Bijlage 2 Ruimteljke onderbouwing zonder bijlagen
Tekst van het document
5.1.2e
Ruimtelijke onderbouwing 5.1.2e
Gemeente Lochem
Datum: 7 juli 2025 Projectnummer: 220208 ID: NL.IMRO.XXX
5.1.2e
INHOUD 1
Inleiding
3
2
Het project
6
3
Beleid en regelgeving
10
4
Milieu- en omgevingsaspecten
15
5
Uitvoerbaarheid
29
1.1 1.2 1.3 1.4
2.1 2.2
3.1 3.2 3.3
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
5.1 5.2
Aanleiding Ligging en begrenzing besluitgebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
Huidige situatie Toekomstige situatie
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Milieueffectraportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
3 3 4 5
6 8
10 12 14
15 16 16 17 18 19 20 25 26 27 28
29 29
Bijlagen − − − − − − − −
Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Quick scan natuur Bijlage 6: Berekening stikstofdepositie aanlegfase Bijlage 7: Berekening stikstofdepositie gebruiksfase Bijlage 8: Archeologisch bureauonderzoek
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de 5.1.2e te 5.1.2e een bedrijf te vestigen die een stille recreatieve actieweide en een paintballweide met bijbehorende voorzieningen ter plaatse wil realiseren. Deze voorzieningen zijn beoogd ter plaatse van een onbebouwd agrarisch perceel wat ten noordwesten van Adventure 5.1.2e ligt. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken wordt met toepassing van artikel 2.1 eerste lid onder c, in samenhang met artikel 2.12 eerste lid onder a sub 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning aangevraagd. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing besluitgebied Het besluitgebied betreft enkele agrarische gronden gelegen aan de noordwestzijde van het adres 5.1.2e . De gronden liggen in het buitengebied van de gemeente 5.1.2e ten noorden van 5.1.2e , nabij de Gorsselse heide en zijn bereikbaar vanaf de 5.1.2e . Grenzend aan het besluitgebied bevindt zich een paardenvereniging waarvoor een maatschappelijke bestemming geldt. Ten zuiden grenst het besluitgebied aan gronden die bestemd zijn als ‘Agrarisch met waarden’. Direct ten zuidwesten is ook een strook grond bestemd als ‘Bos’. Ten slotte zijn de kartbaan en het klimbos, respectievelijk, bestemd als ‘Sport’ en ‘Bos’. Op de navolgende luchtfoto’s wordt de ligging en begrenzing van het besluitgebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de kaart van het besluitgebied, behorende bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Globale ligging besluitgebied ten opzichte van de kernen 5.1.2e en Gorssel (rode cirkel) (Bron: pdok.nl). 3
5.1.2e
Globale begrenzing besluitgebied (rode arcering) (Bron: pdok.nl).
1.3
Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het besluitgebied gelden diverse bestemmingsplannen, namelijk ‘Buitengebied Lochem 2010’, ‘Correctieve herziening Buitengebied Lochem 2010’, ‘Buitengebied Lochem 2010, Partiële herziening’ en ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Om een gebruiksvriendelijke weergave van deze bestemmingsplannen te kunnen bereiken, is een geconsolideerde versie van deze plannen gemaakt. De navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van desbetreffend bestemmingsplan opgenomen, met daarop voorliggend besluitgebied globaal rood gearceerd.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 5.1.2e
geconsolideerde versie’ met daarop het be-
sluitgebied globaal rood omlijnd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl). 4
5.1.2e
Het bestemmingsplan kent aan het besluitgebied de bestemming ‘Agrarisch’ toe. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Verder geldt voor bijna het hele besluitgebied de dubbelbestemming ‘Archeologie Waarde 7’ en voor een klein deel de dubbelbestemming ‘Archeologie - Waarde 6’. Middels deze dubbelbestemmingen worden de gronden met een middelmatige archeologische verwachting beschermd. De strengste van beide bestemmingen is ‘Archeologie - Waarde 6’ waarin wordt gesteld dat er archeologisch onderzoek benodigd is wanneer de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd of wanneer de beoogde bebouwing meer dan 1.000 m2 bedraagt. Verder kent het besluitgebied vier gebiedsaanduidingen, namelijk ‘geluidzone - industrie’, ‘overige zone - beschermingszone natte landnatuur’, ‘overige zone - landschapstype bos en landgoederenlandschap’ en ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’. De geluidzone heeft betrekking op een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder en nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zijn enkel toelaatbaar met inachtneming van de maximaal toelaatbare geluidswaarden volgens de Wet geluidhinder. Wat betreft de beschermingszone natte landnatuur zijn regels opgenomen over de wijze waarop de natte landnatuur ter plaatse behouden kan blijven.
Het gaat voornamelijk over het toevoegen van verharding. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding bos- en landgoederenlandschap is het beleid gericht op de instandhouding en de ontwikkeling van het bos- en landgoederenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: parkachtige historische tuinen, oude boerderijen en landerijen, bos en houtwallen, afwisseling bos met kleinschalig landschap, boomgroepen en solitaire bomen in weides, lanen met dubbele bomenrijen. Ten slotte gelden ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’ voor intensieve veehouderijen het bepaalde in de bestemming Agrarisch. Tot slot gelden ter plaatse ook het ‘Parapluplan Parkeernormen’ en ‘Paraplubestemmingsplan bijgebouwen bij recreatiewoningen’. Met het eerste plan wordt juridisch-planologisch vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor onder andere het bouwen alleen wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, zoals beschreven in de ‘Nota Parkeernormen’. Het tweede plan wijzigt enkele regels met betrekking tot recreatie. Het voorgestelde initiatief past niet binnen de kaders van het nu geldende bestemmingsplan. Daarom wordt middels een omgevingsvergunning afgeweken van het geldende bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit vijf hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie van het besluitgebied. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het project moet voldoen. Hoofdstuk 4 bespreekt de haalbaarheid voor wat betreft de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod in hoofdstuk 5.
5
2
Het project
2.1
Huidige situatie Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Lochem en was van oorsprong onderdeel van de Gorsselse Heide. De gronden werden gebruikt voor begrazing door runderen en later schapen. Daarnaast werden de gronden geplagd. Heideplaggen werden in de stal gebruikt om de schapen een drogere ondergrond te geven en samen met de mest in het voorjaar op het land gebracht om de bodemstructuur te verbeteren. Door het afplaggen van de gronden bleef de heide in stand. Na de komst van kunstmest verdween er veel heide in de omgeving. Een deel van het heidegebied is echter bewaard gebleven, vanwege de militaire functie die het terrein kreeg. Wegen bestonden destijds uit zandpaden die naar verschillende buurtschappen leidden. De gronden tussen de Dortherdijk en 5.1.2e hebben in de loop van de tijd grotendeels de inrichting als heidegebied verloren. De omgeving kenmerkt zich tegenwoordig meer door afwisseling van bos, akkers en heide waarbinnen een mix van functies als natuur, landbouw, recreatie en wonen is terug te vinden. Rond 1960 is op het adres 5.1.2e een outdoor kartbaan ontstaan. Het gaat om de oudste outdoor kartbaan van Nederland. De outdoor kartbaan maakt onderdeel uit van Adventurepark 5.1.2e . Naast de kartbaan is een kantinegebouw terug te vinden. Het perceel wordt omzoomd door een klimbos.
Direct ten noorden hiervan ligt een paardenweide van menvereniging ‘Achter ’t Peerd’.
Historische ontwikkeling besluitgebied (globaal wit omlijnd) en omgeving (bron: topotijdreis).
6
Direct ten (noord)westen van de outdoor kartbaan en de paardenweide bevinden zich agrarische gronden die het besluitgebied van voorliggend project vormen. Het besluitgebied heeft een oppervlakte van circa 1,4 hectare en heeft een onbebouwd karakter. Het besluitgebied is groen ingericht met deels een verruigd karakter en wat bomen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie binnen het besluitgebied.
Impressie besluitgebied gezien vanaf de zuidwestelijke hoek (Bron: SAB).
Impressie besluitgebied gezien vanaf de noordoostelijke hoek (Bron: SAB).
7
2.2
Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om het besluitgebied in te richten ten behoeve van twee recreatieve weides. De noordelijke weide betreft een stille recreatieve weide waarin ruimte wordt geboden voor elektrocross met elektrisch aangedreven motoren en buggy’s en incidenteel wordt gebruikt door de naastgelegen menvereniging tijdens wedstrijden en trainingen. De zuidelijke weide wordt ingericht met een paintballparcours waar gebruik gemaakt wordt van biologisch afbreekbare verfbolletjes. Centraal in het besluitgebied wordt een kleinschalig ontvangstgebouw gerealiseerd waar gasten zich kunnen melden en spullen kunnen worden opgeslagen. Het gaat om activiteiten met een stil karakter. Er wordt bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van brandstofkarts. Geluidproductie is voornamelijk afkomstig van het stemgeluid van bezoekers en het bijkomende autoverkeer. Bezoekers maken gebruik van de bestaande inrit, die rondom de aanwezige paardenweide wordt verlengd. Hierlangs wordt eveneens nieuwe parkeergelegenheid gerealiseerd voor bezoekers. Om de activiteiten op een verantwoorde manier te realiseren met aandacht voor de omgeving is een landschappelijk inpassingsplan 1 opgesteld. De inrichtingsschets laat de beoogde landschappelijke inpassing van het besluitgebied zien. Het parkeren bevindt zich aan een eenrichtingslus en heeft groen karakter.
Parkeren vindt plaats op grasstenen, waardoor de toename aan verharding beperkt blijft. De stille recreatieve actieweide en het paintball parcours worden ingepast door middel van houtsingels, bomenrijen, solitaire bomen, hagen en bloemrijk grasland. Deze elementen dragen bij aan de landschappelijke inpassing,
1
SAB (2025). Landschappelijk inpassingsplan 5.1.2e
, 5.1.2e . Projectnummer: 220208. 7
juli 2025. 8
5.1.2e
Inrichtingsschets uit het landschappelijk inrichtingsplan (bron: SAB).
Zoals in voorgaande afbeelding te zien is zal het besluitgebied een duidelijke groene omzoming krijgen van 8 tot 10 meter in doorsnee. Hiermee wordt een natuurlijke grens getrokken met de recreatieve activiteiten en het achterliggende agrarische landschap. Tussen de actieweide en het paintballparcours wordt ook een natuurlijke afscheiding gerealiseerd in de vorm van laanbeplanting. Laanbeplanting wordt ook toegepast langs de door te trekken ontsluitingsvoorziening. Tevens is ruimte voor het aanbrengen van diverse solitaire bomen, hagen en bloemrijk grasland. Met de beoogde inrichting van het besluitgebied worden de moderne en duurzame recreatieve voorzieningen op een passende wijze ingebed in een gebiedseigen landschappelijke setting.
9
5.1.2e
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend project wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting is dit project in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. De nieuwe recreatievoorzieningen zijn in lijn met de gebiedsidentiteit waarbij reeds een combinatie tussen recreatie, natuur en landschap wordt gemaakt.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.
10
Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het project raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Met voorliggend project worden nieuwe recreatievoorzieningen met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 bvo toegevoegd. Om die reden moet de ontwikkeling voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de samenleving spelen aspecten als beleving en ontmoeten een belangrijke rol. Enerzijds heeft de consument het steeds drukker, anderzijds krijgt onze vrijetijd een steeds grotere waarde. De grotere waarde van onze vrijetijdsbestedingen komt onder andere tot uiting in de zoektocht naar het opdoen van nieuwe ervaringen en het hebben van een rijk, divers sociaal leven met ontspanningsmomenten. De niet-materiële aspecten van spullen kennen daarbij een grotere waarde voor de consument. Vanuit het beleven en het ontmoeten hebben functies op het gebied van vrijetijd een vlucht gekregen binnen de Nederlandse economie. De beoogde recreatievoorzieningen spelen in op deze trend door het aanbieden van nieuwe vormen van recreatie, en daarmee vormen van ontmoeting en beleving, die momenteel nog niet in de gemeente Lochem aanwezig zijn.
Daarbij komt dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van veelzijdige activiteiten en voorzieningen in de gemeente, één van de speerpunten uit de gemeentelijke visie met betrekking tot recreatie en toerisme. Doordat met voorliggend plan in onbruik zijnde agrarische percelen worden ingericht voor een tweetal recreatieve weides in de openlucht die de bestaande landschappelijke setting benutten en waarbij tegelijkertijd wordt voorzien in een robuuste en stevige
11
5.1.2e
landschappelijke inpassing wordt ter plaatse voorzien in een kwaliteitsvolle ontwikkeling, die door deze locatie-eigenschappen niet zonder meer op een andere locatie (binnen bestaand stedelijk gebied) gerealiseerd kan worden. De ontwikkeling heeft de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook positief doorlopen. Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
12
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het besluitgebied enkel binnen een intrekgebied ligt, maar verder geen provinciale belangen raakt. De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een bestemmingsplan ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt.
Aangezien voorliggend initiatief enkel de vestiging van recreatievoorzieningen mogelijk maakt, is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Ook vormen dergelijke functies geen bedreiging voor de kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Gelderland. In meer algemene zin geldt wel dat voorliggend project een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt immers zowel kwantitatief als kwalitatief gezien voorzien in een behoefte én wordt aardgasloos ontwikkeld. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. De gronden direct ten noorden van de paardenweide zijn aangemerkt als beschermingszone natte landnatuur. In een Beschermingszone natte landnatuur zijn geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Ter plaatse van deze beschermingszone is uitsluitend een deel van de nieuwe ontsluitingsstructuur met bijbehorende parkeerplaatsen voorzien. Deze functies zorgen niet voor significant negatieve gevolgen voor de aanwezige natte landnatuur. Hiermee is het dus niet in strijd met de regels gesteld omtrent deze beschermingszone.
In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In paragraaf 0 is reeds een aantal duurzaamheidsmaatregelen opgesomd. Zo worden de motors voor de motorcross elektrisch en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Het groen in de omgeving zal zoveel mogelijk behouden blijven en de aanwezige landschappelijke waarden blijven behouden. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
13
Conclusie Het voorgenomen project is niet in strijd met het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Ruimtelijke Structuurvisie 2012-2020 Met de ruimtelijke structuurvisie geeft de Gemeente Lochem op hoofdlijnen het ruimtelijk beleid tot medio 2020 weer. De structuurvisie is op 8 juli 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie is onder meer bedoeld om het gemeentebestuur een instrument te geven waarmee ze de burgers en maatschappelijke organisaties actief kan informeren en betrekken bij de ruimtelijke visie op het bebouwde gebied. Met de structuurvisie wordt het kader geschetst waarbinnen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar verder kunnen worden uitgewerkt. In de structuurvisie zijn drie opgaven geformuleerd: − Het behouden en versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. − Het bestendigen van een naar leeftijdsgroepen evenwichtige bevolkingsopbouw en een economisch vitale gemeente. − Het ruimtelijk uitwerken van de Strategische agenda van de Toekomstvisie. Voor het buitengebied wordt aangegeven dat nieuwe ontwikkelingen zich de komende jaren in razendsnel tempo zullen opvolgen. Naast schaalvergroting en verdergaande specialisatie, zullen veel agrarische bedrijven verbreden, stoppen of activiteiten afbouwen. Voor de gemeente ligt hierin een belangrijke regisserende taak indien er veranderingen met een bepaalde ruimtelijke impact optreden.
Toetsing Voorliggend initiatief betreft het realiseren van een tweetal recreatieve weides in een landschappelijke setting. Doordat de omgeving van het besluitgebied zich kenmerkt door een afwisseling van bos, akkers en heide waarbinnen een mix van functies als natuur, landbouw, recreatie en wonen is terug te vinden, wordt met de ontwikkeling voorzien in ruimtelijke en functioneel passende functie. Daarbij wordt voorzien in een robuuste landschappelijke inpassing die de kwaliteiten van het besluitgebied richting de omgeving verbeteren en waarbinnen de recreatievoorzieningen op passende wijze kunnen functioneren. Zo wordt de ontwikkeling met aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving gerealiseerd en is het project in overeenstemming met de Ruimtelijke Structuurvisie 2012-2020. Conclusie Het voorgenomen project is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.
14
5.1.2e
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectraportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van een tweetal recreatieweides. De noordelijke weide betreft een stille recreatieve weide waarin ruimte wordt geboden voor elektrocross met elektrisch aangedreven motoren en buggy’s en incidenteel wordt gebruikt door de naastgelegen menvereniging tijdens wedstrijden en trainingen. De zuidelijke weide wordt ingericht met een paintballparcours. Voorliggend project wordt in het Besluit m.e.r. gekwalificeerd als ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen’. Omdat in voorliggende situatie sprake is van een openstelling van meer dan acht uur in de week dient voor dit project een m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden. In de m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben.
Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een m.e.r.-beoordeling 2 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.- procedure is daarom niet nodig.
2
5.1.2e
Milieuadvies BV (2023). Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling. 5.1.2e
.
Rapportnummer: 22532. 9 mei 2023. 15
5.1.2e
4.2
Bodem Algemeen In het kader van de ruimtelijke onderbouwing moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het besluitgebied is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek 3 uitgevoerd. Uit het verkennend bodemonderzoek volgt dat in de bovengrond een licht verhoogd gehalte nikkel is aangetroffen boven de achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en nikkel aangetroffen. Deze bevinden zich boven de achtergrondwaarde, maar onder de streefwaarde. Hierdoor is een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Op basis van deze resultaten wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Ten slotte blijkt uit het asbestonderzoek dat geen asbestconcentraties aangetroffen zijn in de puinverharding. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het project moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Toetsing Het project betreft de realisatie van een stille recreatieve actie weide en een paintballparcours. Deze recreatievoorzieningen hoeven niet aangemerkt te worden als een geluidgevoelige functie. Daarnaast maken de beoogde voorzieningen geen onderdeel uit van de geluidgezoneerde inrichting met bijbehorende geluidszone van de naastgelegen kartbaan. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde. Het aspect geluid komt in de paragraaf bedrijven en milieuzonering (paragraaf 4.5) nog verder aan de orde. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
3
De Klinker (2023). Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek 5.1.2e
, 5.1.2e .
Rapportnummer: K2220124. 28 april 2023. 16
5.1.2e
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Ontwikkelingen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing
17
Onderliggend project voorziet in de realisatie van recreatievoorzieningen. De activiteiten zelf zorgen niet voor negatieve effecten op de luchtkwaliteit, maar kennen wel een verkeersaantrekkende werking. De verwachting is dat de ontwikkeling voor maximaal circa 200 voertuigbewegingen per etmaal zal zorgen. Uit de NIBM-tool volgt dat deze verkeersaantrekkende werking ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
NIBM-rekentool met daarin de verwachte verkeersgeneratie ten gevolge van het project (bron: Rijkswaterstaat).
Raadpleging van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) heeft tevens aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen (zie navolgende tabel). De blootstelling aan luchtverontreiniging is dus beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Zichtjaar 2020 2030 Grenswaarden
Concentraties Zutphensestraat
stikstofdioxide (NO2),
fijn stof (PM10),
fijn stof (PM2.5),
jaargem. concentratie
jaargem. concentratie
jaargem. concentratie
16,2 μg/m3
15,0 μg/m3
8,3 μg/m3
12,7 μg/m
3
13,4 μg/m
3
6,7 μg/m3
40,0 μg/m3
40,0 μg/m3
25 μg/m3
Kaart CIMLK met het dichtstbijzijnde meetpunt ten opzichte van het besluitgebied (bron: rijksoverheid).
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan 18
5.1.2e
worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) 4 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd.
De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In voorliggende situatie is sprake van de realisatie van hinderveroorzakende functies. In de omgeving zijn enkele hindergevoelige objecten aanwezig. Om inzichtelijk te krijgen wat de geluidproductie van de beoogde ontwikkeling op omliggende hindergevoelige functies is, is een akoestisch onderzoek industrielawaai 5 uitgevoerd. Hieruit volgt dat op de omliggende woningen ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden en grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder. Daarnaast is de geluidsbelasting van de ontwikkeling dusdanig laag dat de ontwikkeling niet zorgt voor een toename van het geluid op de geluidszone van de aangrenzende inrichting. Met voorliggend project worden dan ook geen belemmeringen vanuit geluid geconstateerd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en 4
VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009.
5
SAB (2023). Akoestisch onderzoek. 5.1.2e
te 5.1.2e . Vrijetijdscentrum elektrocross en
paintball. Projectnummer: 220208. 5 mei. 19
5.1.2e
het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van een terrein voor recreatieve doeleinden (niet zijnde voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen) en kan daarom worden gezien als een beperkt kwetsbaar object.
Op circa 800 meter afstand van het besluitgebied is een spoor gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Op circa 1 kilometer ligt een buisleiding. Onderhavig project ligt niet in de onderzoekszone van deze risicobronnen. Daarom is een nader onderzoek nar het aspect externe veiligheid niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
4.7
Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
20
5.1.2e
-
waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het 21
5.1.2e
Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel In het waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende thema’s in de periode 2021-2027 uitgevoerd worden: creëren en onderhouden van een klimaatrobuust en veilig gebied, bijdragen aan een circulaire economie en de energietransitie en het creëren van een gezondere leefomgeving.
Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2021-2027 beschreven voor de kerntaken van het waterschap: − het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; 22
5.1.2e
− het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; − het transporteren en zuiveren van afvalwater; − het verbeteren van de waterkwaliteit; − de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast is het veerkrachtiger maken van het gebied tegen klimaatverandering een belangrijk speerpunt. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig project in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of
Nee
HOOFDTHEMA’S Veiligheid
regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
Riolering en Afvalwa-
1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Nee
terketen
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
Ja
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Nee
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
Nee
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
Nee
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit
Nee
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit
Nee
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 23
Ja
5.1.2e
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
Nee
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?
Natte natuur
Nee Nee
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
Nee
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer
Ja
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee
2. Heeft het planherinrichting van watergangen tot doel?
Nee
AANDACHTSTHEMA’S Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
Nee
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
*
Nee
als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in de ruimtelijke onderbouwing.
Het besluitgebied deels ligt in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking. In paragraaf 3.2.1 is hier in het kader van de Provinciale Omgevingsvisie en -verordening reeds aandacht aan besteed. Hieruit werd geconcludeerd dat het project geen negatieve effecten op het grondwater en daarmee ook het drinkwater heeft. Ook heeft de ontwikkeling geen invloed op de hydrologie van het nabijgelegen natuurgebied, waarmee de beschermingszone voor natte natuur eveneens geen belemmering vormt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het besluitgebied te maken hebben met een toename aan verharding. Doordat de aan te leggen ontsluitings- en parkeervoorzieningen worden ingericht met halfverharding en de resterende gronden groen en landschappelijke worden ingericht, kan hemelwater makkelijk in de grond infiltreren of afstromen op de noordwestelijk gelegen watergang. Door de beperkte invloed van de ontwikkeling op het aspect water wordt geacht dat geen overleg met het waterschap noodzakelijk is. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
24
5.1.2e
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 6 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Rijntakken ligt in de buurt van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Daarom is een berekening van de stikstofdepositie in de aanlegfase 7 en gebruiksfase 8 uitgevoerd.
Uit de berekeningen volgen geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied deels in de beschermingszone natte landnatuur ligt. Dit is een gebied rondom natte landnatuur in het Gelders natuurnetwerk waar ter bescherming van de natte natuur in beginsel geen ruimtelijke of waterhuishoudkundige ontwikkeling mogelijk is die door hydrologische beïnvloeding via het grondwatersysteem negatief effect heeft op de natte natuurwaarden. Met de geplande ontwikkeling worden er geen watergangen gedempt of gegraven. Er wordt in het gedeelte dat zich in de beschermingszone bevindt alleen ontsluitings- en parkeervoorzieningen in halfverharding aangelegd. Dit is maar een klein gedeelte en zal geen effect hebben op de hydrologie in het nabijgelegen natuurgebied. Ten slotte is in de omgeving van het besluitgebied het Natuurnetwerk Nederland aanwezig. Deze natuurgebieden hebben echter geen externe werking, waardoor deze provinciale bescherming de uitvoering van het project niet in de weg staat.
6
SAB (2023). Quick scan natuur. 5.1.2e
5.1.2e
Projectnummer: 220208. 23 maart
2023. 7
5.1.2e
Milieuadvies (2023). Berekening stikstofdepositie aanlegfase. 5.1.2e
achter
nr. 44. 3 mei 2023. 8
5.1.2e
Milieuadvies (2023). Berekening stikstofdepositie gebruiksfase. 5.1.2e
ach-
ter nr. 44. 3 mei 2023. 25
5.1.2e
Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Uit de quick scan volgt dat rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn geen essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt aangetroffen. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
Wel wordt geadviseerd om de afvalhoop, grotendeels bestaande uit snoeiafval, in het midden van het besluitgebied zo snel mogelijk te verwijderen, zodat deze hoop niet geschikt wordt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
26
Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige ‘Waarde - Archeologie 7’ is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureauonderzoek 9. Hieruit volgt dat het besluitgebied ligt in het archeologisch landschap: ‘Noordelijk zandgebied’ en in de landschapszone dekzandruggen en rivierduinen. Ten oosten van het besluitgebied ligt een paraboolduin waarvan de punt mogelijk doorloopt tot net in het besluitgebied. Op kaarten van midden 20e eeuw staat in het besluitgebied een markante verhoging ingetekend; dit kan een duin of grafheuvelgroep zijn. Bovengenoemde terreinverhoging is in de tweede helft van de 20e eeuw geëgaliseerd. Op het weideperceel waar de toegangsweg is voorzien heeft een slingerende weg of een pad gelegen, vermoedelijk een kartparcours. Bij de aanleg en verwijdering is de bodem mogelijk vergraven. Op basis van de landschappelijke ligging moet in het besluitgebied rekening gehouden worden met archeologische resten uit alle perioden. De top van het archeologisch relevante niveau ligt onder een bouwvoor van circa 30 tot 50 cm dik. De aanplant van landschapselementen leidt tot een beperkte verstoring die als toelaatbaar kan worden beschouwd. Het aanbrengen van oppervlakte verharding bij de toegangsweg en parkeervakken is toelaatbaar als daarvoor minder diep dan 30 cm -mv wordt gegraven.
Als bij het aanbrengen van oppervlakte verharding bij de toegangsweg en parkeervakken dieper dan 30 cm -mv wordt gegraven, dan wordt aanbevolen om in de betreffende zone(s) nader te bepalen wat de aard en intactheid van het bodemprofiel is. Dit geldt ook voor dergelijke graafwerkzaamheden voor zover die plaats gaan vinden in het kader van de inrichting van de recreatieweiden. De verwachting is niet dat de genoemde diepte zal worden overschreden. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Toetsing In en rondom het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of cultuurhistorische waarden. Wel kent het gebied een aantal landschappelijke kwaliteiten, zoals de kamerstructuur en kleinschaligheid van het agrarisch landschap. Deze kenmerken worden door middel van een passende landschappelijke inpassing versterkt. Zo krijgt
9
Bureau voor Archeologie (2023). Bureauonderzoek 5.1.2e
, 5.1.2e . Rapportnummer:
2214-6687. 21 april 2023. 27
5.1.2e
het besluitgebied een duidelijke groene omzoming van 8 tot 10 meter in doorsnee. Hiermee wordt een duidelijke natuurlijke grens getrokken met de recreatieve activiteiten en het achterliggende agrarische landschap. Gezien de kleinschalige aard en schaal van het initiatief blijven de ruimtelijke structuren en kwaliteiten rondom het besluitgebied verder grotendeels ongewijzigd. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.