Bijlage 1 - Verordening Sociaal Domein Gemeente Lochem
Tekst van het document
10.2 Ondersteuning van de gemeente bij inspraak [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet] 1. De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manier: a. u krijgt voldoende tijd om invloed te kunnen hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan; b. u wordt deskundig ondersteund, zodat de inspraak volwaardig is; c. u krijgt op tijd voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.
10.3 Dorps en belangenverenigingen [Gemeentewet] Bijna alle kernen in de gemeente Lochem hebben een dorpsraad of een belangvereniging. Zij zijn voor u en de gemeente de eerste gesprekpartner voor overleg en inspraak. Iedere kern heeft een kernwethouder. De ideeënmakelaar is het eerste ambtelijke aanspreekpunt.
10.4 Ideeënmakelaar [Gemeentewet] Als u een idee of een initiatief heeft voor in de gemeente Lochem, dan zijn de ideeënmakelaars de eerste contactpersonen bij de gemeente. Vaak gaan die initiatieven over de directe fysieke leefomgeving, maar ook bij ideeën op sociaal gebied denken zij graag mee. Zij houden contact met u als initiatiefnemer en de kernwethouder. Ook vragen zij binnen de gemeente aandacht voor dit soort initiatieven en betrekken hierbij de betreffende ambtenaren. Daarnaast spelen zij in op mogelijkheden om partners en netwerken te betrekken.
51
10. Inwonersparticipatie
10.5 Adviesraad sociaal domein [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening, WSW, Wib, Llv, Gemeentewet]
De gemeente zet zich ervoor in dat er een Adviesraad Sociaal Domein gemeente Lochem is die betrokken wordt bij de beleidsplannen, regels en uitvoering van in ieder geval de hier genoemde wetten. De doelen van de Adviesraad zijn om belanghebbende inwoners optimaal te betrekken bij de voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid in het sociale domein. Hun belangen te behartigen. En voorstellen te doen die de gemeentelijke uitwerking van die wetten verbeteren.
10.5.1
Samenstelling en werkwijze 1. De Adviesraad bestaat uit ten minste 9 en maximaal 15 leden, met een onafhankelijke voorzitter. 2. De Adviesraad vertegenwoordigt de doelgroepen/thema’s ouderen, (in)formele zorg, woon-zorg, jongeren, geestelijke gezondheidszorg, Jeugdhulp, inkomens- en schuldenproblematiek, integratie en diversiteit. 3. De leden en de voorzitter wonen in de gemeente Lochem, zijn geen lid van college of gemeenteraad en niet in dienst van de gemeente en hebben met haar geen zakelijke binding. Zij hebben geen vertegenwoordigende functie namens een politieke partij in gemeente Lochem. 4. De leden van de Adviesraad Sociaal Domein en inwoners van gemeente Lochem kunnen onderwerpen ter bespreking in de Adviesraad aandragen. 5. U kunt als inwoner een vergadering van de Adviesraad bijwonen en vernemen van de Adviesraad waar en wanneer de vergaderingen zijn. 6. De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de Adviesraad door onder andere: a. de inzet van een ambtelijk secretaris en een ambtelijk contactpersoon; b. geschikte vergaderruimte; c. voldoende en tijdige informatie over plannen voor nieuw beleid; d. voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven; e. medewerkers van de gemeenten een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid. 7. Nadere regels staan beschreven in het Huishoudelijke reglement.
10.5.2
Taken en bevoegdheden 1. De Adviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het college. Schriftelijke reactietermijn van zowel college als Adviesraad is zes weken. 2. Uitgangspunt is dat het college de Adviesraad al in een vroeg stadium bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betrekt. 3. De leden en de voorzitter worden benoemd door het college. 4. Hun zittingsduur bedraagt vier jaar en zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor vier jaar. 5. De Adviesraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een individuele inwoner.
10.5.3
Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen 1. Voor het uitvoeren van de taken van de Adviesraad Sociaal Domein neemt gemeente Lochem in de gemeentelijke begroting jaarlijks een taakstellend budget op. Hiervan kunnen kosten worden betaald voor deskundigheidsbevordering, communicatie, het inwinnen van extern advies, abonnementen en tijdschriften, achterbanraadplegingen, organisatiekosten en reiskosten. 2. Jaarlijks brengt de Adviesraad aan het college verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar. Daarbij wordt in een financieel verslag ook verantwoording afgelegd over de besteding van het budget. 3. De leden van de Adviesraad ontvangen een onkostenvergoeding.
52
10. Inwonersparticipatie
10.6
Inspraak bij aanbieders [Jeugdwet, Wmo] 1. Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. 2. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder de regels over inspraak naleeft. De gemeente overlegt regelmatig met de belangrijkste aanbieders over de dienstverlening en organiseert toezicht en kwaliteitstoetsing. Voor jeugdhulp is het toezicht geregeld in de Jeugdwet. De Inspectie voor de Volksgezondheid ziet erop toe dat de aanbieder van jeugdhulp de regels uit de Jeugdwet naleeft.
10.7 Cliënt-ervaringsonderzoeken [Jeugdwet, Wmo] Jaarlijks worden er ervaringsonderzoeken gedaan onder inwoners die gebruik hebben gemaakt van ondersteuning in het kader van deze twee wetten. Mensen die een beroep deden op de Wmo krijgen het verzoek een vragenlijst in te vullen. Ouders en jeugdigen die jeugdhulp ontvingen krijgen een vragenlijst en worden telefonisch benaderd. En met enkelen vindt een groepsgesprek plaats. Op deze manier ontvangt de gemeente reacties op de ontvangen ondersteuning van zowel de gemeentelijke toegang (’t Baken) als van zorgaanbieders. Verbeterpunten die daaruit komen worden gedeeld en opgepakt.
10.8 Onafhankelijke cliëntondersteuning [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening, WSW, Wib, Llv, Gemeentewet] Gemeenten zijn wettelijk verplicht om onafhankelijke cliëntondersteuning aan te bieden. Dit is ingevoerd om met mensen mee te denken over zorg en ondersteuning. Het doel van deze cliëntondersteuning is de zelfredzaamheid en participatie van mensen te versterken als zij extra ondersteuning aanvragen bij de gemeente. Het ontlast en ondersteunt hen dat er iemand meekijkt die weet welke wetten en regels er gelden, zeker bij complexe vragen.
10.9 Inwoners raadplegen zoals via Lochem spreekt [Gemeentewet] De ideeën, meningen en bijdrage van inwoners zijn erg belangrijk voor gemeente Lochem. Iedere inwoner van Lochem kan zich aanmelden voor het digitale platform “Lochem spreekt”. Als panellid ontvangt men maximaal 4 keer per jaar een korte online vragenlijst. Per keer kiest men om wel of niet mee te doen. De deelnemer ontvangt altijd als eerste de uitkomsten van het onderzoek per mail. De resultaten worden op de website van de gemeente gepubliceerd en intern behandeld en opgepakt. Gemeente Lochem wil graag inwoners vanuit alle leeftijdsgroepen raadplegen en betrekken bij haar beleid. Voor jeugd en jongeren ontwikkelt de gemeente een specifieke aanpak om ook hen te betrekken bij de lokale democratie.
53
11
Bezwaar en klacht
Hoewel wij ons beleid zo goed mogelijk proberen uit te voeren, kan het zijn dat u een bezwaar of klacht heeft. In dit hoofdstuk leest u hoe u bezwaar kunt maken, een klacht indient of wanneer u met een vertrouwenspersoon kan praten. De gemeente heeft een eigen klachtenprocedure. Bent u het hier niet mee eens dan kunt u contact opnemen met de Nationale ombudsman. Wij vinden het belangrijk om alert en laagdrempelig te zijn en willen leren van klachten.
54
11. Bezwaar en klacht
11.1 Verschil tussen bezwaar en klacht [Awb] 1. Een bezwaar wordt ingediend als de inwoner het niet eens is met een besluit. Dit kan een bezwaar tegen het aantal toegewezen uren zorg zijn, de periode of de hoogte van een uitkering. 2. Een klacht wordt ingediend als de inwoner het niet eens is met de behandeling door (een medewerker) van de gemeente. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gedrag van een medewerker of de manier waarop een medewerker een verzoek heeft behandeld.
11.2 Doel bezwaarprocedure [Awb, Gemeentewet] 1. Het doel van een bezwaar is: a. dat de inwoner zijn mening kan geven over een besluit; b. dat de gemeente fouten bij de uitvoering van wettelijke taken kan repareren; c. dat de gemeente haar dienstverlening kan verbeteren. 2. De inwoner krijgt de gelegenheid om een bezwaar mondeling toe te lichten bij de onafhankelijke commissie Bezwaarschriften. 3. De inwoner kan tot 6 weken na de datum van de verzending van het besluit bezwaar maken. 4. De gemeente handelt een bezwaar zo snel mogelijk af, uiterlijk 18 weken na het verlopen van de termijn genoemd in lid 3.
11.3 Doel klachtenprocedure [Awb, Gemeentewet] 1. Het doel van een klacht is: a. dat de inwoner zijn mening kan geven; b. dat de gemeente en de inwoner een vertrouwensbreuk samen kunnen herstellen; c. dat de gemeente haar dienstverlening kan verbeteren. 2. De inwoner krijgt de gelegenheid om een klacht mondeling toe te lichten. 3. De gemeente handelt een klacht zo snel mogelijk af, in elk geval binnen de wettelijke termijnen (uiterlijk 6 weken) na het indienen van de klacht. De gemeente kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Wacht de inwoner langer dan één jaar na het besluit met het indienen van de klacht, dan is de gemeente niet verplicht om de klacht te behandelen.
11.4 Klachten over andere personen of organisaties [Awb] 1. Een klacht over een persoon of organisatie die is ingehuurd door de gemeente wordt door de inwoner bij de persoon of organisatie zelf ingediend. 2. De gemeente controleert naleving van de klachtenregeling door ingehuurde personen of instanties. 3. Bij ontevredenheid over de klachtafhandeling kan de inwoner dit bij de gemeente melden.
11.5 Vertrouwenspersoon [Jeugdwet, Gemeentewet] 1. Als u ondersteuning van de gemeente krijgt, kunt u bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon terecht voor bijvoorbeeld ongewenste omgangsvormen of klachten en vragen die te maken hebben met de ondersteuning. 2. Jeugdstem zijn de vertrouwenspersonen in de Jeugdzorg. Een jongere, ouder of pleegouder kan hier voor advies of ondersteuning bij problemen en klachten in de jeugdzorg terecht. Of met vragen over hulpverlening van de gemeente, jeugdhulpaanbieder, jeugdbescherming, jeugdreclassering, advies- en meldpunt huiselijk geweld en/of kindermishandeling (Veilig Thuis). 55
12
Kwaliteit en aanbesteding
De ondersteuning en de producten die de gemeente aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn. Zodat ze daarmee helpen en ondersteunen bij het bereiken van de doelen. Dit is ook een belangrijke voorwaarde bij de aanbesteding.
56
12. Kwaliteit en aanbesteding
12.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet] 1. De ondersteuning en producten die de gemeente aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn, zodat ze u helpen of ondersteunen bij het bereiken van doelen. 2. De diensten en producten van de gemeente: a. sluiten aan op uw behoefte; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar; c. voldoen aan normen en eisen; d. respecteren uw rechten; e. worden afgestemd op eventuele andere diensten of producten; f. krijgt u met een doel, waarvan u op de hoogte bent. 3. Bij een aanbesteding worden in een programma van eisen de kwaliteitseisen vastgesteld. Er wordt gecontroleerd of onze leveranciers zich aan deze eisen houden.
12.2 Inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet] 1. De gemeente Lochem werkt samen met zeven gemeenten (Apeldoorn, Zutphen, Voorst, Brummen, Epe, Heerde en Hattem) om de inkoop en aanbesteding uit te voeren en ook de kwaliteit van de zorg te borgen. Dit wordt uitgevoerd door een regioteam van de Zorgregio Midden IJssel/ Oost Veluwe. 2. Het regioteam voert taken uit op het gebied van inkoop, monitoring, accountmanagement en contractbeheer. Daarmee worden de gemeenten ondersteund bij de uitvoering van de bepalingen van de integrale raamovereenkomst Jeugdhulp en Wmo. 3. De gemeente Lochem werkt samen met de gemeenten Deventer, Olst-Wijhe, Raalte en Zutphen om inwoners maatschappelijke opvang en beschermd wonen te kunnen bieden. De gemeente Deventer is hiervoor de centrumgemeente. 4. Bij een aanbesteding speelt de kwaliteit van producten en diensten een belangrijke rol. 5. Bij een aanbesteding is de prijs ook belangrijk. Er wordt een onafhankelijk kostprijsonderzoek gedaan. Hierbij wordt rekening gehouden met: a. het soort dienst of product; b. het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de beroepskrachten; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel; e. reis- en opleidingskosten; f.
het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten; g. kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen; h. de vereisten rondom het bieden van een reële prijs. Dit houdt in dat de prijs voldoende is om de kosten van de dienst of product te betalen. 6. Bij het inkopen en aanbesteden van de producten en diensten verwacht de gemeente: a. dat diensten en producten worden geleverd tegen het berekende tarief uit het kostprijsonderzoek, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; b. dat personeel zich aan de regels houdt van het arbeidsrecht.
57
Bijlage 1. Gebruikelijke hulp (Wmo)
1. U komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als u zelf geen oplossing kan vinden voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is hulp die je in redelijkheid mag verwachten van: a. de inwonende partner; b. inwonende ouders; c. inwonende kinderen; d. of andere huisgenoten. Het gaat om de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar geven. Bijvoorbeeld helpen in het huishouden omdat ze samen verantwoordelijk zijn voor het huis en voor elkaar. 2. Het college maakt bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: a. Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner. Het gaat hierbij over een periode van maximaal zes maanden in één jaar. b. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan zes maanden nodig is.
58
Bijlage 1. Gebruikelijke hulp (Wmo)
3. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties elkaar de benodigde hulp geven. Het gaat hierbij ook om hulp die meer is dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp. 4. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties elkaar de gebruikelijke hulp geven. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6, 7 en 8. 5. Als het college beoordeelt of er sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties dan let het college op een paar dingen die voor u als inwoner belangrijk zijn: a. de aard van de relatie met de huisgenoot; b. de mate van hulp die u nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. uw behoeften en mogelijkheden. 6. Als het college beoordeelt of er sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties dan houdt het college rekening met de volgende punten die belangrijk zijn voor de huisgenoot: a. de leeftijd van de huisgenoot; b. de woonsituatie; c. de beschikbaarheid om de hulp te bieden; d. de kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden; e. de lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot; f. of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden) g.
welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; h. het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen; i. de vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp. 7. Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende: a. er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan u; b. als de (over)belasting komt door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) dan moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Dat geldt ook voor andere factoren die los staan van de hulpverlening aan u; c. bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; d. als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht. 8. Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan de inwoner door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
59
Bijlage 2. Eigen kracht (Jeugdwet)
1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden bijvoorbeeld van mensen om hen heen of door hun eigen mogelijkheden te gebruiken (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; b. bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te geven en dit geen (dreigende) overbelasting oplevert. En door het geven van de bovengebruikelijke hulp er geen financiële problemen in het gezin ontstaan; c. de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; d. het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 2. Gebruikelijke hulp is hulp die in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht minderjarige jeugdigen uit hun gezin te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3.
Om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de hulp die nodig is meer is dan wat een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Daarbij let het college op een aantal dingen: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; d. in hoeverre de hulp gepland kan worden; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp dan geeft het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hier kan (tijdelijk) een uitzondering voor worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 60
Bijlage 2. Eigen kracht (Jeugdwet)
5. Gaat het om hulp die meer is dan de gebruikelijke hulp, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: a. Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. b. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht. Of dat de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 6. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. in hoeverre de hulp gepland kan worden; c.
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te geven (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. de woonsituatie; j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht. 7. Als de hierboven genoemde punten geen problemen opleveren voor de ouders – bijvoorbeeld bij het geven van hulp, hun beschikbaarheid, hoe zwaar het voor hen is of hun financiële situatie – dan verwacht het college dat zij (een deel) van de hulp zelf geven. In dat geval krijgen zij dan geen jeugdhulp van de gemeente. 8. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: a. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. b.
Als de overbelasting komt door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, dan moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. c. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. d. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het anders inrichten van het werk of andere sociale/ maatschappelijke activiteiten, dan wordt dit eerst van de ouder verwacht. e. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. f. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het geven van ondersteuning bij de hulp aan de jeugdige dan wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk geeft, valt onder de eigen kracht. Het college geeft hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de hulp die nodig is (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken.
Het college geeft dan geen jeugdhulp of alleen een aanvullende voorzienin voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
61
Bijlage 3. Begrippenlijst
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis
hebben dan in de genoemde wetten, omdat we zoveel mogelijk aansluiten bij het normale, dagelijkse taalgebruik. Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
62
5. Wonen in een3.veilige omgeving Bijlage Begrippenlijst
Aanbieder(s): de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Aangepast vervoer: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer. Aanvraag: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen. ADL-clusterwoning: een zelfstandige woning voor mensen met een ernstige lichamelijke handicap of chronische aandoening waar 24 uur per dag hulp en assistentie ingeroepen worden. Algemeen gebruikelijke voorziening(en): een voorziening die: a. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; b. daadwerkelijk beschikbaar is; c. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; d. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; en e. gangbaar in de zin van breed beschikbaar, algemeen geaccepteerd en door veel inwoners gebruikt. Andere voorziening(en): een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de ondersteuning die hij nodig heeft, anders dan ondersteuning-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner.
Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen. Anw-uitkering: een maandelijkse uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Aow-leeftijd: leeftijd waarop een uitkering (pensioen) op grond van de Algemene ouderdomswet ingaat. Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de IOAZ. Awb: Algemene wet Bestuursrecht. Basisonderwijs: onderwijs op een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Basisschool: basisschool als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Beperking(en): de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg gehad dat er een belemmering is ontstaan in het sociaal-maatschappelijk functioneren, of, als het om vervoer naar school gaat, het vervoer naar school.
Bestuurlijke boete: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW, artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, of artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. BIG: beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. De Wet BIG geeft regels voor beroepen in de gezondheidszorg en beschermt patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Op grond van de Wet BIG zijn bepaalde zorgverleners verplicht zich in te schrijven in het BIG-register. Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Cliëntondersteuning: professionals of vrijwilligers die met u mee kunnen denken over zorg en ondersteuning. Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).
Dichtstbijzijnde toegankelijke school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale school voor basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een andere speciale school voor basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is. Eigen kracht: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Financiële buffer: het vermogen boven de vermogensgrens uit artikel 34, lid 3 van de Participatiewet, dat past bij de leefsituatie. Vermogen is de waarde van geld en bezittingen. 63
Bijlage 3. Begrippenlijst
Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Hierdoor wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Gebruikelijke ondersteuning: de ondersteuning die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot/ partner, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Onder gebruikelijke ondersteuning kan ook gebruikelijke zorg vallen. Gebruikelijke zorg is de zorg die gezinsleden normaal aan elkaar geven binnen het huishouden, omdat ze samen verantwoordelijk zijn voor dat huishouden. Gedrag(en): het geheel van acties en reacties van een persoon. Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem. Inkomen: het inkomen, uit artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6) dan wordt onder inkomen verstaan: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het inkomen wordt dan gemeten over het peiljaar (artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs).
Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen. Instelling(en): een organisatie die bedrijfsmatig zorg of ondersteuning verleent. Inwonerparticipatie: de mogelijkheid als inwoner om mee te praten met het beleid van de gemeente voor het eventueel aanpassen en verbeteren hiervan. Inwoner(s): de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om: a. Wmo-ondersteuning, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen; b. jeugdhulp, dan betreft het de jeugdige die zijn woonplaats in de gemeente heeft op grond van artikel 1.1 Jeugdwet; c. schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van de hoofdstukken 9 en 11 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die ondersteuning van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor ondersteuning door de gemeente.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Jeugdhulp: ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jongere(n): als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Als het om werk en inkomen gaat: personen die jonger zijn dan 27 jaar. Jongerenwerk: activiteiten die bij Stichting Welzijn Lochem worden georganiseerd. Stichting Welzijn Lochem is de plek en het netwerk van jongeren voor jongeren waar inspirerende en nuttige activiteiten worden georganiseerd. De jongerenwerkers helpen bij het proces van zelforganisatie door jongeren, ouders, vrijwilligers, maatschappelijke partners en ondernemers. De jongerenwerkers werken nauw samen met ‘t Baken, politie, BOA’s, scholen, en hulpverleners. Kind(eren): de minderjarige (0-18 jaar). Langdurig beperkt: met langdurig beperkt wordt bedoeld dat de beperking van het kind structureel is en langer dan 6 maanden duurt. Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. Llv: de wetten die regelen dat gemeenten leerlingenvervoer aanbieden, dat wil zeggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.
Mantelzorger(s): langdurig, vrijwillig en onbetaald zorgverlening aan een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, (schoon)ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis. Deze zorg wordt niet-beroepsmatig verleend voor minimaal 8 uur per week en langer dan 3 maanden. 64
Bijlage 3. Begrippenlijst
Medewerker(s): de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. Melding(en): het kenbaar maken van een ondersteuningsvraag aan de gemeente. Normale dagelijkse activiteiten: noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo. Ondersteuning: a. ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ; b. bijstand als bedoeld in artikel 7 Participatiewet; c. een uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; d. inkomensondersteuning op grond van de artikelen 108, eerste lid, en 147, eerste lid, Gemeentewet; e. maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; f. jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; g. schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs; of h. een vervoersvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 6 (vervoer naar school). Ondersteuning in natura: ondersteuning of zorg die de gemeente voor de inwoner inzet. Ondersteuning-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening: a. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening (in natura of als Pgb). b. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling die speciaal op de inwoner is afgestemd of bijzondere bijstand. c.
Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde ondersteuning bij het aflossen van schulden. d. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Ondersteuningsvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. Onderwijssoort: het soort onderwijs dat het kind nodig heeft gelet op zijn lichamelijke of geestelijke situatie. Openbaar vervoer: openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart). Daaronder valt ook een buurtbus. Opstapplaats: plaats die is aangewezen door de gemeente, vanaf waar het kind (de leerling) gebruik kan maken van het vervoer naar school. Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jongere. Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. Peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint, waarvoor een vervoersvoorziening voor leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn.
Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart de gewenste ondersteuning wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Pgb: persoonsgebonden budget. Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de ondersteuning die hij nodig heeft en die hij met het Pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke ondersteuning gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die ondersteuning gewaarborgd worden. PW: Participatiewet. Reistijd: de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 10 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen de eindtijd van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 10 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor openbaar vervoer of aangepast vervoer. Richting: godsdienstige of levensbeschouwelijke richting.
65
Bijlage 3. Begrippenlijst
Samenwerkingsverband: 1. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; Samenwonenden: degenen die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. School: basisschool, speciale school voor basisonderwijs, of school waar speciaal of voortgezet onderwijs wordt gegeven. SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd. Dat is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland. Sociaal domein: een verzameling van wetten op het gebied van jeugd, onderwijs, zorg, werk, inkomen, schulden en inburgering welke door de gemeente worden uitgevoerd voor het welzijn van inwoners. Speciaal onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Uitkering(en): de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Vavo-onderwijs: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
Vergoeding(en): vergoeding van kosten. In het kader van hoofdstuk 6 (vervoer naar school): de gehele of gedeeltelijke bekostiging van reiskosten, bedoeld in artikel 4 Wet op het primair onderwijs, artikel 4 Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4 van de Wet op de expertisecentra. Verordening: bundeling van regels die door de gemeenteraad van Lochem zijn vastgesteld. Voorliggende voorziening(en): een voorziening op grond van een andere regeling of van een andere organisatie. Gaat het om bijstand, dan wordt ermee bedoeld een voorziening als bedoeld in artikel 5 onderdeel e van de Participatiewet. Voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het Voortgezet onderwijs. Voorziening(en): ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product, Pgb, geldbedrag, of een combinatie daarvan. Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet kinderopvang, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet op het primair onderwijs, de wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op de expertisecentra. Wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon, bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor personen jonger dan 21 jaar: het leeftijdsgebonden minimumloon op grond van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Wlz-instelling: een instelling die zorg verleent op grond van de Wet langdurige zorg. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-ondersteuning: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. Woning: de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6), dan is de woning de plaats waar het kind structureel (over een langere periode) en feitelijk verblijft. Wsw: Wet sociale werkvoorziening. Wvggz: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de normale dagelijkse activiteiten en het voeren van een gestructureerd huishouden, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
66
Lochem, oktober 2025 Gemeente Lochem Postbus 17, 7240 AA Lochem (0573) 28 92 22 www.lochem.nl
67