Ruimtelijke onderbouwing__120420__.pdf
Tekst van het document
Waarden en verwachtingen De Archeologische Beleidskaart geeft aan welke bekende archeologische waarden er binnen het plangebied reeds vastgesteld zijn of wat de verwachting is op het aantreffen van archeologische resten. Binnen het plangebied liggen geen bekende archeologische vindplaatsen. Blijkens de archeologische verwachtingskaart geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting (zie afbeelding 18). Gevolg is dat in deze plangebieden archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd als er over een grotere oppervlakte dan 500m² dieper wordt gegraven van 0,3m beneden het maaiveld.
Afbeelding 18: uitsnede archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied Bron: Gemeente Leusden, bewerking: HD De oppervlakte van de parkeerplaats bedraagt circa 3400m². Indien over deze oppervlakte dieper wordt gegraven dan 0,3m dient voorafgaand archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Ten behoeve van de aanleg en de verplaatsing van de parkeerplaats zal niet dieper worden ontgraven dan 0,3m. Archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
26 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
4.1.2 Cultuurhistorie Teneinde inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarde van het plangebied is een korte inventarisatie uitgevoerd naar de in het plangebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Zo is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Utrecht bekeken, de Rijksmonumentenlijst en de monumentenlijst van gemeente Leusden. In het plangebied bevindt zich geen (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing, zodat cultuurhistorische waarden alleen in de bodem en in het landschap aanwezig kunnen zijn. Op de Cultuurhistorische Atlas zijn ter plaatse van het plangebied geen bijzondere waarden aangegeven (zie afbeelding 19). De zichtlijnen van het landhuis Leusderend (Don Bosco) zijn noord, noordoost en oost georiënteerd, zodat verplaatsing van de parkeerplaats hierop niet van invloed is. Ten noorden van de Rijksweg A28, in het bos Nimmerdor, bevinden zich eveneens cultuurhistorische waarden in de vorm van een sterrenbos, een verdwenen schaapskooi en het Huis Nimmerdor. Ook hierop is de verplaatsing van de parkeerplaats niet van invloed.
Afbeelding 19: uitsnede CHAT ter plaatse van het plangebied Bron: https://utrecht.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=12951e6671064d2d8f9336df93e4 af1d Op het terrein bevindt zich geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. 4.1.3 Conclusie In het kader van de invulling van haar verantwoordelijkheid voor het behoud en het beheer van het archeologisch erfgoed heeft de gemeente Leusden een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Op deze kaart is te zien dat het plangebied zich bevindt in een gebied waarvoor een middelhoge verwachting geldt. Op grond van het gemeentelijk beleid geldt een onderzoeksverplichting bij ingrepen die dieper gaan dan 0,3m onder het maaiveld en een grotere oppervlakte beslaan dan de in het beleid genoemde drempelwaarden van 500m2. Gelet op het feit dat de parkeerplaats een oppervlakte van 3400m² beslaat, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden als voor de aanleg van de parkeerplaats over een oppervlakte van meer dan 500m² bodemingrepen plaats moeten vinden die dieper gaan dan 0,3m beneden maaiveld. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat ten behoeve van de aanleg en de verplaatsing van de parkeerplaats niet dieper hoeft te worden ontgraven dan 0,3m.
Op het terrein bevindt zich geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Evenmin is de verplaatsing van de parkeerplaats van invloed op andere cultuurhistorische waarden, zoals zichtlijnen en of landgoed en buitenplaatsenbiotopen. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen daarmee geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
27
4.2 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) uit 1987 is het wettelijke kader voor de bescherming van de bodem. Op grond van de Wbb kunnen regels worden gesteld waarmee verontreiniging van de bodem wordt voorkomen. De Wbb kent ook een zorgplicht waarmee verontreinigingen die zijn ontstaan na invoering van de wet kunnen worden aangepakt. Sinds 1994 bevat de wet regels die gaan over verontreinigingen die zijn ontstaan vóór de invoering van de wet (historische verontreinigingen). Op 1 januari 2006 zijn belangrijke wijzigingen in het saneringshoofdstuk van de Wet bodembescherming inwerking getreden. Het is wettelijk geregeld in de Bouwverordening dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwbouw activiteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. Onderhavig verzoek ziet echter niet op de activiteit bouwen maar op het aanleggen van een werk en het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van de verplaatsing van een bestaande parkeerplaats. Een parkeerplaats is geen bouwwerk waar mensen langer dan 2 uur per dag (in) zullen verblijven en vergt geen vergunning voor het bouwen van een gebouw. Er zal geen grond worden afgevoerd naar elders. Aangezien er geen wettelijke verplichting is om een bodemonderzoek uit te voeren, is geen (historisch) bodemonderzoek uitgevoerd.
Het aspect 'bodem' staat niet in de weg aan het verlenen van de vergunning voor het uitvoeren van het werk en werkzaamheden en evenmin aan het afwijken van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning kan vanuit dat oogpunt worden verleend. 4.3 Duurzaamheid Het wettelijke kader ten aanzien van het aspect duurzaamheid is vastgelegd in het Bouwbesluit. Toetsing hieraan vindt plaats bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. de Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Ook de in de Provinciale Ruimtelijke Verordening is bepaald dat in de toelichting op een plan inzichtelijk dient te worden gemaakt op welke wijze rekening wordt gehouden met energiebesparing en de toepassing van duurzame energiebronnen. Het algemene kader voor het milieu- en duurzaamheidsbeleid van de gemeente is opgenomen in het Dynamische Duurzaamheidsprogramma Leusden 2016 - 2030. De ambities van de gemeente Leusden richten zich op het ontwikkelen van een goed en duurzaam leefklimaat. In de Duurzaamheidsagenda is de ambitie geformuleerd dat Leusden in 2040 energie-neutraal is, maar liever sneller. Algemeen uitgangspunt is dat gestreefd wordt naar een duurzaam Leusden waarbij gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving belangrijk zijn, zodat de aarde aan onze kinderen kan worden doorgegeven.
De samenleving levert een zichtbare en concrete bijdrage aan een kleinere ecologische footprint. Dit gebeurt op basis van een gelijkwaardige relatie tussen samenleving en overheid. Voor onderhavig plan is relevant dat geen nieuwe bebouwing in de vorm van gebouwen wordt opgericht. Vanwege de ligging direct langs de Dodeweg kan het verlichtingsniveau op de parkeerplaats in beginsel zeer beperkt blijven; óók om de lichtverstoring in het bos te minimaliseren. Indien in verband met sociale veiligheid toch verlichting moet worden toegepast, heeft toepassing van led-armaturen die alleen naar beneden toe uitstralen de voorkeur. 4.4
Ecologie
4.4.1 Algemeen De bescherming van bijzondere flora- en faunasoorten, bossen en houtopstanden en de aangewezen natuurgebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn). De Wn maakt onderscheid tussen soorten die bescherming genieten op grond van de Vogelrichtlijn en soorten, die bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Beide categorieën vallen onder een strikt beschermingsregime. Daarnaast voorziet de wet in een algemener beschermingsregime voor andere (nationale) soorten (bijlage A van de Wet natuurbescherming).
28 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Daarnaast kunnen provincies een eigen lijst aanleggen van beschermde soorten. Ieder beschermingsregime kent een eigen afwegingskader waarmee wordt bepaald of een activiteit vergunningplichtig is. De Provincie is bevoegd gezag als het gaat om vergunningverlening en ontheffingen. Op grond van artikel 1.11 W6n geldt een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten in hun directe leefomgeving. Het uitgangspunt van de zorgplicht is dat burgers, ondernemers en overheden alle handelingen die een nadelig effect zouden kunnen hebben op dieren en planten achterwege laten. Degene die een bepaalde handeling wil verrichten moet zich daarom vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn handelen. De zorgplicht dient (mede) als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wn geen specifiek verbod geldt. De verbodsbepalingen zijn neergelegd in artikel 2.7 (Natura 2000), artikel 3.1 (Vogelrichtlijn), artikel 3.5 (Habitatrichtlijn) en 3.10 (nationale soorten) Wn. 4.4.2 Ecologisch onderzoek Om inzicht te krijgen in de effecten van de verplaatsing van de parkeerplaats op de natuurwaarden in het gebied is in 2020 een ecologisch onderzoek uitgevoerd (quickscan).
Als onderdeel van dat onderzoek is tevens een zogenaamde 'nee, tenzij-toets' uitgevoerd. Het onderzoek is geschreven ten behoeve van de eerder aangevraagde - gedeeltelijk geweigerde - omgevingsvergunning (kenmerk WABO 2020-099). De quickscan maakt als bijlage 3 deel uit van deze Ruimtelijke Onderbouwing. Ondanks dat het onderzoek uitgaat van een ander inrichtingsplan dan waar de huidige aanvraag op is gebaseerd, is het onderzoek ook voor onderhavige aanvraag bruikbaar. Zoals blijkt uit figuur 5 (p. 13) is het hele gebied tussen de Paradijsweg en de perceelsgrens met Dodeweg 7 onderzocht (blauwe begrenzing). Bovendien is het thans voorliggende plan voor de parkeerplaats gecomprimeerd ten opzichte van het oorspronkelijke plan. De oppervlakte en aantallen parkeervakken zijn echter niet gewijzigd. De nieuwe planlocatie overlapt de oorspronkelijk beoogde planlocatie dan ook voor een zeer groot deel; beide locaties vallen (ruim) binnen de grenzen van het onderzochte gebied. Zodoende zijn de onderzoeksresultaten van het eerdere onderzoek ook voor het huidige plan representatief. Voorts is van belang dat als onderdeel van het onderzoek tevens een zogenaamde 'nee, tenzij-toets' is uitgevoerd. Met de vaststelling van de Interim Verordening is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de IOV zijn de regels met betrekking tot het NNN aangescherpt in lijn met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.
In artikel 6.3 lid 1 IOV is opgenomen dat in het NNN geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt kunnen worden die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN aantasten. Het gaat dus niet meer om ontwikkelingen die het NNN per saldo significant aantasten, maar om alle ontwikkelingen die leiden tot een aantasting van het NNN. Het beleid is in dat opzicht aangescherpt. Ondanks dat het ecologisch onderzoek nog uitgaat van het 'oude' uitgangspunt waarbij moet worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een ontwikkeling die per saldo leidt tot een significante aantasting, kunnen de conclusies uit het rapport dat geen sprake is van aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden gehandhaafd; dit is nader toegelicht in paragraaf 4.4.4. 4.4.3 Gebiedsbescherming - Natura 2000 Met de voormalige Natuurbeschermingswet zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie omgezet in nationale regelgeving.
In en in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten verboden om zonder vergunning activiteiten of handelingen uit te voeren in een speciale beschermingszone als deze, gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, die de kwaliteit van de habitats zouden kunnen doen verslechteren of een verstorend effect zouden kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
29
Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000 gebied) uit de Habitat- of de Vogelrichtlijn (zie afbeelding 20). De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is "Arkemheen" en dit gebied ligt op ruime afstand (>10km). De verplaatsing van de bestaande parkeerplaats zonder dat daarbij de hoeveelheid parkeerplaatsen wordt uitgebreid, leidt niet tot (negatieve) effecten op het Natura-2000 gebied. Er is ook geen sprake van de zogenaamde 'externe werking' van deze gebieden. De in dat kader verplichte 'passende beoordeling' is hier dan ook niet aan de orde. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en de parkeerplaats wordt niet vergroot en derhalve is aannemelijk dat het plan niet zal leiden tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Zodoende kan op voorhand worden uitgesloten dat het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie. Een Aeriusberekening kan om die reden achterwege worden gelaten.
Afbeelding 20: ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000 (geel), stippellijn geeft afstand weer (gemeten afstand 10.734km) Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx 4.4.4 Gebiedsbescherming - Natuur Netwerk Nederland De Provincie Utrecht heeft in haar de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening uitwerking gegeven aan het Natuur Netwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur of EHS). Nieuwe projecten, plannen of handelingen in NNN zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke waarden en / of kenmerken van NNN aantasten, tot oppervlakte verlies van NNN leiden of de robuuste samenhang wezenlijk (negatief) beïnvloeden, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Dit principe wordt het 'nee, tenzij beginsel' genoemd en is vastgelegd in artikel 6.3 lid 1 IOV. Raadpleging van de interactieve kaart van Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de Provincie Utrecht (zie afbeelding 21) laat zien dat het plangebied deel uitmaakt van het NNN. Het 'nee, tenzij – beginsel' is daarom in beginsel van toepassing.
30 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Zoals hierboven reeds aangegeven, is in 2020 ten behoeve van de eerdere aanvraag een ecologische quickscan en een 'nee, tenzij-toets' uitgevoerd. Uit deze toets komt naar voren dat de verplaatsing van de parkeerplaats niet leidt tot aantasting van bestaande en potentiële waarden. Door de verplaatsing en aanleg van een nieuwe parkeerplaats aan de rand van het bos waar reeds sprake is van verstoring (licht en geluid) vanwege de nabij gelegen rijksweg A28 en het opheffen van de parkeerplaats in het bos, kan de potentiële betekenis van het gebied lokaal toenemen en verbeteren. Ook neemt de verstoring af en verbetert de aaneengeslotenheid enigszins. Ook de samenhang van het NNN wordt door de regel niet aangetast, zo blijkt uit het onderzoek. Ook met betrekking tot de gevolgen van het plan voor bijzondere soorten luidt de conclusie dat na inrichting van de nieuwe parkeerplaats de lengte aan bosrand (van betekenis als marginale foerageerplek voor vleermuizen) in stand en zal er niets wijzigen aan de mogelijkheid om te foerageren of te migreren. Het opheffen van de bestaande parkeerplaats in het bos zorgt voor een verbetering omdat er minder geluidsoverlast en minder lichtvervuiling aanwezig is.
Met betrekking tot de havik geldt dat deze soort aanwezig is buiten het plangebied en dat de aanleg van de parkeerplaats geen negatief effect heeft wanneer deze buiten het broedseizoen wordt aangelegd. Met betrekking tot het gebruik luidt de conclusie dat de vaste verblijfs- en voortplantingsplaatsen zich op enige afstand tot het plangebied bevinden en dat het gebruik van de parkeerplaats niet zal intensiveren. Het is daarom aannemelijk dat de havik de huidige nesten in de toekomst zal blijven gebruiken. Voor overige (rode en oranje-lijst) soorten geldt dat deze zich overwegend ruim buiten de invloedssfeer van de parkeerplaats bevinden en dat lokaal, na inplant, zelfs een geringe toename van bijzondere soorten kan worden verwacht. Met betrekking tot de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen wordt opgemerkt dat het plangebied in de huidige situatie nauwelijks een verbindende functie heeft vanwege de geringe ecologische waarde en de breedte en verstorende werking van de snelweg en de Dodeweg. Het is daardoor onwaarschijnlijk dat sprake is van een relevante ecologische verbinding. Bovendien is het plangebied op tal van plekken voorzien van rasters en hekwerken waardoor voor sommige soorten zoals das, ree of andere grotere zoogdieren de migratie nu en in de toekomst beperkt is en zal zijn.
Verplaatsing van de parkeerplaats draagt bovendien bij aan het welslagen van deze voorziening als verbindingszone. Uit het feit dat ten aanzien van al deze wezenlijke waarden en kenmerken de conclusie luidt dat geen sprake is van aantasting en dat lokaal niveau sprake is of kan zijn van een verbetering, volgt niet alleen dat per saldo geen sprake is van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Ook kan de algemene conclusie worden getrokken dat de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN niet worden aangetast.
Afbeelding 21: uitsnede kaart Interim Omgevingsverordening - Kaart Natuur 1 Bron: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/NL.IMRO.9926.2020InterimVerordVA02#NL.IMRO.9926.2020InterimVerord-VA02/NL.IMRO.PT.s0f19ccc4-9123-4499-8cf4d0325f1e5294
Adviesbureau Haver Droeze BNT
31
Met het oog op de aantasting in de vorm van oppervlaktevermindering het volgende: in artikel 6.3 lid 2 is bepaald dat onder de oppervlakte van het NNN in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verhardingen worden begrepen. Zoals reeds toegelicht in paragraaf 3.3.2 valt het aanleggen en verharden van het bestaande onderhoudspad c.q. de bestaande parkeerplaats onder de uitzonderingsplicht van artikel 28 lid 2 onder a en d van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Daarmee staat vast dat deze bestaande verharding moet worden aangemerkt als 'bestaande legale verharding' zodat deze niet wordt gerekend tot het oppervlak van het NNN. Zoals aangegeven, gaat deze aanvraag uit van het verplaatsen van de parkeerplaats en blijft daarbij de oppervlakte en het aantal parkeerplaatsen gelijkt. Doordat de parkeerplaats meer naar de rand van het bos wordt gebracht, neemt de verstoring door gemotoriseerd verkeer in het bos af en nemen de verkeersveiligheid en sociale veiligheid toe. De vrijkomende gronden worden opnieuw ingeplant met inlandse soorten. Zodoende kan worden gesteld dat door de verplaatsing van de parkeerplaats de verstoring binnen het NNN afneemt en de aaneengeslotenheid verbetert. Door de parkeerplaats te verplaatsen, kan bovendien de beoogde nieuwe natuurverbinding (ecorecreaduct) tussen het landgoed en Nimmerdor beter functioneren.
Indien de huidige situatie zou worden gehandhaafd, eindigt het beoogde eco-recreaduct immers op de parkeerplaats. Door de parkeerplaats in noordoostelijke richting op te schuiven eindigt deze in het bos waarmee het risico op verkeersslachtoffers onder de beoogde doelsoorten sterk afneemt. Bovendien draagt een beter functionerende natuurverbinding bij aan de ontsnippering van het NNN en het realiseren van de ambities die met de aanleg van het beoogde eco-recreaduct worden nagestreefd. Sterker nog, verplaatsing is noodzakelijk voor het welslagen van de als mitigerende maatregel bedoelde aanleg van het beoogde eco-recreaduct in het kader van de verbreding van rijksweg A28 en de aanpak van Knooppunt Hoevelaken. Conclusie Zodoende kan worden geconcludeerd dat de verplaatsing van de parkeerplaats dan ook geen afbreuk doet aan het NNN, maar juist bijdraagt aan het verminderen van de barrièrewerking, het ontsnipperen van het NNN en het creëert de noodzakelijke voorwaarden om kleine zoogdieren en insecten te laten migreren. Daarmee is verplaatsing in overeenstemming met het provinciale natuurbeleid. 4.4.5 Soortenbescherming De Wnb regelt ook de bescherming van soorten flora en fauna.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die bescherming genieten op grond van internationale verdragen (Vogelrichtijn en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bonn en Verdrag van Bern) en soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming genieten. Met het oog op de verplaatsing van de parkeerplaats is onderzocht in hoeverre uitvoering van het plan kan leiden tot negatieve effecten op beschermde flora- en faunasoorten en zodoende tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan waarin is beschreven welke wettelijke soorten op en rond het plangebied voorkomen en in hoeverre de voorgenomen werkzaamheden van invloed zijn of kunnen zijn op deze beschermde soorten of op beschermde gebieden (NNN/EHS en Natura 2000). Vogels met jaarrond beschermde nesten Uit de quickscan komt naar voren dat het plangebied alleen geschikt is als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor vogels van bossen. Van deze groep is met name de groep (bos)soorten met een jaarrond beschermd nest relevant. Omdat geen nestholten zijn waargenomen en soorten waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten zijn waargenomen, is het onwaarschijnlijk dat in het plangebied voortplantings- of vaste verblijfplaatsen voorkomen van spechten, boomklevers en andere holenbroeders.
Van andere soorten (onder andere roofvogels) met jaarrond beschermde nesten zijn 2 nabijgelegen nesten van de havik waargenomen; deze bevinden zich (net) buiten het plangebied, vlak langs de oostgrens van het landgoed. Eén van de nesten was in 2019 bezet; er lagen botresten en vogelringen.
32 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Vleermuizen Op basis van waarnemingen uit de omgeving (Nimmerdor) zijn met name gegevens bekend over vleermuizen in het ten noorden van de rijksweg A28 gelegen bosgebied Nimmerdor. Van die soorten zijn alleen de gewone Dwergvleermuis en de Rosse Vleermuis incidenteel waargenomen in de directe nabijheid van het plangebied. De Rosse Vleermuis is een hoog vliegende soort die makkelijk grote afstanden aflegt en kan zijn overgevlogen. Het bosgebied van Nimmerdor is vanwege het grote aandeel oud loofhout zeer geschikt voor vleermuizen. De reden dat deze soorten niet op en rond het plangebied zijn aangetroffen, hangt samen met de ongeschiktheid van dit bosgebied (geen boomholten en vooral naaldhout) en de ligging van de rijksweg A28 die voor de meeste vleermuizen waarschijnlijk een belangrijke barrière vormt. Rond het plangebied is 1 x een Laatvlieger waargenomen die langs de bosrand langs de Dodeweg voorbij kwam vliegen. De waarnemingen van de Dwergvleermuis hadden betrekking op dieren die langs de bosrand van de huidige parkeerplaats foerageerden. Omdat in het plangebied geen boomholten of andere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn waargenomen, is het niet waarschijnlijk dat het gebied van betekenis is als verblijf-, paar- of voortplantingsplaats.
Vanwege de invloed (licht en geluid) van de rijksweg A28 en de Dodeweg heeft het gebied waarschijnlijk slechts een marginale betekenis als migratieroute en foerageergebied voor beide soorten en dan met name langs de bestaande bosranden. Voor de overige uit de omgeving van het plangebied bekende soorten vleermuizen is het niet waarschijnlijk dat het plangebied permanent onderdeel is van hun migratieroute of foerageergebied gezien het marginale habitat en de ligging langs de rijksweg A28 en de Dodeweg. Overige zoogdieren Het plangebied wordt gebruikt door reewild. Hiervan zijn sporen aangetroffen waaronder prenten en veegplekken. De indruk bestaat dat de omgeving van de bestaande parkeerplaats beperkt gebruikt wordt door reewild vanwege de loslopende honden in het gebied. Het ontbreekt vrijwel aan ligplekken. Gebieden met veel ligplekken kenmerken zich door geringe verstoring door recreatie. Ook boommarter komt wijd verspreid over het landgoed voor maar hiervan zijn in het plangebied geen sporen waargenomen. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat de boommarter incidenteel gebruik maakt van het plangebied als jachtgebied. Gelet op de totale omvang van het jachtgebied (200-400ha) kan het plangebied, zo dicht langs de snelweg en aan de rand van het landgoed, niet worden gezien als essentieel leef- of foerageergebied.
Er zijn geen waarnemingen of sporen van andere beschermde zoogdieren, zoals steenmarters, das, vos of konijn waargenomen. De aanwezigheid van een bewoonde havikshorst maakt het plangebied niet aantrekkelijk voor eekhoorns, deze zijn dan ook geen eekhoornnesten aangetroffen of andere sporen die kunnen duiden op de aanwezigheid van eekhoorns zoals afgekloven dennenappels. Reptielen Tijdens de veldbezoeken zijn geen (sporen van) reptielen waargenomen. Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor de zandhagedis; deze komt wel elders op het landgoed voor. Doordat water in het plangebied ontbreekt, is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor amfibieën. Er zijn insecten aangetroffen die bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Het plangebied is bovendien ongeschikt voor deze soorten. Evenmin zijn plantensoorten aangetroffen die onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen; bovendien ontbreekt hiervoor geschikt habitat. Conclusie Gelet op het voorgaande kan concluderend worden gesteld dat uitvoering van het plan niet zal leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
Wel dienen met het oog op de zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden maatregelen te worden genomen ter voorkoming aan schade aan de natuur en beschermde soorten door kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden. Daarnaast zal vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden een naverkenning worden uitgevoerd door een ecoloog.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
33
4.4.6 Herplant Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.3.2 is in de zomer van 2019 gebleken dat een groot deel van de fijnsparren en de lariksen op het landgoed was aangetast door de 'letterzetter'. De maatregelen die het landgoed heeft genomen om de plaag te bestrijden, hadden onvoldoende effect waardoor alle fijnsparren op het landgoed moesten worden gekapt. Dit betreft circa 4% van het totale boombestand op het landgoed (60ha). In de strook langs de Dodeweg waar de nieuwe parkeerplaats is voorzien, stonden veel lariksen en fijnsparren die om voornoemde reden zijn gekapt. Waar mogelijk zijn de bestaande loofbomen (Tamme Kastanje) en enkele Grove Dennen gespaard; deze blijven behouden en worden ingepast in de nieuwe situatie. Op grond van het bepaalde in artikel 4.2 Wet natuurbeheer (Wnb) is het buiten de bebouwde kom verboden om zonder een voorafgaande melding een houtopstand geheel of gedeeltelijk te kappen. Daarnaast geldt op grond van artikel 4.3 Wnb de verplichting om een gevelde houtopstand binnen 3 jaar op bosbouwkundig verantwoorde wijze op dezelfde grond opnieuw aan te planten. Ter plaatse van de bestaande parkeerplaats bestaat het bos overwegend uit loofbomen in de vorm van eiken en beuken, afgewisseld met grove den.
De grond van de bestaande parkeerplaats wordt daarom opnieuw ingeplant met inlands soorten die hier thuishoren: grove den, lariks en berken zullen zich spontaan ontwikkelen en worden daarom niet ingeplant. Deze inlandse soorten zijn niet gevoelig voor de letterzetter; dit helpt om de robuustheid van het bos te herstellen. Het bestaande onderhoudspad blijft behouden voor beheerwerkzaamheden. Om te voorkomen dat de bomen die worden herplant na korte tijd weer moeten worden verwijderd als het beoogde eco-recreaduct wordt aangelegd, zal afstemming plaatsvinden met de Provincie als bevoegd gezag en RWS als uitvoerende partij. 4.4.7 Eco-recreaduct A28 Zoals reeds beschreven in paragraaf 2.3 is in het OTB voor de aanpak van Knooppunt Hoevelaken voorzien in het vervangen van de bestaande fiets- en voetgangersbrug over rijksweg A28 door een eco-recreaduct. Het beoogde eco-recreaduct dient ter verzachting van het asfalt tussen Nimmerdor en Den Treek. Naast een fiets- en voetpad wordt een ecologische zone ingericht voor de voor deze regio kenmerkende doelsoorten: zandhagedis, levenbarende hagedis, kamsalamander, vos, boommarter, bunzing, overige kleine marters, vlinders, libellen en overige insecten. Ree is geen doelsoort en zal middels een voorziening uit het landgoed Nimmerdor worden geweerd aldus het OTB (p. 113).
Om te voorkomen dat dieren op wegen terechtkomen, zullen de dieren via wanden en schermen richting het beoogde eco-recreaduct worden geleid. Blijkens de toelichting en het ontwerpvoorstel is bij de uitwerking van het ontwerp voor het beoogde eco-recreaduct rekening gehouden met de nieuwe parkeerplaats. Als de parkeerplaats zou worden gehandhaafd op de huidige situatie, zou de ecologische zone rechtstreeks aansluit op de parkeerplaats. Dit is onwenselijk. Door de parkeerplaats in oostelijke richting op te schuiven - tot buiten het werkgebied van RWS - wordt de afstand tussen de ecologische zone en de parkeerplaats vergroot en hoeven de dieren de parkeerplaats niet meer over te steken om het bosgebied te kunnen bereiken. Daarmee heeft de verplaatsing van de parkeerplaats conform het gewijzigde voorstel door het landgoed een gunstig effect op de doelsoorten die men met het eco-recreaduct beoogt te faciliteren niet nader te worden beschreven. Nader onderzoek of een nadere onderbouwing in relatie tot het eco-recreaduct is niet nodig. 4.4.8 Conclusie Het gebied ligt niet in of in de nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000) of in de directe omgeving van een beschermd natuurmonument. Ook komen de voorgenomen activiteiten niet voor op de lijst met activiteiten zoals vermeld in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit MER.
Wel ligt het plangebied in de directe nabijheid van het NNN gelet het feit dat het de verplaatsing van een bestaande parkeerplaats betreft naar een gebied waar ten opzichte van de huidige locatie reeds meer verstoring aanwezig is, de oppervlakte gelijk blijft en de oude parkeerplaats opnieuw als bos zal worden ingeplant, kan worden gesteld dat de verplaatsing een geringe impact op de omgeving heeft. Zodoende is het aannemelijk dat geen sprake zal zijn van significante aantasting van de waarden binnen het NNN. Zekerheidshalve is echter wel een 'nee, tenzij toets' uitgevoerd. Hieruit blijkt dat geen sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
34 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Door de parkeerplaats uit het bos te verplaatsen naar de rand van het landgoed is lokaal zelfs sprake van een (kleine) verbetering. De verharding van bestaande parkeerplaats wordt niet gerekend tot het oppervlak van het NNN. Nu de oppervlakte van de parkeerplaats gelijk blijft, leidt verplaatsing van de parkeerplaats niet tot oppervlakteverlies. Ook in dit opzicht is dus geen sprake van negatieve effecten op het NNN. Daarnaast is in opdracht van het landgoed een verkenning uitgevoerd naar de in het plangebied voorkomende (beschermde) soorten. Uit de uitgevoerde quickscan blijkt dat uitvoering van het plan niet zal leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel dienen met het oog op de zorgplicht eventuele aanvullende kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bij de uitwerking van het ontwerp voor het eco-recreaduct is rekening gehouden met de nieuwe parkeerplaats. Andersom is de parkeerplaats buiten de grenzen van het werkgebied geprojecteerd. Door de parkeerplaats in oostelijke richting op te schuiven, wordt de afstand tussen de ecologische zone en de parkeerplaats vergroot en hoeven de dieren de parkeerplaats niet meer over te steken om het bosgebied te kunnen bereiken.
Daarmee heeft de verplaatsing van de parkeerplaats juist een gunstiger effect voor de doelsoorten in dit gebied en de aaneengeslotenheid van het NNN dan wanneer de bestaande situatie zou worden gehandhaafd. Nader onderzoek of een nadere onderbouwing is daarom niet nodig. Het aspect ecologie staat daarmee niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.5 Externe veiligheid en overige risico's In het Besluit Externe Veiligheid zijn de risiconormen voor bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Het besluit heeft tot doel om zowel individuele burgers, als groepen een minimumbeschermingsniveau te bieden tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voor onderhavig verzoek geldt dat in de directe omgeving van het plangebied alleen de rijksweg A28 met 6570 tankauto's per jaar relevant is. Er zijn geen andere risicovolle objecten in de omgeving aanwezig (zie afbeelding 22).
Afbeelding 22: uitsnede Risicokaart Bron: www.risicokaart.nl
Adviesbureau Haver Droeze BNT
35
Gemeenten en provincies moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen. Het besluit is van toepassing op Wm-vergunningplichtige risicovolle inrichtingen en/of de nabijgelegen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. De verdeling tussen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Hierbij spelen het aantal, de verblijftijd, de fysieke of psychische gesteldheid van mensen en de aanwezigheid van adequate vluchtmogelijkheden een rol. De geldende regels zijn vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) en in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico in acht nemen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Een parkeerplaats wordt echter niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat een nadere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Het aspect externe veiligheid staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.6 Geluid In beginsel bevindt zich langs elke weg waar men harder mag rijden dan 30 km/uur een geluidzone.
Binnen deze zone zijn de regels van de Wet Geluidhinder van toepassing en moet onderzoek worden verricht naar de geluidbelasting door het wegverkeer op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Voor geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde 48dB. Aangezien dit bestemmingsplan niet voorziet in de bouw van een geluidgevoelige object (bijvoorbeeld woningen) of een geluidgevoelig terrein, kan een akoestisch onderzoek achterwege blijven. Volledigheidshalve wordt ten slotte opgemerkt dat het plangebied niet in een stiltegebied ligt. Het aspect geluid staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.7 Leidingen en andere belemmeringsstroken In het plangebied zijn geen buisleidingen of andere belemmeringsstroken aanwezig, zodat ook deze niet in de weg staan aan het verlenen van een omgevingsvergunning. 4.8 Luchtkwaliteit In Nederland gelden regels voor luchtkwaliteit; deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit 2007 die op 15 november 2007 in werking is getreden en als titel 5.2 deel uitmaakt van de Wet milieubeheer (Wmb). Hiermee is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen ter bescherming van het milieu en de leefkwaliteit. In 'artikel 5.16' is geregeld op welke wijze het aspect luchtkwaliteit in acht dient te worden genomen bij planvorming.
Indien één of meerdere grenswaarden niet worden overschreden na realisatie van het plan, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan, zelfs niet als het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Indien één of meerdere grenswaarden reeds worden overschreden voor realisatie van het plan, moet worden onderzocht in hoeverre het voorgenomen plan "in betekenende mate bijdraagt" aan de concentraties van de stof waarvoor de grenswaarden worden overschreden. De Uitvoeringsregels voor het bepalen van de luchtkwaliteit en de bijdrage van een plan daarin zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur "Niet in Betekenende Mate Bijdragen" en de Ministeriële regelingen: "Beoordeling Luchtkwaliteit 2007" en "Projectsaldering luchtkwaliteit 2007". Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het NSL is de definitie van "niet in betekenende mate" verschoven van 1% naar 3%.
36 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Indien een voorgenomen plan "niet in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alsnog doorgang vinden. Indien het plan wel "in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alleen doorgang vinden, indien de positieve effecten van dat plan -en/of de met het plan samenhangende maatregelenzodanig verbeteren dat per saldo geen verslechtering optreedt. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het NSL gecompenseerd met algemene maatregelen. Het verplaatsen van een bestaande parkeerplaats is niet opgenomen als categorie in de Regeling NIBM. Op grond van het feit dat de parkeerplaats in oppervlakte gelijk blijft en het aantal parkeerplaatsen niet wordt uitgebreid en ook de gebruikstijden niet wijzigen, is het aannemelijk dat er geen sprake zal zijn van een intensivering van het gebruik van de parkeerplaats. Mede gelet op het relatief beperkte aantal parkeerplaatsen (32 reguliere en 14 trailerparkeerplaatsen of in totaal 60 reguliere parkeerplaatsen) is het aannemelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de (verslechtering) van de luchtkwaliteit.
Om die reden is geen toetsing uitgevoerd aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. Nu geen sprake is van extra verkeersbewegingen, heeft het opnemen van een uitdraai / screenshot van de NIBM-tool in beginsel geen meerwaarde. Volledigheidshalve zijn echter de cijfers uit het verkeersonderzoek ingevoerd in de NIBM-tool als ware er sprake van een volledig nieuwe situatie. Ook in dat geval wordt de grens voor 'niet in betekenende mate' niet overschreden (zie afbeelding 23).
Afbeelding 23: uitsnede worst case berekening NIBM-tool Bron: https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/ Zoals hiervoor al aangegeven (zie onder meer paragraaf 2.4) zal het aantal gebruikers / verkeersbewegingen gelijk blijven ten opzichte van de bestaande situatie. Bovendien is het aantal bezoekers van de parkeerplaats met een weekdaggemiddelde van 206 dermate laag, dat de bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van omliggende woningen als gevolg van de parkeerplaats verwaarloosbaar is binnen de gegeven geluidbelasting en fijnstofontwikkeling als gevolg van Rijksweg A28, die hemelsbreed op nog geen 75m ligt. Het aspect luchtkwaliteit staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
37
4.9
Milieuzonering
4.9.1
Zonering parkeerplaats
Geluid Om hinder tussen (agrarische) bedrijven, of zoals in onderhavige situatie een parkeerplaats, en bijvoorbeeld woningen te voorkomen, is een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tussen milieu belastende activiteiten (zoals bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. Het perceel waar de parkeerplaats zal worden aangelegd is in de huidige situatie bestemd voor bos en natuurgebied. De dichtstbijzijnde woning ligt hemelsbreed op ruim 200m van de bestaande parkeerplaats. Als onderdeel van de verplaatsing zal de parkeerplaats niet meer haaks op maar parallel aan de Dodeweg georiënteerd zijn. Bovendien wordt de parkeerplaats verplaatst, zodat deze ten oosten van de fietsbrug komt te liggen. Hierdoor neemt de afstand tussen de parkeerplaats en de woning af. In gesprekken tussen het landgoed en de bewoner(s) van de betreffende woning is door de bewoner(s) aandacht gevraagd voor het voorkomen van geluid-, in de vorm van dicht slaande portieren en motorgeluid van voertuigen en lichtoverlast als gevolg van inschijnende koplampen van de auto's vanaf de parkeerplaats.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. Deze brochure kan ook worden gebruikt als hulpmiddel bij het bepalen van de met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan te houden afstand tussen een parkeerplaats en een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie maakt daarbij onderscheid tussen 2 gebiedstypen: een 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' of een 'gemengd gebied'. Gelet op de aanwezige functiemenging (Bedrijven/kantorenpark Leusderend, Instituut voor Wijsbegeerte met hotel en congresfaciliteit en de aanwezigheid van de Rijksweg A28, is hier sprake van een 'gemengd gebied'. In de VNG-uitgave wordt voor parkeerterreinen en parkeergarages (SBI-code 2008: 5221) een richtafstand van ten minste 30m genoemd. Deze afstand geldt in een rustige woonwijk en kan in gemengde gebieden met 1 afstandsstap worden verlaag tot 10m. In de nieuwe situatie is de afstand tussen de grens van het perceel van de dichtstbijzijnde woning en het parkeerterrein circa 75m.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering en kan zonder nader onderzoek worden gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning in relatie tot de verplaatsing van de parkeerplaats. Er is daarom geen aanleiding om nader (geluids)onderzoek te doen. Lichthinder Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het bepalen van lichthinder van openbare verlichting en voertuigverlichting. Evenmin is er een wettelijk kader dat lichtgevoelige functies definieert. Op de nieuwe parkeerplaats zal geen (openbare) verlichting worden geplaatst zodat dit aspect verder buiten beschouwing kan blijven.
38 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Met betrekking tot de lichthinder van voertuigen kan worden opgemerkt dat de parkeerplaats als onderdeel van het landgoed alleen is opengesteld tussen zonsopgang en zonsondergang. De afstand tussen de uiterste grens van de parkeerplaats en de dichtstbijzijnde woning bedraagt bijna 80m. De inrit naar de parkeerplaats wordt in de nieuwe situatie ook zo'n 80m in oostelijke richting verplaatst; de afstand tussen de inrit en de woning bedraagt in de toekomst zo'n 250m. De parkeerplaats is alleen opengesteld tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat – ook vanwege van de afstand, de tussenliggende bosstrook en de positionering van de woning - niet gevreesd hoeft te worden voor overlast van inschijnende koplampen in de woning. Het aspect lichthinder staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.9.2 Agrarische bedrijven In de ruime omgeving tot het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven. Een parkeerplaats is bovendien geen geurgevoelig object als bedoeld in de Wet Geurhinder en Veehouderij. Zodoende kan worden uitgesloten dat deze bedrijven nadelige gevolgen zullen ondervinden van de verplaatsing van de parkeerplaats of vice versa. 4.9.3 Overige bedrijven In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens een inventarisatie gemaakt van de bedrijven in de omgeving van het plangebied.
Immers door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gevestigd: Landgoed Internationale School voor Wijsbegeerte De Queeste (hotel en conferentieoord, SBIcode 5510) met een grootste richtafstand van 10m; Landgoed Leusderend (kantorenpark, SBI-code: 63) met een grootste richtafstand van 10m; Nog afgezien van het feit dat een parkeerplaats niet wordt aangemerkt als een 'geluidgevoelig object' of 'geluidgevoelig terrein' als bedoeld in artikel 84b eerste lid onder e Wgh, geldt dat ook indien wel gebruik zou moeten worden gemaakt van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009), ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden die hierin zijn opgenomen. Immers de afstand tot de dichtstbij gelegen bebouwing van ISVW bedraagt ruim 100m en de afstand tot de dichtstbijzijnde bebouwing van Landgoed Leusderend bedraagt ruim 200m. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een hotel op grond van jurisprudentie (ABRvS 17 maart 2004, ECLINL:RVS:2004:AO5659 r.o. 2.20.2) niet wordt aangemerkt als 'geluidgevoelig object' in de zin van de Wet Geluidhinder.
Ook kantoren zijn in de Wgh niet aangemerkt als 'geluidgevoelig object' zodat de grenswaarden uit de Wgh met betrekking tot wegverkeerslawaai hierop niet van toepassing zijn. Het aspect milieuzonering staat daarmee niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.10 Verkeer Vanuit verkeer is het belangrijk dat de nieuwe parkeerplaats niet knelt met het beoogde ecorecreaduct en dat de aansluiting van de nieuwe parkeerplaats op de Dodeweg verkeersveilig is. Als gezegd is bij het ontwerp voor het eco-recreaduct rekening gehouden met de verplaatsing van de parkeerplaats en vice versa. Daarmee staat vast dat de nieuwe parkeerplaats niet knelt met het ecorecreaduct. Met het oog op de verkeersveiligheid kan worden opgemerkt dat met de verplaatsing van de parkeerplaats ook de inrit in oostelijke richting wordt opgeschoven. Deze locatie is meer open en biedt meer overzicht dan de bestaande situatie, waarbij de inrit zicht direct naast de fietsbrug over rijksweg A28 bevindt. Ter hoogte van de nieuwe toegang zal een verkeersplateau worden aangelegd waar het landgoed conform afspraak aan mee betaalt. Een verkeersplateau werkt snelheidsremmend en markeert de nieuwe entree naar de parkeerplaats. Ten slotte zullen de verkeersstromen van voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer worden gescheiden.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
39
Zodoende kan worden gesteld dat de verplaatsing van de parkeerplaats de verkeersveiligheid verbetert. Over de nadere uitwerking vindt afstemming plaats met de verkeerskundige van de gemeente. Het aspect verkeer staat daarmee niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.11 Watertoets Een watertoets heeft als doel water als ordenend element vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daartoe zal in het kader van dit bestemmingsplan vooroverleg plaatsvinden met de waterbeheerder in het gebied (Waterschap Vallei en Veluwe). Uitgangspunt voor het hemelwater is dat dit volledig op eigen terrein wordt geïnfiltreerd in de bodem. In de bestaande situatie is het parkeerterrein voorzien van halfverharding in de vorm van puin. Deze puinlaag wordt verwijderd en het terrein wordt opnieuw ingeplant. De nieuwe parkeerplaats krijgt alleen een verhard entree. De rest van de parkeerplaats wordt voorzien van puinverharding. Het onderhoudspad blijft onverhard en het fietspad wordt voorzien van halfverharding (schelpenlaag), conform de bestaande situatie. In het kader van deze aanvraag is een digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging liggen.
Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het aspect water staat daarmee niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning.
40 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De gronden waarop de parkeerplaats aanwezig is en ook de gronden waar de parkeerplaats zal worden aangelegd, zijn eigendom van het landgoed. De realisatie van het plan vindt plaats voor rekening en risico van het landgoed. Ook betaalt het landgoed mee aan het verplaatsen van het verkeersplateau ter hoogte van de inrit van de nieuwe parkeerplaats op de Dodeweg. In het kader van het bepaalde in afdeling 6.4 Wro zijn afspraken gemaakt met de gemeente inzake kostenverhaal, planschade daaronder begrepen. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een exploitatieovereenkomst. De beoogde ontwikkelingen hebben daarmee geen financiële gevolgen voor de gemeente Leusden. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn meerdere gesprekken gevoerd met de bewoner(s) van de ten oosten van het parkeerterrein gelegen woning. Daarbij zijn de wensen met betrekking tot de aan te houden minimale afstand tussen de grens van het woonperceel en de parkeerplaats en ook het voorkomen van lichthinder zoveel mogelijk gehonoreerd. Het bleek uiteindelijk niet mogelijk om aan alle wensen van bewoner(s) tegemoet te komen. Ook het ISVW is door het landgoed geïnformeerd over het plan. Doordat de parkeerplaats op een grotere afstand tot het terrein van ISVW komt te liggen, brengt het plan geen nadelige gevolgen mee voor ISVW.
5.3 Verkennend initiatief Aangezien een eerdere aanvraag door de gemeente gedeeltelijk werd geweigerd, is ter voorbereidng op deze aanvraag het gewijzigde plan op 18 mei 2022 als 'verkennend initiatief' aan de gemeente voorgelegd. Het verkennend initiatief is op 13 september 2022 besproken in het Omgevingstafeloverleg. Het initiatief is ambtelijk positief beoordeeld en besproken met de verantwoordelijk wethouder, waarna is aangegeven dat de aanvraag omgevingsvergunning kon worden ingediend. De Ruimtelijke Onderbouwing is naar aanleiding van de uitkomsten van het Omgevingstafeloverleg aangepast en aangevuld.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
41
Bijlagen
42 (ontwerp)
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Bijlage 1
Inrichtingsvoorstel
Adviesbureau Haver Droeze BNT
43
Bijlage 2
44 (ontwerp)
Verkeerstelling
omgevingsvergunning Parkeerplaats Dodeweg
Bijlage 3
Quickscan ecologie
Adviesbureau Haver Droeze BNT
45