2025 02 10 Algemene Plaatselijke Verordening 2025
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Lochem De raad van de gemeente Lochem; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.18 februari 2025 gelet op artikel 149 van de Gemeentewet B E S L U I T: vast te stellen de volgende verordening: de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Lochem
Inhoud APV
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1
Definities
Artikel 1.2
Beslistermijn
Artikel 1.3
Indiening aanvraag (vervallen)
Artikel 1.4
Voorschriften en beperkingen
Artikel 1.5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel 1.6
Intrekking of weigering van vergunning of ontheffing
Artikel 1.7
Termijnen
Artikel 1.8
Weigeringsgronden
Artikel 1.9
Lex silencio positivo van toepassing (vervallen)
Artikel 1.10
Lex silencio positivo niet van toepassing
Hoofdstuk 2
Openbare orde
Afdeling 1
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2.1
Samenscholing en ongeregeldheden
Afdeling 2
Betoging
Artikel 2.2
Optochten (vervallen)
Artikel 2.3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Artikel 2.4
Afwijking termijn (vervallen)
Artikel 2.5
Te verstrekken gegevens (vervallen)
Afdeling 3
Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2.6
Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
afbeeldingen (vervallen)
Afdeling 4
Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2.7
Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen)
Artikel 2.8
Dienstverlening (vervallen)
Artikel 2.9
Straatartiest e.d.(vervallen)
Afdeling 5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2.10a
Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
strijd met de publieke functie van de weg (vervallen) Artikel 2.10b
Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen (vervallen)
Artikel 2.10c
Vrij te stellen categorieën (vervallen)
Artikel 2.11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
veranderen van een weg (vervallen) Artikel 2.12
Maken, veranderen van een uitweg (vervallen)
Afdeling 6
Veiligheid op de weg
Artikel 2.13
Veroorzaken van gladheid (vervallen)
Artikel 2.14
Winkelwagentjes (vervallen)
Artikel 2.15
Hinderlijke beplanting of voorwerp (vervallen)
Artikel 2.16
Openen straatkolken (vervallen)
Artikel 2.17
Kelderingangen e.d. (vervallen)
Artikel 2.18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel 2.19
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Artikel 2.20
Vallende voorwerpen (vervallen)
Artikel 2.21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2.22
Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen)
Artikel 2.23
Veiligheid op het ijs (vervallen)
Afdeling 7
Evenementen
Artikel 2.24
Definities
Artikel 2.25
Evenementenvergunning
Artikel 2.26
Ordeverstoring
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2.27
Definitie
Artikel 2.28
Exploitatie openbare inrichting
Artikel 2.28a
Terras openbare inrichtingen
Artikel 2.29
Sluitingstijd
Artikel 2.30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
Artikel 2.31
Verboden gedragingen
Artikel 2.32
Handel binnen openbare inrichtingen
Artikel 2.33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Artikel 2.34
Vervallen
Afdeling 8 a
Bijzondere bepalingen voor horecabedrijven als bedoeld in de
Alcoholwet Artikel 2.34a
Definitie
Artikel 2.34b
Regulering paracommerciële rechtspersonen, bestuursreglement
verplicht Artikel 2.34c
Verbod op bijeenkomsten van persoonlijke aard
Afdeling 9
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.35
Definitie
Artikel 2.36
Kennisgeving exploitatie
Artikel 2.37
Nachtregister (vervallen)
Artikel 2.38
Verschaffing gegevens nachtverblijf
Afdeling 10
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.38a
Definities
Artikel 2.39
Speelgelegenheden
Artikel 2.40
Kansspelautomaten
Afdeling 11
Maatregelen tegen overlast, inbraak en baldadigheid
Artikel 2.41
Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel 2.42
Plakken en kladden
Artikel 2.43
Vervoer plakgereedschap e.d.
Artikel 2.44
Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel 2.44a
Vervoer geprepareerde voorwerpen
Artikel 2.45
Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen)
Artikel 2.46
Rijden over bermen (vervallen)
Artikel 2.47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2.48
Verboden drankgebruik
Artikel 2.49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
Artikel 2.50
Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2.50a
Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (vervallen)
Artikel 2.51
Neerzetten van fietsen e.d. (vervallen)
Artikel 2.52
Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.
(vervallen) Artikel 2.53
Bespieden van personen (vervallen)
Artikel 2.54
Bewakingsapparatuur (vervallen)
Artikel 2.55
Nodeloos alarmeren (vervallen)
Artikel 2.56
Alarminstallaties (vervallen)
Artikel 2.57
Loslopende honden
Artikel 2.58
Verontreiniging door honden
Artikel 2.59
Gevaarlijke honden
Artikel 2.59a
Gevaarlijke honden op eigen terrein
Artikel 2.60
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2.61
Wilde dieren (vervallen)
Artikel 2.62
Loslopend vee
Artikel 2.63
Duiven (vervallen)
Artikel 2.64
Bijen
Artikel 2.65
Bedelarij (vervallen)
Afdeling 12
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.66
Definitie
Artikel 2.67
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel 2.68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van
Strafrecht Artikel 2.69
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)
Artikel 2.70
Handel in horecabedrijven (vervallen)
Afdeling 13
Vuurwerk en carbid
Artikel 2.71
Definitie
Artikel 2.72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
verkoopdagen Artikel 2.73
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Artikel 2.73a
Carbidschieten
Afdeling 14
Drugsoverlast
Artikel 2.74
Drugshandel op straat
Artikel 2.74a
Openlijk drugsgebruik
Afdeling 15
Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op
openbare plaatsen, sluiting van voor publiek openstaand gebouwen, woonoverlast en gebiedsontzeggingen Artikel 2.75
Bestuurlijke ophouding
Artikel 2.76
Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2.77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2.78
Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen
Artikel 2.79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Artikel 2.80
Gebiedsontzeggingen
Hoofdstuk 3
Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Afdeling 1
Definities
Artikel 3.1
Definities
Artikel 3.2
Bevoegd bestuursorgaan
Artikel 3.3
Nadere regels
Afdeling 2
Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3.4
Seksinrichtingen
Artikel 3.5
Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3.6
Sluitingstijden
Artikel 3.7
Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
Artikel 3.8
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel 3.9
Straatprostitutie
Artikel 3.10
Sekswinkels
Artikel 3.11
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3
Beslissingstermijn; weigeringsgronden
Artikel 3.12
Beslissingstermijn
Artikel 3.13
Weigeringsgronden
Afdeling 4
Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3.14
Beëindiging exploitatie
Artikel 3.15
Wijziging beheer
Hoofdstuk 4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1
Geluidhinder en verlichting
Artikel 4.1
Definities
Artikel 4.2
Aanwijzing collectieve festiviteiten (vervallen)
Artikel 4.3
Kennisgeving incidentele festiviteiten (vervallen)
Artikel 4.4
Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)
Artikel 4.5
Onversterkte muziek (vervallen)
Artikel 4.6
Overige geluidhinder
Artikel 4.6a
Geluidhinder door dieren
Afdeling 2
Bodem-, weg en milieuverontreiniging
Artikel 4.7
Straatvegen (vervallen)
Artikel 4.8
Natuurlijke behoefte doen
Artikel 4.9
Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
putten buiten gebouw (vervallen)
Afdeling 3
Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.10
Definities
Artikel 4.11
Omgevingsvergunning voor vellen van houtopstanden (vervallen)
Artikel 4.12
Aanvraag vergunning (vervallen)
Artikel 4.12a
Weigeringsgronden (vervallen)
Artikel 4.12b
Afstand tot de erfgrens (vervallen)
Artikel 4.12c
Bijzondere vergunningsvoorschriften (vervallen)
Artikel 4.12d
Intrekking vergunning (vervallen)
Artikel 4.12e
Verhouding tussen kap-, bouw- en aanlegvergunningen (vervallen)
Artikel 4.12f
Herplant-/instandhoudingsplicht (vervallen)
Artikel 4.12g
Monumentale bomen (vervallen)
Artikel 4.12h
Bescherming bomen
Artikel 4.12i
Schadevergoeding (vervallen)
Artikel 4.12j
Bestrijding van boomziekten (vervallen)
Afdeling 4
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.13
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. (vervallen)
Artikel 4.14
Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)
Artikel 4.15
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (vervallen)
Artikel 4.16
Vergunningsplicht handelsreclame (vervallen)
Hoofdstuk 5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1
Parkeerexcessen
Artikel 5.1
Definities (vervallen)
Artikel 5.2
Voertuigen van autobedrijf e.d. (vervallen)
Artikel 5.3
Te koop aanbieden van voertuigen (vervallen)
Artikel 5.4
Defecte voertuigen (vervallen)
Artikel 5.5
Voertuigwrakken (vervallen)
Artikel 5.6
Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen (vervallen)
Artikel 5.7
Reclamevoertuigen (vervallen)
Artikel 5.8
Grote voertuigen (vervallen)
Artikel 5.9
Uitzichtbelemmerende voertuigen (vervallen)
Artikel 5.10
Parkeren anders dan op de rijbaan (vervallen)
Artikel 5.11
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (vervallen)
Artikel 5.12
Overlast van fietsen of bromfietsen (vervallen)
Afdeling 2
Collecteren
Artikel 5.13
Inzameling van geld of goederen
Afdeling 3
Venten
Artikel 5.14
Definitie
Artikel 5.15
Ventverbod
Artikel 5.16
Vrijheid van meningsuiting (vervallen)
Afdeling 4
Standplaatsen
Artikel 5.17
Definitie (vervallen)
Artikel 5.18
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (vervallen)
Artikel 5.19
Toestemming rechthebbende (vervallen)
Artikel 5.20
Afbakeningsbepalingen (vervallen)
Artikel 5.21
Aanhoudingsplicht (vervallen)
Afdeling 5
Snuffelmarkten
Artikel 5.22
Definitie
Artikel 5.23
Organiseren van een snuffelmarkt
Afdeling 6
Openbaar water
Artikel 5.24
Voorwerpen op, in of boven openbaar water (vervallen)
Artikel 5.25
Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (vervallen)
Artikel 5.26
Aanwijzingen ligplaats (vervallen)
Artikel 5.27
Verbod innemen ligplaats (vervallen)
Artikel 5.28
Beschadigen van waterstaatswerken
Artikel 5.29
Reddingsmiddelen
Artikel 5.30
Veiligheid op het water (vervallen)
Artikel 5.31
Overlast aan vaartuigen
Afdeling 7
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.32
Crossterreinen
Artikel 5.33
Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling 8
Verbod vuur te stoken
Artikel 5.34
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins
vuur te stoken Artikel 5.34a
Verbod op het gebruik van wensballonnen
Afdeling 9
Verstrooiing van as
Artikel 5.35
Definitie
Artikel 5.36
Verboden plaatsen
Artikel 5.37
Hinder of overlast
Hoofdstuk 6
Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1
Strafbepaling
Artikel 6.2
Toezichthouders
Artikel 6.3
Binnentreden woningen
Artikel 6.4
Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
Artikel 6.5
Overgangsbepaling
Artikel 6.6
Citeertitel
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
Bebouwde kom: het grondgebied dat is gelegen binnen de lijnen, die op de bij
deze verordening behorende en gewaarmerkte kaarten zijn aangegeven; b.
Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage,
onder A, bij de Omgevingswet; c.
Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten
aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d.
Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
Omgevingswet;
e.
Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
f.
College: het college van burgemeester en wethouders;
g.
Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
Omgevingswet; h.
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
i.
Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
j.
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze
toegankelijk zijn; k.
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet
openbare manifestaties; l.
Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m.
Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
n.
Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
o.
Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
Artikel 1.3 Indiening aanvraag Vervallen.
Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.
de houder dit verzoekt.
Artikel 1.7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1.8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan vier weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 1.9 Vervallen.
Lex silencio positivo van toepassing
Artikel 1.10
Lex silencio positivo niet van toepassing
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing tenzij bij deze verordening anders is bepaald.
Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden
1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2 Artikel 2.2 Vervallen.
Betoging Optochten
Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig
verloop te bevorderen. 3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip vooraf gaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2.4 Afwijking termijn Vervallen.
Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens Vervallen.
Afdeling 3 Artikel 2.6 Vervallen.
Verspreiden van gedrukte stukken Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Afdeling 4
Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2.7 Vervallen.
Feest, muziek en wedstrijd e.d.
Artikel 2.8 Vervallen.
Dienstverlening
Artikel 2.9 Vervallen.
Straatartiest e.d.
Afdeling 5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2.10a Voorwerpen op of aan de weg Vervallen, staat in artikel 5.11 Verordening fysieke leefomgeving
Artikel 2.10b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen Vervallen, staat in artikel 5.11 Verordening fysieke leefomgeving
Artikel 2.10 c Vrij te stellen categorieën Vervallen, staat in artikel 5.13 Verordening fysieke leefomgeving.
Artikel 2.11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Vervallen, staat in artikel 5.14 Verordening fysieke leefomgeving
Artikel 2.12 Maken of veranderen van een uitweg Vervallen, staat in artikel 5.15 Verordening fysieke leefomgeving
Afdeling 6 Artikel 2.13
Veiligheid op de weg Veroorzaken van gladheid
Vervallen.
Artikel 2.14 Vervallen.
Winkelwagentjes
Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of voorwerp Vervallen, staat in artikel 5.16 Verordening fysieke leefomgeving
Artikel 2.16 Vervallen.
Openen straatkolken
Artikel 2.17 Vervallen.
Kelderingangen e.d.
Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende de door het college aangewezen periode; b. voor zover het open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2.
Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een erfscheiding zijn aangebracht.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.20 Vervallen.
Vallende voorwerpen
Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2.22
Objecten onder hoogspanningslijn
Vervallen
Artikel 2.23
Veiligheid op het ijs
Vervallen
Afdeling 7
Evenementen
Artikel 2.24 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen en het houden van toneeluitvoeringen en voorstellingen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2.39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het
tweede lid, onder g. 2.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.
e.
een straatfeest of buurtbarbecue.
f.
carbidschieten waarbij gebruik wordt gemaakt van vijf of meer bussen (35L)/containers/opslagvaten;
g.
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.
Artikel 2.25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de vergunningplicht voor door hem aan te wijzen categorieën van evenementen.
3.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige
plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situatie waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waarvan in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die ruimte.
Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of indien de aanvrager geen VOG met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden
aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant.
5.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1.8 of 2.28, tweede of derde lid.
6.
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoel in het vijfde lid onder a.
Artikel 2.28a Terras openbare inrichting Het is verboden een bij een openbare inrichting behorend terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Artikel 2.29 oud Opheffing vergunningplicht Vervallen.
Artikel 2.29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten op maandag tot en met vrijdag tussen
01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2.
Het is de exploitant van een openbare inrichting, die deel uitmaakt van een sportaccommodatie, sociaal-culturele instelling of daarmee vergelijkbare inrichting, verboden die voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 uur en 06.00 uur. De burgemeester kan van dit verbod voor ten hoogste 6 maal per kalenderjaar ontheffing verlenen voor bijzondere omstandigheden tot uiterlijk 01.30 uur.
3.
De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een terras.
4.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2.31 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in een openbare inrichting a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.30, eerste lid;2.
Het is verboden voor een exploitant van een openbare
inrichting om een bijeenkomst van een Outlaw Motorcycle Gang te laten plaatsvinden in de openbare inrichting.
3.
Het is verboden voor leden van een Outlaw Motorcycle Gang om in een openbare inrichting een bijeenkomst te houden.
Artikel 2.32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2.33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2.28 tot en met 2.30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2.34 Vervallen.
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Afdeling 8a
Bijzondere bepalingen voor horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2.34 a Definitie 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf en - zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. 2.
Schenktijdenreglement: een door het bestuur van een paracommerciële rechtspersoon vastgesteld reglement, in aanvulling op het bestuursreglement zoals bedoeld in artikel 9 van de Alcoholwet, met als doel oneerlijke mededinging met commerciële openbare inrichtingen te beperken en op verantwoorde wijze alcohol te schenken in de aanwezigheid van jongeren onder de 18 jaar.
3.
Bijeenkomst van persoonlijke aard: een bijeenkomst waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd en die geen direct verband houdt met de activiteiten van de paracommerciële rechtspersoon.
4.
Drank- en horecavergunning: vergunning verleend op grond van artikel 3 van de Alcoholwet.
Artikel 2:34 b 1.
Regulering paracommerciële rechtspersonen, schenktijdenreglement verplicht Het bestuur van een paracommerciële rechtspersoon is verplicht een schenktijdenreglement, als bedoeld in artikel 2.34 a. lid 2 APV vast te stellen en deze aan de burgemeester te overleggen.
2.
In het schenktijdenreglement is opgenomen wanneer bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt en welke maatregelen het bestuur heeft getroffen om te voorkomen dat alcohol wordt verstrekt ten tijde van jeugdactiviteiten en/of jeugdwedstrijden op het terrein of in het gebouw van de openbare inrichting.
3.
Het door het bestuur vastgestelde schenktijdenreglement dient duidelijk herkenbaar en zichtbaar voor eenieder in de inrichting aanwezig te zijn.
4.
De burgemeester kan verlangen dat een schenktijdenreglement wordt aangescherpt in overeenstemming met hetgeen de Alcoholwet beoogt.
Artikel 2.34 c Verbod op bijeenkomsten van persoonlijke aard Het is paracommerciële rechtspersonen verboden de inrichting ter beschikking te stellen voor bijeenkomsten van persoonlijke aard, met uitzondering van bijeenkomsten in het kader van begrafenissen en/of crematies in buurt- of dorpshuizen.
Artikel 2.34 d Verbod op het verstrekken van sterke drank Het is paracommerciële rechtspersonen verboden sterke drank te verstrekken, met uitzondering van bijeenkomsten in het kader van begrafenissen en/of crematies in buurt- of dorpshuizen.
Afdeling 9
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.35 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.37 Vervallen.
Nachtregister
Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtverblijf Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam en woonplaats en nummer van een geldig identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht te verstrekken.
Afdeling 10
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet.
Artikel 2.39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning
als: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Artikel 2.40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee behendigheidsautomaten
toegestaan.
Afdeling 11
Maatregelen tegen overlast, inbraak en baldadigheid
Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf, te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.
Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2.44a Vervoer geprepareerde voorwerpen 1. Het is verboden op een openbare plaats of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 2.
Dit verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in het eerste lid bedoelde voorwerp niet is bestemd voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2.45 Gevaar door houtopstand 1. Ongeacht het bepaalde in artikel 5.4 Verordening fysieke leefomgeving, is het verboden om een houtopstand in een zodanige staat te hebben dat daardoor direct gevaar voor goederen of personen ontstaat. 2. De burgemeester kan toestemming verlenen voor het vellen van een houtopstand in verband met spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen en goederen. 3. Voor de herplant-/instandhoudingsplicht is artikel 5.9 van de Verordening fysieke leefomgeving van toepassing.
Artikel 2.46 Vervallen.
Rijden over bermen e.d.
Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a.
zich in een portiek of poort op te houden;
b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw
dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2.50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Vervallen Artikel 2.51 Vervallen.
Neerzetten van fietsen e.d.
Artikel 2.52 Vervallen.
Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.
Artikel 2.53 Vervallen.
Bespieden van personen
Artikel 2.54 Vervallen.
Bewakingsapparatuur
Artikel 2.55 Vervallen.
Nodeloos alarmeren
Artikel 2.56 Vervallen.
Alarminstallaties
Artikel 2.57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c.
op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen;
d. 2.
buiten de bebouwde kom op de weg anders dan onder behoorlijk toezicht.
Het eerste lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a en b is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2.58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond begeeft op een openbare plaats binnen de bebouwde kom, op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, of op een andere door het college aangewezen plaats, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.
Degene die zich met een hond begeeft op een locatie genoemd in het eerste lid is verplicht een deugdelijk opruimmiddel bij zich te dragen om de uitwerpselen van die hond onmiddellijk te kunnen verwijderen.
3.
Het is verplicht het in het voorgaande lid bedoelde opruimmiddel op de eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.
4.
Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2.59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijnen muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.
Onverminderd artikel 2.57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2.59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden;
c.
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen – die niet vallen onder de activiteiten in de Omgevingswet - bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; of
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is
aangegeven. 2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.61 Vervallen.
Wilde dieren
Artikel 2.62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of een terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2.63 Vervallen.
Duiven
Artikel 2.64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b. 2.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
Het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
3.
Het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Gelderland of de Waterschapsverordening.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 2.65 Vervallen.
Bedelarij
Afdeling 12
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en
een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen: a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
2.
d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1˚ dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2˚ van een verandering van de onder 1˚ bedoelde adressen; 3˚ dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4˚ dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
b.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te
geven; c.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d.
een door aankoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2.69 Vervallen.
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Artikel 2.70 Vervallen.
Handel in horecabedrijven
Afdeling 13
Vuurwerk en carbid
Artikel 2.71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2.72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen cacliumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
2.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester als bedoeld in artikel 2.25 in de openlucht met carbid te schieten waarbij gebruik wordt gemaakt van vijf of meer bussen/containers/opslagvaten.
3.
Het carbidschieten met maximaal vier bussen/containers/opslagvaten is verboden, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften genoemd in lid 4.
4.
Voor het carbidschieten gelden de volgende voorschriften: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur; b. bij het carbidschieten wordt gebruik gemaakt van bussen/containers/opslagvaten met een maximale inhoud van 60 liter, die niet worden afgesloten met harde voorwerpen, zoals metalen, houten en andere vergelijkbare materialen (in ieder geval zijn toegestaan lederen en plastic ballen); c. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste:
d.
•
75 meter van de eigen woning of woning waar het georganiseerd wordt;
•
100 meter van woningen van derden;
•
300 meter van gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren verblijven; het schootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen dit schootsveld
bevindt zich geen publiek of andere personen en zijn geen openbare wegen of paden gelegen; e.
degene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen
om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen; f.
indien sprake is van carbid schieten door een persoon die de leeftijd van
achttien jaar nog niet heeft bereikt is een toezichthouder aanwezig. Onder toezichthouder wordt verstaan een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die te allen tijde in staat is om aanwijzingen te geven ten aanzien van de handelingen van de carbidschieter en diens handelingen te allen tijde kan verhinderen. 5.
Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 14
Drugsoverlast
Artikel 2.74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan de wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2.74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, woonoverlast en gebiedsontzegging
Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1 of 2.50 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.
De burgemeester heeft de bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen voor zover het openbare plantsoenen, stationsterreinen, speelplekken en parkeerplaatsen betreft.
Artikel 2.78 Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald over de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
3.
Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4.
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
5.
Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
6.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluidhinder;
b.
hinder van dieren;
c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf
aanwezig zijn; d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
e.
intimidatie van derden vanuit en woning of een erf.
Artikel 2.80 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet meer in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven ten hoogste 12
weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3.
Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4.
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.
5.
De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
6.
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod.
7.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid onderdeel a, van het Wetboek van strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1
Definities
Artikel 3.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.
prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
b.
prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
c.
seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder ook begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d.
escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
e.
sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;
f.
exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;
g.
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;
h.
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1.
de exploitant;
2.
de beheerder;
3.
de prostituee;
4.
het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5.
toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze
verordening; 6.
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.