CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Larikslaan 5__136383__.pdf

Raadsvergadering 11 april 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: 8: RV Vaststelling bestemminsplan Larikslaan 512.725 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bij de aanvraag omgevingsvergunning ‘Bouwen’ zal door middel van een gevelweringsonderzoek aangetoond moeten worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnenniveau van 33 dB te voldoen. Ter hoogte van de buitenruimte aan de noordkant van het appartementencomplex heerst een matig milieukwaliteit, dit is echter maar een klein gedeelte van het gehele project. Ter hoogte van de overige buitenruimte heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er overall sprake is van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Spoorweglawaai en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone(s) van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Een nader akoestisch onderzoek in het kader van de toets aan de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.1.5

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk

28

met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

29

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.

een

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.

het de

is

van toename van overschrijding van

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde de veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 9 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 9. Uitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld.

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1

30

Risicovolle inrichtingen Ten noordwesten van het plangebied, op een afstand van circa 420 meter, is een tankstations gelegen. De plaatsgebonden risicocontour bij deze risicovolle inrichting bedraagt 35 meter en het invloedsgebied reikt tot 150 meter. Doordat het plangebied buiten deze risicocontour en het invloedsgebied is gelegen, vormt dit geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Risicovol transport over (spoor- of water)wegen In de omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport over (water- of spoor)wegen plaats, waardoor dit niet voor een belemmering zorgt met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen Ten westen van het plangebied, op een afstand van circa 550 meter, is een buisleiding gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij deze buisleiding is geen plaatsgebonden risicocontour opgenomen. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en deze buisleiding, vormt de ligging ten opzichte van deze buisleiding geen belemmering. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.1.6

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken.

Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk.

31

In de omgeving van het plangebied zijn zowel woonbestemmingen als bedrijfsbestemmingen gelegen waardoor gesproken kan worden van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. De richtafstanden zijn reeds met 1 stap verkleind. Tabel 3 Richtafstanden conform VNG publicatie functies omgeving planlocatie

Adres

Soort bedrijf

Richtafstand

Larikslaan 2 Olmenlaan 2 Olmenlaan 4 Olmenlaan 1 Kastanjelaan 1 Kastanjelaan 3 Kastanjelaan 5

Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2 Bedrijf milieucat. 1 of 2

10 meter 10 meter 10 meter 10 meter 10 meter 10 meter 10 meter

Werkelijke afstand 60 meter 20 meter 30 meter 45 meter 20 meter 20 meter 45 meter

Voldaan? Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Uit tabel 3 blijkt dat er aan de minimumafstanden tussen de planlocatie en functies in de omgeving kan worden voldaan. Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen te verwachten. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.7

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

32

5.2.1

Beleidskader Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 De gemeente Leusden heeft eind 2019 het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 gepubliceerd en op 24 maart 2020 vastgesteld. In het rapport wordt o.a. ingegaan op de wijze hoe moet worden omgegaan met de verwerking van hemelwater. De algemene opvatting van de gemeente is dat de gemeente Leusden op een duurzame, doelmatige en kosteneffectieve wijze zorgdraagt voor de inzameling en verwerking van hemelwater voor zover het hemelwater op openbaar gebied valt of voor zover er niet redelijkerwijs van een perceel eigenaar verwacht kan worden dat hij/zij het hemelwater zelf verwerkt. Speerpunt daarbij is om dit op een zo klimaat adaptief mogelijke wijze vorm te geven. Met betrekking tot hemelwater zijn de volgende vier ambities opgesteld: 1. Het gemeentelijk rioleringsstelsel dient klimaat en toekomstbestendig te zijn. 2. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de voorkeurstrits hemelwater, wordt voldoende ruimte voor water gereserveerd en worden zo goed als geen uitlogende materialen toegepast. 3. Indien kosteneffectief te realiseren, hemelwater zo veel mogelijk vasthouden in het gebied waar het valt, ook in bestaande situaties waar we dit nog niet of niet geheel doen. 4. Het aandeel foutieve aansluitingen van hemelwater op het drukrioleringsstelsel wordt binnen de planperiode van het GRP teruggebracht.

Bij nieuwbouwprojecten dient hemelwater opgevangen te worden op het eigen perceel of te worden afgevoerd naar oppervlaktewater in de nabije omgeving. Het is niet toegestaan hemelwater aan te sluiten op drukriolering en het gemengde stelsel.

33

5.2.2

Ontwikkeling In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan het watertoetsproces doorlopen. Het resultaat hiervan is opgenomen in bijlage IV. Door het uitvoeren van de watertoets is het Waterschap Vallei & Veluwe op de hoogte gesteld van de planontwikkeling. Uit de watertoets blijkt dat het plan geen groot effect heeft op water of waterbelangen. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’. Dit houdt in dat er door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkeling heeft een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Daarnaast worden er binnen het plangebied groenelementen en waterbergingsvoorzieningen aangebracht. De manier waarop hemelwater zal worden geïnfiltreerd in de bodem zal nader worden uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor ‘Bouwen’. Afvalwater wordt aangesloten op het reeds aanwezige rioleringsstelsel. Conclusie Ten aanzien van het wateraspect zijn, als gevolg van onderhavige ontwikkeling, geen belemmeringen te verwachten.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen gebied behorende bij Natura 2000 is ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 9,7 kilometer gelegen en betreft ‘Arkemheen’. Om te bepalen of de ontwikkeling een significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Met de AERIUS calculator kan de stikstofdepositie die ontstaat als gevolg van een ontwikkeling in beeld worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming

34

(Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. De Wnb is breder dan enkel het onderwerp stikstofdepositie. In deze paragraaf wordt enkel het aspect stikstofdepositie beschouwd. In de berekening zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase meegenomen. In werkelijkheid vinden deze fases niet tegelijkertijd plaats, maar na elkaar. De berekening is dan ook op basis van een worstcasescenario benaderd. De berekeningen en bijbehorende rapportage zijn bijgevoegd als bijlage V. VI en VII. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er ten opzichte van de referentiesituatie geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling aan de Larikslaan 5 te Leusden. Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Nederland. Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland is op een afstand van circa 420 meter ten westen van de planlocatie gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling vormt deze geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om in kaart te brengen welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op eventueel lokaal voorkomende beschermde flora en fauna zijn voor zowel de te slopen bebouwing als het achterliggende park een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Bij deze quickscan zijn ter plaatse van het achterliggende park geen aanwijzingen gevonden dat beschermende flora- en fauna voorkomen en/of dat deze negatieve effecten ondervinden van de geplande ingrepen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage VIII. Er zijn wel aanwijzingen gevonden die kunnen duiden op de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen binnen de bestaande bebouwing. Vervolgens is door ecologisch adviesbureau Virdis een inventarisatie gedaan voor gebouw bewonende vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Hierbij zijn geen beschermde soorten waargenomen in de te slopen gebouwen.

Aangezien er geen beschermde diersoorten zijn aangetroffen is verder ecologisch onderzoek niet nodig. De initiatiefnemer en de gemeente Leusden zijn overeengekomen dat er gebruik kan worden gemaakt van de generieke ontheffing van het pre-Soortenmanagementplan. Onderhavig project valt onder een ‘pilot’ waarbij de

35

initiatiefnemer gebruik kan maken van een generieke ontheffing geboden door de provincie Utrecht. Van deze ontheffing kan gebruik worden gemaakt onder de volgende voorwaarden: 1. Er is geen aanvullend ecologisch onderzoek meer nodig. 2. De initiatiefnemer maakt gebruik van de generieke ontheffing van de gemeente Leusden die door de provincie Utrecht als bevoegd gezag is verleend. 3. De initiatiefnemer verplicht zich te slopen in overeenstemming met de richtlijnen van natuurvriendelijk slopen. Dat houdt in dat er niet wordt gesloopt tijdens de winterslaapperiode tussen 15 oktober en 15 maart. Het uitzetten van de verwarming minimaal twee weken voor de sloop van het pand. Het aanbrengen van uitvliegflappen of exclusie flappen op open stootvoegen van spouwmuren twee weken voor de sloop. Het openbreken van de spouw op verschillende locaties zodat er tocht en trek ontstaat twee weken voor de geplande sloop. Al deze maatregelen zijn erop gericht dat eventueel aanwezig vleermuizen het te slopen pand verlaten. 4. De initiatiefnemer verplicht de sloper te stoppen met de sloopwerkzaamheden als er toch vleermuizen worden waar genomen. Er wordt dan een deskundige ingeschakeld. 5.

De initiatiefnemer verplicht zich met het gebruikmaken van de generieke ontheffing van de gemeente Leusden om het nieuwe pand op de slooplocatie natuur inclusief te bouwen en zo bij te dragen aan de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten in Leusden. Het natuurvriendelijk bouwen bestaat uit het inmetselen van verschillende faunavoorzieningen in muren van het nieuwe pand. Voor dit pand moeten er minimaal 4 vleermuiskasten worden ingemetseld in de spouw waarvan minimaal een kraamkast. Waar de vleermuiskasten komen is ingetekend op bouwtekeningen welke als aparte bijlage IX zijn bijgevoegd. Naast vleermuiskasten worden er ook 5 kasten voor gierzwaluwen of mussen ingemetseld. Door de werkzaamheden te verrichten volgens de voorwaarden behorende bij de generieke ontheffing en het gegeven dat het wooncomplex natuur inclusief wordt gebouwd , zal onderhavig planvoornemen naar verwachting een positieve bijdrage leveren aan de instandhouding van beschermde diersoorten. Het aspect soortenbescherming is daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze

36

paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Leusden wordt het plangebied ingedeeld in categorie 5: Gebied met een lage archeologische verwachting (figuur 10).

Figuur 10. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Leusden. Plangebied groen omcirkeld.

In gebieden die ingedeeld zijn in categorie 5 is bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projecten die grote zijn dan 10.000 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld een archeologisch onderzoek vereist. In dit geval heeft het plangebied een oppervlakte van 4.035 m2 en is een archeologisch onderzoek niet aan de orde. Echter kan op basis van deze beleidskaart niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Binnen het plangebied bevinden zich geen karakteristieke cultuurhistorische bebouwing of elementen. Verder zijn er in het plangebied geen andere cultuurhistorische waarden 37

aanwezig. Daarnaast worden met onderhavige ontwikkeling geen onevenredige aanpassingen gedaan aan de huidige infrastructuur. Conclusie Er zijn geen cultuurhistorische bebouwing of elementen binnen het besluitgebied aanwezig. Het aspect landschap en cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijfsgebouw van en naar de planlocatie. Door het toevoegen van 25 appartementen en 12 grondgebonden woningen zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Hierbij zijn de worst-case verkeersgeneratiecijfers voor de rest bebouwde kom van matig stedelijk gebied gehanteerd. Tabel 4 Aantal verkeersbewegingen huidige en nieuwe situatie (conform CROW publicatie)

Aantal/oppervlakte Norm Huidige situatie Kantoor (zonder 1726 m2 (bvo) 8,1* baliefunctie) Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal huidige situatie Nieuwe situatie Appartement, 25 4,0 ** (midden/goedkoop) Huis, tussen/hoek 12 7,5 ** Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal nieuwe situatie Verschil huidige / toekomstige situatie

Totaal 140 140 100 90 190 + 50

2

* verkeersbewegingen per 100 m (bvo) per etmaal ** verkeersbewegingen per woning per etmaal

Uit tabel 4 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe situatie toeneemt met 50 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Deze toename is slechts gering, waardoor kan worden aangenomen dat de huidige infrastructuur deze minimale toename zonder problemen kan verwerken. Het aspect mobiliteit levert dan ook geen belemmeringen op.

5.6.2

Parkeren Conform de parkeereisen die de gemeente Leusden hanteert wordt voor de gezinswoningen een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor de grotere appartementen (>60 m2) geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per appartement. Gelet op de beperkte omvang wordt voor de kleinere appartementen

38

(<60 m2) een lagere parkeernorm gehanteerd van 1,1 parkeerplaats per appartement. Dit is in overeenstemming met het mobiliteitsplan ‘Leusden vooruit’ waarin is opgenomen dat de parkeerbehoefte voor appartementen in praktijk lager is, soms slechts 1,0 parkeerplaats per appartement. Aantal Parkeernorm * Nieuwe situatie Appartement > 60 m2 7 1,7 Appartement < 60 m2 18 1,1 Gezinswoningen 12 1,8 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen nieuwe situatie

Totaal 11,9 19,8 21,6 53,3

* gemiddelde parkeervraag per woning inclusief 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers

In totaal is er een gemiddelde parkeerbehoefte van afgerond 53 parkeerplaatsen inclusief parkeerplaatsen voor bezoekers. In voorgenomen ontwikkeling worden 53 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd waardoor kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners.

39

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van (het mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomst die tussen gemeente en initiatiefnemer is gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijksen provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding is overleg geweest met de Provincie Utrecht en het Waterschap Vallei en Veluwe. Het Waterschap Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets ingevuld (Bijlage V). Uit de digitale watertoets blijkt dat de belangen van het Waterschap niet worden geraakt. Provincie In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavige ontwikkeling voorgelegd aan de provincie Utrecht. De provincie heeft geen bezwaren tegen het plan. Onderhavig bestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Omgevingsdialoog Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving.

Middels een inloop informatiebijeenkomst op 3 oktober 2022 zijn omwonenden door de initiatiefnemers reeds in een vroeg stadium kennis gesteld van de diverse plannen. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is ook 40

het bomenplan met enkele aanwezigen gedeeld. Op 20 oktober 2022 hebben een aantal bewoners van de Berkenlaan schriftelijk hun bezwaren kenbaar gemaakt tegen de realisatie van een appartementencomplex op deze locatie. Op 7 november 2022 is deze brief beantwoord door de initiatiefnemers. Dit antwoord was voorzien van beeldmateriaal waaruit de werkelijke inkijk en inbreuk op de privacy is. In 2023 is het plan op punten aangepast. De omgeving is hiervan in september 2023 op de hoogte gebracht middels een nieuwsbrief. In oktober 2023 zijn ook de bewoners van de Berkenlaan geïnformeerd over hoe in het gewijzigde plan rekening wordt gehouden met de geuite bezwaren. De communicatie is opgenomen als bijlage X bij deze toelichting.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3857/documents/40890