Toelichting en regels Doornseweg 20_ontwerp_29112023 (139752) (1.0).pdf
Tekst van het document
Doornseweg 20
ontwerpbestemmingsplan d.d. 29 november 2023
Postbus 150 3830 AD LEUSDEN T. 14033 www.leusden.nl
Adviseur:
Adviesbureau Haver Droeze Muurhuizen 165 3811 EG AMERSFOORT T. 033 461 35 35 www.haverdroeze.nl Document informatie: Titel : Bestemmingsplan Doornseweg 20 Rapporttype : Toelichting, regels IMRO-IDN : NL.IMRO.0327.305-0301 Ontwerp : november 2023 Vaststelling : Beknopte inhoud: Bestemmingsplan voor het toevoegen van één woning op het perceel Doornseweg 20 in Leusden
2 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
10 10 11 11 12
14 14 16 19
22 22 27 28 31
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
Algemeen Bestemmingen Algemene regels
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Algemeen Planspecifiek
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4
RANDVOORWAARDEN
Milieuaspecten Erfgoed Ecologie Waterparagraaf
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
BELEIDSKADER
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
7 7 8 9
PLANBESCHRIJVING
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4
7
Ontstaansgeschiedenis Huidige situatie Toekomstige situatie Ruimtelijke kwaliteitsverbetering en natuurinclusief bouwen
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
INLEIDING
Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Opzet van de toelichting
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4
6
33 33 33 34
36 36 36
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Algemeen Informeren omwonenden Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag zienswijzen
Adviesbureau Haver Droeze BNT
37 37 37 37 37
3
Bijlagen bij de toelichting
38
Bijlage 1
Indicatief inrichtingsvoorstel natuurversterking
39
Bijlage 2
Bodemonderzoek
40
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
41
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
42
Bijlage 5
Quickscan Flora en Fauna
43
Bijlage 6
Natuurtoets
44
Bijlage 7
Memo uitgangspunten Aerius
45
Bijlage 8
Aerius-berekening aanlegfase
46
Bijlage 9
Aerius-berekening gebruiksfase
47
4 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
48 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
Bestemmingsregels Natuur Tuin Wonen Waarde - Archeologie middelhoge verwachting
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
Overgangs- en slotregels
49 49 53
54 54 55 56 58
60 60 61 62 63 64
65
Overgangsrecht Slotregel
65 66
Bijlagen bij de regels
67
Bijlage 1
68
Staat van Bedrijfsactiviteiten
Adviesbureau Haver Droeze BNT
5
Toelichting
6 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Hoofdstuk 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding en doel
Op het perceel Doornseweg 20 in Leusden is volgens het geldende bestemmingsplan één woning toegestaan. Gelet op de grootte van het perceel en het feit dat slechts een zeer beperkt deel daarvan bebouwd is, heeft de eigenaar al langere tijd de wens om op het perceel één of meer extra woningen te bouwen. Hiertoe is in september 2020 een principe verzoek ingediend. Na afstemming tussen de gemeente en de provincie Utrecht is aangegeven dat meer dan 1 extra woning op het perceel niet haalbaar is. Daarop is in mei 2023 een principe verzoek ingediend voor het vervangen van de bestaande woning door twee woningen, die in het bestaande lint worden gepositioneerd. De gemeente heeft op 21 juni 2023 schriftelijk laten weten - onder voorwaarden - te kunnen instemmen met de voorgenomen ontwikkeling. Aangezien het geldende bestemmingsplan maximaal 1 woning toestaat, dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het perceel Doornseweg 20 ligt aan de parallelweg van de N221 in het buurtschap 'Waterloo' in het buitengebied van de gemeente Leusden (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: Locatie plangebied Bron: www.topotijdreis.nl Het perceel is kadastraal bekend als Gemeente Leusden 02, sectie B, nummer 846 (zie afbeelding 2). De totale oppervlakte van het perceel bedraagt 5.642m2.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
7
Afbeelding 2: Luchtfoto met plangebied Bron: www.kadastralekaart.com 1.3 Geldend bestemmingsplan Het perceel valt onder de 'Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen' (vastgesteld 14 november 2013) met als onderlegger het bestemmingsplan 'Doornseweg 20' (onherroepelijk 10 november 2005). De plangrens van het bestemmingsplan 'Doornseweg 20' komt overeen met de kadastrale begrenzing van het perceel. In het bestemmingsplan 'Doornseweg 20' heeft het perceel de bestemmingen 'Wonen', 'Erven' en 'Tuinen' (zie afbeelding 3).
Afbeelding 3: Geldend bestemmingsplan 'Doornseweg 20' Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
8 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Binnen het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' mag op grond van de planregels (artikel 3 lid 3 onder a) één vrijstaande woning worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte van de woning mogen niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van de oorspronkelijke woning vermeerderd met maximaal 1m, waarbij de bouwhoogte maximaal 10m mag bedragen. Hoewel het bestemmingsvlak volledig mag worden bebouwd, staat in de bestaande situatie slechts een bescheiden woning met veranda op het perceel met een footprint van circa 120m². De gronden met de bestemming 'Erven' zijn bestemd voor erven en tuinen bij de woning. Op deze gronden mogen (uitsluitend) bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag volgens de planregels niet meer bedragen dan 20% van het bestemmingsvlak met een maximum van 50m² (artikel 4 lid 3 onder a). Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan en toe staan dat een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt gerealiseerd tot een maximum van 80m² (artikel 4 lid 5 onder a). In de bestaande situatie zijn er binnen de bestemming 'Erven' drie bijgebouwen aanwezig met een gezamenlijke oppervlakte van circa 95m².
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 5 onder b een omgevingsvergunning verlenen voor het inrichten en gebruiken van de woning in afwijking van het bepaalde in artikel 1 lid 13 en daarbij toestaan dat een bijgebouw wordt gebruikt als voor bewoning bestemde uitbreiding van de woning. Op de gronden met de bestemming 'Tuinen' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming, zoals pergola's, erf- en terreinafscheidingen. De gronden aan de voorzijde van de woning met de bestemming 'Tuinen' zijn ingericht als voortuin. De gronden aan de achterzijde van de woning bestaan uit een terras en een tuin die geleidelijk overgaat in grasland dat regelmatig wordt gemaaid. Op grond van het bestemmingsplan is het niet mogelijk twee woningen te realiseren. Ook voorziet het plan niet in een wijzigingsbevoegdheid om een extra woning mogelijk te maken. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient dan ook een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. 1.4 Opzet van de toelichting Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). De onderhavige toelichting dient als motivering bij de te volgen procedure. De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken.
Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan geformuleerd. De verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 4. Een toelichting op de juridische aspecten en bestemmingen van dit bestemmingsplan wordt gegeven in hoofdstuk 5. Afgesloten wordt met hoofdstuk 6 waarin de focus op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (de procedure) ligt.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
9
Hoofdstuk 2
PLANBESCHRIJVING
2.1 Ontstaansgeschiedenis Het perceel Doornseweg 20 ligt tegenover de Leusderheide. De Leusderheide is lange tijd in gebruik geweest en wordt nog altijd gebruikt als militair oefenterrein. Daarnaast ligt het plangebied tegen de gronden van het Landgoed Den Treek – Henschoten aan, dat begin 18e eeuw is ontstaan. Vanuit het landgoed werd vanaf 1887 de basis gelegd voor de bebossing van de heide op het oostelijke deel van de heuvelrug. De bebouwing langs de Doornseweg is ontstaan vanuit het bosbouwkundige gebruik van het landgoed. De Doornseweg vormde de achterzijde van de bebossingen met de overgang naar het militair oefenterrein. Aan de Doornseweg, tegenover het militair oefenterrein werd door de Nederlandse Arbeidsdienst het kamp Lisiduna aangelegd, later bekend als Kamp Waterloo. Deze gronden bevinden zich direct ten zuiden van het plangebied waar rond 1907 een paardenrenbaan werd aangelegd (zie afbeelding 4).
Afbeelding 4: Uitsnede kaart 1909 met daarop duidelijk zichtbaar de renbaan Bron: www.topotijdreis.nl Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Kamp Waterloo gebruikt als Polizeiliches Durchgangslager waar arbeiders onvrijwillig werden ondergebracht om te worden ingezet om te werken aan linies in de omgeving. Na de oorlog werd het terrein gebruikt als selectiecentrum door de Koninklijke Landmacht en later als AZC. De bebouwing werd rond 1995 gesloopt en tegenwoordig maken deze gronden deel uit van het Landgoed Den Treek – Henschoten (zie afbeelding 5).
10 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Afbeelding 5: Uitsnede kaart 1995 Bron: www.topotijdreis.nl 2.2 Huidige situatie De locatie Doornseweg 20 maakt deel uit van het buurtschap 'Waterloo'. Het perceel is circa 170m diep en 35m breed en grenst aan de oostzijde aan de ontsluitingsweg naar het perceel Waterlooweg 14. Tussen het restaurant (Doornseweg 18) en het perceel Doornseweg 20 staat nog een woning; dit was de voormalige dienstwoning van het naastgelegen restaurant, maar wordt tegenwoordig 'regulier bewoond'. De bestaande woning aan de Doornseweg is klein en verkeert in een matige staat van onderhoud. De woning wordt in de vakantiemaanden bewoond en incidenteel als werkplek gebruikt. Even ten noorden van de woning staat een schuur en langs de zuidrand van het perceel is een overkapping aanwezig. Het achterliggende perceel is ingezaaid met gras en wordt als gazon beheerd en regelmatig gemaaid. De zuidzijde van het terrein grenst aan een particulier woonkavel. 2.3 Toekomstige situatie Gelet op het kleine oppervlak en de matige bouwkundige staat van de bestaande woning en het grote bestemmingsvlak dat volledig mag worden bebouwd, is het de wens om de bestaande woning te amoveren en te vervangen door twee nieuwe woningen. De nieuwe woningen worden binnen het 'lint' gebouwd.
De positionering van de woningen sluit aan bij de omgevingskarakteristiek waarin de voorgevelrooilijn van de bebouwing beperkt verschilt; dit draagt bij aan een levendig beeld. De bebouwing is onderling duidelijk verwant door een passende architectuur. De bestaande bomen vóór het huis kunnen blijven staan. De woningen liggen op enige afstand tot de weg en de woningen bieden uitzicht op de Leusderheide. Beide woningen worden ontsloten via een (gezamenijke) oprit die aansluit op de ventweg. De woonkavels liggen binnen het 'lint' en krijgen een diepte van circa 65m. De achterliggende gronden hebben een diepte ca. 95m en worden ingericht als natuur (zie afbeelding 7).
Adviesbureau Haver Droeze BNT
11
Het onderstaande inrichtingsvoorstel en bijbehorende referentiebeelden geven inzicht in de beoogde opzet van het geheel, maar moet nog verder worden uitgewerkt. Daarbij zal ook de beplanting nog nader worden bepaald aan de hand van de vegetatiekundige grondslag. Het beheer van de overgangszone wordt meegenomen in het terreinbeheer van het zelfstandige particuliere familielandgoed van (de ouders van) verzoeker naast en achter het perceel Doornseweg 16.
Afbeelding 7: Inrichtingsvoorstel nieuwe situatie Bron: Adviesbureau Haver Droeze BNT 2.4 Ruimtelijke kwaliteitsverbetering en natuurinclusief bouwen In paragraaf 3.2.1 is aangegeven dat in afwijking van het algemene verstedelijkingsverbod uit artikel 9.2 Interim Omgevingsverordening verstedelijking is toegestaan in een bebouwingslint. Als voorwaarde daarvoor geldt dat sprake moet zijn van het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en er een beeldkwaliteitsparagraaf wordt opgesteld. Het voorliggende plan gaat daarom uit van nieuwe bebouwing in het bebouwingslint. De ruimtelijke kwaliteitsverbetering bestaat uit de omvorming van het achterterrein met een oppervlakte van circa 3500m² naar (nieuwe) natuur. Tevens worden in het overgangsgebied tussen de tuin en de nieuwe natuur maatregelen genomen in het kader van natuurinclusief bouwen. Uit de ecologische QuickScan blijkt dat de huidige ecologische kwaliteiten van het bestaande terrein laag zijn (zie paragraaf 4.3 Ecologie). Het achterliggende terrein wordt beheerd als gazon. Er staan enkele solitaire bomen. De overige beplanting op het perceel bestaat uit uitheemse soorten als Laurierkers en Rododendron. De ecologische waarde van het perceel is zodoende beperkt. Om de ecologische kwaliteit te verbeteren, wordt in de Natuurtoets daarom voorgesteld om de uitheemse beplanting te vervangen door inheemse soorten zoals Lijsterbes.
12 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Ook wordt voorgesteld om meer heesterachtige beplanting aan te brengen en het gazon om te vormen naar bloemrijk grasland. Deze maatregelen zullen de ecologische draagkracht van het gebied in grote mate verbeteren. Door daarnaast ook het micro-reliëf terug te brengen met zandige plekken, wordt de oorspronkelijke landschappelijke structuur hersteld en wordt het gebied ook aantrekkelijk voor soorten als zandhagedis. Een indicatief uitwerkingsvoorstel maakt als bijlage 1 deel van uit van deze toelichting. Aanvullend kunnen stapelmuren, takkenrillen en een wadi worden toegevoegd. Dergelijke voorzieningen vormen enerzijds een visuele en ruimtelijke barrière en zijn anderzijds zeer aantrekkelijk voor insecten en reptielen omdat het een goede schuilgelegenheid biedt en dieren zich op de stenen kunnen opwarmen. De wadi zou gevoed kunnen worden met het hemelwater van de woningen dat hier in de bodem kan infiltreren. Voor referentiebeelden van de beoogde inrichtingsmaatregelen, zie afbeeldingen 8 en 9.
Afbeelding 8: Referentiebeeld inrichting van het terrein als bloemrijk grasland met heesters en een wadi
Afbeelding 9: Voorbeeld stapelmuur en takkenril De borging van de versterking van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vraagt dat het achterliggende terrein van het perceel de natuurbestemming krijgt met een inrichting- en beheerplan waaruit de versterking blijkt voor het NNN. Voor natuur liggen er kansen door het terrein gefaseerd, maximaal een keer per jaar te gaan maaien en daarbij 30% van het gewas te laten staan. Door plaatselijk niet te maaien ontstaat struweel en bos met overgangen naar het grasland. Het beheer bestaat uit het 1 tot 2x per jaar maaien (bij voorkeur in de tweede helft van juli) waarbij het maaisel wordt afgevoerd en het 1x per 2 jaar verwijderen van opslag.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
13
Hoofdstuk 3
BELEIDSKADER
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat ruimtelijk/functioneel relevant is voor het plangebied en de hier beoogde ontwikkeling. Het betreft hier zowel ruimtelijk beleid als facet- en sectorbeleid op de verschillende beleidsniveaus. 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI), 11 september 2020 De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en beschrijft op nationaal niveau een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving. De NOVI beschrijft de manier waarop men op rijksniveau wil werken aan de volgende 4 prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en als laatste toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Als uitgangspunt geldt dat Nederland mooier en sterker wordt gemaakt door voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is daarbij een kernbegrip en omvat zowel ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit. In de NOVI wordt uitgegaan van een integrale aanpak tussen overheden en maatschappelijke organisaties met meer regie vanuit het Rijk. In de NOVI geeft het Rijk de kaders en de richting aan voor zowel nationale als decentrale keuzes. Bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving zowel boven- als ondergronds voorop. De NOVI onderscheidt daarbij 3 afwegingsprincipes: 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) afwentelen wordt voorkomen.
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, die waar nodig jaarlijks wordt geactualiseerd, en waarin is aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. Tevens staat hierin een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op verschillende beleidsterreinen. Met het oog op de klimaatbestendigheid van Nederland moeten functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgesteld op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Ook dient de infrastructuur voor energie beter te worden afgestemd op de toename van transport en opslag van duurzame energie. Daarnaast is er een opgave voor het realiseren van bronnen van duurzame energie. In de NOVI worden richtingen meegegeven die bij de inpassing van energieinfrastructuur aandacht vragen met het oog op de kwaliteit van de leefomgeving. Vanuit de wens om de economie en energievoorziening duurzaam en circulair te maken en de kwaliteit van de leefomgeving te versterken, wordt ingezet op het actief clusteren van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (intern)nationale corridors. Om de steden sterk, aantrekkelijk en gezond te houden wordt gewerkt aan een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's.
Om te voorzien in de grote actuele woonbehoefte is een pakket aan maatregelen voorgesteld; ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden dienen daarbij hun groene karakter te behouden. Tegelijkertijd moet het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad worden verbeterd. De waarde van de natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk, waarbij het verbeteren van de biodiversiteit niet alleen een ecologische maar ook economische uitdaging is. Voor de lange termijn wordt gewerkt aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Op deze manier ontstaat een aantrekkelijk landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Anderzijds blijft op deze manier ook ruimte voor economisch vitale landbouw als belangrijkste drager van het platteland.
14 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Toets Het plan past binnen de uitgangspunten van de NOVI, omdat het een bijdrage levert aan natuurontwikkeling. De biodiversiteit wordt vergroot door de omvorming naar een bloemenrijk grasland. Daarnaast draagt het plan bij aan de ambities ten aanzien van duurzame energie doordat de woningen niet (meer) worden aangesloten op het gasnet. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit besluit bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken, zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Barro is een aantal projecten die van Rijksbelang zijn opgenomen. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat in het Barro om onderwerpen zoals Project Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Toets Het Barro en Rarro zijn niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing.
Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt op grond van jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:2015:9221 en ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953)) dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd.
Toets De voorziene ontwikkeling ziet op de ontwikkeling van twee woningen en wordt daarom niet aangemerkt als een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in die bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. 3.1.4 Crisis- en herstelwet Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels voor versnelling van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Met de Chw zijn een aantal procedurele versnellingen geregeld. Hierdoor kan een gemeente of provincie bijvoorbeeld sneller een besluit nemen over een ruimtelijk plan. Concrete projecten waar de versnellingen voor gelden staan in bijlage 2. Categorieën besluiten of plannen staan in bijlage 1.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
15
Het gaat daarbij om zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Toets In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing, want het plan staat niet in bijlage 2 en voldoet niet aan de voorwaarden van de categorieën in bijlage 1. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht In de Omgevingsvisie (vastgesteld 10 maart 2021) zijn op Provinciaal niveau de keuzes op lange termijn (tot 2050) verwoord om ruimte te maken voor ontwikkelingen en tegelijkertijd de Utrechtse kwaliteiten te behouden. In de Omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in samenhang met elkaar bezien. Doel is ruimte te bieden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, sociale samenhang met behoud of verbetering van de kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. De regels die horen bij de Omgevingsvisie staan in de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (vastgesteld 10 maart 2021, IOV). De Omgevingsverordening heeft een interim status tot het moment waarop de Omgevingswet in werking zal treden (1 januari 2024). De sturingsfilosofie van de Provincie gaat uit van het bieden van ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten. Deze kwaliteiten bieden kansen om opgaven te realiseren, maar stellen ook voorwaarden. Via plussen en minnen maakt de provincie een integrale afweging zodat elke ontwikkeling per saldo bijdraagt aan kwaliteitsverbetering. De beoogde ontwikkelingsrichting is uitgewerkt in 7 beleidsthema's: 1. Stad en land gezond; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust; 3. Plek voor duurzame energie; 4. Vitale steden en dorpen; 5.
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. Deze thema's staan niet op zichzelf maar hebben onderlinge samenhang, zowel boven als onder de grond. De gewenste ontwikkeling verschilt per gebied en is afhankelijk van de specifieke kenmerken en identiteit. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie en Interim Verordening Provincie Utrecht hebben deels ook gevolgen voor het plangebied. Deze punten worden hier nader toegelicht. Verbod op nieuwe verstedelijking in landelijk gebied Voor onderhavig plan is van belang dat het perceel zich in het Landelijk Gebied bevindt waar op grond van artikel 9.2 IOV nieuwe stedelijke functies in beginsel niet zijn toegestaan. 'Verstedelijking' is in artikel 1.1 IOV gedefinieerd als: een ruimtelijk besluit dat ren opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Het begrip 'stedelijke functie' is in datzelfde artikel gedefinieerd als 'een functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied'. Woningen en woongebieden worden in de IOV expliciet benoemd als 'stedelijke functie'.
Nieuwe woningen worden zodoende gezien als nieuwe verstedelijking, hetgeen in het landelijk gebied in beginsel niet is toegestaan.
16 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Uitzonderingen verstedelijkingsverbod In hoofdstuk 9 van de IOV is een aantal uitzonderingen benoemd op grond waarvan nieuwe verstedelijking onder voorwaarden wel kan worden toegestaan in het landelijk gebied. Volgens artikel 9.5 IOV is verstedelijking toegestaan in een bebouwingsenclave of in een bebouwingslint, mits dat gepaard gaat met het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en de bebouwing niet buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten wordt gebouwd. Ten slotte geldt als voorwaarde dat de belangen van bestaande omringende functies niet onevenredig mogen worden aangetast. Uit de toelichting op artikel 9.5 lid 1 IOV blijkt dat verhoging van de ruimtelijke kwaliteit op verschillende manieren kan worden bereikt. Er kan gedacht worden aan herstel van waterlopen en landschapsstructuren, herstel van doorzichten (doorkijkjes) en dergelijke. De omvang en verschijningsvorm van een nieuwe of uit te breiden stedelijke bestemming moet passen binnen het omringende landschap en de bestaande bebouwing. De inhoud van de woning (m³) moet aansluiten bij de omliggende bebouwing. In artikel 9.5 lid 2 IOV is aangegeven dat de motivering van het bestemmingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit de onderbouwing.
In de toelichting op dit artikel is aangegeven dat de beeldkwaliteitsparagraaf in ieder geval een analyse van de bestaande kwaliteiten bevat en een onderbouwing van de manier waarop de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten. De kwaliteit van de locatie is dat het achterste gedeelte van het perceel potentie heeft om ontwikkeld te worden als natuur. Dit sluit aan bij de omliggende natuurgebieden. Binnen het bebouwingslint langs de Doornseweg vindt een (beperkte) uitbreiding van de bestaande stedelijke functies plaats. Natuurnetwerk Nederland Onderhavig plangebied ligt in het NNN (zie afbeelding 10) als bestaande natuur. Binnen het NNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen die per saldo leiden tot een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN niet toegestaan (artikel 6.3 IOV).
Afbeelding 10: Ligging ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland Bron: Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht In artikel 6.3 lid 2 IOV staat dat bestaande legale bebouwing, erven en verharding niet gerekend worden tot de oppervlakte van het NNN. Onder 'erven' wordt verstaan: de direct aan de bestaande legale bebouwing grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, alsmede bestaande legale (half)verhardingen. Hieruit volgt dat directe omgeving van de bestaande woning met erf geen deel uitmaakt van het NNN.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
17
Binnen het bestemmingsvlak wonen mag op grond van het geldende bestemmingsplan maximaal één vrijstaande woning vergund worden en het bestemmingsvlak mag voor 100% worden bebouwd. De op de plankaart aangewezen gronden voor erven zijn bestemd voor erven en tuinen bij de woning. Het bestemmingsplan kent geen aanlegvergunningenstelsel. Het is aannemelijk dat het bouwen van een extra woning in het lint, waar in de huidige situatie al bebouwing mogelijk is, niet leidt tot aantasting van het NNN. Ontwikkelingen binnen het erf leiden niet tot significante aantasting in de vorm van oppervlakteverlies. Evenmin is aannemelijk dat het toevoegen van één woning zal leiden tot een aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden in de vorm van een significante toename van de betredingsdruk en/of verstoring. Temeer daar er reeds sprake is van een bebouwingslint, de ontsluiting geschiedt via de bestaande wegen en een bestaande recreatieve druk op het achterliggende bosgebied van landgoed Den Treek - Henschoten. Met het oog op het verbeteren van de kwaliteit door natuurontwikkeling op het achter de woning gelegen terrein is relevant dat aan het perceel in het Natuurbeheerplan geen type voor Bestaande Natuur noch een Natuurdoeltype is toegekend (zie afbeelding 11). Wel is het gebied aangewezen voor 'subsidiabel inrichting en beheer (agrarisch)'.
Dit betekent de bestaande natuurkwaliteit minimaal is en dat er geen specifieke doelstellingen zijn geformuleerd. Het perceel is aangeduid met diverse functies die betrekking hebben op agrarisch natuurbeheer, zoals 'leefgebied droge dooradering' en 'natuurvriendelijk beheren'. Nu er geen specifieke natuurdoeltypen zijn geformuleerd, is op basis van de uitkomsten van de ecologische QuickScan in paragraaf 2.3 een voorstel uitgewerkt voor kwaliteitsverbetering.
Afbeelding 11: Natuurbeheertypen 2023 Bron: Natuurbeheerplan 2023 provincie Utrecht Cultuurhistorische hoofdstructuur Verder is van belang dat het plangebied in een zone ligt die is aangewezen als 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur' - 'archeologisch waardevolle zone'. Het stuwwallen landschap van de Utrechtse Heuvelrug kent een lange bewoningsgeschiedenis en daardoor een grote diversiteit aan archeologische waarden uit verschillende perioden: van Steentijd tot Tweede Wereld Oorlog. Deze stapeling van tijdlagen maakt het gebied bijzonder, reden waarom het gebied vanwege de archeologische waarden is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (zie afbeelding 12).
18 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Afbeelding 12: Ligging in Cultuurhistorische hoofdstructuur Bron: Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht In paragraaf 4.2.1 wordt het aspect archeologie nader beschreven. Toets Hoewel het provinciaal beleid uitgaat van een algemeen verstedelijkingsverbod in het buitengebied, zijn hierop uitzonderingen. Een relevante uitzondering is wanneer verstedelijking plaatsvindt in een bestaand bebouwingslint, waar bij dit plan sprake van is. Een belangrijke voorwaarde is dat de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd. De ligging in Natuur Netwerk Nederland biedt kansen om op het achterliggende terrein natuur te ontwikkelen. Hiervoor is een voorstel uitgewerkt dat het bestaande gazon omvormt in een bloemrijk grasland, waarmee de ecologische kwaliteit wordt verhoogd. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Leusden De gemeente Leusden heeft in 2018 twee visies (één voor het stedelijk gebied en één voor het landelijke gebied) vastgesteld. Over hoe Leusden er uit moet komen gaan zien in de toekomst. In 2023 zijn de twee visies samengevoegd. De nieuwe omgevingsvisie heeft nog geen nieuwe inhoud gekregen, maar bevat beleid uit de twee oude omgevingsvisies. Het plangebied ligt in het Centraal Buitengebied, met landgoederenzone. Het westelijke en zuidelijke deel van deze zone bestaat grotendeels uit gronden van landgoed Den Treek - Henschoten en kent naast bos tevens een afwisseling tussen open en besloten akkers en weiden. De boerderijen in het gebied zijn grotendeels eigendom van het landgoed. Doelen voor Centraal Buitengebied, met landgoederenzone zijn: Behoud van de historische samenhang tussen de landhuizen, de boerderijen, de landerijen en landschapselementen van de landgoederen. Behoud en versterken van de ecologische kwaliteiten van de bossen, heides en landerijen van de landgoederen. Behoud en verbetering van de kwaliteit en beleefbaarheid van de landgoederen Lockhorst en de buitenplaats Heiligenberg. Behoud grondgebonden veehouderij als drager van het landschap. Behoud van de kwaliteiten rust en stilte.
Versterken van mogelijkheden voor recreatief medegebruik en verhogen maatschappelijke betrokkenheid bij het in stand houden van het landschap. Verbeteren van ecologische verbindingen. Duidelijk beeld vanaf de Groene Zoom door afgeronde clusters van bebouwing met groene randen. Zoveel mogelijk oversteekmogelijkheden en zichtrelaties tussen het bebouwde gebied en de groene kwaliteiten in het Groene Zoomgebied/Centraal buitengebied.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
19
In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de gemeente woningen realiseert door onder andere een groene ontwikkelstrategie in te zetten voor extra woningen in het buitengebied. De groene ontwikkelstrategie moet voorkomen dat ontwikkelingen, zoals woningbouw, ten koste gaan van het groene karakter van Leusden. Ontwikkelingen moeten passen bij de stedenbouwkundige of landschappelijke kenmerken van het gebied waar ze plaats vinden. Binnen de ontwikkeling zelf zal voldoende aandacht moeten worden besteed aan groen. Toets Binnen de gemeente Leusden is een grote behoefte aan woningen. Voor ontwikkelingen gaat de gemeente uit van een groene ontwikkelstrategie, waarbij het groene karakter van Leusden behouden blijft. Het plan gaat uit van het toevoegen van één extra woning binnen een bestaand woonperceel aan de Doornseweg. Doordat de extra woning is voorzien binnen het bestaande bebouwingslint/erf blijven de bestaande structuren en kwaliteiten behouden. Met dit plan worden bovendien de ecologische kwaliteiten versterkt. Het achterliggende terrein wordt op dit moment gebruikt als gazon en heeft de bestemming ‘Tuin’. Dit gebruik wordt beëindigd en het perceel (circa 3.500 m2) wordt ingericht als bloemrijk grasland en krijgt de bestemming 'Natuur'. De bouw van een extra woning in het lint doet geen afbreuk aan de rust en stilte in het gebied.
Daarmee is het plan in overeenstemming met de Omgevingsvisie gemeente Leusden. 3.3.1.1 Ontwerpomgevingsvisie Leusden Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat van 6 juni tot en met 17 juli 2023 het ontwerp van een nieuwe Omgevingsvisie ter inzage heeft gelegen. Dit betreft een samenvoeging van de Omgevingsvisie Buitengebied en de Omgevingsvisie Stedelijk Gebied en bevat geen nieuw beleid. Uitzondering vormt de toegevoegde woningbouwzoekgebieden bij Leusden en Achterveld. Dit betreft een gebied ten zuiden van de wijk Tabaksteeg en twee gebieden rond Achterveld (tussen de uitbreidingswijk Mastenbroek 2 en De Fliert ten noordoosten van de kern Achterveld en het gebied ten noorden van de Hessenweg aan de westzijde van Achterveld. Het plangebied ligt niet in één van deze zoekgebieden. De ontwerp Omgevingsvisie heeft dan ook geen gevolgen voor het plan. 3.3.2 Woonvisie Leusden 2021-2025 Leusden wordt in de Woonvisie getypeerd als een dynamische gemeente met kwalitatief goede woningen voor starters, gezinnen en senioren en een goed voorzieningenaanbod. In de Woonvisie is aangegeven dat het aantal huishoudens de komende jaren zal toenemen. Om in de groei te kunnen voorzien worden tot en met 2026 625 woningen gerealiseerd. Een andere doelstelling is het verduurzamen van de woningvoorraad.
Toets Het realiseren van een extra woning op het perceel Doornseweg 20 past binnen de gemeentelijke woonambitie. De nieuw te realiseren woningen zullen bijdragen aan het verduurzamen van de woningvoorraad. 3.3.3 Dynamische duurzaamheidsagenda 2016-2030 De gemeenteraad heeft de Dynamische Duurzaamheidsagenda Leusden 2016 – 2030 vastgesteld. Doel is om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn. Inzet vanuit de gemeente is om te komen tot energieneutrale gebouwen. Dus bijvoorbeeld uitgaan van all-electric (zonder gasaansluiting). Gemeente Leusden heeft in de Duurzaamheidsagenda haar ambities op het gebied van Duurzaamheid verwoordt om in 2040 energieneutraal te zijn. De Duurzaamheidsagenda heeft 3 pijlers: energie en duurzaam bouwen: gemeente en lokale partners werken samen om inwoners en bedrijven te ondersteunen bij het duurzaam maken van hun woning of bedrijf; lokale en circulaire economie: de belangrijkste ambitie is de vermindering van restafval in 2030 tot maximaal 25kg per inwoner; biodiversiteit en duurzame leefstijl: de ecologische voetafdruk van burgers en bedrijven is verkleind, het bewustzijn van een groene en duurzame leefstijl is versterkt en de biodiversiteit is toegenomen. Ook wordt er meer gebruik gemaakt van duurzaam vervoer zoals de fiets en deelauto's.
20 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Toets De ontwerpen van de nieuwe woningen zijn op dit moment nog niet bekend. Het bouwplan zal voldoen aan de nieuwste wetgeving op het gebied van duurzaamheid. De duurzaamheidsaspecten zullen in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning nader worden uitgewerkt. 3.3.4 Welstandsnota 2018 De Welstandsnota 2018 van de gemeente Leusden is van toepassing op bouwwerken, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In de nota onderscheidt de gemeente de volgende welstandscriteria: criteria voor kleine bouwwerken/sneltoetscriteria, objectcriteria, gebiedsgerichte criteria, algemene criteria, nieuwe projecten en excessenregeling. Het perceel Doornseweg 20 valt in het deelgebied 'Buurtschappen'. Hiervoor zijn de volgende criteria benoemd: Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumentenInventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand.
Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd; oriëntatie op de weg; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg; bijgebouwen worden achter de voorgevel gesitueerd. Massa en vorm per rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen; de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere, eenduidige hoofdvormen; handhaven en versterken van de evenwichtige, hiërarchische indeling van de gevel; royale kappen met een nok; plaatsing en omvang van bijgebouwen en aan- en uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw; nieuwbouw past in de (kleinschalige) schaal van het gebied. Detaillering, kleur en materiaal gebruik bestaande details worden bij verbouwingen als vertrekpunt genomen; gevel bestaat uit rood/bruine(bak-)stenen of is gestuukt, afdekking met pannen of riet; gebruik van natuurlijke materialen; toepassing van traditionele kleuren, zoals gedekte aardkleuren, dan wel in aansluiting op omgeving; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. De criteria die relevant zijn voor het bestemmingsplan zijn bij het inrichtingsvoorstel in acht genomen, zoals de criteria over plaatsing. Bij de uitwerking van het bouwplan wordt met de overige criteria rekening gehouden.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
21
Hoofdstuk 4 4.1
RANDVOORWAARDEN
Milieuaspecten
4.1.1 Inleiding In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.1.2 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde 'stand stillbeginsel'. In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel al een woonbestemming. Daarmee is de grond in beginsel geschikt voor een woonfunctie.
Aangezien het bestemmingsvlak wonen wordt vergroot, is ook met het oog op de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen, een bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek maken als bijlage 2 deel uit van dit plan. Het onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen functie (wonen). Op basis van het vooronderzoek wordt de locatie als 'verdacht' beschouwd. Geadviseerd wordt om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform NEN5707 ter plaatse van de druip zone van de schuur die is afgedekt met asbest platen. Ook ter plaatse van het terreingedeelte waar in 1992 in de bovengrond ter plaatse van het woonhuis en het gazon in de bovengrond overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetroffen voor minerale olie, PAK en zink. In het grondwater zijn overschrijdingen van de streefwaarde geconstateerd voor tolueen, xylenen, zink en trichlooretheen aangetroffen. Geadviseerd wordt om nader onderzoek te doen conform NEN5740. Dit nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre de bodem in de huidige toestand geschikt is voor de beoogde ontwikkeling dan wel dat de bodem moet worden gesaneerd.
Ervan uitgaande dat de bodem door middel van bodemsanering geschikt kan worden gemaakt voor de beoogde woonfunctie, kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen onoverkomelijke belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.3 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar; dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals wonen). De VNGpublicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bedrijven worden gesitueerd en vice versa. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Voor een beoordeling van de vraag in hoeverre het toevoegen van een extra woning gevolgen heeft voor omliggende bedrijven is onderzocht welke bedrijven in de omgeving liggen en is aan de hand van algemene richtafstanden een inschatting gemaakt van de milieucontouren. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteiten zoals die worden nagestreefd voor gebieden die zijn ingericht volgens het principe van functiescheiding. In het plangebied is sprake van 'rustig buitengebied'.
22 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Op het perceel Doornseweg 18 zijn de gronden bestemd voor horeca, met uitzondering van dancings en discotheken. Dit type bedrijvigheid valt onder milieucategorie 1, waarbij een richtafstand van 10m hoort. Het perceel Doornseweg 20 ligt op grotere afstand dan 10m, zodat kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De gronden van het perceel Waterlooweg 12 zijn bestemd voor bedrijven in categorie 1. Bij deze bedrijven hoort een richtafstand van 10m. Het perceel Doornseweg 20 ligt op grotere afstand, zodat zonder nader onderzoek kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor beide bedrijven geldt bovendien dat er bestaande woningen aanwezig zijn tussen het plangebied en de betreffende bedrijven. Deze woningen zijn maatgevend voor de milieubeoordeling en milieuruimte van de betreffende bedrijven. De extra woning op het perceel leidt dan ook niet tot extra beperkingen in de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.1.4 Geluidhinder Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen in het kader van de ruimtelijke ordening zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven.
De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object. De Wet Geluidhinder kent daarom geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. In het kader van dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai van toepassing. Er zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen en spoorlijnen aanwezig. De Wet geluidhinder (Wgh) kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3, Kragten, Akoestisch onderzoek woningbouwplan Doornseweg 20 Leusden, 17 augustus 2023) waarbij, omdat er nog geen definitief bouwplan is, een contour berekening is gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de nieuwe woningen in een zone liggen waar de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde (48dB). De geluidbelasting in deze zone is bovendien hoger dan de maximale ontheffingswaarde (53 dB).
Aangezien de woningen in het bestaande bebouwingslint moeten worden gesitueerd, is het niet mogelijk om de woningen zo te situeren dat aan deze waarden wordt of kan worden voldaan, aangezien de 53dB contour op circa 70m vanaf de as van de Doornseweg ligt. Het is ook niet mogelijk om tegen aanvaardbare kosten maatregelen te treffen aan de bron of in het overdrachtsgebied, die ook uit stedenbouwkundig opzicht aanvaardbaar zijn. Het is wel mogelijk om de woningen te voorzien van een 'dove gevel' of om de gevels van geluidwerende schermen te voorzien. In het akoestisch onderzoek is het plan daarom ook getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Daarin is bepaald dat er minimaal één geluidluw geveldeel aanwezig dient te zijn. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de oostelijke gevel sprake is van een geluidluwe gevel zodat aan deze voorwaarde kan worden voldaan. Daarnaast dient de buitenruimte bij voorkeur gelegen te zijn aan de geluidluwe zijde. De achtertuin van de woningen bevindt zich aan de oostzijde van de woning zodat ook aan deze voorwaarde kan worden voldaan.
Gelet op het feit dat de geluidbelasting op de gevel hoger is dan 53dB én een woning hier alleen kan worden gebouwd indien geluidwerendemaatregelen worden getroffen om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit, is in de regels en op de verbeelding opgenomen dat ter plaatste een 'dove gevel' toegepast dient te worden en dat de voor het binnenniveau voldaan moet worden aan de eisen in het Bouwbesluit. Met inachtneming van deze voorwaarden vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
23
4.1.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moeten worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het begrip 'in betekenende mate' is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Bij toepassing van NIBM is artikel 2 van het Besluit NIBM relevant. Dat artikel geeft aan dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de toename van de fijnstof en stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt. Als aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project NIBM. Het hoeft dus niet tot in detail te worden aangetoond. De Regeling NIBM geeft verder nog categorieën van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is.
Voor woningbouwlocaties is de grens minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf. Hierbij kan worden gedacht aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. In dit geval is geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit hoeft niet plaats te vinden. Toets Toetsing aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) is gezien het voorgaande niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden.
Uit de Atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2020, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide/NO2 (11 µg/m3) en fijnstof / PM10 (15 µg/m3) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 bevinden. De concentratie zeer fijnstof / PM2,5 (8 µg/m3) bevindt zich eveneens beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3. Aan de grenswaarden wordt in het plangebied ruimschoots voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.6 Externe veiligheid Voor bestemmingsplannen is wet- en regelgeving over veiligheidsrisico's aan de orde. Dit kunnen risico's zijn die zware bedrijven kunnen veroorzaken, maar ook door transport van gevaarlijke stoffen (over weg, spoor en water en door buisleidingen). Kwetsbare bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, moeten voldoende afstand houden tot dergelijke bedrijven en transportroutes. Ook kunnen er beperkingen aan de bebouwingsdichtheid gewenst zijn. De normen en richtlijnen voor risico's komen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op basis van de risicokaart (zie afbeelding 13) is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het plangebied.
Uit de risicokaart blijkt dat ten westen van de Doornseweg (N227) en ten noorden van de Waterlooweg een buisleiding ligt voor aardgas (A-510). Op de risicokaart is deze buisleiding aangegeven met een paarse lijn.
24 29112023)
bestemmingsplan Doornseweg 20 (ontwerp
Afbeelding 13: Risicokaart Bron: www.atlasleefomgeving.nl Als er tijdens het transport van gevaarlijke stoffen iets misgaat, kan de gevaarlijke lading ontbranden of exploderen. Ook kunnen giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Daarbij kan worden gedacht aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond of kabels voor stroom, tv, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50mm en een druk van 16bar, alle buisleidingen voor brandbare stoffen vanaf een diameter van 100mm en overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5m afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het Plaatsgebonden Risico 10-6. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met die buisleiding. Plaatsen met een gelijk PR worden op een kaart door middel van een contour weergegeven. De betreffende buisleiding heeft geen PR-10 -6 contour. Hierdoor kunnen er geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour liggen.
Binnen de PR-10-6 contour bedraagt de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op de 1 miljoen per jaar. In het kader van het project 'Knooppunt Hoevelaken' is ten behoeve van de verplaatsing van deze buisleiding een berekening gemaakt van het PR en het groepsrisico ( QRA Gastransportleiding A-510, De verlegging van gastransportleiding A-510 in de gemeente Amersfoort ten behoeve van het project A28/A1 Knooppunt Hoevelaken, Aracadis (079892503 B), juli 2018, bron: https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0307.BP00160-0301/b_NL.IMRO.0307.BP001600301_tb5.pdf). Hieruit volgt dat het plaatsgebonden risico gemeten op een afstand van 5m vanuit het hart van de leiding, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is in het Bevi gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als een rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding. Voor het GR geldt geen wettelijke norm, maar een oriëntatiewaarde. Bij een berekend GR kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde, volstaat een beperkte afweging van het GR.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
25
Van belang zijn dan de mogelijkheden voor de brandweer en de hulpverlening om de gevolgen van een ongeval te bestrijden en voor personen in het invloedsgebied om zich in veiligheid te brengen. Indien de berekening van het groepsrisico van een nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie een toename van minder dan 10% laat zien, kan eveneens worden volstaan met een beperkte afweging. Ten behoeve van het project Knooppunt Hoevelaken is ook een berekening gemaakt van het GR. Daarbij is het groepsrisico gescreend. Daarbij is voor een punt op de leiding over een segment van 1km buislengte een fN-curve gemaakt en is de verhouding tussen de fN-curve en de oriëntatiewaarde bepaald. Uit de berekening blijkt dat de fN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft. Zodoende kan worden geconcludeerd dat externe veiligheid de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat. 4.1.7 Elektromagnetische velden In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Zendmasten voor telecommunicatie zijn eveneens niet aanwezig. Onderzoek naar elektromagnetische velden is niet nodig. 4.1.8 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten.
Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn. Aan de hand van de in het Besluit milieueffectrapportage omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang ook belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Om te voorkomen dat er bij projecten met een kleinere omvang belangrijke milieugevolgen over het hoofd worden gezien is het voor alle projecten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen verplicht om vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In onderdeel D van het Besluit m.e.r.
is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft. Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft de toevoeging van één extra woning binnen een woonbestemming. De ontwikkeling is naar aard en omvang beperkt, omdat er al een woonbestemming op het perceel ligt en er ten opzichte van de huidige situatie geen sprake is van een grote wijziging van de mate van verstedelijking. Er is geen sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r., waardoor het opstellen van een aanmeldnotitie m.e.r. achterwege kan blijven. In aansluiting daarop kan worden opgemerkt dat in het Besluit m.e.r. geen ondergrens is opgenomen voor het opstellen van een vormvrije m.e.r. beoordeling. Wel moet sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Dit plan maakt de bouw van 1 extra woning mogelijk binnen een bestaand bebouwingslint en heeft nauwelijks impact op zijn omgeving. Zodoende is aannemelijk dat het plan geen aanzienlijke milieugevolgen tot gevolg zal hebben. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak d.d. 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) is daarom een vormvrije m.e.r. beoordeling achterwege gelaten. 26 29112023)