Bijlage 2 Arnhemseweg 74c_toelichting__86852__.pdf
Tekst van het document
17 februari 2023
Buitenstedelijk gebied 250 meter 400 meter 600 meter
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig . Beoordeling en conclusie Voor de nieuwe woning is nader onderzoek naar de geluidbelasting niet nodig omdat de afstand tot de N226 meer dan 200 m bedraagt (dit geldt trouwens ook voor de bedrijfswoning) en daarmee buiten de onderzoekszone van deze weg. De doodlopende weg waar het plangebied aan ligt, kent een zeer lage verkeerintensiteit zodat akoestisch onderzoek hier niet doeltreffend is. Het plan is haalbaar voor wat betreft geluid.
3.3 Externe veiligheid Wettelijk kader Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactivieiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe vei-ligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen. In het wettelijk kader en externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in twee soorten risico’s, namelijk plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). PR en het GR dienen elk een andere doelstelling. Het PR heeft te maken met de veiligheid van de risicobron (technisch systeem) en is bedoeld voor de burger / gebruiker als individu. Het GR zegt iets over de inrichting van de ruimte rond de risicobron en is bedoeld voor de bestuurder. Naast PR en GR worden binnen zogenaamde effectgebieden ook risico’s aanwezig. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woon-, werk- of verblijfsomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6). Groepsrisico Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 29
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatie-waarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. De oriëntatiewaarde wordt uitgedrukt in een risicocurve. De oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag in situaties daarboven gemotiveerd kan afwijken. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om een belangenafweging te maken. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij spelen onder de zelfredzaamheid, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. De hoogte van het groepsrisico kan niet toenemen als er geen invloedsgebied aanwezig is.
Afbeelding: uitsnede risicokaart
Beoordeling en conclusie In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig, buisleidingen of routes gevaarlijke stoffen (de gestippelde rode lijn betreft een gasleiding waaronder hoge druk gas wordt vervoerd; de gasleiding ligt echter op circa 340 m). Hoewel de N226 niet is opgenomen in het Basisnet, kan wel beredeneerd worden dat er enig transport van gas plaatsvindt. Nu deze weg op meer dan 200 meter van het plangebied ligt, kan deze weg ook buiten beschouwing voor wat betreft risico’s.
3.4 Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe?
30
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2
Richtafstand woonomgeving in meters 10 30 50 100
Richtafstand gemengd gebied in meters 0 10 30 50
4.1
200
100
31
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
Beoordeling en conclusie In voorliggend geval gaat het om rustig gebied en zijn in de omgeving van de nieuw te realiseren woningen geen milieubelastende functies aanwezig. Omgekeerd gaan van de woonfunctie geen belemmeringen uit. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.5 Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m 2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m 2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Beoordeling en conclusie Duidelijk is dat het voorliggende geval geen grote ontwikkeling is en dat de invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse NIBM is. Geconcludeerd wordt daarom dat het project geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit.
3.6 Ecologie Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. 32
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
Quickscan Door een ecologisch adviesbureau is een quickscan ecologie uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als bijlage2. Beschermde soorten De aanwezigheid van gierzwaluw kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van huismus is waargenomen tijdens de quickscan. Een afdoend onderzoek naar beide soorten is noodzakelijk. De aanwezigheid van vleermuizen kan op voorhand worden uitgesloten. Een afdoend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Het afdoend onderzoek naar gierzwaluw en huismus is uitgevoerd in het voorjaar van 2021. De rapportage van is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing 3. Uit de resultaten van het afdoend onderzoek is gebleken dat er zes vaste verblijfplaatsen van huismus aanwezig zijn. Er zijn geen verblijven aanwezig van gierzwaluw. Voor de ruimtelijke plannen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk, mits de werkzaamheden geen effect op de soort veroorzaken. In verband met de aanwezigheid van 6 verblijven van huismussen, moeten er minimaal 12 alternatieve verblijfplaatsen voor huismus worden aangeboden. Om zorg te dragen voor een juiste uitvoering wordt geadviseerd te werken met een ecologisch werkprotocol en de planning af te stemmen op een juiste mitigatie. Het ecologisch werkprotocol beschrijft de werkwijze die moet worden gevolgd om schade aan de natuurwaarden te voorkomen.
Het protocol geeft tevens de volgorde van werken en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden aan. Deze aanwijzingen zijn dwingend. In de rapportage is aangegeven dat wanneer met een ecologisch werkprotocol wordt gewerkt, er geen ontheffing nodig voor huismus of gierzwaluw. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door te werken met een ecologisch werkprotocol. Dit zal worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog. Door de RUD is aangegeven dat een ontheffing nodig is voor de sloop van de schuren. In de rapportage van het afdoend onderzoek is aangegeven dat er diverse mogelijkheden zijn om alternatieve verblijfplaatsen aan te bieden en welke gewenningstijd daarvoor nodig is. Hiermee staat vrijwel vast dat de benodigde ontheffing verleend kan worden. Hiermee is de uitvoerbaarheid van voorliggend ruimtelijk plan aangetoond. De ontheffing zal spoedig worden aangevraagd. Voor de overige aanwezige broedvogelsoorten binnen het plangebied wordt geadviseerd om werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Voor algemene soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland ligt op minder dan 200 m afstand van de planlocatie. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt echter geen effect verwacht. De planlocatie ligt aan de Arnhemseweg 74B binnen de bebouwde kom van Leusden.
De planlocatie wordt omsloten door sloten en landbouwgrond. Het perceel ligt op ruim 12 km afstand van het Natura 2000- gebied ‘Rijntakken’ en ’Kolland & Overlandbroek’. Gezien de omvang van de werkzaamheden is
2 Quick scan Ecologie Arnhemseweg 74b Leusden Els & Linde B.V., 27 april 2021 3 Afdoend onderzoek Arnhemseweg 74b Leusen Els & Linde B.V., 22 december 2021
33
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
een berekening op de depositie van stikstof volgens het onderzoek noodzakelijk. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen worden uitgesloten. In afwijking van het gestelde ten aanzien van stikstof, wordt geconcludeerd dat de gebruiksfase niet berekend hoeft te worden, nu het gaat om de enkele toevoeging die bovendien gasloos wordt gebouwd; het gaat dan dus alleen om een verkeerstoename doch wanneer deze gesaldeerd zou worden met de voorheen aanwezige functie, een paardenpension, dan kan op voorhand met zekerheid geconcludeerd worden dat sprake is van een verbetering voor wat betreft stikstofuitstoot. Voor de bouwfase kan voorts rekening worden gehouden met de handreiking van BIJ12, waar op pagina 12 wordt aangegeven dat in het geval dat in de bouwfase de toename maximaal 0,05 mol/ha/jr bedraagt, gedurende maximaal 2 jaar, er geen significant negatieve effecten zijn, ook in reeds overbelaste gebieden. Voor dat laatste geldt bovendien dat op grond van artikel 2.9a van de Wnb de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid.
Op grond van artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming worden als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet aangewezen: het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw - of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen en het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Er is dus geen stikstofberekening noodzakelijk. Conclusie Uit de uitgevoerde onderzoeken is gebleken dat een ontheffing voor de huismus benodigd is. Deze is verleenbaar geacht. Door het werken met een ecologisch werkprotocol en het werken buiten het broedseizoen, zullen overige soorten niet worden verstoord. Voor wat betreft gebiedsbescherming komen er geen belemmeringen naar voren. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.7 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Later is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. In 2016 is de Wamz opgegaan in de Erfgoedwet welke concreet ingaat op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. Beoordeling en conclusie In het bestemmingsplan is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen, maar vanuit de Beleidsnota Archeologie van de gemeente Leusden geldt er wel een verwachting voor het gebied. De 34
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
verwachting die geldt betreft een lage verwachting: Bij plangebieden groter dan 10.000 m2 waarbinnen bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld plaatsvinden is voorafgaand archeologisch onderzoek noodzakelijk. Eerst moet er een plantoetsing plaatsvinden door het bevoegd gezag. Het plangebied is ruim 25.000 m 2 groot, maar de totale oppervlakte aan nieuwbouw blijft ruim beneden de 10.000 m 2 . Bovendien concentreert de nieuwe bebouwing zich voor een groot deel op locaties waar al bebouwing stond en hoogstwaarschijnlijk bodemverstoring heeft plaatsgevonden. Vanuit historisch en landschappelijk vlak is er een lage verwachting om archeologische resten uit zowel de Prehistorie als de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd tegen te komen. Dat betekent dat er geen archeologisch onderzoek nodig is voor deze locatie. Wel blijft de wettelijke regeling over toevalsvondsten van kracht: Meldingsplicht archeologische toevalsvondsten (Erfgoedwet art.5.10). Indien bij bodemverstorende werkzaamheden zaken worden aangetroffen, waarvan de vinder weet of redelijker wijs moet vermoeden dat het gaat om archeologische vondsten of sporen, dan is diegene verplicht dit direct te melden. Officieel dient een melding te gebeuren bij de burgemeester van de betreffende gemeente of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Cultuurhistorie De bestaande bebouwing in het projectgebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast als gevolg van de functiewijziging.
3.8 Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit is van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. Om te beoordelen of er sprake is van een bodemkwaliteit die geschikt is voor de woonfunctie is in eerste instantie in een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bijlage toegevoegd4 In de mengmonsters van de boven- en ondergrond, ook van de aandachtspunten in de werkplaats, zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en som xylenen aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet bevestigd. Er zijn geen verhogingen gemeten. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien.
Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. In het onderzoek is ook een bovengrondse dieseltank (in opvangbak) en opslag van olieproducten betrokken. Er is nabij de olie opslag een boring tot de 4 Verkennend bodemonderzoek Arnhemseweg
74b te Leusden, Landview, 20 april 2021 35
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
grondwaterstand verricht en nabij de dieseltank (bovengronds en in opvangbak) is de peilbuis geplaatst. In geen van de mengmonsters (bovengrond of ondergrond) is een gehalte minerale olie boven de detectielimiet gemeten. In het grondwater is een lichte verhoging van xylenen (vluchtige aromaten), maar geen olie gemeten. Daarmee is dit voldoende onderzocht. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. In de bodem is geen asbestverdacht plaatmateriaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Aangezien de te slopen opstallen voorzien zijn van asbestverdachte dakbedekking, is uitvoering van een verkennend asbestonderzoek in de bodem conform NEN 5707 noodzakelijk. Landview adviseert dit NA sloop van de opstallen uit te laten voeren. Voor het bestemmingsplan vormt dit onderwerp evenwel niet relevant. Gelet op bovenstaande vormt de kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het bestemmingsplan.
3.9 Waterhuishouding In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen (of het voeren van vergelijkbare procedures). In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) dat verplicht is bij ruimtelijke procedures, wordt vooroverleg gepleegd met de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Europees beleid In 2000 is de Kaderrichtlijn water vastgesteld waarin communautaire maatregelen zijn opgenomen betreffende water. Het doel van deze richtlijn is een integrale benadering van het waterbeheer. Dit betekent dat de interne samenhang tussen oppervlaktewater en grondwater, zowel waar de kwaliteits- als kwantiteitsaspecten betreft, als uitgangspunten worden genomen. Daarnaast betekent de integrale benadering dat diverse beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, door de richtlijn worden bestreken. Met de bestaande Nederlandse regelgeving kan het merendeel van de richtlijnverplichtingen worden uitgevoerd. Rijksbeleid Het rijksbeleid voor Water wordt gevormd door het Nationaal Waterplan (zie paragraaf 3.2.3). Provinciaal beleid De watersystemen in stedelijk gebied zijn voornamelijk afgestemd op afvoer (bij regen) en aanvoer (in droge perioden) van water.
Een dergelijk systeem bezit onvoldoende veerkracht om in te kunnen spelen op de toekomstige ontwikkelingen. Aandachtspunten bij het streven naar een veerkrachtige duurzame inrichting en beheer in zowel bestaand als nieuw stedelijk gebied zijn de realisering van 36
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
extra open water, de afkoppeling van schoon verhard oppervlak van de riolering, de aanleg van een verbeterd gescheiden rioleringsstelsels, het saneren van vervuilingsbronnen, de realisering van een natuurvriendelijke oeverinrichting en een duurzamer gebruik van (leiding)water (duurzame waterketen). Vanaf het begin van planvorming dient overleg te worden gevoerd tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie “vasthouden, bergen en afvoeren” moet worden gehanteerd. Voor nieuw stedelijk gebied, dient rekening te worden gehouden met de eis voor het minimale wateroppervlak ten behoeve van de waterberging; dit moet 10% van het bruto stedelijk gebied worden (inclusief stadsrand). Beleid Waterschap Vallei en Veluwe, Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 Het Waterbeheerprogramma (WBP) is het spoorboekje én visitekaartje van het Waterschap Vallei en Veluwe voor de jaren 2016 – 2021. Dit Waterbeheerprogramma omvat de koers voor de komende zes jaar. Het WBP wordt bewust neergezet als een ‘programma’ en niet meer als een waterbeheerplan. Met het WBP als programma wordt aangesloten bij het Bestuursakkoord Water.
Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Deltabeslissingen wordt beschreven hoe gewerkt wordt aan de wateropgaven. Ook speelt het Waterschap alvast in op de nieuwe wetgeving omtrent ruimtelijke ordening, waarmee het WBP ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet houdbaar is. Het waterschap beschouwt de waterketen als één geheel en wil het beheer van de verschillende schakels op elkaar afstemmen. Enerzijds om kosten te besparen, anderzijds om het zuiveringsrendement verder te verhogen. Dit kan het niet alleen. Immers, het waterschap beheert slechts enkele schakels in de keten. Daarom wil het waterschap de komende jaren nog intensiever samenwerken met –vooral– de gemeenten in het gebied. Keur en algemene regels Waterschap Vallei en Veluwe In de Keur staat wat er wel en niet mag in watergangen, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken en met grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Zo mogen bepaalde activiteiten bij wateren en dijken alleen worden uitgevoerd als het waterschap daarvoor een vergunning heeft verleend. Hiermee voorkomen we risico's op wateroverlast of gevaren voor de dijken. In bepaalde gevallen gelden algemene regels in plaats van de vergunningplicht.
In deze algemene regels worden minder risicovolle activiteiten toegestaan zonder dat er vooraf toestemming hoeft te worden gevraagd aan het waterschap. Wel gelden er meestal voorwaarden en moet er achteraf een melding worden gedaan. 37
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
Op grond van artikel 3.2, eerst lid, van de keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder wordt ook verstaan het aanleggen, verwijderen of behouden van objecten en bouwwerken in oppervlaktewaterlichamen. Beoordeling en conclusie Het voorliggende project voorziet in de sloop van bestaande verhardingen. Er is daarom geen sprake van een toename aan verharding. Op het gebied van waterberging gaat het projectgebied erop vooruit. Bovendien wordt er geen water gedempt, gebouwd in de (buiten)beschermingszone van een waterkering en er wordt niet gewerkt met uitloogbare materialen. Er zal nader overleg worden gevoerd met het Hoogheemraadschap op de wijze van aanleg van watergangen en de afwatering. Gelet hierop, vormt het aspect water geen belemmering.
3.10 Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Het is in ieder geval niet relevant of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling betreft de wijziging van een paardenpension naar 2 woningen.
Gezien het feit dat de omgeving reeds volledig is ingericht als woonomgeving en de beperkte fysieke omvang van de planologische wijziging, wordt geconcludeerd dat het project niet is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er is dan ook geen aanleiding een (vormvrije) MER-beoordeling uit te voeren. Voorts blijkt uit de voorliggende toelichting dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
38
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Economische uitvoerbaarheid Het betreft hier het mogelijk maken van een nieuwe woning. Op grond van artikel 6.2.1 onder a is de bouw van een woning grondexploitatieplichtig, tenzij op een andere wijze in kostenverhaal wordt voorzien. Voor dit plan zal de gemeente een anterieure overeenkomst afsluiten om de kosten – inclusief eventuele planschade - te verhalen. De gronden waarop het project zal plaatsvinden zijn in privé eigendom. Uit de voorliggende toelichting is niet gebleken dat er een financieel risico bestaat voor de uitvoering van het project. De functiewijziging van Bedrijf naar Wonen is van dien aard dat de verwachting is dat er geen sprake is van planschade.
4.2 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bor wordt plan voorgelegd aan betrokken bestuursorganen, nutsbedrijven en andere instanties. Het voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan is toegezonden aan: - Provincie Utrecht; - Waterschap Vallei en Veluwe; - Gasunie - Rijkswaterstaat. Vanuit de provincie zijn geen opmerkingen naar voren gebracht. De Gasunie heeft gereageerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Het Waterschap en Rijkswaterstaat hebben niet gereageerd.
4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ter inzagelegging Het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Van het ontwerpbesluit wordt kennis gegeven in de Staatscourant. Ten aanzien van het ontwerpbesluit kan een ieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen bij het college. De vastgestelde ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Mochten hierop zienswijzen worden ingebracht, dan volgt een belangenafweging, waarna het college een besluit neemt. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd hier samengevat en van een antwoord voorzien. Participatie Met de buurpercelen is overleg gepleegd. De buren zijn geïnformeerd over het voornemen. Er zijn geen negatieve geluiden naar voren gekomen.
39
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
5 Juridische regeling Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: • via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; • via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.
Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.
De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde.
40
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De bestemmingen In het bestemmingsplan is voor de twee woningen de bestemming Wonen opgenomen, evenals een bouwvlak en een maximale goot- en bouwhoogte. De beide woonhuizen moet binnen het ingetekende bouwvlak worden gerealiseerd. Het bijgebouw, zwembad en de boomgaard worden specifiek aangeduid en zijn alleen daar toegestaan. Het gedeelte dat ook tot het bestemmingsvlak Bedrijf behoorde, maar in de nieuwe situatie niet tot het tuin/ erf, heeft de bestemming Agrarisch met Waarden gekregen. Met een bestemming Agrarisch met Waarden wordt het groene karakter geborgd. De functieaanduiding boomgaard maakt een boomgaard mogelijk en de functieaanduiding tuin maakt naast het agrarische gebruik ook het gebruik als tuin behorende bij de woonbestemming mogelijk. Het realiseren van het landschappelijk inrichtingsplan wordt geborgd doordat deze als bijlage aan de regels is gekoppeld met een voorwaardelijke verplichting in de regels.
De verkeersbestemming regelt de ontsluiting van de woningen.
41
Toelichting Buitengebied, herziening Arnhemseweg 74b – c
17 februari 2023
6 Conclusie Het voorliggende initiatief is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling. Voor het gevraagde kan het bestemmingsplan worden herzien. Het Rijks-, provinciale of gemeentelijke beleid werpt geen belemmeringen op en ook vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen te verwachten. Op diverse milieuaspecten is onderzoek uitgevoerd. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Het initiatief zorgt voor een gewenste toevoeging van 1 woning, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leniging van de woningbehoefte. Tevens verbetert de ruimtelijke kwaliteit omdat verouderde panden worden gesloopt waarna er twee zorgvuldig ontworpen gebouwen voor terugkomen.
42