CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Programmabegroting 2025-2028- aanpassing bijlage D pagina 119 .pdf

BOB-avond beeld- en oordeelsvormende sessies 24 oktober 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: 2: RV Programmabegroting gemeente Leusden 2025-202837.705 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

205,7

Nieuw gebouwde woningen per 1.000 woningen

11,3

5,0

21,5

4,1

% Functiemenging

54,2

55,1

55,4

55,5

% Demografische druk

81,7

83,2

83,6

83,3

Indicator:

Banen per 1.000 inwoners 15-64 jaar

Toelichting: Bron:

Het aantal banen per 1.000 inwoners in de leeftijd van 15 tot en met 64 jaar. LISA Vestigingenregister/CBS

Indicator:

Vestigingen (van bedrijven) per 1.000 inwoners 15-65 jaar

Toelichting: Bron:

Aantal vestigingen van bedrijven per 1.000 inwoners in de leeftijd van 15 t/m 64 jaar LISA Vestigingenregister

48

Indicator:

Nieuw gebouwde woningen per 1.000 woningen

Toelichting: Bron:

Het aantal nieuwbouwwoningen per 1.000 woningen. ABF Research - BAG

Indicator:

% Functiemenging

Bron:

De functiemenging weerspiegelt de verhouding tussen banen en woningen en varieert tussen 0 (alleen wonen) en 100 (alleen werken). Bij een waarde van 50 zijn er evenveel woningen als banen. LISA Vestigingenregister/BAG

Indicator:

% Demografische druk

Toelichting:

De som van het aantal personen van 0 tot 20 jaar en 65 jaar of ouder in verhouding tot het aantal personen van 20 tot 65 jaar. Centraal Bureau voor de Statistiek - Bevolkingsstatistiek

Toelichting:

Bron:

49

6. Overhead Binnen het onderdeel overhead geven we inzicht in de kosten van de bedrijfsvoering. In de paragraaf Bedrijfsvoering geven we inzicht in de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het BBV geeft de volgende definitie van overhead die de gemeenten moeten hanteren: ‘alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces’. Door deze definitie is er een betere vergelijking te maken met andere gemeenten en kan de raad beter sturen op de kosten van de overhead. Tot de overhead behoren de volgende taken en functies: • Leidinggevenden primaire proces • Financiën, toezicht en controle gericht op eigen organisatie • P&O/HRM • Inkoop • Interne en externe communicatie • Juridische zaken • Bestuurszaken en bestuursondersteuning • Informatievoorziening en automatisering (ICT) • Facilitaire zaken, Wagenpark en Huisvesting • Document informatievoorziening (DIV) Deze kosten worden verantwoord op het taakveld overhead. De kosten van taken en functies in het primaire proces worden rechtstreeks doorberekend aan de betreffende taakvelden.

Toerekening grondexploitaties en investeringen In het BBV is een uitzondering gemaakt voor grondexploitaties en investeringen met betrekking tot het centraal begroten en verantwoorden. Deze uitzondering is ingevoerd, omdat het niet toerekenen van de overhead zou resulteren in een nadelig resultaat voor de algemene dienst. De jaarlijkse last zou dan namelijk ineens ten laste van het begrotingsresultaat komen in plaats van deze eerlijk te verdelen over het grondbedrijf, de onderhoudsvoorzieningen en de investeringen. De overhead die wordt doorberekend aan deze externe kostendragers bedraagt in 2025 € 440.000. Ten opzichte van de primitieve begroting 2023 (€ 470.000) is dit een afname van € 30.000.

Toerekening percentage overheadskosten Aan de leges en tarieven worden op de taakvelden geen overheadkosten toegerekend. Wel worden de overheadkosten buiten de begroting om toegerekend ten behoeve van de tariefstelling en om aan te tonen dat de gemeente met deze heffingen geen winst maakt. Hierbij wordt hetzelfde overheadpercentage gebruikt als voor de toerekening aan grondexploitaties en investeringen. Voor de toerekening in 2025 wordt het overheadpercentage van 88,6% toegepast. Dit is een afname van 13,21 ten opzichte van de primitieve begroting 2024 (101,8%). De afname komt doordat de apparaatskosten in het primaire proces meer gestegen zijn dan de overhead. Bedragen x € 1.000

De apparaatskosten 2025 zijn per saldo toegenomen met circa € 2.210.000 ten opzichte van de primitieve begroting 2024. De toename wordt grotendeels veroorzaakt door de loonstijging door CAO ontwikkeling en nieuw beleid. De stijging in het nieuwe beleid zit vrijwel geheel in het primaire proces. Grote posten zijn netcongestie en energietransitie.

50

Wat mag het onderdeel Overhead kosten? In onderstaande tabel worden alle uitgaven en inkomsten van alle taken die vallen onder dit domein inzichtelijk gemaakt. Bedragen x € 1.000 Exploitatie Lasten Baten Gerealiseerd saldo van baten en lasten Toevoeging aan reserves Onttrekking aan reserves Mutaties reserves Gerealiseerd resultaat

Werkelijk 2023 -10.181 576 -9.605 -118 288 170 -9.435

Begroting 2024 -10.940 232 -10.708 0 689 689 -10.019

Begroting 2025 -11.468 232 -11.236 0 224 224 -11.012

MJR 2026

MJR 2027

-11.420 232 -11.187 0 224 224 -10.963

MJR 2028

-11.218 232 -10.985 0 3 3 -10.982

-11.195 232 -10.962 0 3 3 -10.959

Saldo taakvelden Bedragen x € 1.000 Exploitatie 0.4 0.10 Resultaat

Overhead Toevoeging/onttrekking reserves

Werkelijk Begroting Begroting MJR 2026 MJR 2027 MJR 2028 2023 2024 2025 -9.605 -10.708 -11.236 -11.187 -10.985 -10.962 170 689 224 224 3 3 -9.435 -10.019 -11.012 -10.963 -10.982 -10.959

CUP en Nieuw beleid bedragen x € 1.000 2025

2026

2027

2028

2025

Incidenteel

2026

2027

2028

Structureel

Addendum CUP 2022-2026: Intensiveren verkrijgen subsidies (0,7 fte)

74,0

74,0

74,0

74,0

3,0

3,0

3,0

3,0

77

77

77

77

Nieuw beleid 2025: 1. Zonwering Huis van Leusden 0

0

0

0

BBV indicatoren

Formatie (FTE) per 1.000 inwoners

Werkelijk 2023 6,1 fte

Begroting primitief 2024 5,9 fte

Begroting primitief 2025 6,1 fte

Bezetting (FTE) per 1.000 inwoners

4,9 fte

4,9 fte

4,8 fte

Apparaatskosten per inwoner Kosten inhuur externen als % van totale loonsom plus totale kosten inhuur externen

€ 619

€ 685

€ 748

32,0%

6,0%

4,4%

11,5%

12,4%

12,3%

Omschrijving

Overhead (% van de totale lasten)

Indicator:

Formatie (FTE) per 1.000 inwoners

Toelichting: Bron:

Uitgangspunt is het vastgestelde/toegestane formatieplan gedurende het jaar 1 FTE is het equivalent van een 36-urige werkweek. Eigen gegevens

Indicator:

Bezetting (FTE) per 1.000 inwoners

51

Toelichting:

Bron:

Voor de begroting is het uitgangspunt de werkelijke bezetting per 1 januari van het vorige jaar. Voor het jaarverslag wordt het gemiddelde van de werkelijke bezetting op 1 januari en 31 december berekend. Eigen gegevens

Indicator:

Apparaatskosten per inwoner

Toelichting:

Bron:

Apparaatskosten (ofwel organisatiekosten) zijn de noodzakelijke financiële middelen voor het inzetten van personeel (salarissen), organisatie-, huisvestings-, materieel-, automatiseringskosten en dergelijke voor de uitvoering van de organisatorische taken. Apparaatskosten zijn dus alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de organisatie, exclusief griffie en bestuur. Eigen rekening

Indicator:

Kosten inhuur externen als % van totale loonsom plus totale kosten inhuur externen.

Toelichting:

Het betreft onder andere inzet van uitzendkrachten, zzp'ers of detachering. Dit kan inhuur zijn voor tijdelijke vervanging of specialistische kennis. Kenmerkend is dat de inhuurkracht een plaats krijgt in de hiërarchie van de organisatie.

Bron:

Eigen rekening

Indicator:

Overhead (% van de totale lasten)

Toelichting:

Dit betreft de verantwoorde overheadkosten (exclusief reservemutaties). Deze kosten moeten worden gedeeld door het totaal saldo van de lasten (exclusief toevoegingen aan reserves). Eigen rekening

Bron:

52

7. Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien Algemeen In de vier domeinen van deze begroting zijn de specifieke lasten en baten per domein opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente ook lasten en baten die niet aan een domein zijn toe te rekenen. Het betreft de algemene uitkering, de algemene belastingen, de financiering, de onvoorziene uitgaven, de stelposten en de vennootschapsbelasting. Deze nemen we op bij de Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien. Onderstaand geven wij een toelichting per taakveld.

0.5 Treasury bedragen x € 1.000 2025

2026

2027

2028

Rente inkomsten uitgezette leningen duurzaamheid scholen

10

9

8

7

Rente inkomsten overig

418

417

406

395

-8

-8

-8

-8

419

419

407

395

Rente lasten aangetrokken leningen duurzaamheid scholen Dividenduitkering Vitens

63

63

63

63

Resultaat begroting

482

482

470

458

0.61 en 0.62 Onroerende zaakbelastingen De opbrengst van de OZB stijgt met 2% inflatiecorrectie.

0.64 Overige belastingen Tot dit taakveld behoort de precariobelasting. De tarieven van de precariobelasting 2025 worden aangepast met 2% inflatiecorrectie.

0.7 Algemene uitkering en overige uitkeringen gemeentefonds Algemeen De algemene uitkering vormt de belangrijkste inkomstenbron van de gemeente. De totale inkomsten van deze begroting worden geraamd op € 91,7 miljoen. Het aandeel van de algemene uitkering hierin bedraagt 55%. Ter vergelijking: de algemene belastingen zorgen voor ongeveer 11% van de inkomsten. Deze verhoudingen geven aan dat de afhankelijkheid van gemeenten van de algemene uitkering groot is. Op taakveld 0.7 “Algemene Uitkering en overige uitkeringen gemeentefonds” wordt voor 2025 een bedrag geraamd van € 53.130.700. Dit bedrag bestaat uit de algemene uitkering van € 50.231.400, de Integratie-Uitkering Participatie van € 1.487.800, overige decentralisatieen Integratie-Uitkeringen van € 265.000 en een stelpost aan de uitgavenkant van € 1.146.500 voor onder andere taakmutaties gemeentefonds, de stelpost BTW compensatiefonds en de te verwachten extra middelen jeugdzorg. Meerjarenperspectief algemene uitkering De algemene uitkering wordt voor 2025 geraamd op € 50.231.400. Het meerjarenperspectief over de periode 20252028 laat zien dat de algemene uitkering in 2026 daalt naar € 47.390.300 en in de jaren daarna toeneemt naar respectievelijk € 48.046.300 in 2027 en € 48.529.300 in 2028. De daling in 2026 wordt veroorzaakt door het financiële ravijn waarbij een andere financieringssystematiek wordt gehanteerd.

De financiële effecten van het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof zijn nog niet in de algemene uitkering verwerkt en zullen naar verwachting voor een deel in de komende septembercirculaire worden meegenomen.

53

Middelen jeugdzorg In de hervormingsagenda Jeugd zijn afspraken gemaakt over de besparingsmaatregelen en de benodigde investeringen in de jeugdzorg. Daarbij is een meerjarig financieel kader opgenomen. De gemeenten hebben in het voorjaar 2023 extra geld gekregen voor 2024 (€ 1,36 miljard) en voor 2025 (€ 859 miljoen). De bedragen voor 2026 en verder zijn nog niet toegevoegd aan het gemeentefonds en staan op een stelpost van de rijksbegroting. De toezichthouder heeft aangegeven dat gemeenten rekening mogen houden met deze extra te verkrijgen middelen. Daarnaast mogen ze aan de lastenkant een besparing van € 500 miljoen opnemen waarbij het Rijk garant staat als deze niet wordt gerealiseerd. Het nieuwe kabinet heeft al aangegeven dat deze taakstelling voor de jaren t/m 2027 kan vervallen. De jeugdzorg blijft een dossier met een hoog risicoprofiel. Dit komt ook door de beperkte invloed die we hebben op zowel de toename van de jeugdzorgkosten als de door het Rijk ingeboekte kortingen. Daarmee blijft de financiële impact op onze begroting onzeker. We zullen actief onze bijdrage leveren aan de hervormingsagenda Jeugd met als uitgangspunt een goede hulp en ondersteuning voor onze jeugdigen. Herijking Gemeentefonds Vanaf 2023 zijn de nieuwe verdeelmodellen van het gemeentefonds ingevoerd.

De daarbij ontstane herverdeeleffecten zijn met een ingroeipad over 3 jaar afgetopt op maximaal € 37 per inwoner. Dit ingroeipad wordt zoals gebruikelijk verwerkt in een suppletie‐uitkering. De bedragen voor 2026 en verder voor de suppletie-uitkering zijn afhankelijk van verdere besluitvorming en een evaluatie van de verdeelmodellen die staat gepland voor 2025. In afwachting hiervan is ervoor gekozen om voor 2026 en verder uit te gaan van de stand 2025 en dus de suppletieuitkering door te trekken. In de meicirculaire 2024 worden geen nieuwe ontwikkelingen benoemd. Bij een verdere trapsgewijze doorvoering van de herverdeeleffecten tot het werkelijke herverdeeleffect, bedraagt het nadeel voor Leusden € 74,70 per inwoner. Het risico van een aanvullend nadelig herverdeeleffect hebben wij meegenomen in de risicoparagraaf. Mogelijke wijzigingen in de verdeelmodellen hebben directe gevolgen voor de omvang van de algemene uitkering voor Leusden. Meicirculaire 2024 De raming van de algemene uitkering in deze begroting is gebaseerd op de meicirculaire 2024. De meicirculaire verscheen na het opstellen van de Voorjaarsnota 2024. Vlak voor het afronden van deze begroting is de septembercirculaire 2024 verschenen. De financiële gevolgen van deze circulaire worden verwerkt in de Voorjaarsnota 2025 en hierover wordt separaat gerapporteerd via de raadsinformatiebrief.

In de memo meicirculaire 2024 is het budgettaire resultaat van de meicirculaire weergegeven: bedragen x € 1.000 Incidentele korting Gemeentefonds 2025 Schrappen verdere doorvoering opschalingskorting Bijstellen stelpost BTW- compensatiefonds Resultaat begroting

2025 -863 491 -372

2026 861 491 1.352

2027 859 491 1.350

2028 857 491 1.348

Accres ontwikkeling In deze begroting is een nieuwe accresraming opgenomen voor 2025 en verder waarbij de invoering van een nieuwe financieringssystematiek is vervroegd van 2027 naar 2024. Dat betekent dat de ”trap op trap af” systematiek definitief is losgelaten en dat de koppeling van het volumeaccres aan de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp, 8 jarig historisch gemiddelde) vanaf dit jaar wordt ingevoerd. Als gevolg daarvan dalen het volume- en LPO accres voor de jaren 2024 tot en met 2029. De nadelige effecten van deze vervroegde overstap worden door het rijk incidenteel gecompenseerd zodat er voor de gemeenten geen nadelig saldo zal ontstaan. Financiële verhoudingen Gemeente - Rijk Vanaf 2026 ontstaat er grote financiële onzekerheid voor gemeenten over de te verwachten middelen vanuit het Rijk. Het is nog niet duidelijk welke financiële impact de voornemens van het kabinet Schoof zullen hebben op de gemeentefinanciën. Wel heeft het nieuwe kabinet aangegeven de taakstellingen op de jeugdzorg ook voor 2026 en 2027 te willen schrappen en is zij voornemens om de Specifieke Uitkeringen (SPUKS), onder een gelijktijdige efficiencykorting van 10%, over te hevelen naar het gemeentefonds.

Daarnaast heeft het kabinet aanvullende middelen binnen haar begroting gereserveerd om voor de kostenstijgingen WMO een aparte indexeringssystematiek in te voeren die beter aansluit bij de werkelijke kostenontwikkeling waar gemeenten mee te maken hebben. Tot slot

54

staat in het hoofdlijnenakkoord dat het Rijk met gemeenten nadere afspraken wil maken over de maximaal toegestane stijging van de gemeentelijke onroerende zaakbelasting. Het hoofdlijnenakkoord zal verder worden uitgewerkt in een regeerprogramma dat naar verwachting begin september zal verschijnen. De nieuw ingevoerde financieringssystematiek biedt voor gemeenten nog onvoldoende perspectief voor de langere termijn. Wellicht biedt de koppeling van het accres aan de bbp-ontwikkeling wel meer continuïteit maar de vraag is of gemeenten daarmee de door het Rijk aan hen opgedragen medebewindstaken (zorg, klimaat, etc.) naar behoren kunnen uitvoeren. De gemeenten roepen de VNG op om snel aan tafel te gaan met het nieuwe kabinet om het hoofdlijnenakkoord uit te werken tot een voor gemeenten werkbaar regeerprogramma. Daarbij moeten de door het Rijk aan de gemeenten opgedragen taken en de daarvoor benodigde middelen in evenwicht zijn. Mocht het nieuwe regeerprogramma onvoldoende balans bieden dan zal de VNG haar leden raadplegen over de te nemen vervolgstappen. De nieuwe Financiële verhoudingswet, waarin nieuwe soorten uitkeringen worden ingesteld, treedt in werking op 1 januari 2027. Daarmee is de aanvankelijke planning, ondanks aandringen van de VNG en het Inter Provinciaal Overleg (IPO) om meer tempo te maken met de invoering van deze Wet, opnieuw uitgesteld.

Wel is bekend dat zowel de decentralisatie-uitkeringen als de integratie-uitkeringen zullen worden omgevormd tot ”bijzondere fondsuitkeringen” (BFU). De BFU moet een volwaardig alternatief vormen voor de specifieke uitkering zodat er minder specifieke Uitkeringen (SPUKS) komen. Voor zo ver er nog wel SPUKS zijn, zullen deze minder belastend in de uitvoering moeten worden voor zowel de gemeenten als het Rijk.

0.8 Overige baten en lasten Onder dit taakveld vallen de stelposten, waaronder loon- en prijsstijgingen en het Centraal knelpuntenbudget, de post onvoorziene uitgaven algemeen en de incidentele baten en lasten. Hieronder geven wij een totaaloverzicht.

bedragen x € 1.000 Stelposten Onvoorziene uitgaven algemeen Incidentele baten en lasten Totaal

2025 -617 -64 7 -674

2026 -829 -65 7 -887

2027 -923 -65 7 -981

2028 -967 -66 7 -1.026

Stelposten In de begroting is een aantal stelposten opgenomen. Onderstaand geven wij u een totaaloverzicht.

bedragen x € 1.000 1. Loon- en prijsstijgingen 2. Centraal knelpuntenbudget (personeelslasten) 3. 0,5% buffer (personeelslasten) Totaal stelposten

2025 -282 -306 -29 -617

2026 -401 -306 -122 -829

2027 -404 -306 -213 -923

2028 -357 -306 -304 -967

De belangrijkste stelposten lichten wij kort toe: ad 1. Op deze stelpost is een buffer voor te verwachte loon- en prijsstijgingen opgenomen die nog niet functioneel (op de betreffende budgetten) kan worden geraamd. ad 2./3. Het betreft hier in de begroting opgenomen stelposten voor het opvangen van personele knelpunten als gevolg van vacatures, ziekte of capaciteitstekort (centraal knelpuntenbudget) en het opvangen van autonome loonstijgingen (periodieken) e.d. Onvoorziene uitgaven algemeen Deze stelpost is bedoeld voor incidentele aanwending gedurende het begrotingsjaar. De raming 2025 is gebaseerd op een bedrag van € 2 per inwoner en bedraagt afgerond € 64.000 (31.980 inwoners x € 2).

55

Incidentele baten en lasten Dit zijn baten en lasten die niet aan een specifiek taakveld zijn toe te rekenen.

0.9 Vennootschapsbelasting Onder dit taakveld worden de geraamde lasten vennootschapsbelasting opgenomen naar aanleiding van de invoering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheden per 1 januari 2016. De raming die is opgenomen is de verwachte vennootschapsbelasting. Vrijwel het grootste gedeelte hiervan heeft betrekking op de opbrengsten van de grondexploitaties. Zie hiervoor ook de paragraaf ‘Grondbeleid’ opgenomen in deze begroting.

3.4 Economische promotie Tot dit taakveld behoort de toeristenbelasting. De tarieven van de toeristenbelasting 2025 worden aangepast met 2% inflatiecorrectie.

6.3 Inkomensregelingen Het betreft de kosten voor kwijtschelding van gemeentelijke afvalstoffen- en rioolheffing.

Wat mag het onderdeel Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien kosten? In onderstaande tabel worden alle uitgaven en inkomsten van alle taken die vallen onder dit domein inzichtelijk gemaakt. Bedragen x € 1.000 Exploitatie Lasten Baten Gerealiseerd saldo van baten en lasten Toevoeging aan reserves Onttrekking aan reserves Mutaties reserves Gerealiseerd resultaat

Werkelijk Begroting Begroting 2023 2024 2025 -985 -1.741 -995 59.390 61.432 64.071 58.406 59.691 63.076 -16.144 -4.451 0 16.200 4.531 0 56 80 0 58.462 59.771 63.076

MJR 2026

MJR 2027

MJR 2028

-225 61.451 61.227 0 0 0 61.227

-206 62.216 62.011 0 0 0 62.011

-273 62.745 62.472 0 0 0 62.472

Saldo taakvelden Bedragen x € 1.000 Exploitatie

0.5 0.61 0.62 0.64 0.7 0.8 0.9 3.4 6.3 0.10 Resultaat

Werkelijk 2023 Treasury OZB woningen OZB niet-woningen Belastingen overig Alg. uitk. en overige uitk. gemeentefonds Overige baten en lasten Vennootschapsbelasting Economische promotie Inkomensregelingen Toevoeging/onttrekking reserves

697 4.878 3.542 47 48.970 96 54 254 -133 56 58.462

Begroting 2024 481 5.853 3.914 26 50.136 -715 0 156 -160 80 59.771

Begroting 2025 482 6.066 4.026 26 53.131 -674 0 180 -162 0 63.076

MJR 2026 482 6.127 4.026 26 51.435 -887 0 180 -162 0 61.227

MJR 2027 470 6.183 4.026 26 52.270 -981 0 180 -162 0 62.011

MJR 2028 458 6.217 4.026 26 52.753 -1.026 0 180 -162 0 62.472

56

BBV indicatoren De verplichte beleidsindicatoren worden per domein weergegeven. De indicatoren staan op waarstaatjegemeente.nl en zijn daar ook te raadplegen. Op de website kunnen ook vergelijkingen worden gemaakt met andere gemeenten. Omschrijving

2020

2021

2022

2023

Gemiddelde WOZ waarde woningen (x€1.000)

341

360

391

448

Gemeentelijke woonlasten éénpersoonshuishoudens (in euro's)

707

723

776

793

Gemeentelijke woonlasten meerpersoonshuishoudens (in euro's)

726

740

795

811

Indicator:

Gemiddelde WOZ waarde woningen (x€1.000)

Toelichting: Bron:

De gemiddelde WOZ waarde van woningen. Centraal Bureau voor de Statistiek – Statistiek Waarde Onroerende Zaken

Indicator:

Gemeentelijke woonlasten éénpersoonshuishoudens (in euro's)

Toelichting: Bron:

Het gemiddelde totaalbedrag per jaar in euro's dat een éénpersoonshuishouden betaalt aan woonlasten. Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO)

Indicator:

Gemeentelijke woonlasten meerpersoonshuishoudens (in euro's)

Toelichting:

Het gemiddelde totaalbedrag in euro's per jaar dat een meerpersoonshuishouden betaalt aan woonlasten. Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO)

Bron:

57

8. Paragrafen

58

A. Paragraaf lokale heffingen Kader In de Gemeentewet en in enkele bijzondere wetten is geregeld welke lokale heffingen de gemeente aan de inwoners en bedrijven mag opleggen. Leusden kent de volgende heffingen, op basis van door de raad vastgestelde verordeningen: Belastingen waarvan de opbrengst voor de gemeente vrij besteedbaar is: OZB, toeristenbelasting, precariobelasting; Belastingen om kosten mee te verhalen: de bestemmingsheffingen en rechten. De opbrengst is niet vrij besteedbaar maar moet worden besteed aan specifieke taken die worden uitgevoerd op basis van een gemeentelijke zorgplicht of aan specifieke dienstverleningen. Hiertoe behoren de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten, rioolheffing, rioolaansluitrecht, leges, en lijkbezorgingsrechten. In het Coalitieakkoord 2022-2026 is vastgelegd dat bij het zoeken naar oplossingen voor tegenvallers pas in laatste instantie wordt gekeken naar lastenverzwaring door bijvoorbeeld verhoging van de OZB. Eerst wordt gekeken naar oplossingen binnen het beleidsterrein of domein waar een tekort ontstaat, vervolgens naar oplossingen binnen de hele begroting, pas daarna naar lastenverzwaring. Voor gemeentelijke dienstverleningen en activiteiten die worden verricht op basis van een zorgplicht is het principe van streven naar kostendekkendheid uitgangspunt.

Bestuurlijke samenvatting De tarieven stijgen in 2025 met 2% inflatie. De tarieven van de afvalstoffenheffing (vaste en variabele deel) stijgen met 5%. Het rioolheffing tarief stijgt met € 3,25. Bij elkaar genomen verwachten we voor Leusdense huishoudens met eigen woning een woonlastentoename van gemiddeld 2,9%. De lokale woonlasten blijven in 2025 beneden het landelijk en provinciaal gemiddelde.

Uitgangspunten tarieven 2025 De tarieven van belastingen en heffingen zijn verhoogd met 2% in verband met de ontwikkeling van de inflatie.

Kwijtschelding Voor inwoners met de laagste inkomens bestaat de mogelijkheid om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding is mogelijk voor de afvalstoffenheffing en rioolheffing. De gemeente voert een ruimhartig kwijtscheldingsbeleid. Daar waar de wetgever verruimingen toestaat, zoals bijvoorbeeld voor kleine ondernemers/ZZP-ers, passen we die toe.

Afvalstoffenheffing In de reinigingsbegroting nemen de kosten van de afvalinzameling en -verwerking toe als gevolg van diverse ontwikkelingen. Onder meer de kosten voor het verwerken van restafval nemen toe. Per saldo stijgt het vaste tarief van de afvalstoffenheffing met € 12. Dat is een toename met 5%. Ook de variabele tarieven stijgen met 5%. In de egalisatievoorziening zijn geen middelen beschikbaar om aan de inwoners terug te geven via tariefverlaging. Bij een variabel tarief van € 1,68 voor een 60 liter afvalzak betaalt een huishouden naar verwachting gemiddeld € 280,56 aan afvalstoffenheffing: € 252 (vast tarief) + gemiddeld 17 aanbiedingen x 1,68 = € 28,56 (variabel tarief).

59

Opbrengst Begroting 2025:

Belastingen: - OZB - Toeristenbelasting - Precariobelasting Heffingen en rechten: - Afvalstoffenheffing/reinigingsrecht

Beleidsmatige aanpassing:

Kwijtschelding:

10.475.800 180.000 32.000

- Rioolheffing - Rioolaansluitrecht - Lijkbezorgingsrechten - Leges Totaal:

Opbrengst inclusief kwijtschelding: 10.475.800 180.000 32.000

3.837.800

- 100.000

3.737.800

2.367.000 5.000 40.500 1.410.500

- 62.000

2.305.000 5.000 40.500 1.410.500 18.186.600

Procentuele verdeling lokale heffingen 0,2% 7,8%

OZB

12,7%

Toeristenbelasting Precariobelasting

20,6%

57,5%

Afvalstoffenheffing Rioolheffing Lijkbezorgingsrecht Leges

0,2% 1,0%

Ontwikkeling lokale lastendruk Tot de gemeentelijke woonlasten worden gerekend de bedragen die huishoudens betalen aan OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing. In de tabel hieronder is aangegeven hoe de ontwikkelingen voor een gemiddeld Leusdens huishouden uitwerken op basis van de genoemde uitgangspunten. Het gaat om eigenaren/bewoners van een woning met gemiddelde WOZ-waarde en om woninggebruikers/huurders. Voor elk afzonderlijk huishouden zal de feitelijke lastenontwikkeling anders kunnen zijn dan in het overzicht hierna vermeld. Het is afhankelijk van de waarde van de eigen woning ten opzichte van het gemiddelde, van het aanbiedgedrag van restafval, en van de vraag of men in aanmerking komt voor kwijtschelding. Met inachtneming van deze kanttekeningen ontstaat het volgende beeld van de ontwikkeling van de woonlastendruk: Woonlastendruk

2024

2025

€ 453,74

€ 462,89

€ 267,20 € 162,70

€ 280,56 € 165,95

Totaal: 1. Woninggebruikers/huurders: € 429,90 2. Woningeigenaren/-gebruikers: € 883,64 *) gemiddelde woningwaarde per 1-1-2023, bron: GBLT

€ 446,51 € 909,40

OZB, gemiddelde WOZ-waarde € 457.400 *) - woningeigenaren: Afvalstoffenheffing - gemiddeld per huishouden: Rioolheffing:

%

+ 3,9% + 2,9%

60

Op basis van deze cijfers stijgen de woonlasten voor huishoudens met een eigen woning gemiddeld met 2,9%. Voor huurders nemen de aan de gemeente te betalen woonlasten gemiddeld toe met 3,9%.

Kostenonderbouwingen heffingen Het BBV schrijft voor dat in deze paragraaf een overzicht van baten en lasten wordt opgenomen voor de heffingen waarbij sprake is van het verhalen van kosten. De overzichten treft u hierna aan (alle bedragen zijn x € 1.000). 1. Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht Kosten taakvelden: 2.1 Verkeer en vervoer (vegen) 6.3 Inkomensregelingen (kwijtschelding) 7.3 Afval Baten taakvelden: 7.3 Afval Netto kosten

-/- 703 2.875

Overig toe te rekenen kosten: Overhead Rente BTW Totale kosten

318 11 634 3.838

Opbrengst heffingen: Bijdrage uit egalisatievoorziening:

95 100 3.383

3.838 0 3.838

Dekking

100%

Beleidsuitgangspunten reinigingsheffingen: De gemeente streeft naar kostendekkendheid op begrotingsbasis. Overschotten en tekorten die jaarlijks bij de jaarrekening ontstaan worden verrekend met de egalisatievoorziening afvalstoffenheffing. De buffer van deze voorziening is vastgesteld op € 100.000. Dit is de norm voor de ondergrens. Als in de voorziening een overschot ontstaat ten opzichte van deze norm dan wordt dit bij de tariefstelling in het eerstvolgende jaar betrokken. Er is geen overschot dat in 2025 aan de inwoners kan worden teruggegeven ten laste van de voorziening. Veegkosten worden voor 25% toegerekend. 2. Rioolheffing Kosten taakvelden: 2.1 Verkeer en vervoer (vegen) 6.3 Inkomensregelingen (kwijtschelding) 7.2 Riolering Overig toe te rekenen kosten: Overhead BTW Totale kosten Opbrengst heffingen: Dekking

190 62 1.500 1.752 305 315 2.372 2.372 100%

Beleidsuitgangspunten rioolheffing: De gemeente streeft naar kostendekkendheid over de totale looptijd van de riolering. De kostendekkendheid van de riool- en waterzorgtaken wordt periodiek bepaald en cijfermatig onderbouwd in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De saldi worden jaarlijks toegevoegd dan wel onttrokken aan de voorziening egalisatie rioolbeheer. Veegkosten worden voor 50% toegerekend. 3. Lijkbezorgingsrechten Kosten taakveld: 7.5 Begraafplaatsen en crematoria

156

Overig toe te rekenen kosten: Overhead BTW Totale kosten

58 20 234

Opbrengst heffingen: Dekking

41 18%

61

4.

Leges Directe kosten

Overhead

Overige kosten

BTW

Hoofdstuk 1 - burgerlijke stand - reisdocumenten - rijbewijzen - verstrekkingen basisregistratie - overige publiekszaken - bijzondere wetten

38 131 63 23 6 102

32 113 55 20 5 88

2 183 40 17 -

1 39 8 3 -

73 466 166 43 31 190

36 355 126 16 25 146

49% 76% 76% 37% 81% 77%

Hoofdstuk 2 - omgevingsvergunningen bouw - overige activiteiten

718 18

626 16

48 28

10 -

1.402 62

946 5

67% 8%

Hoofdstuk 3 - horeca - evenementen - standplaatsen - kinderopvang

10 22 2 4

9 22 1 -

-

-

19 44 3 4

4 2 2 4

21% 5% 67% 100%

1.137

987

318

61

2.503

1.667

67%

Totaal

Totale kosten

Opbrengst leges

Dekking %

Beleidsuitgangspunten leges: De gemeente streeft naar kostendekkendheid van de leges op verordening niveau, met de mogelijkheid van kruissubsidiëring tussen onderdelen van de tarieventabel. Voor hoofdstuk 3 geldt de Europese Dienstenrichtlijn wat betekent dat dienstverleningen per afzonderlijk onderdeel niet bovenkostendekkend mogen zijn. Bij het streven naar kostendekkendheid wordt opgemerkt dat het in sommige gevallen niet opportuun is om dekkende tarieven te rekenen uit oogpunt van maatschappelijke aanvaardbaarheid of vanwege doelstellingen die de gemeente met bepaalde vergunningen nastreeft. Voorbeelden zijn het verlenen van bepaalde vergunningen zoals voor het houden van een collecte waarvan de opbrengst bestemd is voor een ideëel doel, en het verlenen van een kapvergunning. In deze gevallen ligt voor de hand om tarieven beneden de kostprijs vast te stellen, dit ook ter beperking van het risico dat betreffende vergunningen niet meer worden aangevraagd. Voor de tariefstelling van reisdocumenten en rijbewijzen wordt aangesloten bij de wettelijke voorschriften voor maximaal toegestane tarieven. Dit vormt eveneens een beperking om dekkende tarieven vast te stellen.

62

B. Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing Inleiding Deze paragraaf heeft als doel: - inzicht geven in het beleid van de gemeente Leusden met betrekking tot risico`s, - het totaal aan financiële risico`s afzetten tegen de beschikbare middelen en - inzicht in en beoordeling van de financiële positie geven aan de hand van kengetallen. In lijn met de nieuwe Nota Risicomanagement en Weerstandvermogen 2024 is er een aantal wijzigingen doorgevoerd in deze paragraaf. Zo wordt er onderscheid gemaakt tussen incidentele en structurele risico`s, en de daarvan afgeleide, benodigde weerstandscapaciteit. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in risico’s van de algemene dienst en die van het grondbedrijf. Per domein wordt het risicobedrag weergegeven en per domein worden de grootste risico’s beschreven.

Kaderstelling -

Het Besluit begroting en verantwoording (BBV), artikel 9 en 11 Nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen 2024

Weerstandsvermogen Beschikbare weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen of mogelijkheden (buffers) waarover de gemeente beschikt om niet begrote kosten te dekken. Onderscheid wordt gemaakt in incidentele en structurele weerstandscapaciteit. De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit incidentele middelen, zoals reserves. De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit structurele middelen, zoals een exploitatieoverschot/tekort, lokale belastingmogelijkheden. De beleidsvrije ruimte in de begroting is ook een vorm van structurele ruimte, echter is deze vooralsnog lastig financieel te kwantificeren. Daarom is dit laatste niet meegenomen in onderstaande tabel. De verwachte beschikbare weerstandscapaciteit per 1 januari 2025 is als volgt: Beschikbare weerstandscapaciteit

Incidenteel

Structureel

Totaal

2025

2025

2025

Structureel 2026

Algemene reserve per 1 januari

14.879

14.879

Algemene reserve grondbedrijf per 1 januari

1.144

1.144

Stelpost onvoorzien Saldo incidentele baten en lasten

Totaal incidenteel Structureel begrotingssaldo

64

64

-1.811

-1.811

2027

2028

16.087 1.054

1.054

-2.152

-2.011

-1.662

Onbenutte belastingcapaciteit (t.o.v. landelijke gemiddelde)

1.161

1.161

1.161

Totaal structureel

-991

-850

-501

Totaal beschikbaar

15.330 Bedragen x € 1.000

Benodigde weerstandscapaciteit Om de benodigde weerstandscapaciteit te bepalen, is een inschatting gemaakt van de financiële risico´s die de gemeente loopt. Per risico is geschat hoe groot de kans is dat het zich voor kan doen (kans) en welke financiële impact dit dan zou kunnen hebben. De uitkomst van de risico-inventarisatie per juni 2024 is samengevat in onderstaande tabel:

63

Benodigde w eerstandscapaciteit

Restrisico 2025

Risico profiel Risico bedrag 2025*

2025

Structureel risico bedrag 2026

2027

2028

Bestuur

12.595

15%

1.890

375

375

Leefomgeving

3.350

52%

1.738

200

200

200

Samenleving

5.272

43%

2.289

1.527

1.527

1.527

375

Ruimte

5.398

22%

1.161

-

-

-

Totaal

26.615

27%

7.077

2.102

2.102

2.102

Bedragen x € 1.000

* Dit percentage geeft het risicoprofiel aan van het domein. Dit wordt berekend door het risicobedrag te delen door het restrisico.

Toelichting risico’s Algemeen risicoprofiel Het risicoprofiel wordt positief beïnvloed, doordat de voorjaarsnota van het Rijk naar verwachting positieve financiële ontwikkelingen laat zien voor de gemeenten. Zo neemt de algemene uitkering toe door het vervallen van het 2e deel van de opschalingskorting, wordt de indexering van de algemene uitkering met terugwerkende kracht bijgesteld en vervalt de extra korting op de jeugdzorg. Hierdoor neemt het risicoprofiel in onze begroting af. Anderzijds blijft nog een aantal grote risico’s van kracht, zoals de herijking van het gemeentefonds en de tweede tranche van de hervormingsagenda van de jeugdzorg. Het Rijk heeft zelf nog steeds te maken met financiële tekorten, waardoor nieuwe kortingen kunnen ontstaan. De komst van de nieuwe regering kan ook van grote invloed zijn voor de gemeenten. Bijvoorbeeld voor de omvang van het gemeentefonds, de woningbouwopgave en de Spreidingswet. Domein bestuur De risico’s binnen het domein bestuur zijn vooral externe risico’s die moeilijk te beheersen zijn. De daling van de algemene uitkering en de uitgezette leningen vormen in dit domein de grootste risico’s qua financiële impact. Domein Leefomgeving De risico’s binnen het domein leefomgeving betreffen vooral incidentele risico’s binnen de vastgoedportefeuille.

Met name onuitstelbaar groot onderhoud voor het zwembad en de Korf zijn de grootste risico’s qua financiële impact. Een structureel risico betreft de inwerkingtreding van de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen (WKB), waardoor bouwleges kunnen afnemen. Domein Samenleving Dit betreffen risico’s binnen het sociaal domein. De grootste structurele risico’s zijn de 2 e tranche kortingen voor de jeugdzorg n.a.v. de hervormingsagenda en de toename van kosten bij samenwerkingspartners door een hogere toestroom van cliënten en stijgende personeelskosten. Een groot incidenteel risico betreft de hoog specialistische zorg voor enkele jeugdigen. Er is ook een risico vervallen. Dit betreft het risico dat het Rijk zijn garantieafspraak niet nakomt over de extra korting op de jeugdzorg uit 2023. Het Rijk heeft deze korting teruggedraaid. Domein Ruimte Binnen het domein ruimte is het risico voor de huisvesting van de doelgroepen vanwege de spreidingswet de grootste. Hiervoor is echter geen bedrag opgenomen in het weerstandvermogen, omdat er een aparte bestemmingsreserve voor beschikbaar is. Daarnaast vormen de stijgende bouwprijzen en onzekere ontwikkelingen in het grondbedrijf de grootste risico’s qua financiële impact.

Ratio weerstandsvermogen De ratio wordt bepaald door de berekende beschikbare weerstandscapaciteit (hoeveel niet bestemde middelen zijn er beschikbaar) te delen door de berekende benodigde weerstandscapaciteit (financiële risico`s). De ratio weerstandsvermogen laat de volgende ontwikkeling zien:

64

Conclusie weerstandsratio De ratio van 2,2 valt boven de beoogde ondergrens van 1. Het weerstandsvermogen is toereikend in 2025. Door de begrotingstekorten vanaf 2026 is de beschikbare structurele weerstandcapaciteit niet voldoende vanaf 2026. Dit vraagt om aanvullende maatregelen in de exploitatielasten en/of baten. Vrij beschikbaar vermogen Het toekomstig vrij beschikbaar vermogen is belangrijk om inzicht te krijgen in de beschikbaarheid van het weerstandsvermogen over een aantal jaren. Het saldo is gebaseerd op de jaarrekening 2023 en de meerjarige begrotingspositie gepresenteerd in de voorjaarsnota 2024. Hierin zijn de laatste actuele ontwikkelingen verwerkt. Bij ongewijzigde omstandigheden neemt het vrij beschikbaar vermogen vooralsnog af vanaf 2026 vanwege de begrotingstekorten en de toekomstige claims om incidentele uitgaven te bekostigen. De toekomstige claims komen voort uit reeds genomen raadsbesluiten, zoals de tijdelijke activiteiten in het CUP en nieuw beleid kadernota 2024 en voor het algemeen beheer van het grondbedrijf. Anderzijds wordt het saldo in 2026 naar verwachting positief beïnvloed door een resultaatneming uit de grondexploitatie Mastenbroek II. Vrij beschikbaar vermogen

2025

2026

2027

2028

Algemene reserve per 1 januari

14.879

13.704

10.697

8.686

Algemene reserve grondbedrijf per 1 januari

1.144

973

3.076

2.905

AF: Benodigde weerstandscapaciteit

-7.077

-7.077

-7.077

-7.077

Vrij beschikbaar vermogen 1 januari

8.946

7.599

6.695

4.513

Bij/af: begrotingsresultaat 2025-2028

-757

-2.691

-2.011

-1.662

Af: Toekomstige onttrekkingen algemene reserve

-419

-316

Af: Toekomstige onttrekkingen reserve grondbedrijf

-171

-171

-171

4.513

2.680

Bij: Toekomstige stortingen reserve grondbedrijf

Vrij beschikbaar vermogen per 31 december

-540 2.643

7.599

6.695

Bedragen x € 1.000

Kengetallen financiële positie De kengetallen geven inzicht in de financiële weerbaar- en wendbaarheid en kunnen helpen bij de beoordeling van de (ontwikkeling van de) financiële positie. Zij leggen verbanden tussen een aantal aspecten die elk voor een verantwoord oordeel van de financiële positie relevant zijn. De financiële positie is altijd een momentopname waardoor een getal alleen niet zoveel zegt. Het gaat om de verbanden tussen de getallen en de ontwikkeling van getallen over een aantal jaren. Methode beoordeling Bij de beoordeling van de kengetallen maken we gebruik van zogeheten ‘signaleringswaarden’ die afkomstig zijn uit onder meer de stresstest voor 100.000+ gemeenten en het gemeenschappelijk (provinciaal) financieel toezichtskader 2020. In de tabel hieronder is te zien welke waarden bij welke categorie (A, B of C) horen. Wij zullen de kengetallen hieronder weergeven en indelen in onderstaande drie categorieën waarbij categorie A het minst risicovol is en categorie C het meest.

65

Categorie A

Categorie B

Categorie C

< 90 %

90 -130 %

> 130 %

Solvabiliteitsratio

> 50 %

20 – 50 %

< 20%

Grondexploitatie

< 20%

20 – 35%

>35%

Structurele exploitatieruimte

>1 %

0-1%

<0 %

Belastingcapaciteit

< 95%

95 – 105 %

> 105 %

Signaalwaarden kengetallen Netto schuldquote gecorrigeerd

In de hierna opgenomen tabel zijn de voorgeschreven kengetallen vermeld en zijn de berekende Leusdense waarden en het verloop van deze waarden ingevuld. Daarna volgt per kengetal een korte uitleg en wordt op de uitkomst en situatie voor Leusden ingegaan. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de begroting 2024-2028. (niet op 2025-2028?) Kengetallen:

Jaarrek 2022

Jaarrek 2023

Begroting 2024

Netto schuldquote

20%

17%

15%

6%

11%

12%

12%

Netto schuldquote gecorrigeerd

15%

11%

10%

1%

6%

7%

7%

Solvabiliteitsratio

53%

57%

59%

56%

57%

56%

56%

Grondexploitatie

4%

6%

-3%

-5%

0%

0%

0%

Structurele exploitatieruimte

1,3%

3,0%

1,5%

1,1%

-2,5%

-2,3%

-2,0%

Belastingcapaciteit

88%

86%

95%

92%

92%

92%

92%

MJR 2025

MRJ 2026

MRJ 2027

MRJ 2028

Netto schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) De netto gecorrigeerde schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Dit wordt gecorrigeerd voor leningen die wij doorlenen. Dit geeft een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken en daarmee op de vrije ruimte in de exploitatiebegroting. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. Solvabiliteitsratio Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het geeft de verhouding tussen het eigen vermogen (het totaal van de algemene reserve en de bestemmingsreserves) en de totale balansomvang weer. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Grondexploitatie Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten van de gemeente. In het algemeen geldt: hoe lager dit percentage hoe beter. In 2024 en 2025 zien we een negatief percentage. Dit wordt veroorzaak doordat de grondexploitatie Mastenbroek II in de eindfase zit en hierdoor de opbrengsten hoger zijn dan de kosten in deze jaren. Er zijn geen andere grondexploitaties onderhanden waarvoor kosten worden gemaakt.

Structurele exploitatieruimte De structurele exploitatieruimte geeft aan hoe de jaarlijkse baten en lasten (gecorrigeerd voor incidentele baten, lasten en reservemutaties) zich verhouden en hoeveel ruimte nog in de exploitatie aanwezig is. Wanneer dit percentage negatief is, betekent het dat het structurele deel van de baten onvoldoende ruimte biedt om de structurele lasten te blijven dragen. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de financieringslasten) te dekken. Een cijfer van rond de nul betekent dat structurele baten en lasten min of meer in evenwicht zijn.

66

Belastingcapaciteit Dit kengetal geeft inzicht in hoe de woonlasten voor een gezin bij een gemiddelde WOZ-waarde in de gemeente zich verhouden tot de landelijk gemiddelde woonlasten van een gezin. Om te kunnen bepalen of de gemeente nog ruimte heeft om de belastingen te verhogen is het nodig om na te gaan in hoeverre de riool- en afvalstoffenheffing kostendekkend zijn en hoe het OZB-tarief van de gemeente zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. Beoordeling van de onderlinge verhouding van de kengetallen In de Nota Risicomanagement 2024 is aangegeven dat er een totaalcijfer wordt berekend over alle kengetallen om een oordeel te geven over de samenhang. BDO Benchmark Nederlandse gemeenten Om een gefundeerd oordeel te vormen over de samenhang van alle kengetallen heeft accountantskantoor BDO in 2018 een methodiek gepresenteerd. Zij borduren voort op de (risico)categorieën die de provincies hanteren. In onderstaande tabel wordt de methode weergegeven. Door de punten per kengetal uit de bijbehorende categorie bij elkaar op te tellen ontstaat een totaalcijfer. Een gemeente behaalt 10 punten indien alle kengetallen van deze gemeente vallen binnen de categorie ‘Minst risicovol’. Gemeenten die alle kengetallen scoren in de categorie ‘Meest risicovol’ krijgen de laagst mogelijke score van een 3,2. Jaarrek

Jaarrek

Begroting

MJR

MRJ

MRJ

MRJ

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Netto schuldquote gecorrigeerd

3

3

3

3

3

3

3

Solvabiliteitsratio

4

4

4

4

4

4

4

Grondexploitatie

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

Structurele exploitatieruimte

1

1

1

1

0,3

0,3

0,3

Belastingcapaciteit

0,5

0,5

0,3

0,5

0,5

0,5

0,5

Totaal

10

10

9,8

10

9,3

9,3

9,3

Beoordeling kengetallen:

Conclusie kengetallen Voor de kengetallen geldt categorie B (neutraal) als streefwaarde. Het totaalcijfer (afgerond op heel cijfer) van de kengetallen kent als streefwaarde een 7. Op basis van bovenstaande uitkomsten kunnen we stellen dat de financiële positie van de gemeente Leusden goed is.

67

C. Paragraaf onderhoud kapitaalgoederen Algemeen Op het gebied van kapitaalgoederen worden twee fasen onderscheiden: - het verkrijgen (aanschaf) of vervaardiging van kapitaalgoederen; - het onderhoud van kapitaalgoederen. In deze paragraaf zijn de actuele ontwikkelingen en de benodigde middelen voor de instandhouding (onderhoud en vervanging) van de aanwezige kapitaalgoederen weergegeven. Het onderhoud van kapitaalgoederen bestaat uit twee soorten onderhoud: het dagelijks klein onderhoud, waarvan de kosten ten laste van de exploitatie komen en het groot onderhoud, waarvan de kosten ten laste worden gebracht van de gemeentelijke onderhoudsvoorzieningen. Aan het einde van de paragraaf wordt kort ingegaan op de projecten met betrekking tot de kapitaalinvesteringen vanuit het GRP.

Beleidskader Het beleidskader voor het beheer en onderhoud van de kapitaalgoederen is in het jaar 2012 voor het eerst vastgelegd in de IBOR rapportage (Integraal Beheer Openbare Ruimte). De meest recentelijke onderhoudsactualisatie 2021-2024 is door de raad in haar vergadering van december 2021 vastgesteld. Bij het uitvoeren van het groot onderhoud wordt de kwaliteitsambitie ‘basis’ (B) nagestreefd. De na te streven kwaliteitsmaatstaven per discipline zijn in de onderhoudsactualisatie beschreven. De beleidsvoornemens voor het vakgebied van de riolering zijn vastgelegd in het GRP 2019-2023.

Kapitaalgoederen in Leusden

Ontwikkelingen 1.770.000 m2 wegen

22 km watergangen

1.330.000 m2 groen

27.000 m2 gebouwen

260 km riolering

Ontwikkelingen Actualisatie IBOR rapportage 2025-2028 Eind 2024 worden de onderhoudsperspectieven voor de jaren 2025-2028 opnieuw geactualiseerd en ter besluitvorming voorgelegd aan de raad. Daarbij wordt een doorkijk geboden tot en met 2036. De periodieke actualisatie van de IBOR-rapportage zorgt voor inzicht in werkzaamheden en maatregelen ten behoeve van de instandhouding van de aanwezige kapitaalgoederen. In de actualisatie worden zowel onderhouds- als vervangingsinvesteringen inzichtelijk gemaakt. Daarmee voldoet de begroting van de gemeente aan de BBV vereiste dat investeringen met maatschappelijk nut worden geactiveerd en – evenals investeringen met economisch nut afgeschreven worden overeenkomstig de verwachte levensduur.

Uit te voeren werkzaamheden in 2025 Wegen Naast de reguliere onderhoudswerkzaamheden staan de volgende (integrale) projecten op stapel; het project Burgemeester de Beaufortweg start in Q1 2025 met een doorlooptijd van ongeveer 6 maanden. De werkzaamheden in Leusden zuid noord fase 3 zijn in Q4 2024 voltooid, Leusden zuid noord fase 4 start aansluitend en zal in Q2 2025 afgerond worden. Project Hamersveld-nieuw (bomenbuurt) zou in 2025 starten maar wordt zeer waarschijnlijk doorgeschoven naar 2026 i.v.m. werkzaamheden van de nuts-partijen. Kerkdijk fase 1 is gestart in Q4 2024 en eindigt in Q1 2025. Aansluitend zal fase 2 in uitvoering gaan, deze is in Q3 2024 in voorbereiding gegaan. Torenakkerweg zijn de voorbereidingen gestart voor rehabiliteren en naar verwachting start de uitvoering eind 2025. Groen In 2025 worden vanuit de groeninspectie weer diverse locaties door heel Leusden en Achterveld gerenoveerd. Hierbij wordt afstemming gezocht met andere vakdisciplines om zoveel mogelijk integraal te werk te gaan.

68

In 2024 is het eerste gedeelte van de bomenstructuur langs de Benedictijnenhove vervangen. In 2025 staat het tweede deel van de vervanging van deze bomenstructuur in de planning. We gaan dan de resterende bomen langs de Benedictijnenhove en de bomen aan het begin van de Landjonker vervangen. Civiele kunstwerken Eind 2024/begin 2025 wordt de Lockhorsterbrug vervangen. De komende jaren wordt groot onderhoud uitgevoerd aan bruggen en overige objecten. Dit wordt gedaan aan de hand van de ontvangen inspectieresultaten met als doel de objecten langdurig in een goede staat en veilig te houden. Naast het reguliere onderhoud worden de komende vier jaren ook diverse houten bruggen vervangen. Buitensportaccomodaties Voor 2023 stond de toplaagvervanging van veld 2, 3 en 5 van hockeyvereniging MHCL in de planning. Na overleg in juli 2024 met MHCL is afgesproken veld 5 niet te vervangen omdat daar de komende 3 jaar nog een blaashal komt te staan. Voor de andere velden is in 2024 de voorbereiding gestart waarin wordt bekeken wat de beste en meest duurzame onder- en toplaag zijn. Gestreefd wordt alles binnen de begroting (MJOP) te realiseren in 2025. groot onderhoud aan het natuurgrasvelden 5 en 8 bij Roda ’46; Het groot onderhoud van veld 5 en 8 bij Roda’46 is doorgeschoven naar 2027. Dit in verband met het plan om veld 5 in 2027 om te vormen naar een kunstgrasveld.

Veld 8 verkeerd nog in een goede conditie waarbij het ook nog mogelijk is dat dit veld een andere bestemming krijgt als het plan doorgaat om veld 5 van Roda in 2027 om te vormen naar een kunstgrasveld. groot onderhoud aan handbalvelden. In 2025 staat de vervanging van de bovenlaag van de handbalvelden in de planning. In samenspraak met LHV is besloten om één van de velden om te vormen naar een definitief beachveld. Hiervoor wordt het budget gebruikt dat begroot is voor het vervangen van de bovenlaag van het asfalt en het restant (circa € 7.000) mee te nemen bij de Voorjaarsnota 2025. Verkeersregelinstallaties In 2025 worden de verkeersregelinstallaties (VRI’s) op vijf kruispunten vervangen. De VRI’s sturen de verkeerslichten aan en worden regulier vervangen omdat ze aan het einde van hun levensduur zijn. Het gaat om drie kruispunten met verkeerslichten op de Randweg (aansluiting 7 van de A28 t/m het kruispunt Randweg – Groene Zoom), het kruispunt Groene Zoom – Larikslaan en de geregelde oversteekplaats Burg. Van der Postlaan - Cohensteeg. De verkeerslichten worden omgebouwd naar intelligente VRI’s (iVRI’s) en na de ombouw vanuit de cloud aangestuurd door de nieuwste intelligente software.

Actualiteit van de gemeentelijke beheerplannen Voor de beheerplannen en de financiële doorrekening die hier op gebaseerd is, geldt dat alle beheerplannen in 2024 worden geactualiseerd. Tijdens het actualiseren van de beheerplannen is vastgesteld dat er géén sprake is van achterstallig onderhoud waarbij er sprake is van kapitaalvernietiging of onveilige situaties. Wel komt het incidenteel voor dat niet altijd op alle onderhoudsdisciplines het beoogde kwaliteitsniveau van instandhouding wordt gehaald. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door capaciteitsproblemen en de daaruit volgende prioritering in de werkzaamheden van gemeentelijke projectleiders en werkvoorbereiders. Van achterstallig onderhoud of kapitaalvernietiging is hierbij echter geen sprake. De lasten van groot onderhoud worden opgevangen middels de hiertoe ingestelde onderhoudsvoorzieningen. Hierbij worden de onderhoudsvoorzieningen op een dermate niveau gebracht dat het noodzakelijke geachte onderhoud voor een periode van 12 jaar (vanaf het jaar van actualisatie) plaats kan vinden.

69

Onderhoudsdiscipline - waterbeheer

Beheerplan Groot onderhoud ’21-‘24

Actualisatiejaar 2024

- wegenbeheer

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- verkeersregelinstallaties

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- civiele kunstwerken

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- gebouwenbeheer

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- groenonderhoud

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- speelvoorzieningen

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- buitensportaccommodaties

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

- riolering

GRP 2019-2023

2025

- openbare verlichting

Beleidsplan OVL ’15 –‘24

2024

Groot onderhoud ’21-‘24 - ondergrondse afvalinzameling

Groot onderhoud ’21-‘24

2024

Uitvoering groot onderhoud Onderstaande tabel geeft inzicht in de totale kosten voor het groot onderhoud van de kapitaalgoederen, zoals opgenomen in de diverse programma’s van de begroting. De uitgaven zijn inclusief indirecte kosten en BTW, daar waar de BTW kostprijsverhogend doorwerkt in de budgetten. De onderstaande budgetten zijn gebaseerd op de groot onderhoudsactualisatie 2021-2024. In de onderhoudsactualisatie zijn de benodigde instandhoudingskosten tot en met het jaar 2032 in beeld gebracht. De uit de onderhoudsvoorzieningen bekostigde onderhoudsbudgetten zijn verder met 2% geïndexeerd ten opzichte van 2024 vanwege prijsstijgingen. Deze indexatie is in de onderstaande budgetten verwerkt. bedragen x € 1.000 Uitgaven groot onderhoud (incl. VAT en indexatie)

2025

2026

2027

2028

- Wegen - Civiele kunstwerken en parkeerdekken - Verkeersregelinstallaties - Waterbeheer - Groenbeheer - Speelvoorzieningen - Buitensportaccommodaties Gebouwenbeheer - verhuurde panden - algemeen gebruik - binnensportaccommodaties - cultureel / sociaal - zwembad Octopus

327 243 14 66 29 27 41

1.551 375 14 96 36 27 48

1.753 155 14 318 76 27 41

1.180 155 14 325 29 27 593

149 82 334 119 237

10 103 117 50 55

16 93 202 28 396

71 95 443 213 51

1.665

2.478

3.116

3.570

Totaal budgetten groot onderhoud

70

Hoogte van de onderhoudsegalisatievoorzieningen Het groot onderhoud aan de kapitaalgoederen wordt gedekt uit diverse onderhoudsegalisatievoorzieningen. De voorziene stand van de onderhoudsegalisatievoorzieningen per 1-1-2025 is hieronder opgenomen. Ook de voorziene stand van de voorziening egalisatie rioolbeheer is in de tabel opgenomen. bedragen x € 1.000 Voorzieningen

2025

wegbeheer deklagen: bestrating

2.386

wegbeheer elementen: civiele kunstwerken, VRI

636

waterbeheer

606

gebouwenbeheer

1.763

buitensportterreinen

748

groenbeheer (en speelvoorzieningen)

153

egalisatie rioolbeheer

1.401

Totaal voorzieningen per 1-1-2025

7.693

Toevoegingen aan de onderhoudsegalisatievoorzieningen Via de exploitatie worden jaarlijks middelen toegevoegd aan de diverse onderhoudsvoorzieningen. De structurele toevoeging aan de onderhoudsvoorziening (exclusief riolering) loopt in de meerjarenbegroting op naar € 3,5 dotatie 721 tm 726 mln. in het jaar 2028. Vanuit deze jaarlijkse dotatie kunnen naar huidige inzichten de in de onderhoudsactualisatie opgenomen instandhoudingsuitgaven tot en met het jaar 2032 worden bekostigd.

Vervangingsinvesteringen openbare ruimte De raad heeft in december 2021 ingestemd met de uitgaven voor groot onderhoud én de benodigde vervangingsinvesteringen voor de periode 2021-2032. De in deze rapportage voorziene onderhoudsuitgaven en vervangingskredieten zijn verwerkt in de gemeentelijke begroting. De vervangingsuitgaven worden, evenals de uitgaven voor groot onderhoud, geïndexeerd met 2% ten opzichte van het begrotingsjaar 2024. In de onderstaande tabel staan de beoogde vervangingsinvesteringen weergegeven. bedragen x € 1.000 Uitgaven vervangingsinvesteringen

2025

2026

2027

2028

Bekostiging vanuit de reserve vervangingsinvesteringen: - vervangen wegen - vervangen civiele kunstwerken - vervangen verkeersregelinstallaties - vervangen groenvoorzieningen - vervangen speelvoorzieningen - vervangen buitensportaccommodaties (totaalrenovaties)

68 230 95 -

293 97 230 95 52

293 724 230 95 --

293 53 230 95

Bekostiging via de exploitatie: - vervangen masten en armaturen openbare verlichting - vervangen voorzieningen ondergrondse afvalinzameling

955 26

-

-

295

1.374

767

1.342

966

Totaal vervangingsinvesteringen

71

Bekostiging van de voorziene vervangingsinvesteringen Voor het grootste deel van de in de openbare ruimte voorziene vervangingsinvesteringen worden vooraf in de begroting middelen gespaard (zie voorgaande tabel). Voor deze uitgaven wordt jaarlijks een bedrag van € 855.483 toegevoegd aan de reserve voor vervangingsinvesteringen in de openbare ruimte. Deze jaarlijkse toevoeging is bij de begrotingsopstelling 2025 met 2% verhoogd in verband met prijsindexatie. De reserve is naar huidige inzichten voldoende gevoed om de (afschrijvingslasten) van de voorziene vervangingsinvesteringen te kunnen dekken. Voor investeringen in de openbare verlichting en de ondergrondse afvalinzameling wordt niet vooraf in de begroting gespaard. Mutaties in de kapitaallasten van de openbare verlichting worden jaarlijks bij het opstellen van de begroting in de meerjarenbegroting verwerkt. De afschrijvingslasten van de investeringen in de ondergrondse afvalinzameling worden jaarlijks meegenomen bij het de berekening van de hoogte van de afvalstoffenheffing.

Jaarlijks onderhoudsbudget instandhouding kapitaalgoederen In de gemeentelijke begroting zijn naast de budgetten voor het benodigd groot onderhoud en de vervanging van kapitaalgoederen ook budgetten opgenomen voor de uitvoering van regulier, jaarlijks terugkerend onderhoud. Onderstaande tabel geeft inzicht in deze onderhoudsbudgetten. Dit is exclusief de eigenaarslasten en exclusief overige exploitatielasten zoals bijvoorbeeld de kosten van het schoonhouden van gemeentelijke panden.

bedragen x € 1.000 Reguliere onderhoudsbudgetten

2025

- wegen, civiele kunstwerken

509

- verkeersregelinstallaties

177

- waterbeheer

89

- groenbeheer

1.753

- speelvoorzieningen

29

- buitensportaccommodaties

110

- gebouwenbeheer verhuurde panden

22

panden algemeen gebruik

140

binnensportaccommodaties

107

cultureel / sociaal

96

- openbare verlichting

153

- ondergrondse afvalinzameling

405

Totaal budgetten jaarlijks, regulier onderhoud

3.590

Uitgaven vanuit het Gemeentelijke rioleringsplan (GRP) staat D Op basis van het door de raad in 2019 bekrachtigde GRP worden groot onderhoudsuitgaven en renovatie uitgaven in de gemeentelijke begroting gebracht. Beide typen uitgaven worden (binnen de kaders van het BBV) direct in mindering gebracht op de gespaarde bedragen binnen de voorziening egalisatie rioolbeheer. In het lopende GRP staan voor het jaar 2025 werkzaamheden opgenomen. Voor deze renovatie- en vervangingswerkzaamheden is op basis van het vastgestelde GRP krediet in de begroting van 2025 opgenomen. Afwijkingen ten opzichte van dit kader worden aan de raad voorgelegd middels de voorjaarsnota dan wel de najaarsnota dan wel verantwoord in de gemeentelijke jaarrekening.

72

D. Paragraaf financiering Treasury-functie De gemeentelijke treasury-functie heeft als doel het financieren van het gemeentelijk beleid (zorgen voor tijdige beschikbaarheid van voldoende geldmiddelen) en het uitzetten van de overtollige geldmiddelen. De risico’s en kosten worden daarbij geminimaliseerd en het renteresultaat geoptimaliseerd. De functie wordt uitgevoerd binnen de normen van de wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO), de ministeriële Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden (RUDDO) en de Treasury verordening 2016. Bestuurlijke samenvatting In 2025 verwachten we € 428.000 aan rentebaten te realiseren. Aan rentelasten over reeds aangetrokken leningen betalen we € 200.000. Op deze aangetrokken leningen lossen we ruim € 1.000.000 af. Financieringsbeleid De gemeente zet overtollige geldmiddelen uit bij de Nederlandse Staat (schatkistbankieren). Om het renteresultaat te optimaliseren wordt financiering met externe middelen beperkt door eerst eigen liquide financieringsmiddelen te gebruiken. Als deze ontoereikend zijn worden externe middelen in de vorm van projectfinanciering aangetrokken. Financieringspositie De financieringspositie geeft de financieringsbehoefte van de gemeente aan.

Door de som van de boekwaarde van activa te verminderen met de aangewende financieringsmiddelen in het eigen vermogen (reserves) en vreemd vermogen (opgenomen leningen en voorzieningen) wordt deze financieringsbehoefte bepaald. In de primaire begroting van 2025 wordt uitgegaan van een financieringsoverschot van € 16 mln.

X € 1.000 Boekwaarde activa Vermogen Financieringssaldo (overschot)

2025 72.334 88.402 16.068

2026 75.093 87.115 12.022

2027 73.017 84.309 11.292

2028 69.667 81.208 11.541

Bovenstaande berekening is een momentopname. De feitelijke omvang van het financieringssaldo is onder andere afhankelijk van het daadwerkelijke verloop van de geplande investeringen en de dagelijkse ontvangsten en betalingen gedurende het jaar. In de loop van het begrotingsjaar zal blijken wat de werkelijke financieringsbehoefte is. Indicatoren Om vooral de financieringsrisico’s (renterisico’s) te beperken, staan in de Wet FIDO twee instrumenten: de renterisiconorm en de kasgeldlimiet. Daarnaast is met het schatkistbankieren een drempelbedrag bepaald. De provincie toetst of de gemeente aan deze normen voldoet. Renterisiconorm Het doel van de renterisiconorm is om tot een spreiding binnen de langlopende lening portefeuille te komen zodat het renterisico wordt beperkt. De jaarlijks verplichte aflossingen en renteherzieningen mogen niet meer bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. De jaarlijks verplichte aflossingen van de reeds aangetrokken leningen vallen ruim binnen de gestelde norm. De aangetrokken leningen hebben een vast afgesproken rentepercentage voor de gehele looptijd, renteherziening is hierop niet van toepassing. Kasgeldlimiet Het doel van de kasgeldlimiet is om de directe gevolgen van een snelle rentestijging te beperken. Gemeenten mogen hun financieringsbehoeften slechts voor een beperkt bedrag met kort geld (looptijd < 1 jaar) financieren.

In de wet FIDO is bepaald dat de gemiddelde netto vlottende schuld (looptijd korter dan een jaar) per kwartaal de kasgeldlimiet niet mag overschrijden. De norm is vastgesteld op 8,5% van het begrotingstotaal. De Gemeente Leusden heeft op dit moment geen schulden met een looptijd korter dan een jaar (kort geld).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3937/documents/43730