CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 De Leus Bijlagen toelichting.pdf

Informatieavond 9 maart 2023, gemeente LeusdenBij agendapunt: 2a: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan De Leus20.471 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Planten

R 4730.003 versie D1

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

R 4730.003 versie D1

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.

Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.

R 4730.003 versie D1

Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.

Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.

Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.

R 4730.003 versie D1

bestemmingsplan De Leus

48

bestemmingsplan De Leus

Bijlage 3 Stikstofberekening

49

Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e D e L eu s

D EF IN I TI EF

Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e D e L eu s

D EF IN I TI EF

17 februari 2022 Projectnummer P000696

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging plangebied

6

4

Invoergegevens AERIUS

7

4.1

Verkeersgeneratie tiny houses (bron 1)

7

4.2

Totale emissie

8

5

Model

9

6

Rekenresultaten en conclusie

10

17 februari 2022

1

Inleiding In het kader van het bestemmingsplan ‘De Leus’ is de depositie van stikstof ten gevolge van en het gebruik van 9 tiny houses in de gemeente Leusden berekend. Het plant maakt de bouw van 9 tiny houses mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het plan is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling is berekend met het programmapakket AERIUS (18 februari 2022). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.

Afbeelding 1 – Omvang plangebied (bron: pdokviewerpdok.nl)

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

17 februari 2022

3

2

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.

Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van internof extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer er voor dat de netto stikstofemissie niet toe neemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten op de locatie zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen). Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één plan of één locatie. Intern salderen kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen gaat het om verschillende projecten of plannen. Extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid om voor woningbouwprojecten waarbij er sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstof reducerende maatregelen, waaronder de verlaging van de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 100 km/uur, opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70 % worden besteed aan economische ontwikkelingen.

17 februari 2022

4

Wet stikstofreductie en natuurverbetering Met de invoering van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (in het kort Stikstofwet) op 1 juli 2021, geldt er een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten in de bouwsector. Dit geldt voor projecten en plannen. Middels deze stikstofwet wordt er aan de Wet natuurbescherming (Wnb) een nieuw artikel toegevoegd (artikel 2.9a) dat bepaalt dat in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) bepaalde activiteiten van de bouwsector aangewezen kunnen worden waarvoor deze vrijstelling van toepassing is. Voor deze activiteiten geldt dat de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de bouwactiviteiten buiten beschouwing van de vergunningplicht van artikel 2.7 lid 2 Wnb wordt gelaten. In artikel 2.5 Bsn is de vrijstelling voor het bouwen van bouwwerken opgenomen. Dit betekent dat de zogeheten aanlegfase niet langer mee genomen hoeft worden in de stikstofdepositieberekening. De gebruiksfase dient nog wel berekend te worden. Ook de verkeersbewegingen die samengaan met de aangewezen activiteiten in de bouwsector kunnen buiten beschouwing worden gelaten.

Dit blijkt uit de toelichting bij het Bsn, waarin een omschrijving wordt gegeven van de reikwijdte van de partiële vrijstelling: "Het betreft niet alleen de bouw en sloop van woningen en utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken (zoals bruggen en viaducten), maar ook aanlegactiviteiten, bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking, grond, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De partiële vrijstelling omvat de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden, zoals aan- en afvoer van bouwmaterialen en bouw- en sloopafval, transport van werknemers en werktuigen van en naar de bouwplaats en de emissies van werktuigen op de bouwplaats (aggregaten, bouwmachines, baggervoertuigen et cetera). De vrijstelling omvat niet de productie van bouwmaterialen."

17 februari 2022

5

3

Ligging plangebied Zoals in de inleiding is aangegeven ligt het plangebied aan de Agnietenhove in Leusden. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

Veluwe, gelegen op een afstand van circa 13,5 km;

-

Arkemheen, gelegen op een afstand van circa 11,1 km.

Hierbij dient wel te worden vermeld dat het Natura 2000-gebied Arkemheen niet stikstofgevoelig is.

17 februari 2022

6

4

Invoergegevens AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie-kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 worden bepaald. Conform het handboek “Werken met AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de gebouwen gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat er geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit is geborgd in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de verkeersgeneratie van de tiny houses zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).

4.1

Verkeersgeneratie tiny houses (bron 1)

In het model is het verkeer van en naar de gebouwen opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Aangezien er in de CROW publicatie geen kentallen zijn opgenomen voor tiny houses, is gebruikgemaakt van de kencijfers voor appartementen in het dure segment in de rest van de bebouwde kom (7,8 ritten per appartement). Deze kencijfers zijn gelijk aan die van een rijwoning, en borgen daarmee dus meerdere categorieën waar een tiny house onder zou kunnen vallen. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 71 ritten licht verkeer per etmaal. Daarnaast is er voor de volledigheid rekening gehouden met 2 ritten middelzwaar vrachtverkeer per etmaal ten behoeve van pakketbezorging. Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 1). Tabel 1. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen

Middelzware motorvoertuigen

- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen

Zware motorvoertuigen

-vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger

De totale emissie van de verkeersgeneratie van de tiny houses in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 9,2 kg NOx/jr.

17 februari 2022

7

4.2

Totale emissie

De totale emissie van het plan in de gebruiksfase bedraagt 9,2 kg NOx/jr.

17 februari 2022

8

5

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (18 februari 2022). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2022. Indien het plan later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worst-case worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS model

17 februari 2022

9

6

Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf bestand is als bijlage opgenomen en seperaat toegevoegd.

Afbeelding 4 - Rekenresultaat

Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

17 februari 2022

10

Colofon Rapport BügelHajema Adviseurs Projectleiding BügelHajema Adviseurs

BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Utrechtseweg 7 3811NA Amersfoort T 033 465 65 45 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort

Projectberekening

Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron

Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Gemeente Leusden Agnietenhove 51a, 3834 XB Leusden De Leus Gebruik van 9 tiny houses

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

S4k5KiFRXDSH 18 februari 2022, 09:01 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar 2022

Situatie 1 - Beoogd

Resultaten

Emissie NH3 0,6 kg/j

Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j

S4k5KiFRXDSH (18 februari 2022)

Emissie NOx 9,2 kg/j Gebied

2/6

Projectberekening

Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen  Verkeersnetwerk

S4k5KiFRXDSH (18 februari 2022)

Emissie NH3 0,6 kg/j

Emissie NOx 9,2 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn

Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. S4k5KiFRXDSH (18 februari 2022)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal

S4k5KiFRXDSH (18 februari 2022)

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)

0,00

0,00

0,00

0,00

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)

0,00

0,00

5/6

Projectberekening

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.4_20220217_5a8b67b7c6 Database versie 2021.0.4_5a8b67b7c6 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

S4k5KiFRXDSH (18 februari 2022)

6/6

bestemmingsplan De Leus

Bijlage 4 Rapportage archeologisch onderzoek

69

CAR

Archeologische inventarisatie (BO)

Centrum voor Archeologie car-rapport nr. 67, 2018 j

Berkelwijk Leusden

Archeologische inventarisatie (BO) Berkelwijk Leusden

2

Onderzoeksgegevens Project: Berkelwijk Leusden Onderzoek: Bureauonderzoek (BO) Meldingnummer: 4573458100 SIC: BER’17 Opdrachtgever: Mr. D. Rüter, Gemeente Leusden, Afdeling Beleid Uitvoerder: Centrum voor Archeologie (CAR), Gemeente Amersfoort Datum uitvoering: november 2017

Locatie / adres: Percelen: Gemeente: Provincie: Kaartblad:

Berkelwijk, basisscholen ’t Ronde (Uilenhoeve 39), De Heerd (Berkelweg 33 - 37) De Holm (Lingewijk 13 en Agnietenhove 51a) F5152, F5671, F6815, F7463, F7480, F7558, F7687 Leusden Utrecht

AWV

Blad nr. 32D, volgens topografische kaart 1:25.000 centrum X: 158.499 Y: 460.118; centrumcoördinaten ’t Ronde: X: 158.168 Y: 460.177; noordwest X: 158.143 Y: 460.217; centrumcoördinaten De Heerd: X: 158.294 Y: 460.130; noordoost X: 158.656 Y: 460.111; centrumcoördinaten De Holm: X: 158.608 Y: 460.074; zuidoost X: 158.656 Y: 459.927; centrumcoördinaten De Holm dependance: X: 158.633 Y: 459.966; zuidwest X: 158.142 Y: 460.125. Plangebied: circa 23.500 m²; Onderzoeksgebied: 1.583.000 m² Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied; categorie 3,4 en 5 (hoge, middelhoge en lage verwachting)

Bevoegd gezag: Toetsing: Status rapport:

Gemeente Leusden drs. M. Verhamme namens Gemeente Leusden dd. 28-11-2017 definitief en goedgekeurd

Coördinaten:

Omvang:

De originele onderzoeksadministratie en de vondsten bevinden zich in het archeologisch archief en depot van de Gemeente Amersfoort.

colofon CAR rapport 67 – Archeologische inventarisatie (BO & IVO-O) Berkelwijk, Leusden. ISSN: 1879-4289 © 2018 uitgave: Centrum voor Archeologie, Gemeente Amersfoort tekst: afbeeldingen: vormgeving: uitgave:

S. Beumer, MA Centrum voor Archeologie, Gemeente Amersfoort (tenzij anders vermeld) T. d’Hollosy Centrum voor Archeologie, Gemeente Amersfoort

De CAR-rapportenreeks is een reeks waarin het Centrum voor Archeologie van de Gemeente Amersfoort standaard eindrapportages (zoals bedoeld in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) van de door hun uitgevoerde archeologische onderzoeken publiceert. De reeks staat onder redactie en autorisatie van de stadsarcheologen van de Gemeente Amersfoort: mevr. drs. F.M.E. Snieder en dhr. drs. T. d’Hollosy.

Inhoud 3

1. Inleiding

5

2. Locatie

6

3. Beleidskader

7

4. Aardwetenschappelijke situatie

8

5. Historische omgeving

13

6. De archeologische omgeving

19

7. Conclusie en advies

21

Literatuur

22

Bijlage

24

Samenvatting 4

De Gemeente Leusden gaat samen met de Stichting Voila en de Vereniging voor Montessori Onderwijs Leusden nieuwe huisvesting voor drie basisscholen en woningbouw realiseren. Daarvoor worden drie schoolgebouwen gesloopt. Voor deze plannen is een bestemmingsplanwijziging nodig. De exacte omvang van de nieuwbouw is nog niet bekend. In het kader van deze wijziging moet in kaart worden gebracht of op de locaties van de drie scholen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig kunnen zijn, die door de bodemingrepen gevaar lopen.

In de directe omgeving zijn geen vindplaatsen bekend die aansluiten op deze verwachting.

Tijdens deze archeologische inventarisatie wordt aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de geomorfologie, bodemkunde, cultuurhistorie en archeologie bepaald of er sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de bodemingrepen worden bedreigd. Daarmee wordt de vraag beantwoord wat de archeologische verwachting binnen het plangebied is.

Op grond van deze resultaten wordt geadviseerd om het plangebied geheel vrij te geven voor de voorgenoemde ontwikkeling.

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de Gemeente Leusden uit 2011 ligt het plangebied in een zone met een lage en een middelhoge archeologische verwachting. Het plangebied lijkt volgens zowel de geomorfologische als de bodemkaart relatief laag te liggen en in het verleden erg nat te zijn geweest waardoor onder andere veenvorming kon optreden. Meer naar het oosten begint een lage dekzandrug die wat hoger en droger was. Landschappelijk gezien lijkt het meer voor de hand dat er archeologische resten in het oosten van het plangebied zullen worden aangetroffen. Op historische gronden is het mogelijk dat in het plangebied bewoningsresten aanwezig zijn vanaf de ongeveer het midden van de 12 eeuw, wanneer het gebied wordt ontgonnen. Grootschalige bebouwing wordt niet verwacht binnen het plangebied. Wel zouden resten kunnen worden aangetroffen van gebouwen met een opslagfunctie zoals schuren of spiekers. Het is bovendien mogelijk resten uit de Tweede Wereldoorlog aan te treffen. Het gaat dan om kleine losse vondsten die met stellingen en een veldhospitaal te maken hebben. Op basis van de archeologische gegevens is er een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van resten van jagersverzamelaars (middelhoog in het oosten) en boeren.

Ter plaatse van de drie schoolgebouwen is de ondergrond tot minimaal 80 - 90cm afgegraven. Als aanvulling op de inventarisatie is tevens een bodemkundig booronderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat ook buiten de schoolgebouwen de ondergrond tot in het dekzand is afgegraven en weer is aangevuld met schoon zand. Aan de westkant is dit minder het geval, maar is de ondergrond te nat om geschikt te zijn voor bewoning.

1. Inleiding In november 2017 heeft het Centrum voor Archeologie (CAR) in opdracht van de Gemeente Leusden een archeologische inventarisatie (bureauonderzoek) uitgevoerd. 1.1 Aanleiding De Gemeente Leusden gaat samen met de Stichting Voila en de Vereniging voor Montessori Onderwijs Leusden nieuwe huisvesting realiseren waarin drie basisscholen (’t Ronde, De Heerd en De Holm) een plek krijgen. Deze nieuwe huisvesting, het IKC Berkelwijk, zal op de locatie van de huidige basisschool De Heerd komen. Op de vrijkomende locaties van de overige twee basisscholen is plaats voor woningbouw. Voor deze plannen is een bestemmingsplanwijziging nodig. De exacte omvang van de nieuwbouw is nog niet bekend. In het kader van deze wijziging moet in kaart worden gebracht of op de locaties van de drie scholen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig kunnen zijn, die door de bodemingrepen gevaar lopen.

(bouw)historische en archeologische kenmerken? Daaruit vloeit de vraag welke vragen uit de Lokale Onderzoeks Agenda van de Gemeente Leusden in potentie kunnen worden beantwoord na archeologisch onderzoek 1 binnen het plangebied. Op basis van de resultaten van de archeologische inventarisatie wordt een advies opgesteld in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Op basis van dit advies neemt het bevoegd gezag (Gemeente Leusden) een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 2 (KNA 4.0). 1.3 Resultaat Dit rapport, een standaard rapport Bureauonderzoek zoals bedoeld in het KNA, bevat de resultaten van de archeologische inventarisatie.

1.2 Doel en vraagstelling De archeologische inventarisatie bestaat uit een gecombineerd onderzoek; een archeologisch bureauonderzoek met enkele bodemkundige controleboringen. Het doel van dit bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting binnen het plangebied. Er wordt aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de geomorfologie, bodemkunde, cultuurhistorie en archeologie bepaald of er sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de bodemingrepen worden bedreigd. Als aanvulling daarop is tevens een inventariserend veldonderzoek verricht waarbij de geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied zijn getoetst en waar mogelijk bijgesteld. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (verkennende fase). 1

De hoofdvraag die in dit bureauonderzoek wordt beantwoord is: wat is de archeologische verwachting binnen het plangebied op basis van de landschappelijke,

Dit geldt met name tijdens een proefsleuvenonderzoek of opgraving; Beumer 2017. 2 KNA staat voor Kwaliteitseisen der Nederlandse Archeologie. Dit rapport is opgesteld volgens KNA versie 4.0 (CCvD 2016)

5

2. Locatie 6

2.1 Plangebieden De drie basisscholen ’t Ronde, De Heerd en De Holm met daarbij de pleinen en het groen inclusief de dependance en het grasland vormen het plangebied. 2.2 Onderzoeksgebied Om een goede landschappelijke, (bouw)historische en archeologische inventarisatie te maken is het nodig gegevens te verzamelen van een ruimer gebied. Het onderzoeksgebied beslaat daarom het gebied dat binnen een straal van circa 500 m rondom het plangebied ligt. 2.3 Huidige situatie De drie basisscholen liggen in het midden van de bebouwde kom van Leusden. Montessorischool ’t Ronde ligt aan Uilenhoeve 39. Het is een rond gebouw met daaromheen een speelplein en groen. De oppervlakte van 2 de school en het plein is samen ongeveer 5000 m . Openbare basisschool De Heerd ligt aan Berkelwijk 33. Eromheen is een speelplein met groen. Aan de westzijde staan nog twee kleinere gebouwen (nummer 35 en 37). De 2 gezamenlijke oppervlakte is circa 10.000 m . ProtestantsChristelijke basisschool De Holm ligt aan de Lingewijk 13. Ook om deze school ligt een speelplein en groen. De oppervlakte van plein en gebouw samen is ongeveer 5000 2 m . Deze school heeft ten zuiden aan de Agnietenhove 51a een dependance die ook wordt gesloopt en bij de woningbouwplannen wordt betrokken. Om de dependance ligt een grasveld die samen met het gebouw ongeveer 2 3500 m is.

Aan de zuidkant van de drie scholen en noordkant van de dependance ligt een sloot. 2.4 Toekomstig gebruik De huidige schoolgebouwen van de basisscholen ’t Ronde, De Heerd en De Holm worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komt op de locatie van De Heerd een nieuw gebouw waarin de drie basisscholen worden gehuisvest. Ter plaatse van de scholen ’t Ronde en De Holm (inclusief dependance) worden woningen gebouwd. Zowel de plannen voor het nieuwe schoolgebouw als voor de woningen zijn nog niet concreet. De afmetingen van de nieuwbouw inclusief informatie over funderingen of eventuele kelders is nog niet bekend.

Afbeelding 1, uitsnede van de topografische kaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied.

Afbeelding 2, uitsnede van de luchtfoto met daarop het plan- en onderzoeksgebied.

3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid In 1992 ondertekende Nederland het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed 3 ook wel het Verdrag van Malta (of Valletta). Sindsdien is het rijksbeleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting. In de ‘archeologische monumentenzorg’ (AMZ) is behoud in situ het streven; om het bodemarchief voor het nageslacht te bewaren en ook in de toekomst nog te kunnen raadplegen, wordt geprobeerd de meest waardevolle en representatieve resten van het verleden zo goed mogelijk te behouden, te ontzien en te beheren; alleen wanneer het niet anders kan, mag een vindplaats worden opgegraven. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet is in de plaats van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) uit 2007 en de Monumentenwet uit 1988 gekomen. De Wamz was een wijzigingswet en regelde globaal genomen drie aspecten van de archeologische monumentenzorg: de financiering, de bestuurlijke besluitvorming en de archeologische uitvoering. Samen met de in 2019 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht.

Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet.

3.2 Gemeentelijke beleid In Nederland speelt het grootste deel van de ruimtelijke ontwikkeling zich af op gemeentelijk niveau. Daarom is er voor gekozen om gemeenten verantwoordelijk te maken voor de uitvoering van het rijksbeleid en het Verdrag van Malta. Deze verantwoordelijkheid is in 2007 vastgelegd in de Wamz. De Gemeente wordt geacht om in alle ruimtelijke besluitvormingsprocessen het archeologische belang mee te wegen. Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader noodzakelijk. Het gemeentelijke archeologiebeleid komt tot uitdrukking in de archeologische beleidskaart. Hierop staat per verschillende (verwachtings)waardezone aangegeven welke eisen de Gemeente in het kader van de Archeologische Monumentenzorg stelt. Volgens de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de Gemeente Leusden uit 2011 ligt het plangebied in een zone met een middelhoge en een lage archeologische verwachting. Dat betekent dat in een gebied met een lage 2 verwachting plangebieden groter dan 10.000 m waarbinnen bodemingrepen dieper dan 30 cm minus het maaiveld plaatsvinden een archeologisch onderzoek nodig is. In gebieden met een middelhoge verwachting ligt die 2 ondergrens op 500 m .

Het Rijk heeft middels de Monumentenwet 1988 bepaald dat archeologisch onderzoek verplicht is bij een 2 grondroerende activiteit met een oppervlakte van 100 m of meer. De wet biedt gemeenten beleidsvrijheid om haar eigen afweging te maken voor wat betreft de oppervlakte als ook voor wat betreft de diepte van de grondroerende activiteit in relatie tot de verplichting van een archeologisch vooronderzoek. Deze bepaling wordt in de toekomstige Omgevingswet overgenomen.

3

Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), Valletta, 16-01-1992.

Afbeelding 3, uitsnede uit de archeologische verwachtingsen beleidskaart Leusden 2011 (d’Hollosy 2011) met daarop het plan- en onderzoeksgebied.

7

4. Aardwetenschappelijke situatie 8

Geomorfologie 2M14, 3K14 Bodem Vz/zWz/vWz/pZg23 Watertrap GWT-II Maaiveldhoogte 2,7m - 3,0m +NAP Tabel 1, overzicht van de aardwetenschappelijke data.

Leusden ligt op de overgang van het Midden-Nederlandse stuwwallandschap in het zuidwesten naar het dekzandlandschap in het noordoosten. Aan de basis van de huidige landschappelijke kenmerken van Leusden liggen geologische processen gedurende het Midden- en het Laat-Pleistoceen (500.000 tot 11.500 jaar geleden). De stuwwal, beter bekend als de Utrechtse Heuvelrug, is tijdens de ijstijden van het Midden- en het Laat-Pleistoceen ontstaan. Met name de ijsstuwing tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (238.000 tot 128.000 jaar geleden) heeft 4 de Utrechtse Heuvelrug gevormd. De stuwwal bestaat uit gestuwd, grofzandige pleistocene rivierafzettingen afkomstig van de voorlopers van de huidige Rijn en, in mindere mate, de Maas. Op de plek van de Gelderse Vallei bevond zich een landtong die de grond aan weerszijden omhoog stuwde. De gestuwde afzettingen worden tot het 5 Laagpakket van Gieten, Formatie van Drente gerekend. Al aan het eind van het Saalien zijn de stuwwallen sterk geërodeerd door smeltwater van het gletsjerijs. Het smeltwater veroorzaakte brede, trechtervormige dalen met aan de bodem grote daluitspoelingswaaiers. Hier lag een grote hoeveelheid door het water meegenomen zand en grind die als afzettingen worden gerekend tot het 6 Laagpakket van Schaarsbergen, Formatie van Drente.

Aan het eind van het Pleistoceen, in de laatste ijstijd ofwel Weichselien (116.000-11.500 jaar geleden) ontstond aan de voet van de stuwwal een reliëfrijk landschap door de aanwezigheid van sneeuwsmeltwaterrivieren en daluitspoelingswaaiers. In diezelfde periode verplaatsten poolwinden enorme hoeveelheden zand, waarmee het bekken (de Gelderse Vallei) vol stoof. Het is in opeenvolgende stuiffasen als een dikke, vlakke deken afgezet. In dit dekzand is door de wind reliëf aangebracht

in de vorm van lange, parabole duinen (dekzandruggen) en laagten. Zo werd achtereenvolgens in het landschap het oude en het jonge dekzand afgezet, wat het dekzandlandschap ten noorden en oosten van de stuwwal heeft gevormd (Laagpakket van Kootwijk/Formatie van 7 Boxtel). Diverse beken hebben tussen de ruggen beekdalen van hooguit enkele meters diep gevormd en daarin wat beekleem afgezet. Stijgende temperaturen na de laatste ijstijd zorgden voor een stijging van het grondwater waardoor in de loop van de tijd uitgestrekte hoogvenen zijn ontstaan en de beeksystemen verder vertakt raakten. In het Holoceen (14.100 jaar geleden tot heden) was in deze streek voor het eerst uitgebreide begroeiing te zien. In eerste instantie bestond de begroeiing uit typische toendravegetatie. Vanaf het Boreaal (9000 - 8000 jaar geleden) ontwikkelde zich de eerste warmteminnende boomsoorten gevolgd door eik en andere 8 loofboomsoorten. In het Vroeg-Holoceen waren in de Gelderse Vallei nog maar weinig beken actief. Water vloeide niet meer weg uit het gebied. De combinatie van goed doorlatende zandbodems, kweldruk vanuit de omliggende heuvels, een langzame toename van neerslag en een vlak bekkengebied zorgde voor snel stijgende grondwaterspiegels. Daarbij was er eveneens sprake van 9 een zeespiegelstijging. Deze verslechterde waterhuishouding leidde tot vernatting en veengroei. Omstreeks 2900 v. Chr.

bestond het gehele (latere) Zuiderzeegebied uit één groot veenmoeras. De slechte drainage van oppervlaktewater door dit veengebied naar de kust zorgde voor ophoping van bodemwater in de achterliggende Eemvallei, waardoor de veenvorming werd 10 versterkt. Deze situatie duurde voort tot circa 1850 v. Chr. de Pas tijdens de eerste ontginningen in de 12 eeuw verdween het veen uit het landschap in Leusden. 4.1 Geomorfologie en hoogte Volgens de geomorfologische kaart uit 1977 ligt het plangebied op de overgang van een vlakte van ten dele 7

4

Berendsen 2004. 5 Mulder e.a. 2003. 6 Mulder e.a. 2003.

Mulder e.a. 2003. Jungerius et. al. 1973. 9 Scholte Lubberink e.a. 2015, 24. 10 Scholte Lubberink e.a. 2015, 26-27. 8

9

Afbeelding 4, uitsnede van de geomorfologische kaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Stiboka 1977)

Afbeelding 5, uitsnede uit de bodemkaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Stiboka 1965)

verspoelde dekzanden (west; 2M14 vervlakt door veen of verspoelingsmateriaal) naar een lage dekzandrug (oost; 11 3K14). De kaart uit 2008 geeft aan dat het gehele 12 plangebied in een gebied met verspoelde dekzanden ligt. Het Actueel Hoogtebestand Nederland geeft aan dat in het midden van het plangebied een lichte verhoging van het maaiveld aanwezig is. Het maaiveld ligt daar op een hoogte van circa 2,8m +NAP tot 3,0m +NAP. Aan de westen oostkant is het maaiveld ongeveer 2,7m +NAP.

Landschappelijk gezien lijkt het meer voor de hand dat er archeologische resten in het oosten van het plangebied zullen worden aangetroffen.

4.2 Bodem en grondwater De bodemkaart laat zien dat in het westen van het gebied verschillende soorten veen (Vz/zWz/vWz/) in de ondergrond aanwezig zijn, die richting het oosten overgaan naar beekeerdgronden van leemarm en zwak lemig fijn 13 zand (pZg23). De watertrap is in het gehele gebied II. Dat betekent dat de laagste waterstand tussen de 50 en 80 cm onder maaiveld ligt.

1.

4.3 Analyse bestaand kaartmateriaal Samengevat lijkt het plangebied relatief laag te liggen en in het verleden erg nat te zijn geweest waardoor onder andere veenvorming kon optreden. Meer naar het oosten begint een lage dekzandrug die wat hoger en droger was.

14

4.4 Controleboringen Om bovenstaande uitspraken over de bodemopbouw te verfijnen en de landschapsgenese te bepalen is een aantal 15 bodemkundige boringen uitgevoerd. Hierbij stonden vier onderzoeksvragen centraal:

2.

3.

4.

Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afgedekt)? In hoeverre kan aan de hand van het booronderzoek een onderscheid worden gemaakt tussen archeologisch kansarme en kansrijke zones binnen het plangebied?

Hoewel er niet gericht wordt gezocht naar archeologische indicatoren geldt in het geval dat er tijdens het boren toch archeologische indicatoren worden aangetroffen tevens de volgende vraag:

11

Stiboka 1977. Alterra 2008, via www.pdok.nl 13 Stiboka 1965/Alterra 2008, via www.pdok.nl 12

14 15

Tekst: I. de Rooze MA Uitgevoerd door I. de Rooze en S. Beumer.

10

5.

Wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied?

4.4.1 Methode en uitvoering Er is geboord met een Edelmanboor met een boordiameter van 7 cm. De boringen zijn, indien mogelijk, tot ten minste 20 cm in de C-horizont gezet. De huidige bebouwing en bestrating liet niet toe om een boorgrid te hanteren. De boorlocaties zijn verdeeld over de zones die wel beschikbaar waren. Er zijn 8 boringen gezet; van de geplande 9 boringen kon er 1 niet worden gezet vanwege 16 bestrating. De boorbeschrijving vond plaats volgens de ASB , waarbij alleen de voor dit onderzoek relevante onderdelen zijn geregistreerd. De maaiveld hoogtes zijn bepaald aan de hand van de AHN, de x- en y-coördinaten aan de hand van de digitale basiskaart. De boorkernen zijn verbrokkeld, waardoor eventuele archeologische indicatoren tevoorschijn konden komen. Aangezien het een bodemkundig booronderzoek betreft is er echter niet gericht gezocht naar archeologische indicatoren. Er zijn geen monsters verzameld. 4.4.2 Bodemopbouw Het maaiveld ligt op een hoogte van circa 2,75 à 3,00 m + NAP. De bodemopbouw bestaat vanaf het maaiveld naar beneden gezien uit: 1.

2.

Recente verstoring. Dit pakket is bij boringen 4, 5, 6, 7 en 8 waargenomen en bestaat uit geel / grijs vulzand en soms uit gemengd geel en grijsbruin zand. Hierin is ste glas en plastic uit de 20 eeuw waargenomen. Dit pakket is 60 tot 100 cm dik en kent een scherpe overgang met de onderliggende laag. De bovenkant van dit pakket bestaat uit graszoden. Bouwvoor. Deze is grijsbruin van kleur en lichtlemig van aard. Soms bevat de bouwvoor kleine

3.

4.

4.4.3 Interpretatie Op de locaties van boringen 4 tot en met 8 is in de 20ste eeuw de bovengrond verstoord. Hierbij is de bodem circa 60 tot 100 cm diep geroerd. Op twee locaties lag het vulzand direct op de C-horizont. (boring 7 en 8). Waarschijnlijk heeft de verstoring plaatsgevonden met de bouw van de scholen. Gezien de aard van het aangetroffen dekzand - namelijk geen enkele rest van uitspoelingslagen - lijkt het dekzand tot minimaal 20 cm te zijn afgegraven. Het dekzand is over het algemeen lemig van aard en wordt geïnterpreteerd als een ten dele verspoelde dekzandvlakte. Het dekzand bij boring 5, in het noordoosten van het plangebied doet, gezien de oervorming en de hoogte (2,05 m +NAP) vermoeden dat hier mogelijk de flank van een dekzandrug begint. 4.4.4 Beantwoording onderzoeksvragen De onderzoeksvragen worden op basis van de boringen als volgt beantwoord: 1.

16

Vanwege deze bestrating en het feit dat alle drie de scholen nog in gebruik zijn en dus alleen in het groen rondom de scholen mocht worden geboord, kon niet worden voldaan aan de eis minimaal 6 boringen per hectare te zetten. Het zijn er gemiddeld drie per hectare geworden.

baksteenbrokken. De bouwvoor is zo’n 40 à 75 cm dik. Dit pakket kent een scherpe overgang naar de onderliggende laag. Veraard veen. Dit pakket is alleen in boring 2 waargenomen. Het betreft een circa 45 cm dik pakket van donkerbruin zand met veen (veraard). Dit pakket kent een scherpe overgang naar de onderliggende laag. Dekzand. Dit pakket wordt geïnterpreteerd als jong dekzand en is hier door de wind afgezet in het Pleistoceen. Het maakt onderdeel uit van de formatie van Boxtel en bestaat uit mineraalarm zand. Het is grijs van kleur en lemig van aard. De hoogte van het zand varieert tussen circa 1,7 m +NAP en 2,3 m +NAP. Het dekzand is het hoogst in boring 7, en het laagst in boring 6. In geen van de boorlocaties zijn resten van podzolbodems waargenomen. Het dekzand bij boring 5 vertoont oranje oer vlekjes.

Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? Het plangebied ligt in een ten dele verspoelde dekzandvlakte. De bodem bestaat uit een recente verstoring, een bouwvoor. In het midden van het

plangebied is er sprake van veraard veen. In het noordoosten lijkt de flank van een dekzandrug te zijn aangeboord. 2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

5.

Wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? Er zijn tijdens het verbrokkelen van de boorkernen geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Omdat over vrijwel het gehele gebied de bovengrond tot ver in het dekzand recent is afgegraven lijkt het waarschijnlijk dat alle relevante bodemniveaus zijn verdwenen. Er is geen sprake van een podzolbodem en in de meeste boringen is een recente bouwvoor geconstateerd. 3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afgedekt)? Omdat over vrijwel het gehele gebied de bovengrond tot minimaal 20 cm in het dekzand recent is afgegraven lijkt het waarschijnlijk dat alle relevante bodemniveaus zijn verdwenen. Op sommige plekken is het mogelijk dat de onderkant van de diepe sporen (bijvoorbeeld waterputten) aanwezig zijn. Dat maakt dat de vindplaatsen niet meer intact zullen zijn.

4.

In hoeverre kan aan de hand van het booronderzoek een onderscheid worden gemaakt tussen archeologisch kansarme en kansrijke zones binnen het plangebied? Uit het booronderzoek komt dat de westkant van het plangebied in het verleden behoorlijk nat is geweest. Op een plek heeft daardoor veenvorming plaatsgevonden. Op deze locaties is de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen erg klein. In het oosten is mogelijk de flank van een dekzandrug aangeboord. Deze zone is kansrijker. Over het gehele plangebied is recent de bovengrond echter tot minimaal 20 cm in het dekzand afgegraven, waardoor archeologische vindplaatsen niet meer intact zijn.

Afbeelding 6a en b, locatie van de boringen (rood is afgevallen vanwege bestrating)

11

12

Afbeelding 7, boring 2 (de cijfers komen overeen met de nummering in paragraaf bodemopbouw).

Afbeelding 8, boring 6 (de cijfers komen overeen met de nummering in paragraaf bodemopbouw).

5. Historische omgeving Ontginning Oudste vermelding

Hamersveld (vanaf tweede de helft 12 eeuw) 1436 (pachtbrief kapittel Oudmunster Utrecht) Bouw- en weiland

Kadastrale minuutplan 1832 Topografische kaart circa Bouw- en weiland 1900 Tabel 2, overzicht van de historische gegevens.

De oudste vondst uit Leusden dateert uit het Midden17 Paleolithicum, ongeveer 40.000 tot 35.000 jaar geleden. Het gaat om een bladspits van de Mauern-cultuur die is gevonden op de Leusderheide. Uit het Mesolithicum zijn in de omgeving verschillende kleine, tijdelijke kampementen 18 gevonden van jagers-verzamelaars. Deze lagen vooral op de (flanken van de) dekzandruggen en het stuwwalgebied bij de Leusderheide. Bewoningssporen uit het Neolithicum zijn schaars, maar uit deze periode zijn wel grafheuvels bekend. Deze liggen met name in het heidegebied aan de zuidoostkant van de gemeente Leusden. Hetzelfde kan worden geconstateerd voor resten uit de Bronstijd. Graven in de vorm van grafheuvels en mogelijk urnenvelden zijn in het heidegebied gevonden, 19 maar nederzettingssporen zijn nog niet veel aangetroffen. In De Schammer in het noordwesten van de gemeente 20 Leusden zijn twee erven uit de Late Bronstijd gevonden. Nederzettingssporen uit de IJzertijd zijn beter bekend in de regio Leusden. Zowel bij De Schammer als bij de Leusderheide (Oud-Leusden) zijn verschillende boerderijen uit de Vroege, Midden- en Late IJzertijd gevonden. Net buiten de gemeentegrenzen bij het bedrijventerrein Wieken-Vinkenhoef in Amersfoort zijn ook vele erven uit 21 deze periodes gevonden.

nederzetting en een wachttoren. Ook bij WiekenVinkenhoef zijn boerderijen aangetroffen die in de 22 Romeinse Tijd kunnen worden gedateerd. Vlak bij de Romeinse nederzetting van Oud-Leusden is een Merovingisch grafveld en een nederzetting uit de Vroege en Volle Middeleeuwen gevonden. Deze nederzetting houdt waarschijnlijk verband met de eerste historische vermelding van Leusden. In 777 schenkt Karel de Grote de villa Lisiduna met bijbehorende boerderijen en land aan de 23 bisschoppelijke Sint Maartenskerk in Utrecht. Dit deel van de Leusden werd tot in de 12 eeuw bewoond. Door het intensieve gebruik van het droge heidegebied ontstonden er echter flinke zandverstuivingen en langzaam verschoof de bewoning naar het (noord)oosten en het (noord)westen. Meer naar het oosten lag vanaf het jaar 1000 een klooster, Hohorst. Dit klooster is door Bisschop Ansfried gesticht op een destijds geïsoleerde heuvel in een uitgestrekt moeras, de Heiligenberg. Vanuit dit klooster werd nieuw land ontgonnen. In 1050 werd het klooster verplaatst naar Utrecht (de Sint Paulusabdij) en werd het abdijcomplex op 24 de Heiligenberg een proosdij met uithof.

Het lijkt erop dat gedurende de Romeinse tijd Leusden weer minder intensief werd bewoond. De enige vindplaats uit deze periode in Leusden is gevonden tijdens de aanleg van de A28 bij Oud-Leusden. Het gaat hier om een

Al vanaf de Vroege Middeleeuwen werden op de hoger gelegen dekzandruggen en –koppen bossen ontgonnen. Zo ontstonden de eerste (geïsoleerde) boerderijen met blokverkavelingen. Resten daarvan zijn onder andere bij 25 de de De Schammer gevonden. Vanaf de 12 /13 eeuw gaf de bisschop de opdracht ook de lager gelegen gebieden te ontginnen in stroken. Zo ontstond het huidige cultuurlandschap met strook- en blokverkavelingen afgewisseld met dorpen, zoals Hamersveld, Leusbroek. De laatste ontginning in Leusdens grondgebied is de Voskuilerbroek, die in de 14 eeuw werd ontgonnen. Lange tijd is het gemengde agrarische bedrijf gangbaar op 26 de de boerderijen van Leusden. Vanaf de 17 eeuw komt een specifiek soort activiteit op: de tabaksteelt. Samen met Amersfoort werd Leusden één van de belangrijkste de productiecentra. Dit duurde tot in de 19 eeuw. Agrarische kernen als Bavoort, Achterveld en Hamersveld groeide in

17

22

18

23

Stapert e.a. 1993. Beumer 2017, 12-13. 19 Idem, 13-14. 20 Hulst e.a. 2013. 21 Beumer 2017, 15-17.

Idem, 17-19. Muller 1892, 12-14. 24 Hundertmark en Van Vliet 2010. 25 Hulst e.a. 2013. 26 Beumer 2017, 21-21.

13

14

ste

deze periode langzaam. Pas in de loop van de 20 eeuw is de landelijke bebouwing van Leusden uitgebreid met woonwijken, waarbij die van Hamersveld en Leusden-Zuid 27 het meest tot ontwikkeling zijn gekomen. de

De Modderbeek heeft vanaf de 18 eeuw eveneens een strategische functie gehad. In Leusden en Amersfoort werd deze beek gebruikt als basis voor de verdedigingslinie de Grebbelinie. Deze linie werd daadwerkelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt en is toen ingericht met 28 bunkers en loopgraven. 5.1 Plangebied en directe omgeving De drie scholen liggen in een wijk die eind jaren ’70, begin ste jaren ’80 van de 20 eeuw is gebouwd. De scholen zelf komen uit 1978 (De Heerd), 1979 (’t Ronde), 1981 (De Holm) en 1989 (gebouw dependance De Holm). Het ligt in de ontginning Hamersveld. Op een enkele boerderij na, is de woonwijk ook de eerste grootschalige bebouwing in deze ontginning. Op de oudste historische kaart van het gebied - de kadastrale minuutplan uit 1832 - is het plangebied in gebruik als gras- en bouwland afgewisseld 29 met bosstroken. Het land is in bezit van Simon Huurderman, de eigenaar van boerderij Langebeek. Er is geen historische bebouwing bekend binnen het plangebied. Ten westen van het plangebied ligt de Hamersveldseweg. Deze weg is de ontginningsas waaruit vanaf de tweede de helft van de 12 eeuw de polder Hamersveld werd ontgonnen. Hamersveld werd samen met andere lager gelegen delen in de regio op initiatief van de bisschop van Utrecht geschikt gemaakt voor landbouw en bewoning. Op last van de St.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3437/documents/36228