CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Waterlooweg 28a_ontwerp_26012021 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Informatieavond 20 mei 2021, gemeente LeusdenBij agendapunt: 2b: RV Waterlooweg 28a - verklaring van geen bedenkingen13.991 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een rustig buitengebied wordt gekenmerkt door een vergelijkbaar omgevingstype (inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of natuurgebied. Een gemengd gebied wordt omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door lintbebouwing in het buitengebied met woningen, horeca en verschillende bedrijven. Zeker in de directe omgeving van het plangebied is sprake van sterke functiemenging met een manege (De Treekhoeve), een bomenkwekerij (Waterloo) en hoveniersbedrijf (Splint). Daarom kan dit gebied worden gekenmerkt als 'gemengd gebied'.

28

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

De richtafstanden zijn daarbij als volgt: Milieucategorie Richtafstand 1 0m 2 10m 3.1 30m 3.2 50m 4.1 100m 4.2 200m 5.1 300m 5.2 500m 5.3 700m 6 1000m Als de afstanden tussen ontwikkellocaties en bestaande bouw kleiner zijn dan de genoemde richtafstanden, dient door middel van onderzoek aangetoond moeten worden welke maatregelen genomen moeten worden om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard afstanden. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gevestigd:  manege De Treekhoeve  bomenkwekerij Waterloo  hoveniersedrijf Splint Een manege valt onder het fokken en houden van paarden en valt daarmee in categorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50m voor geur en 30m voor stof en geluid. De boomkwekerij kan het best worden geschaard onder 'fruitteelt', categorie 2 met een richtafstand van 30m in verband met geluid en 10m in verband met overige aspecten. Het hoveniersbedrijf valt onder 'dienstverlening ten behoeve van de landbouw, plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven', categorie 3.1. De grootste richtafstand is 50m in verband met geluid. Gezien het feit dat de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 stap worden teruggebracht tot respectievelijk 10m en 30m.

De beoogde locatie van de dienstwoning ligt met 25m en 55m op ruime afstand van zowel het hoveniersbedrijf als de boomkwekerij en vormt zodoende geen belemmering voor de bedrijfsvoering. Gezien de kleinschaligheid van beide bedrijven wordt ter plaatse van de dienstwoning geen hinder ten gevolge van de boomkwekerij of het hoveniersbedrijf verwacht. Daarmee wordt voor de beoogde ontwikkelingen op het terrein van Horsewise voldaan aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening wat betreft het onderdeel bedrijven en milieuzonering. De gevraagde omgevingsvergunning kan zodoende worden verleend. 4.3 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) uit 1987 is het wettelijke kader voor de bescherming van de bodem. Op grond van de Wbb kunnen regels worden gesteld waarmee verontreiniging van de bodem wordt voorkomen. De Wbb kent ook een zorgplicht waarmee verontreinigingen die zijn ontstaan na invoering van de wet kunnen worden aangepakt. Sinds 1994 bevat de wet regels die gaan over verontreinigingen die zijn ontstaan voor de invoering van de wet (historische verontreinigingen). Op 1 januari 2006 zijn belangrijke wijzigingen in het saneringshoofdstuk van de Wet bodembescherming inwerking getreden. Het is wettelijk geregeld in de Bouwverordening dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (gemaakt) voor het beoogde doel.

Daarom dient bij iedere nieuwbouw activiteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de dienstwoning is dan ook een bodemonderzoek uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen uit de Woningwet en de Bouwverordening. Het historisch bodemonderzoek maakt als bijlage 3 deel uit van deze onderbouwing.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

29

Doel van het onderzoek is het verzamelen van informatie met betrekking tot het voormalige gebruik van de locatie om een hypothese te stellen omtrent de aard van de verontreinigende stoffen en de te verwachten milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het historisch bodemonderzoek is opgesteld volgens de NEN 5725 Bodem. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek is gebleken dat het onderzoek kan worden uitgevoerd volgens de strategie 'onverdacht, niet lijnvormig'. Uit het booronderzoek is naar voren gekomen dat voor enkele parameters (lood, zink en PAK) de achtergrondwaarde wordt overschreden. Er is daarmee sprake van lichte verontreiniging. Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er geen reden voor nader onderzoek. Evenmin leidt dit tot belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw. Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie zijn er geen aanwijzingen die aanleiding geven om een asbestverontreiniging te verwachten. Indien bij de werkzaamheden grond vrijkomt die niet op locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het 'Tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 8 juli 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. 4.4

Ecologie

4.4.1 Algemeen De bescherming van bijzondere flora- en faunasoorten, bossen en houtopstanden en de aangewezen natuurgebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn). De Wn maakt onderscheid tussen soorten die bescherming genieten op grond van de Vogelrichtlijn en soorten, die bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Beide categorieën vallen onder een strikt beschermingsregime. Daarnaast voorziet de wet in een algemener beschermingsregime voor andere (nationale) soorten (bijlage A van de Wet natuurbescherming). Daarnaast kunnen provincies een eigen lijst aanleggen van beschermde soorten. Ieder beschermingsregime kent een eigen afwegingskader waarmee wordt bepaald of een activiteit vergunningplichtig is. De Provincie is bevoegd gezag als het gaat om vergunningverlening en ontheffingen. Op grond van artikel 1.11 W6n geldt een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten in hun directe leefomgeving. Het uitgangspunt van de zorgplicht is dat burgers, ondernemers en overheden alle handelingen die een nadelig effect zouden kunnen hebben op dieren en planten achterwege laten.

Degene die een bepaalde handeling wil verrichten moet zich daarom vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn handelen. De zorgplicht dient (mede) als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wn geen specifiek verbod geldt. De verbodsbepalingen zijn neergelegd in artikel 2.7 (Natura 2000), artikel 3.1 (Vogelrichtlijn), artikel 3.5 (Habitatrichtlijn) en 3.10 (nationale soorten) Wn. In het kader van de zorgplicht is door Econsultancy ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning een quickscan ecologie uitgevoerd. De resultaten van de quickscan maken als bijlage 4 deel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.4.2 Gebiedsbescherming - Natura 2000 Met de voormalige Natuurbeschermingswet zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie omgezet in nationale regelgeving. In en in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten verboden om zonder vergunning activiteiten of handelingen uit te voeren in een speciale beschermingszone als deze, gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, die de kwaliteit van de habitats zouden kunnen doen verslechteren of een verstorend effect zouden kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

30

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000 gebied) uit de Habitat- of de Vogelrichtlijn. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is "Arkemheen" en dit gebied ligt op ruime afstand (>10km). De functieverandering van een reguliere woning in plaats van gebruik als bedrijfswoning leidt niet tot (negatieve) effecten op het Natura-2000 gebied. Er is ook geen sprake van de zogenaamde 'externe werking' van deze gebieden. De in dat kader verplichte 'passende beoordeling' is hier dan ook niet aan de orde. 4.4.3 Gebiedsbescherming - NNN De Provincie Utrecht heeft in haar de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening uitwerking gegeven aan het Natuur Netwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur of EHS). Nieuwe projecten, plannen of handelingen in NNN zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke waarden en / of kenmerken van NNN aantasten, tot oppervlakte verlies van NNN leiden of de robuuste samenhang wezenlijk (negatief) beïnvloeden, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Dit principe wordt het 'nee, tenzij beginsel' genoemd. Raadpleging van de interactieve kaart van Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de Provincie Utrecht (zie afbeelding 12) laat zien dat het plangebied deel uitmaakt van het NNN.

Het 'nee, tenzij – beginsel' is daarom in beginsel van toepassing.

Afbeelding 12: uitsnede verbeelding Provinciale Ruimtelijke Verordening Utrecht - Kaart Natuur Bron: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/NL.IMRO.9926.PV1612PRV-VA01?s=SANMmAIEAXlM qkWERUEdFD2D-Ph7A Op grond van het bestemmingsplan is het gebruiken en bebouwen van de gronden in het plangebied ten behoeve van een manegebedrijf reeds toegestaan. Met voorliggend plan wordt geen uitbreiding van de bestaande activiteiten beoogd. Het plan voorziet weliswaar in de bouw van een dienstwoning en een wachtruimte, daarbij is echter sprake van sloop en vervangende nieuwbouw zodat de extra oppervlakte aan extra bebouwing zeer beperkt is. Volgens de zogenaamde NNN-wijzer van de Provincie Utrecht kan bij kleinschalige uitbreidingen binnen reeds verstoorde gebieden, waarbij de uitstraling naar de omgeving niet verzwaart, zonder nader ecologisch onderzoek worden gesteld dat geen sprake is van significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Evenmin is sprake van significante aantasting in de vorm van oppervlakteverlies en/of versnippering. Een 'nee, tenzij-toets' is daarom niet noodzakelijk. 4.4.4 Soortenbescherming De Wnb regelt ook de bescherming van soorten flora en fauna.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die bescherming genieten op grond van internationale verdragen (Vogelrichtijn en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bonn en Verdrag van Bern) en soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming genieten.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

31

Met het oog op het slopen van bebouwing en nieuwbouw is onderzocht in hoeverre de voorgenomen sloop en nieuwbouw van een wachtruimte en een dienstwoning kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbeplaningen van de Wnb. Uit de quickscan blijkt dat sloop van de voormalige schuur / garage niet leidt tot vernietiging of verstoring van jaarrond beschermde vogelnesten of het vernietigen van vaste verblijfs- en/of voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Evenmin leidt uitvoering van het plan tot verlies aan belangrijk foerageergebied en/of essentiële vliegroutes. Ook leidt uitvoering van het plan niet tot vernietiging of verstoring van streng beschermde zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Overtredingen van de Wnb ten aanzien van beschermde soorten is daarom niet aan de orde en er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Naast de algemene zorgplicht, dient bij het uitvoeren van de werkzaamheden ook rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstorende activiteiten dienen zodoende ofwel plaats te vinden buiten het broedseizoen, dan wel buiten het broedseizoen aan te vangen en continue te worden voortgezet. In dat geval zullen broedvogels een rustigere broedplaats (op enige afstand) zoeken en niet door de werkzaamheden worden gestoord. In dat geval is geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb.

Globaal geldt dat het broedseizoen zich uitstrekt over de periode half maart tot half augustus; geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. De quickscan maakt als bijlage 4 deel uit van deze onderbouwing. 4.4.5 Houtopstanden Ook de bescherming van houtopstanden, voorheen Boswet, is geregeld in Hoofdstuk 4 van de Wnb. Het plangebied is grotendeels vrij van beplanting. Er hoeve voor de uitvoering van het plan geen bomen te worden gekapt. Melding en herplant ten aanzien van houtopstanden is zodoende niet aan de orde. 4.4.6 Conclusie Het gebied ligt niet in of in de nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000) of in de directe omgeving van een beschermd natuurmonument. Ook komen de voorgenomen activiteiten niet voor op de lijst met activiteiten zoals vermeld in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit MER. Wel ligt het plangebied in de directe nabijheid van de EHS gelet het feit dat het vervangende bebouwing betreft met een geringe impact op de omgeving is het aannemelijk dat geen sprake zal zijn van significante aantasting van de waarden binnen de EHS. Een nee, tenzij beoordeling is om die reden achterwege gelaten. Door de inititatiefneemster is een verkenning uitgevoerd naar de in het plangebied voorkomende natuurwaarden.

Uit het onderzoek volgt dat uitvoering van het plan niet leidt tot aantasting of verstoring van vaste verblijfs- of voortplantingsplaatsen van beschermde soorten wegens het ontbreken van geschikt habitat. Overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb in relatie tot algemene broedvogels kan worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Ook in relatie tot gebiedsbescherming kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000 en het NNN worden uitgesloten. Voor de voorkomen werkzaamheden hoeven geen bomen te worden gekapt. Er hoeft zodoende geen vergunning of ontheffing te worden aangevraagd op grond van de Wnb. Wel dient (altijd) rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ecologie vormt geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. 4.5 Duurzaamheid Het wettelijke kader ten aanzien van het aspect duurzaamheid is vastgelegd in het Bouwbesluit. Toetsing hieraan vindt plaats bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. de Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie.

32

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Ook de in de Provinciale Ruimtelijke Verordening is bepaald dat in de toelichting op een plan of ruimtelijk besluit inzichtelijk dient te worden gemaakt op welke wijze rekening wordt gehouden met energiebesparing en de toepassing van duurzame energiebronnen. Het algemene kader voor het milieu- en duurzaamheidsbeleid van de gemeente is opgenomen in het Dynamische Duurzaamheidsprogramma Leusden 2016 - 2030. De ambities van de gemeente Leusden richten zich op het ontwikkelen van een goed en duurzaam leefklimaat. In de Duurzaamheidsagenda is de ambitie geformuleerd dat Leusden in 2040 energie-neutraal is, maar liever sneller. Algemeen uitgangspunt is dat gestreefd wordt naar een duurzaam Leusden waarbij gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving belangrijk zijn, zodat de aarde aan onze kinderen kan worden doorgegeven. De samenleving levert een zichtbare en concrete bijdrage aan een kleinere ecologische footprint. Dit gebeurt op basis van een gelijkwaardige relatie tussen samenleving en overheid. Voor onderhavige aanvraag is relevant dat voor projecten waarvoor planologische medewerking wordt gevraagd, initiatiefnemers worden gestimuleerd om energieneutraal te bouwen. Voor nieuwbouw geldt als ambitie dan nieuwbouw duurzaam, dus energieneutraal en waar mogelijk circulair is.

Om initiatiefnemers te stimuleren om duurzaamheidsmaatregelen te nemen, heeft de gemeente een fonds voor duurzaamheidsleningen. Het fonds is inmiddels vrijwel leeg en in het kader van de Duurzaamheidsagenda wordt voorgesteld om het fonds op te hogen en permanent revolverend te maken. Ook de provincie heeft een Nul op de Meter - renovatiefonds en ook landelijk is er een investeringssubsidie voor duurzame energie (ISDE) voor bedrijven en particulieren. Daarnaast is er een toenemend aantal crowdfunding initiatieven gericht op duurzame energieprojecten. De nieuwe woning zal door initiatiefnemer zelf worden gebouwd. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning gelden geen specifieke aanvullende eisen met betrekking tot duurzaamheid. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde vergunning. 4.6 Externe veiligheid In het Besluit Externe Veiligheid zijn de risiconormen voor bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Het besluit heeft tot doel om zowel individuele burgers, als groepen een minimumbeschermingsniveau te bieden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Gemeenten en provincies moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen.

Het besluit is van toepassing op Wm-vergunningplichtige risicovolle inrichtingen en/of de nabijgelegen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. De verdeling tussen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Hierbij spelen het aantal, de verblijftijd, de fysieke of psychische gesteldheid van mensen en de aanwezigheid van adequate vluchtmogelijkheden een rol. Een woning wordt aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object. De geldende regels zijn vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) en in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij het vaststellen van een bestemmingsplan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico in acht nemen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het groepsrisico is de berekende kans per jaar per kilometer transportleiding dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportleiding dodelijk wordt getroffen als gevolg van een ongeval met die transportleiding. Voor het groepsrisico geldt geen wettelijke norm, maar een oriënterende waarde. Bij een berekend groepsrisico kleiner dan 10% van de oriënterende waarde, volstaat een beperkte afweging van het groepsrisico.

Van belang zijn dan de mogelijkheden voor de brandweer en de hulpverlening om de gevolg van een ongeval te bestrijden en voor personen in het invloedsgebied om zich in veiligheid te brengen. Indien de berekening van het groepsrisico van een nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie een toename van minder dan 10% laat zien, kan eveneens worden volstaan met een beperkte afweging. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid is advies ingewonnen bij de Omgevingsdienst; dit heeft geleid tot een aanvulling van deze paragraaf met betrekking tot de vluchten ontruimingsmogelijkheden.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

33

Voor onderhavig plangebied is relevant dat de locatie in het invloedsgebied van een hoge druk aardgastransportleiding (A-510) ligt (zie afbeelding 13). De risico's van buisleidingen bestaan uit het risico op beschadiging. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50mm en een druk van 16bar, alle buisleidingen voor brandbare stoffen vanaf een diameter van 100mm en overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5m afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het Plaatsgebonden Risico 10-6.Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat die persoon op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. De nieuwe bebouwing is ruim buiten de beperkingenstrook van de leiding voorzien. De bouw van één (dienst)woning draagt slechts beperkt bij aan de hoogte van het groepsrisico. Een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) kan daarom worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (artikel 12 Bevb). Conform dit artikel dient in ieder geval te worden ingegaan op de mogelijkheid voor personen, die zich in het invloedsgebied bevinden, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet.

Ontvluchting van het terrein is primair mogelijk via de toegangsweg aan de noordzijde van het kavel (richting Waterlooweg); dit is echter richting de buisleiding. Indien zich een incident met de buisleiding voor zou doen, ligt ontruimen of vluchten in die richting niet voor de hand. In dat geval is het echter mogelijk gebruik te maken van de (informele) doorgang tussen de zorgmanege en het naast gelegen manegebedrijf De Treekhoeve vanwaar in zuidelijke richting ontruimd / gevlucht zou kunnen worden. Via het terrein van De Treekhoeve is het bos rechtstreeks toegankelijk en kan via bospaden ook in andere richtingen worden ontruimd of gevlucht. Met betrekking tot de manege-activiteiten zelf kan worden opgemerkt dat deze reeds bestemd zijn zodat ook hier geen sprake is van gevolgen voor het groepsrisico. De doelgroep van de zorgmanege is zodanig zelfredzaam dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij gevaar. Er is gelet op de afstand tot de buis (circa 58m) en de tussenliggende woning geen plaatsgebonden risico aanwezig. Er is om die reden geen risicoberekening uitgevoerd. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde vergunning.

Afbeelding 13: uitsnede Risicokaart ter plaatse van het plangebied Bron: www.risicokaart.nl

34

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

4.7 Geluid In beginsel bevindt zich langs elke weg waar men harder mag rijden dan 30 km/uur een geluidzone. Binnen deze zone zijn de regels van de Wet Geluidhinder van toepassing en moet onderzoek worden verricht naar de geluidbelasting door het wegverkeer op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Voor geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde 48dB. Aangezien deze aanvraag betrekking heeft op de nieuwbouw van een geluidgevoelig object (woning), is een akoestisch onderzoek in beginsel dan ook noodzakelijk. De locatie en wegen liggen buiten de bebouwde kom en hebben een geluidszone van 250m. Het plangebied ligt op een afstand van 280m tot de Doornseweg (en de naastgelegen ventweg, waar een snelheidsregime geldt van 60km/u) en ligt daarmee buiten de geluidszone van de Doornseweg. Voor het plangebied is voorts de Waterlooweg nog relevant. Dit is een geasfalteerde eenbaansweg buiten de bebouwde kom die overgaat in een zandpad. De weg wordt uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer voor de aanliggende woningen en bedrijven. Het snelheidsregime op de Waterlooweg is maximaal 30 km/u, zodat deze weg geen geluidzone heeft waarbinnen onderzoek zou moeten worden verricht.

Voorts kan worden opgemerkt dat gelet op het karakter van de Waterlooweg het aannemelijk is dat de etmaalintensiteiten dermate laag zijn (<500 vervoersbewgingen per dag) dat op voorhand vaststaat dat de geluidbelasting niet boven de voorkeursgrenswaarde uitkomt. In het kader van deze aanvraag omgevingsvergunning hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden gedaan. Volledigheidshalve wordt ten slotte opgemerkt dat het plangebied niet in een stiltegebied ligt. Bovendien worden (gelet op de huidige bestemming) de manege en wonen niet gezien als ongewenste functie in relatie tot de doelstellingen voor stiltegebieden. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen die het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staan. 4.8 Luchtkwaliteit In Nederland gelden regels voor luchtkwaliteit; deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit 2007 die op 15 november 2007 in werking is getreden en als titel 5.2 deel uitmaakt van de Wet milieubeheer (Wmb). Hiermee is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen ter bescherming van het milieu en de leefkwaliteit. In 'artikel 5.16' is geregeld op welke wijze het aspect luchtkwaliteit in acht dient te worden genomen bij planvorming.

Indien één of meerdere grenswaarden niet worden overschreden na realisatie van het plan, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan, zelfs niet als het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Indien één of meerdere grenswaarden reeds worden overschreden voor realisatie van het plan, moet worden onderzocht in hoeverre het voorgenomen plan "in betekenende mate bijdraagt" aan de concentraties van de stof waarvoor de grenswaarden worden overschreden. De Uitvoeringsregels voor het bepalen van de luchtkwaliteit en de bijdrage van een plan daarin zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur "Niet in Betekenende Mate Bijdragen" en de Ministeriële regelingen: "Beoordeling Luchtkwaliteit 2007" en "Projectsaldering luchtkwaliteit 2007". Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Met de inwerking treding van het NSL is de definitie van "niet in betekenende mate" verschoven van 1% naar 3%. Indien een voorgenomen plan "niet in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alsnog doorgang vinden. Indien het plan wel "in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alleen doorgang vinden, indien de positieve effecten van dat plan -en/of de met het plan samenhangende maatregelenzodanig verbeteren dat per saldo geen verslechtering optreedt.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het NSL gecompenseerd met algemene maatregelen.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

35

Bij woningbouw geldt dat een bouwplan met minder dan 1500 woningen, gelegen aan één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdraagt. Deze gevallen kunnen als gezegd zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Gelet op het feit dat onderhavig plan betrekking heeft op het toevoegen van 1 (dienst)woning en een wachtruimte en verder alleen de bestaande situatie vastlegt, kan worden gesteld dat het verzoek niet in betekenende mate bijdraagt en dat nader onderzoek achterwege kan blijven. Afgezien van het feit dat het plangebied op ruime afstand (ca 300m) van de provinciale weg (N227) ligt, worden woningen en een manegebedrijf niet als gevoelige bestemming aangemerkt in de zin van het Besluit Gevoelige Bestemmingen. Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. 4.9 Vormvrije m.e.r.- beoordeling In het kader van voorliggend plan is een (vormvrije) een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn overgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r.

Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvan het niet zeker is of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen; deze zijn vermeld in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een zogenaamd 'kaderstellend plan', zoals een bestemmingsplan, geldt altijd en direct een (plan)m.e.r.-plicht. Hiervoor dient per geval een m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd. Sinds 1 april 2011 is een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. het indicatief maken van de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst. Gevolg daarvan is dat het bevoegd gezag nu ook in het geval de drempelwaarden niet worden bereikt, moet motiveren waarom geen m.e.r. (beoordeling) hoeft te worden uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term 'vormvrije m.e.r-beoordeling' gehanteerd. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat onder D11.2 vermeld in kolom 1: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In kolom 2 staat als drempelwaarde vermeld: 1. een oppervlakte van 100ha of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m² of meer.

Onderhavige aanvraag heeft betrekking op het slopen van een bestaande garage / schuur en het bouwen van 1 dienstwoning en een wachtruimte. Voor het overige wordt met dit plan de bestaande situatie vastgelegd. De in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden worden door het plan niet overschreden of zelfs maar benaderd. Daarnaast zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten, bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en mobiliteit onderzocht en beschreven. Daarnaast zijn ook de gevolgen van het plan voor de flora en fauna en de effecten op de waterhuishouding beschreven. Hieruit blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarom hoeft geen (plan)m.e.r. te worden opgesteld.

36

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

4.10

Water

4.10.1 Algemeen De Europese Kaderrichtlijn Water heeft goed functionerende watersystemen en duurzaam watergebruik tot doel. In het algemeen is de Kaderrichtlijn gericht op de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam en evenwichtig gebruik. Daarbij staan stroomgebieden centraal. De doelstellingen voor oppervlaktewater en grondwater vormen de basis. Het accent ligt op de kwaliteit en het ecologisch functioneren van water. De Kaderrichtlijn bepaalt dat in 2015 een goede oppervlakte- en grondwatertoestand moet zijn bereikt in alle Europese wateren. Dit beleid is op Rijksniveau verder uitgewerkt in de Vierde Nota Waterhuishouding. De essentie van het Rijksbeleid, naar aanleiding van het advies "Waterbeleid voor de 21 e eeuw" van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, is dat water meer ruimte moet krijgen en er geen afwenteling van waterproblemen plaatsvindt in ruimte en tijd. Dit is verwoord in de strategie: vasthouden, bergen en afvoeren. Daarnaast geldt voor de waterkwaliteit het uitgangspunt van: schoonhouden, scheiden, schoonmaken. 4.10.2 Watertoets Een watertoets heeft als doel water als ordenend element vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daartoe zal in het kader van dit bestemmingsplan vooroverleg plaatsvinden met de waterbeheerder in het gebied (Waterschap Vallei en Veluwe).

Uitgangspunt voor het hemelwater is dat dit volledig op eigen perceel verwerkt wordt en terug wordt gebracht in het milieu. Dit geschiedt door afkoppeling van hemelwater waarna het water in de bodem kan infiltreren. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van afstromend dakwater worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals koper, onbehandeld zink en dergelijke. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning is een digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit volgt dat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat de aangevraagde bebouwing geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan geeft het waterschap voor het onderhavige aanvraag een positief wateradvies. Het aspect water vormt geen belemmering die het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat. 4.11 Conclusie Voor onderhavig project zijn de volgende milieu aspecten getoetst: geluid, bodem, duurzaamheid, water, luchtkwaliteit, de wet geurhinder en veehouderij, hindercontouren overige bedrijvigheid en externe veiligheid. Vanuit al deze aspecten zijn er geen belemmeringen te verwachten diein de weg staan aan het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

37

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De gronden waarop de voorgenomen nieuwbouw is geprojecteerd, zijn eigendom van initiatiefneemster. De realisatie van de plannen vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefneemster en kent derhalve geen financiële risico's voor de gemeente. In het kader van het bepaalde in afdeling 6.4 Wro zijn afspraken gemaakt met de gemeente inzake kostenverhaal, planschade daaronder begrepen. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een exploitatieovereenkomst. De beoogde ontwikkelingen hebben daarmee geen financiële gevolgen voor de gemeente Leusden. 5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Informeren omwonenden De directe omwonenden zijn rechtstreeks door initiatiefneemster geïnformeerd over het plan. Vanuit de omgeving zijn geen bezwaren tegen het plan geuit. Wel is aandacht gevraagd voor de bestaande verkeers- en parkeersituatie langs de Waterlooweg. Graag zou men zien dat hier aan de noordzijde van de Waterlooweg een parkeervoorziening zou worden gerealiseerd zodat de verkeersveiligheid verbetert. Ook hebben de bewoners van de woning aan de noordzijde van het perceel gevraagd de bouwhoogte van de dienstwoning, die achter hun perceel geprojecteerd is, zoveel mogelijk te beperken met het oog op de bezonning op hun perceel. Bij de uitwerking van het plan is waar mogelijk rekening gehouden met de wensen van omwonenden doordat ter hoogte van het plangebied wordt voorzien in de aanleg van enkele parkeervakken aan de noordzijde van de Waterlooweg. De dienstwoning zal worden uitgevoerd in een vergelijkbare verschijningsvorm als de bestaande bebouwing die wordt gekenmerkt door bebouwing in 1 bouwlaag met een flauwe kap. De verslagen van het overleg met omwonenden maken als bijlage en deel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. Recent is ook het aangrenzende bosperceel achter het perceel Waterlooweg 26, kadastraal bekend als gemeente Leusden, sectie B 1155 verkocht. De nieuwe eigenaren zijn door initiatiefneemster rechtstreeks geïnformeerd over de plannen.

Naar aanleiding daarvan zijn geen vragen of een andere reactie ontvangen. Ten slotte is van belang om te vermelden dat naar aanleiding van de behandeling van het raadsvoorstel d.d. 2 juli 2020 inzake de Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen en het vaststellen van de geurverordening (kenmerk L245033) heeft een overleg plaatsgevonden met omwonenden. Tijdens dat overleg zijn de plannen nader toegelicht en over en weer standpunten uitgewisseld. Naar aanleiding van het overleg is de naar aanleiding van het raadsvoorstel ingediende zienswijze ingetrokken. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde dat een initiatiefnemer de directe aanwonenden over een plan dient te informeren.

38

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Bijlagen

Adviesbureau Haver Droeze BNT

39

Bijlage 1

40

Locatiestudie

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Bijlage 2

Rapportage bedrijven en milieuzonering

Adviesbureau Haver Droeze BNT

41

Bijlage 3

42

Bodemonderzoek

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Bijlage 4

Quickscan ecologie

Adviesbureau Haver Droeze BNT

43

Bijlage 5

44

Verslag overleg omwonenden - 1

omgevingsvergunning Waterlooweg 28a (ontwerp)

Bijlage 6

Verslag overleg omwonenden - 2

Adviesbureau Haver Droeze BNT

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3093/documents/27645