versterking VTH, wordt vanaf 2027 structureel ingezet op innovatie en deskundigheidsbevordering. Hiervoor zijn in de organisatiekosten twee afzonderlijke budgetten opgenomen: • een innovatiebudget ter grootte van 1% van de loonsom (circa € 140.000), gericht op procesverbetering, datagedreven werken en kwaliteitsontwikkeling. Onlangs is er een innovatiekalender opgesteld. Hierin staat beschreven wat wij met dit budget willen bereiken.
Daarnaast hebben we een BI-strategie vastgesteld, waarin beschreven staat hoe wij omgaan met datagedreven werken; • een opleidingsbudget van 3% van de loonsom (voorheen 2%), waarmee gericht wordt geïnvesteerd in vakinhoudelijke scholing, juridische actualiteit en het voldoen aan individuele kwaliteitscriteria. Deze middelen dragen bij aan een toekomstbestendige organisatie en aan het verminderen van risico’s op kwaliteits- en capaciteitsknelpunten. Informatiebeleid en ICT De ODA heeft een aantal systemen in gebruik. Voorbeelden van deze systemen zijn een vergunningen, toezicht- en handhavingssysteem), een systeem waar documenten worden opgeslagen en een systeem die de informatie van de ODA op de kaart toont. Al deze systemen staan in verbinding met elkaar. De komst van de Omgevingswet en de huidige AVG-wetgeving stellen specifieke eisen aan enerzijds gegevensuitwisseling en anderzijds 21
aan het beheer van gegevens. Om aan de regelgeving te kunnen voldoen zijn er regelmatig aanpassingen aan de systemen nodig. Naar aanleiding van de visitatie en de aanbevelingen van Omgevingsdienst NL wordt in 2027 ingezet op verdere professionalisering van de bedrijfsvoering. Dit betreft onder meer: • het verbeteren en uniformeren van de tijdschrijfregistratie, zodat beter inzicht ontstaat in de inzet per taak en per deelnemer; • het versterken van procesmatig en projectmatig werken, inclusief bijbehorende ondersteuning en opleiding. Deze verbeteringen dragen bij aan transparantie richting opdrachtgevers, voorspelbaarheid van de uitvoering en betere sturing op capaciteit en kosten. Binnen het Gelders Stelsel is er een kernregistratie waarmee we binnen Gelderland informatie over bedrijven uitwisselen. Dit centrale systeem kan ook gebruikt worden voor koppelingen met bijvoorbeeld landelijke gegevensbanken, zoals Inspectieview Milieu (IVM). Bij de aanschaf van een nieuw systeem wordt ook steeds gekeken naar wat er gezamenlijk binnen het stelsel kan worden opgepakt. Organisatieondersteuning De ondersteuning is nu deels belegd bij 3 en in 2026 2 partners. Dit is vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten met een relatief korte looptijd. Dit om telkens te beoordelen of de samenwerking met de huidige partners nog wel de beste keuze is.
Een korte looptijd houdt andere opties voor de toekomst open. Deze overeenkomsten zullen in de zeer nabije toekomst mogelijk herzien worden met het oog op de fusie. Fusiekosten De initiële fusiekosten zijn onvermijdelijk. Denk hierbij aan de harmonisatie van systemen, personeelsregelingen, juridische ondersteuning en communicatie vergen, naar eerste schatting, een investering van circa 2 miljoen. Daartegenover staan structurele schaalvoordelen, zoals gezamenlijke inkoop, efficiëntere bedrijfsvoering en gedeelde overhead. Die schaalvoordelen worden nu geschat op een paar ton. De fusie komt in aanmerking voor een rijksbijdrage van €0,5 miljoen en bijdrage van de provincie Gelderland. De verwachting is dat een groot deel van de kosten gedekt kunnen worden door de subsidies vanuit het rijk en de provincie. De provinciale subsidie kan door één van de diensten aangevraagd worden. Op het moment van schrijven is het nog onduidelijk of de Achterhoek of de Veluwe de beheerder van deze subsidie zal zijn. Het restant van de verwachte fusiekosten zullen ten laste komen van de partnergemeenten. PARAGRAAF WEERSTANDSVERMOGEN EN RISICOBEHEERSING De wereld om ons heen verandert snel. Dat betekent dat er altijd ontwikkelingen zijn waar geen rekening mee is gehouden. Neem als voorbeeld de corona. Deze ontwikkelingen kunnen geld kosten.
Het is daarom verstandig financiële middelen te reserveren voor eventuele tegenvallers. Hoeveel we moeten reserveren hangt af van de risico’s die we lopen. Het algemeen Bestuur van de ODA heeft daartoe in november 2015 een notitie vastgesteld waarin de risico’s en de benodigde weerstandscapaciteit zijn bepaald. Overigens merken we dat het benoemen van de risico’s al helpt bij het beperken van de gevolgen. We letten meer op de mogelijke risico’s en proberen eerder in te grijpen. Definities Hieronder worden de begrippen weerstandscapaciteit, risico en weerstandsvermogen gedefinieerd. Voor de begrippen bestaan soms meerdere definities. Er is steeds gekozen voor de definitie die het meest algemeen in gebruik is of die het beste bij de ODA past. Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit middelen en mogelijkheden waarover de ODA beschikt om niet begrote kosten, die onverwachts en substantieel zijn, te dekken, zonder dat de begroting en het beleid aangepast hoeven te worden. Het gaat om die posten waaruit tegenvallers eventueel bekostigd kunnen worden, zoals de algemene reserve. Onderscheid wordt gemaakt in incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Onder incidentele weerstandscapaciteit wordt verstaan de capaciteit die de organisatie heeft om eenmalige tegenvallers op te vangen. Onder structurele weerstandscapaciteit 22
verstaan we middelen die permanent inzetbaar zijn om structurele tegenvallers op te vangen. Risico Een risico is een onzekere en ongewenste gebeurtenis die een nadelig effect kan hebben op de ODA, de doelen die zijn gesteld of de financiële positie van de ODA. Weerstandsvermogen De beschikbare weerstandscapaciteit afgezet tegen de benodigde weerstandscapaciteit noemen we ‘weerstandsvermogen’. Het weerstandsvermogen is toereikend wanneer financiële tegenvallers goed opgevangen kunnen worden. Anders gezegd: Het weerstandsvermogen geeft aan hoe robuust de financiële positie van een organisatie is. Door voldoende aandacht aan het weerstandsvermogen te besteden, kan worden voorkomen dat elke financiële tegenvaller dwingt tot bezuinigingen of een hogere bijdrage van de deelnemers.
23
Om het weerstandsvermogen objectiever te kunnen beoordelen is door het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement (NAR) een waarderingstabel ontwikkeld: Waarderingscijfer A B C D E F
Ratio weerstandsvermogen Groter dan 2,0 Groter dan 1,4 maar kleiner dan 2,0 Groter dan 1,0 maar kleiner dan 1,4 Groter dan 0,8 maar kleiner dan 1,0 Groter dan 0,6 maar kleiner dan 0,8 Kleiner dan 0,6
Betekenis Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Bepaling weerstandscapaciteit ODA De weerstandscapaciteit bestaat uit middelen en mogelijkheden om niet begrote kosten, die onverwacht en substantieel zijn, op te vangen. Binnen de ODA kan de beschikbare weerstandscapaciteit uit twee posten worden berekend: •
Post onvoorzien (structurele weerstandscapaciteit) begroting 2027: € 83.000;
•
Algemene reserve (incidentele weerstandscapaciteit) stand 31-12-2025: € 117.000;
Welk bedrag is er met de risico’s gemoeid? Om tot een waardering van een risico te komen moeten de (financiële) gevolgen/impact van een risico worden geschat. Vaak is niet exact aan te geven wat de omvang van een risico in financiële zin zal zijn. Daarom maken we gebruik van onderstaande tabel: Klasse
Omvang
1
€0-€25.000
2
€25.000-€75.000
3
€75.000-€200.000
4
€200.000-€500.000
5
> €500.000
Hoe groot is de kans dat het risico zich voordoet? Voor elk risico is een inschatting gemaakt van de kans dat zich een risico voordoet. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende kans-klasse indeling: Klasse
Waarschijnlijkheid
Kans
Referentiebeeld
1
Zeer klein
10%
1 keer per 10 jaar of >
2
Klein
30%
1 keer per 5-10 jaar
3
Gemiddeld
50%
1 keer per 2-5 jaar
4
Groot
70%
1 keer per 1-2 jaar
5
Zeer groot
90%
1 keer per jaar of <
Gekozen uitgangspunten voor inventarisatie van de risico’s Afspraken dienstverleningsovereenkomsten Met de deelnemers worden afspraken gemaakt over de dienstverlening en de informatievoorziening over en weer voor de taakuitoefening. Afwijkende situaties per deelnemer kunnen de efficiency-doelstellingen onder druk zetten of kunnen leiden tot te weinig werk per medewerker. Het is ook van belang de afspraken met de andere ’OD’s juridisch goed te verankeren. Het risico bestaat uit dat er meer uren noodzakelijk zijn om de taken uit te voeren waardoor minder vraag naar producten ontstaat dan verwacht. Door regelmatig overleg met de partners wordt de kans hierop risico verkleind. Het risico schatten we op € 50.000 (klasse 2) en de kans dat zich dit voordoet op 30% (klein).
24
Taakuitvoering Hieronder verstaan we het risico van aansprakelijkheidsstelling bij de reguliere taakuitoefening. Hiervoor zijn de gebruikelijke aansprakelijkheidsverzekeringen gesloten. Het restrisico bestaat uit het betalen van schadevergoedingen waarbij het eigen risico voor de ODA blijft. We schatten de omvang op € 12.500 (klasse 1) en de kans dat zich dit voordoet op 10% (zeer klein). Deelnemers treden uit de gemeenschappelijke regeling Mocht een van de deelnemers de keuze maken om uit de gemeenschappelijke regeling te treden, dan zal dit een groot (financieel) effect kunnen hebben op de ODA. We schatten de omvang op €1.000.000 en de kans dat zicht dit voordoet op 10% (zeer klein). Calamiteit bij bedrijf De ODA kan het verwijt krijgen niet goed te hebben gehandeld, nalatig te zijn geweest of onvoldoende te hebben gecommuniceerd tijdens of na een calamiteit. Ook is het mogelijk dat de ODA het verwijt krijgt dat ze vooraf (dus voordat de calamiteit plaats vond) niet goed heeft gehandeld. Het vertrouwen in de ODA bij opdrachtgevers en burgers neemt af; schadeclaims en negatieve pers. Voor financiële consequenties zie taakuitvoering.
Als beheersingsmaatregel stellen we hier tegenover het opstellen van een communicatieplan/protocol hoe te handelen bij calamiteiten, praktijksituaties simuleren, kwaliteitsborging producten en kennis blijven delen binnen omgevingsdiensten en met de partners. Het (rest)risico schatten we daarmee op nihil. Rechtmatigheid Het niet voldoen aan de rechtmatigheidseisen kan leiden tot juridische procedures en claims. De ODA wordt geacht rechtmatig, d.w.z. overeenkomstig wet- en regelgeving te handelen en moet daarin de opdrachtgevers adviseren. Het onvoldoende rechtmatig functioneren doet afbreuk aan het imago en het vertrouwen in de ODA. Bovendien vormt het rechtmatigheidsaspect onderdeel van de interne controle. We schatten het (rest)risico op nihil. Bezuinigingen bij de deelnemers Het risico is dat het rijk bezuinigt op provinciale- en gemeentelijke uitkeringen (Provinciefonds /Gemeentefonds) en/of dat de partner zelf bezuinigingsmaatregelen doorvoert. Voor de ODA bestaat het risico dat provincie en gemeenten een deel van de rijks- of eigen bezuinigingen afwentelen op de ODA. In de eind 2016 vastgestelde verrekensystematiek zijn onder meer afspraken gemaakt, hoe we met tekorten omgaan wanneer deze worden veroorzaakt door bezuinigingen bij de partner. Ondanks deze afspraken schatten we het risico op €250.000 (klasse 4) en de kans dat het zich voordoet op 10% (klein).
Loon- en prijsontwikkelingen Aan het begin van 2025 is een nieuwe cao vastgesteld wat zal resulteren in loonstijgingen voor 2025 tot medio 2027: in totaal 7,64%. De daadwerkelijke verhoging bleef hiermee binnen het gestelde risico. Het risico hebben we ingeschat op € 150.000 (klasse 3) en de kans dat het zich voordoet op 50% (gemiddeld). Eigen risico voor werknemersverzekeringen De ODA is eigen risicodrager voor de ziektewet, WW en premiedifferentiatie voor WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgehandicapten). De ODA betaalt het eigen risico en de premiedifferentiatie indien een medewerker ziek, verplicht uit dienst gaat of in de WGA komt. We schatten het risico op € 50.000 (klasse 2) en de kans dat zich dit voordoet op 50% (gemiddeld).
25
Ziekteverzuim De ODA werkt met een norm aan productieuren van 1.350. Omgerekend is dit 72% naar beschikbare uren. Indien het ziekteverzuim te hoog is, denk bijvoorbeeld aan de medewerkers die werkzaam zijn binnen het primair proces, zet dat de productieve norm onder druk en daardoor de opbrengsten. We schatten het risico op € 70.000 (klasse 2) en de kans dat dit zich voordoet op 50% (gemiddeld). Het ziekteverzuim van de ODA was medio 2025 bedraagt 7,8%. Dit ligt boven het landelijk gemiddelde voor openbaar bestuur en overheidsdiensten (circa 5,0%; bron CBS). Wel stellen we vast dat het ziektepercentage vooral zichtbaar is in het primair proces. Dit betekent dat de productiviteit achterblijft met de verwachting, en daarmee ook met de begroting. Een deel van het ziekteverzuim heeft te maken met de werkdruk. Ook in 2027 nemen we zoveel als mogelijk maatregelen om werkdruk beheersbaar te houden en te zorgen dat mensen niet ziek worden. Werkkostenregeling Op 1 januari 2015 is de werkkostenregeling in werking getreden. Deze regeling begrenst het maximaal te besteden bedrag aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor de werknemers. Boven de vrije ruimte is loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80% verschuldigd. Deze regeling kan financiële gevolgen hebben voor de loonkosten. We gaan daar vooralsnog niet van uit.
We schatten het risico in op € 12.500 (klasse 1) en de kans dat zich dit voordoet op 30% (gemiddeld). BTW Het plafond van het BTW-compensatiefonds (BCF) is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond wordt overschreden, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds. Het risico is dat de gemeenten deze overschrijding (deels) gaan afwentelen op de ODA en daardoor minder producten gaan afnemen. Vooralsnog schatten we dit risico op nihil. Vennootschapsbelastingplicht Met ingang van 1 januari 2016 worden ook de lokale overheden belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Dit geldt in beginsel ook voor de gemeenschappelijke regelingen zoals de ODA. In 2016 zijn door de Omgevingsdiensten afspraken gemaakt met de Belastingdienst. De inschatting is dat de kans dat ODA vennootschapsbelasting moet betalen zeer klein is. Productenboek Het risico is dat de gehanteerde normen in het productenboek afwijken af van de werkelijkheid waardoor de kosten per product hoger of lager zijn dan vooraf verwacht. Het is zaak de normen regelmatig te toetsen en bij te stellen waar nodig. In 2019 had de ODA een behoorlijk tekort.
In 2020 hebben we een tijdschrijfanalyse uitgevoerd. Aan de hand hiervan bleek dat de productvergoeding voor specialistische ondersteuning onvoldoende kostendekkend was en zijn daarop de normen aangepast. We schatten het risico van onvoldoende dekking op € 50.000 (klasse 2) en de kans dat zich dit voordoet op 30% (klein).
Automatisering Het risico is productieverlies door uitval en reparatie van de verschillende systemen waardoor meer uren noodzakelijk zijn om de taken te verrichten dan waarmee rekening is gehouden. We schatten het risico op € 12.500 (klasse 1) en de kans dat zich dit voordoet op 50% (gemiddeld).
26
Aanbestedingen Het risico is dat aanbestedingen niet worden uitgevoerd volgens vastgesteld (Europese en ODA) inkoop- en aanbestedingsbeleid waardoor financiële middelen zijn benodigd voor rechtszaken en de consequenties van deze rechtszaken. We schatten het risico op € 137.500 (klasse 3) en de kans dat zich dit voordoet op 10% (klein). Outputmodel (medewerkers) Ons outputmodel kan leiden tot meer of minder vraag naar producten, incidenteel maar wellicht ook structureel. Het zal niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de vraag naar de (soort) producten overeenkomt met de beschikbare capaciteit. We zullen daarop tijdig moeten inspelen. De strategische personeelsplanning die regelmatig bijgesteld wordt, kan ons daarbij uitstekend van dienst zijn. We schatten het risico op € 50.000 (klasse 2) en de kans dat zich dit voordoet op 30% (klein). Gelders Stelsel Er is een verbeterplan opgesteld op basis van de uitgevoerde evaluatie van het Gelders Stelsel. De mogelijke maatregelen zijn niet op geld doorgerekend. Mogelijk kunnen een aantal maatregelen leiden tot extra kosten voor de ODA. We schatten het risico op € 12.500 en de kans dat zich dit voordoet op 70% (groot). Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet kan tot een andere taakverdeling tussen gemeenten, provincie en de ODA leiden.
Het is zowel mogelijk dat dit tot meer als tot minder taken voor de ODA leidt die in de begroting zo mogelijk worden meegeraamd. Het risico schatten we daarom op nihil. Datalekken Iedereen heeft recht op eerbiediging en bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en een zorgvuldige omgang met zijn persoonsgegevens. De regels hiervoor zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hierin staat dat persoonsgegevens moeten worden beveiligd tegen verlies en tegen onrechtmatige verwerking. Een datalek moet worden gemeld aan de Autoriteit Persoonsgegevens als het leidt tot een aanzienlijke kans op ernstige nadelige gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens, of als het ernstige nadelige gevolgen heeft voor de bescherming van persoonsgegevens. Het datalek moet daarnaast ook worden gemeld aan de betrokkene indien het waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor diens persoonlijke levenssfeer. Bij overtreding van de meldplicht datalekken uit de Wbp kan de Autoriteit Persoonsgegevens een bestuurlijke boete opleggen. We schatten het risico op € 150.000 (klasse 3) en de kans dat zich dit voordoet op 20% (klein). Financieel effect van deze risico’s We willen het totale financiële effect van deze risico’s weten. Dit hebben we nodig om vast te stellen of onze financiële buffer voldoende is. In de volgende tabel wordt het financieel effect berekend.