CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Doornseweg 20_Bijlagen bij de toelichting__139756__.pdf

Raadsvergadering 11 april 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: 6: RV Vaststellen ontwerp bestemmingsplan Doornseweg 2018.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

22813.003 versie 2

29 / 38

2.9 Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Gezien de omvang van het plangebied en de mogelijk bodemverstorende activiteiten die plaats hebben gevonden (mogelijk afplaggen van heide, kortstondig agrarisch gebruik, bouwwerkzaamheden en inrichting van westelijke deel plangebied als woonperceel), is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een inventariserend veldonderzoek doormiddel van boringen uitgevoerd in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw (de van nature gevormde haarpodzolbodem) nog wel of niet meer intact is. Gelijkmatig verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 14 augustus 2023 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.

22813.003 versie 2

30 / 38

Verspreid binnen het plangebied zijn acht boringen gezet (zie kaart 17). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) tot maximaal 200 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.21 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel 3-1 Hoofdlijn bodemopbouw Diepte (in cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot minimaal 30 en maximaal 45, gemiddeld tot 40

Donkergrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand

1AEp-horizont, recent bewerkte bovengrond/minerale bovenlaag/top van een haarpodzolbodem

Tussen gemiddeld 40 en 80

Donkerbruin tot donkerbruingeel en naar onde- Intacte 1Bhs1-/1Bhs2- en 1BC-horizont van naren toe lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak ture gevormde haarpodzolgrond humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Onderin humusfibers zichtbaar

Tussen gemiddeld 80 en 140

Geel tot lichtgeel gekleurd, zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand, goed gesorteerd en afgeronde zandkorrels

1C-horizont, (gordel)dekzandafzettingen, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden

Vanaf gemiddeld 140, ter plaatse van de boringen 6 en 7 ondieper voorkomend

Lichtgeel, lichtgeelwit tot lichtoranjegeel gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof zand, slechter gesorteerd en scherper aanvoelende zandkorrels

2C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingswaaierafzettingen, Formatie van Boxtel

21 Bosch, 2005

22813.003 versie 2

31 / 38

De gezette boringen laten onder de huidige bouwvoor/bewerkte bovengrond een intacte oorspronkelijke bodemopbouw zien binnen het gehele plangebied. Vanaf het maaiveld is tot gemiddeld 40 cm -mv donkergrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand aanwezig. Het gaat om de door elkaar vermengde 1Ah- en 1E-horizont van de van nature gevormde haarpodzolbodem. De lichtgrijs/loodachtig gekleurde zandkorrels van de oorspronkelijke uitspoelings-1E-horizont zijn met het blote oog goed waar te nemen. De bewerkte bovengrond/minerale bovenlaag zal vooral het gevolg zijn van het voormalig gebruik als akkerland/bouwland (in ieder geval rond begin jaren ’30 van de 20e eeuw) en de huidige inrichting als siertuin. Ter plaatse van boring 6 is de uitspoelings-1E-horizont onder de minerale bovengrond (Ap-horizont, bouwvoor) wel goed te onderscheiden. Tussen gemiddeld 40 en 80 cm -mv bevindt zich het onverstoorde/intacte deel van de van nature gevormde haarpodzolgrond. Deze bestaat uit donkerbruin tot donkerbruingeel en naar onderen toe lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand en betreffen de inspoelings-1Bhs1-/1Bhs2- en de overgangs-1BC-horizont. Onderin/in de overgangs-BC-horizont zijn humusfibers zichtbaar in het opgeboorde materiaal.

Deze bodem is gevormd in kwartrijke dekzanden, waardoor op deze arme gronden droge humuspodzolgronden zich van nature ontwikkelen. Vanaf gemiddeld 80 cm -mv komt geel tot lichtgeel gekleurd, zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand voor. De goed sortering en afgeronde zandkorrels zijn kenmerkend voor (gordel)dekzandafzettingen als oorspronkelijk moedermateriaal (1C-horizont). Verder komt overeen met gegevens van het Dinoloket dat het pakket gordeldekzandafzettingen relatief dun is. Op een diepte van gemiddeld 140 cm -mv vindt een overgang plaats naar lichtgeel, lichtgeelwit tot lichtoranjegeel gekleurd, zwak tot matig grindig, zwak siltig, matig grof zand. Naast het voorkomen van grind is de slechtere sortering en scherper aanvoelende zandkorrels juist kenmerken voor daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen (2C-horizont). Ter plaatse van de boringen 6 en 7 komen daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen op geringere diepte voor, al vanaf 60/70 cm -mv. Ter plaatse van boring 8 is sprake van een opgebracht pakket grond van circa 55 cm -mv. Waarschijnlijk staat deze boringen binnen een terreindeel waar in het verleden het oorspronkelijke maaiveld enkele decimeters lager heeft gelegen en ten behoeve van de huidige inrichting is opgevuld/geëgaliseerd.

Hieronder is de van nature gevormde haarpodzolbodem merendeels intact aanwezig, met nog duidelijk zichtbaar een restant van de oorspronkelijke/door agrarisch gebruik ontstane bouwvoor (1Ap-horizont) als ook de uitspoelings-1E-horizont (verder gevolgd door de inspoelings-1Bhs1-/1Bhs2- en de overgangs-1BC-horizont). Archeologie Gemeld dient te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. In geen van de boringen is archeologisch relevant vondstmateriaal waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal.

22813.003 versie 2

32 / 38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3857/documents/40874