CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Waterlooweg 28a_ontwerp_Bijlagen.pdf

Informatieavond 20 mei 2021, gemeente LeusdenBij agendapunt: 2b: RV Waterlooweg 28a - verklaring van geen bedenkingen23.086 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

mg/kg ds

74

<20

Minerale olie (C10-C12)

mg/kg ds

<3.0

<3.0

Minerale olie (C12-C16)

mg/kg ds

<5.0

<5.0

Minerale olie (C16-C21)

mg/kg ds

<5.0

<5.0

Minerale olie (C21-C30)

mg/kg ds

11

<11

Minerale olie (C30-C35)

mg/kg ds

9.0

<5.0

Minerale olie (C35-C40)

mg/kg ds

<6.0

Minerale olie

S

Minerale olie totaal (C10-C40)

mg/kg ds

<35

<6.0 1)

<35

Polychloorbifenylen, PCB

S

PCB 28

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

S

PCB 52

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

S

PCB 101

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

S

PCB 118

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

Nr. Monsteromschrijving

1

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 05 (0-50) 06 (0-50) 07 (0-50)

2

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150-200) 04 (150-200) 06 (110-150)

Datum monstername

Monster nr.

24-Apr-2020 24-Apr-2020

11330153 11330154

Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende verrichting S: AS SIKB erkende verrichting V: VLAREL erkende verrichting

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

TESTEN RvA L010

Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer

12187.001 Waterlooweg 28a Leusden

Monsternemer Monstermatrix

Frank Sloetjes Grond (AS3000)

Certificaatnummer/Versie Startdatum Rapportagedatum Bijlage Pagina

Analyse

Eenheid

1

2

S

PCB 138

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

S

PCB 153

mg/kg ds

<0.0010

<0.0010

S

PCB 180

mg/kg ds

<0.0010

S

PCB (som 7) (factor 0,7)

mg/kg ds

0.0049

2020063683/1 24-Apr-2020 01-May-2020/07:21 A,B,C 2/2

<0.0010 2)

0.0049

2)

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK

S

Naftaleen

mg/kg ds

<0.050

<0.050

S

Fenanthreen

mg/kg ds

0.18

<0.050

S

Anthraceen

mg/kg ds

0.15

<0.050

S

Fluorantheen

mg/kg ds

0.36

0.068

S

Benzo(a)anthraceen

mg/kg ds

0.22

<0.050

S

Chryseen

mg/kg ds

0.18

<0.050

S

Benzo(k)fluorantheen

mg/kg ds

0.12

<0.050

S

Benzo(a)pyreen

mg/kg ds

0.16

<0.050

S

Benzo(ghi)peryleen

mg/kg ds

0.16

<0.050

S

Indeno(123-cd)pyreen

mg/kg ds

0.18

<0.050

S

PAK VROM (10) (factor 0,7)

mg/kg ds

1.7

0.38

Nr. Monsteromschrijving

1

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 05 (0-50) 06 (0-50) 07 (0-50)

2

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150-200) 04 (150-200) 06 (110-150)

Datum monstername

Monster nr.

24-Apr-2020 24-Apr-2020

11330153

Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende verrichting S: AS SIKB erkende verrichting V: VLAREL erkende verrichting

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC No. 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

11330154

Akkoord Pr.coörd.

VA TESTEN RvA L010

Bijlage (A) met deelmonsterinformatie behorende bij analysecertificaat 2020063683/1 Pagina 1/1 Barcode

Monstername ID/Monsteromsch.

Monster nr.

Boornr

Omschrijving

Van

Tot

11330153

07

1

0

50

0538056572

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330153

06

1

0

50

0538056632

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330153

05

1

0

50

0538056583

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330153

04

1

8

50

0538056627

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330153

02

1

10

50

0538056272

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330153

03

1

0

50

0538056200

MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 0

11330154

02

2

50

100

0538056044

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150

11330154

02

4

150

200

0538056042

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150

11330154

06

3

110

150

0538056377

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150

11330154

04

4

150

200

0538056382

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150

11330154

01

2

50

100

0538056032

MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).

Bijlage (B) met opmerkingen behorende bij analysecertificaat 2020063683/1 Pagina 1/1 Opmerking 1)

Humusachtige verbindingen aangetoond. Opmerking 2)

De toetswaarde van de som is gelijk aan de sommatie van 0,7*RG

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).

.

Bijlage (C) met methodeverwijzingen behorende bij analysecertificaat 2020063683/1

Analyse

Pagina 1/1

Methode

Techniek

Methode referentie

W0106

Voorbehandeling

AS3000

Droge Stof

W0104

Gravimetrie

pb 3010-2 en NEN-EN 15934

Organische stof (gloeiverlies)

W0109

Gravimetrie

pb 3010-3 en NEN 5754

Korrelgrootte < 2 µm (lutum)

W0171

Sedimentatie

pb 3010-4 en NEN 5753

Barium (Ba)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Cadmium (Cd)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Kobalt (Co)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Koper (Cu)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Kwik (Hg)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Molybdeen (Mo)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Nikkel (Ni)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Lood (Pb)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

Zink (Zn)

W0423

ICP-MS

pb 3010-5 en NEN-EN-ISO 17294-2

W0202

GC-FID

pb 3010-7 en NEN-EN-ISO 16703

W0271

GC-MS

pb 3010-8 en NEN 6980

Voorbehandeling

Cryogeen malen Bodemkundige analyses

Metalen

Minerale olie

Minerale Olie (C10-C40) Polychloorbifenylen, PCB

PCB (7)

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK

PAK som AS3000/AP04

W0271

GC-MS

pb. 3010-6 en NEN-ISO 18287

PAK (10) (VROM)

W0271

GC-MS

pb. 3010-6 en NEN-ISO 18287

Nadere informatie over de toegepaste onderzoeksmethoden alsmede een classificatie van de meetonzekerheid staan vermeld in ons overzicht "Specificaties analysemethoden", versie juni 2019.

Eurofins Analytico B.V.

Gildeweg 42-46 3771 NB Barneveld P.O. Box 459 3770 AL Barneveld NL

Tel. +31 (0)34 242 63 00 Fax +31 (0)34 242 63 99 E-mail info-env@eurofins.nl Site www.eurofins.nl

BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC No. 09088623 BTW/VAT No. NL 8043.14.883.B01

Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).

Bijlage 4b Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering

BoToVa T12 Toetsing Wbb grond Projectnummer Projectnaam Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum

12187.001 Waterlooweg 28a Leusden 24-04-2020 Frank Sloetjes 2020063683 24-04-2020 01-05-2020

Analyse

Eenheid

Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof Organische stof Gloeirest Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Metalen Barium (Ba) Cadmium (Cd) Kobalt (Co) Koper (Cu) Kwik (Hg) Molybdeen (Mo) Nikkel (Ni) Lood (Pb) Zink (Zn) Minerale olie Minerale olie (C10-C12) Minerale olie (C12-C16) Minerale olie (C16-C21) Minerale olie (C21-C30) Minerale olie (C30-C35) Minerale olie (C35-C40) Minerale olie totaal (C10-C40) Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 PCB (som 7) (factor 0,7) Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen Fenanthreen Anthraceen Fluorantheen Benzo(a)anthraceen Chryseen Benzo(k)fluorantheen Benzo(a)pyreen Benzo(ghi)peryleen Indeno(123-cd)pyreen PAK VROM (10) (factor 0,7)

1

GSSD

92,8 2,9

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

32 <0,20 <3,0 11 <0,050 <1,5 <4,0 39 74

100,2 0,2251 6,113 20,75 0,0484 1,05 7,05 58,36 156,9

* *

20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20

190 0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140

555 6,8 103 115 18,1 95,8 67,5 290 430

920 13 190 190 36 190 100 530 720

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<3,0 <5,0 <5,0 11 9 <6,0 <35

7,241 12,07 12,07 37,93 31,03 14,48 84,48

-

35

190

2600

5000

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 0,0049

0,0024 0,0024 0,0024 0,0024 0,0024 0,0024 0,0024 0,0169

-

0,007

0,02

0,51

1

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<0,050 0,18 0,15 0,36 0,22 0,18 0,12 0,16 0,16 0,18 1,7

0,035 0,18 0,15 0,36 0,22 0,18 0,12 0,16 0,16 0,18 1,745

*

0,35

1,5

20,8

40

Analytico-nr

Monster MM1 02 (10-50) 03 (0-50) 04 (8-50) 05 (0-50) 06 (0-50) 07 (0-50) Overschrijding Achtergrondwaarde

Gebruikte afkortingen groter dan Achtergrondwaarde

**

groter dan Tussenwaarde

***

groter dan Interventiewaarde

GSSD

Gestandaardiseerd gehalte

RG

Vereiste Rapportagegrens

AW

Achtergrondwaarde

T

Tussenwaarde

I

Interventiewaarde

I

92,8 2,9 97 3,9

11330153

kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde

T

% (m/m) % (m/m) ds % (m/m) ds % (m/m) ds

1

*

AW

Uitgevoerd

Nr.

-

RG

2,9 3,9

Legenda

Eindoordeel:

Oordeel

Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/ N.B.: de vermelde tussenwaarde is door PAIS berekend en is niet afkomstig uit BoToVa

3,9

BoToVa T12 Toetsing Wbb grond Projectnummer Projectnaam Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum

12187.001 Waterlooweg 28a Leusden 24-04-2020 Frank Sloetjes 2020063683 24-04-2020 01-05-2020

Analyse

Eenheid

Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof Organische stof Gloeirest Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Metalen Barium (Ba) Cadmium (Cd) Kobalt (Co) Koper (Cu) Kwik (Hg) Molybdeen (Mo) Nikkel (Ni) Lood (Pb) Zink (Zn) Minerale olie Minerale olie (C10-C12) Minerale olie (C12-C16) Minerale olie (C16-C21) Minerale olie (C21-C30) Minerale olie (C30-C35) Minerale olie (C35-C40) Minerale olie totaal (C10-C40) Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 PCB (som 7) (factor 0,7) Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen Fenanthreen Anthraceen Fluorantheen Benzo(a)anthraceen Chryseen Benzo(k)fluorantheen Benzo(a)pyreen Benzo(ghi)peryleen Indeno(123-cd)pyreen PAK VROM (10) (factor 0,7)

2

GSSD

% (m/m) % (m/m) ds % (m/m) ds % (m/m) ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<20 <0,20 <3,0 <5,0 <0,050 <1,5 <4,0 <10 <20

52,29 0,2399 7,148 7,167 0,05 1,05 7,967 10,96 32,72

-

20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20

190 0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140

555 6,8 103 115 18,1 95,8 67,5 290 430

920 13 190 190 36 190 100 530 720

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<3,0 <5,0 <5,0 <11 <5,0 <6,0 <35

10,5 17,5 17,5 38,5 17,5 21 122,5

-

35

190

2600

5000

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 0,0049

0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0245

-

0,007

0,02

0,51

1

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

<0,050 <0,050 <0,050 0,068 <0,050 <0,050 <0,050 <0,050 <0,050 <0,050 0,38

0,035 0,035 0,035 0,068 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,383

-

0,35

1,5

20,8

40

Analytico-nr

Monster MM2 01 (50-100) 02 (50-100) 02 (150-200) 04 (150-200) 06 (110-150) Voldoet aan Achtergrondwaarde

Gebruikte afkortingen groter dan Achtergrondwaarde

**

groter dan Tussenwaarde

***

groter dan Interventiewaarde

GSSD

Gestandaardiseerd gehalte

RG

Vereiste Rapportagegrens

AW

Achtergrondwaarde

T

Tussenwaarde

I

Interventiewaarde

I

97 0,7

11330154

kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde

T

97 0,7 99 2,3

2

*

AW

Uitgevoerd

Nr.

-

RG

0,7 2,3

Legenda

Eindoordeel:

Oordeel

Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/ N.B.: de vermelde tussenwaarde is door PAIS berekend en is niet afkomstig uit BoToVa

2,3

Bijlage 5 Toetsingskader Circulaire bodemsanering AW = achtergrondwaarde S = streefwaarde I = interventiewaarde t.b.v. sanering(-sonderzoek)

voorkomen in:

Grondwater (μg/l opgelost, tenzij anders vermeld)

Grond/sediment (mg/kg droge stof)

Stof/niveau AW

I

S

I

20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800

I.

Metalen antimoon (Sb) arseen (As) barium (Ba) cadmium (Cd) chroom (Cr) chroom III chroom VI cobalt (Co) koper (Cu kwik (Hg) kwik (anorganisch) kwik (organisch) lood (Pb) molybdeen (Mo) nikkel (Ni) tin (Sn) vanadium (V) zink (Zn)

4,0 20 0,60 55 15 40 0,15 50 1,5 35 6,5 80 140

22 76 920* 13 180 78 190 190 36 4 530 190 100 720

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

II.

Anorganische verbindingen chloride cyaniden-vrij cyaniden-complex thiocyanaat

3 5,5 6,0

20 50 20

100 (Cl/l) 5 10 -

1500 1500 1500

III.

Aromatische verbindingen benzeen ethylbenzeen tolueen xylenen styreen (vinylbenzeen) fenol cresolen (som) dodecylbenzeen aromatische oplosmiddelen (som)

0,20 0,20 0,20 0,45 0,25 0,25 0,30 0,35 2,5

1,1 110 32 17 86 14 13 -

0,2 4 7 0,2 6 0,2 0,2 -

30 150 1000 70 300 2000 200 -

1,5

40

0,01 0,0007 0,003 0,003 0,0001 0,003 0,0005 0,0003 0,0004 0,0004 -

70 5 5 1 0,5 0,2 0,05 0,05 0,05 0,05

Gechloreerde koolwaterstoffen vinylchloride dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (cis- en trans-) dichloorpropanen trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (Tri) tetrachloormethaan (Tetra) tetrachlooretheen (Per)

0,10 0,10 0,20 0,20 0,30 0,30 0,80 0,25 0,25 0,3 0,25 0,30 0,15

0,1 3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8

0,01 0,01 7 7 0,01 0,01 0,8 6 0,01 0,01 24 0,01 0,01

5 1000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40

monochloorbenzeen dichloorbenzenen trichloorbenzenen tetrachloorbenzenen pentachloorbenzeen hexachloorbenzeen

0,20 2,0 0,015 0,0090 0,0025 0,0085

15 19 11 2,2 6,7 2,0

7 3 0,01 0,01 0,003 0,0009

180 50 10 2,5 1 0,5

monochloorfenolen(som) dichloorfenolen (som) trichloorfenolen (som) tetrachloorfenolen (som) pentachloorfenol

0,045 0,20 0,0030 0,015 0,0030

54 22 22 21 12

0,3 0,2 0,03 0,01 0,04

100 30 10 10 3

PCB's (som 7) chloornaftaleen (som) monochlooranilinen (som) dioxine (som I-TEQ)

0,020 0,070 0,20

1 23 50 0,00018

0,01 -

0,01 6 30 -

-

-

IV.

V.

Polycyclische aromatische waterstoffen (PAK's) naftaleen antraceen fenantreen fluoranteen benzo(a)antraceen chryseen benzo(a)pyreen benzo(ghi)peryleen benzo(k)fluoranteen indeno(1,2,3cd)pyreen PAK (som 10)

pentachlooraniline

kool-

0,000055 0,15

-

-

-

* De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buiten werking gesteld.

Bijlage 5 Toetsingskader Circulaire bodemsanering voorkomen in:

Grondwater (μg/l opgelost, tenzij anders vermeld)

Grond/sediment (mg/kg droge stof)

Stof/niveau AW VI.

VII.

Bestrijdingsmiddelen chloordaan DDT (som) DDE (som) DDD (som) DDT/DDE/DDD (som) aldrin dieldrin endrin drins (som) -endosulfan -HCH -HCH -HCH (lindaan) HCH-verbindingen (som) heptachloor heptachloorepoxide (som) hexachloorbutadieen organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen(som landbodem) azinfos-methyl organotin verbindingen (som) tributyltin (TBT) MCPA atracine carburyl carbofuran 4-chloormethylfenolen (som) niet-chloorhoudende bestr.mid. (som)

Overige verontreinigingen asbest cyclohexanon dimethyl ftalaat diethyl ftalaat di-isobutylftalaat dibutyl ftalaat butyl benzylftalaat dihexyl ftalaat di(2-ethylhexyl)ftalaat ftalaten (som) minerale olie pyridine tetrahydrofuran tetrahydrothiofeen tribroommethaan ethyleenglycol diethyleenglycol acrylonitril formaldehyde isopropanol (2-propanol) methanol butanol (1-butanol) butylacetaat ethylacetaat methyl-tert-butyl ether (MTBE) methylethylketon

I

S

I

0,0200 0,20 0,10 0,020 0,015 0,00090 0,0010 0,0020 0,0030 0,00070 0,0020 0,003 0,40

4 1,7 2,3 34 0,32 4 4 17 1,6 1,2 4 4 -

0,02 ng/l 0,004 ng/l 0,009 ng/l 0,1 ng/l 0,04 ng/l 0,2 ng/l 33 ng/l 8 ng/l 9 ng/l 0,05 0,005 ng/l 0,005 ng/l -

0,2

0,0075 0,15 0,065 0,55 0,035 0,15 0,017 0,60 0,090

2,5 4 0,71 0,45 0,017 -

0,05-16 ng/l 0,02 29 ng/l 2 ng/l 9 ng/l -

0,7 50 150 50 100 -

2,0 0,045 0,045 0,045 0,070 0,070 0,070 0,045 190 0,15 0,45 1,5 0,20 5,0 8,0 2,0 2,5 0,75 3,0 2,0 2,0 2,0 0,20 2,0

100 150 82 53 17 36 48 220 60 5000 11 7 8,8 75 -

0,5 0,5 50 0,5 0,5 0,5 -

15000 5 600 30 300 5000 630 -

0,01 0,1 5 1 0,3 3 -

Bodemtypecorrectie Anorganische verbindingen

Lb = Lst *

a + b * % lut.+ c * % org.st. a + b * 25 + c * 10

Lb is interventiewaarden geldend voor de te beoordelen bodem (mg/kg); Lst is interventiewaarde voor de standaardbodem (mg/kg);% lut. is gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem; % org. st. is gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem; A, B en C zijn constantenafhankelijk van de stof; Voor toepassing van de bodemtypecorrectie bij streefwaarden wordt in de bovenstaande formule de interventiewaarde vervangen door streefwaarde.

Bijlage 5 Toetsingskader Circulaire bodemsanering STOF arseen barium beryllium cadmium chroom cobalt koper kwik lood nikkel tin vanadium zink

a 15 30 8 0,4 50 2 15 0,2 50 10 4 12 50

b

c

0,4 5 0,9 0,007 2 0,28 0,6 0,0034 1 1 0,6 1,2 3

0,4 0 0 0,021 0 0 0,6 0,0017 1 0 0 0 1,5

Organische verbindingen

Lb = Lst *

% org.st. 10

Lb is interventiewaarden geldend voor de te beoordelen bodem (mg/kg); Lst is interventiewaarde voor de standaardbodem (mg/kg); % org. st. is gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem; Voor bodems met gemeten organisch stofgehalten van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2%, worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden. Voor toepassing van de bodemtypecorrectie bij streefwaarden wordt in de bovenstaande formule de interventiewaarde vervangen door streefwaarde.

Nader onderzoek

De tussenwaarde (Tw) is het toetsingscriterium ten behoeve van een nader onderzoek. Wordt de tussenwaarde overschreden, dan is een nader onderzoek, op korte termijn, noodzakelijk

Tw is de tussenwaarde; S is de streefwaarde en I is de interventiewaarde.

Tw = 0,5 * (S + I)

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ZORGMANEGE HORSEWISE TE LEUSDEN

Rapportage quickscan flora en fauna zorgmanege Horsewise te Leusden Opdrachtgever

Zorgmanege Horsewise Waterlooweg 28A 3832 RX Leusden

Rapportnummer Versienummer

6607.0036607 D2

Status

Eindrapportage

Datum

7 januari 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

S. Westbroek, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ing. T. Bruinsma

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 10 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) .................................................................... 14 Algemene broedvogels ................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 14 Streng beschermde overige zoogdieren ........................................................................ 14 Reptielen amfibieën en vissen ........................................................................................ 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en incidenteel passerende reptielen15

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 16 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 18

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 19

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 6607.0036607

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Zorgmanege Horsewise opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna ter plaatse van de betreffende zorgmanege aan de Waterlooweg 28A te Leusden. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop van een bestaande garage / schuur en de bouw van een dienstwoning en wachtruimte op de onderzoekslocatie. De quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 1 van 20

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 130 m²) ligt in het buitengebied, op het terrein van Zorgmanege Horsewise aan de Waterlooweg 28A, circa 2,5 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Leusden. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 521.170, Y = 536.703.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (gele pijl).

De onderzoekslocatie betreft een stenen gebouw met pannendak, dat in gebruik is als opslag. Het gebouw is gelegen op het terrein van een zorgmanege. Op het terrein bevinden zich diverse gebouwen, in de vorm van stallen en schuilplekken voor paarden, een groepsruimte en een hooi- / houtopslag. Tevens zijn onverharde uitloopruimten voor paarden aanwezig. Er is groen aanwezig in de vorm van enkele solitaire bomen en struikgewas. Directe omgeving De zorgmanege is gelegen aan de rand van landgoed Den Treek en is omringd door heide en bossen. Ten oosten van de locatie bevindt zich het terrein van manege De Treekhoeve. Aan de noordzijde bevinden zich diverse woningen met bijbehorende tuinen en enkele bedrijven aan de Waterlooweg. Ten westen van de locatie is met name bosschage aanwezig. Aan de zuidzijde bevindt zich een woonhuis met eveneens paardenstallen en paardenvoorzieningen.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 2 van 20

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (zwart omlijnd) en directe omgeving.

Figuur 3. Westzijde van de bebouwing.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Figuur 4. Zuidzijde van de bebouwing.

Figuur 5. Oostzijde van de bebouwing.

Pagina 3 van 20

Figuur 6. Binnenzijde van de bebouwing.

2.2

Figuur 7. Onverharde uitloopruimte voor paarden nabij de bebouwing.

Figuur 8. Verharding voor de bebouwing.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens het bestaande gebouw te slopen en in plaats daarvan een dienstwoning te bouwen in combinatie met een werkplaats / opslagruimte.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 4 van 20

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 4 december 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. De te slopen bebouwing is beoordeeld op de geschiktheid als verblijfs- of voortplantingsplaats van beschermde soorten. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 5 van 20

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Artikel 1.11 in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 6 van 20

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) Om de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terug te dringen werd in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS) geïntroduceerd. De uitspraak van 29 mei 2019, van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreffende het PAS, heeft als gevolg gehad dat het PAS niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. AERIUS-calculator is de rekentool van het voormalige PAS.

Ondanks dat het PAS door de Raad van State buiten werking is gesteld, blijft (een inmiddels aangepaste versie van) AERIUS-calculator bruikbaar voor het bepalen van de stikstofdepositie van projecten en activiteiten. Inmiddels zijn er tevens nieuwe provinciale beleidsregels voor de aanpak van stikstof (en daarmee voor de vergunningverlening voor activiteiten) van kracht.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 7 van 20

4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 8 van 20

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In bebouwing binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil en steenuil. In bomen kunnen dit onder andere zijn: roek, sperwer, buizerd en ransuil. Jaarrond beschermde nesten in bomen Nadelige effecten op jaarrond beschermde nesten van boombewonende vogelsoorten worden niet verwacht. Ten behoeve van de voorgenomen plannen worden geen bomen gekapt. Om deze redenen worden als gevolg van de voorgenomen plannen geen nadelige effecten verwacht op jaarrond beschermde vogelnesten in bomen. Jaarrond beschermde nesten in bebouwing De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is vanwege het ontbreken van geschikte in- en uitvliegopeningen niet toegankelijk voor de steenuil en de kerkuil. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (braakballen, veren, meststrepen) aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van nestplaatsen van uilen. De bebouwing is daarnaast ook niet geschikt als broedlocatie voor huismussen. Dit vanwege het ontbreken van geschikte ruimtes onder dakpannen en andere geschikte openingen waaronder/waarin ze hun nesten kunnen maken. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen of waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van nestplaatsen van huismussen in de bebouwing.

Nest- en verblijfplaatsen van deze soort worden daarom niet verwacht in de te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie. Sloop van de garage / schuur leidt zodoende niet tot vernietiging of verstoring van de huismus. 5.1.2

Overige broedvogels

De bomen en struiken in de omgeving van de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de houtduif, de merel en de zanglijster. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. In bebouwing kunnen dit zijn huiszwaluw en boerenzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn geen

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 9 van 20

(restanten van) nesten van de huiszwaluw en de boerenzwaluw aangetroffen in / aan de te slopen bebouwing. Ten behoeve van de voorgenomen plannen worden daarnaast geen bomen gekapt. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten in dit geval een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de Zoogdiervereniging is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig die middels open stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. De ruimte langs de dakranden geeft geen toegang tot ruimte onder de dakpannen. Verder zijn er geen ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.

Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van landgoed Den Treek. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Sloop van de schuur / garage leidt niet tot vernietiging van verblijfs- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Evenmin leidt uitvoering van het plan tot verlies aan belangrijk foerageergebied en/of essentiele vliegroutes. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 10 van 20

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, das en eekhoorn. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Het bosgebied rondom de onderzoekslocatie vormt daarnaast geschikt habitat voor de boommarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als rust- en verblijfplaats. Boommarters maken voor hun rust- en verblijfplaatsen met name gebruik van boomholtes, ondergrondse holen, dichte struikgewassen en houtstapels. Boommarters kunnen echter ook rust- en verblijfplaatsen hebben in gebouwen en steenmarters in bomen, struiken en grondholen. Zowel de steenmarter als de boommarter hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Het te slopen gebouw beschikt niet over geschikte openingen waardoor de steenmarter of boommarter potentiele verblijfplaatsen in de bebouwing kunnen bereiken. Tijdens het veldbezoek zijn bovendien geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soorten. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soorten zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen.

Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter en boommarter. Met name het bosgebied rondom de onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. Ten behoeve van de voorgenomen plannen worden er geen bomen gekapt, waardoor er als gevolg van de plannen geen nadelige effecten worden verwacht op de eekhoorn. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden en vanwege de hoge mate van verstoring ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de omliggende natuurgebieden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.

Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, mol en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen echter niet aangetast. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van muizen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 11 van 20

Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor de hazelworm en levendbarende hagedis aanwezig. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen, maar maakt daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes. Voor de levendbarende hagedis vormen heide en hoogveen de voorkeurshabitat. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen (bron: RAVON). De waarnemingen van de hazelworm en levendbarende hagedis hebben waarschijnlijk betrekking op de omliggende bos- en heidegebieden. Doordat het habitat ter plaatse van de onderzoekslocatie niet optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is. Het is daarentegen niet uit te sluiten dat incidenteel een individu nabij de te slopen bebouwing kan voorkomen (zie hoofdstuk 6). De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Ringslangen gebruiken warme, vochtige plekken om hun eieren af te zetten; zogenaamde broeihopen. Voorbeelden van dergelijke plekken zijn composthopen, bladhopen en mestvaalten (bron: RAVON).

Mestvaalten, composthopen en / of bladhopen nabij de onderzoekslocatie zouden van belang kunnen zijn voor de voortplanting / ei-afzet van ringslangen uit de omgeving. Ringslangen zijn erg schuchter en worden daardoor niet snel waargenomen. Geschikte broeihopen bij de zorgmanege zullen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet worden aangetast. Er worden als gevolg van de plannen geen nadelige effecten verwacht op de ringslang. Het is, onder andere door de aanwezigheid van geschikte broeihopen, echter niet uit te sluiten dat incidenteel een individu nabij de te slopen bebouwing kan voorkomen (zie hoofdstuk 6). Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de streng beschermde kamsalamander en poelkikker waargenomen. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. De poelkikker komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden (bron: RAVON). Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen niet worden aangetast, zijn nadelige effecten hierop uit te sluiten. De directe omgeving van de te slopen bebouwing vormt daarnaast weinig geschikt landhabitat voor amfibieën.

Incidenteel kunnen algemene soorten als groene kikker, bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 12 van 20

alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing en verharding, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 13 van 20

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Sloop van de voormalige garage / schuur leidt niet tot vernietiging of verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van jaarrond beschermde vogelnesten zijn in dit geval niet aan de orde. 6.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien verstorende werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen, of als voor het broedseizoen wordt begonnen en de werkzaamheden continu voortduren, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Als de werkzaamheden voor het broedseizoen worden gestart en continu voortduren, zullen broedvogels een rustigere broedplaats (op enige afstand) zoeken en niet door de werkzaamheden worden gestoord. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.3

Vleermuizen

Sloop van de schuur / garage leidt niet tot vernietiging van verblijfs- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Evenmin leidt uitvoering van het plan tot verlies aan belangrijk foerageergebied en/of essentiele vliegroutes. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen zijn in dit geval daarom niet aan de orde. 6.4

Streng beschermde overige zoogdieren

Sloop van de voormalige garage / schuur leidt niet tot vernietiging of verstoring van streng beschermde zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet aan de orde.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 14 van 20

6.5

Reptielen amfibieën en vissen

Reptielen Doordat het habitat ter plaatse van de onderzoekslocatie niet optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is van de in de omgeving aangetroffen hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang. Het is daarentegen niet uit te sluiten dat incidenteel een individu nabij de te slopen bebouwing kan voorkomen. Mits de algemene zorgplicht in acht wordt genomen, kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten worden voorkomen (zie paragraaf 6.8). Amfibieën Incidenteel kunnen algemene soorten als groene kikker, bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Mits de algemene zorgplicht in acht wordt genomen, kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten worden voorkomen (zie paragraaf 6.8). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vissen niet aan de orde. 6.6

Ongewervelden

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van ongewervelden zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat en op basis van verspreidingsgegevens niet aan de orde. 6.7

Vaatplanten

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaatplanten zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat en op basis van verspreidingsgegevens niet aan de orde. 6.8

Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en incidenteel passerende reptielen

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Het is in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

Rapport 6607.0036607 versie D2

Pagina 15 van 20

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen op vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden bevinden zich op circa 17 kilometer afstand ten noordwesten (Oostelijke Vechtplassen) en zuidoosten (Veluwe) van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).

Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (groen gearceerd).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 17 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de kleinschalige en tijdelijke aard van de werkzaamheden en het gegeven dat de functie en het aantal paarden in de gebruiksfase gelijk blijven niet te verwachten. Het kan op voorhand worden uitgesloten dat het plan leidt tot een significante toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuurgebieden en soorten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 6607.0036607 versie D2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3093/documents/27646