CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Verordening Jeugdhulp 2026__290129__.pdf

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente LeusdenBij agendapunt: 17: Raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 202623.103 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2025 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2025 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst. 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2025 te herzien: a. op de gronden, vermeld in Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2025;

b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt op de Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2025, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden. 6. De Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2025 wordt ingetrokken. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Leusden op 5 maart 2026. de raad van de gemeente Leusden, De heer Y.E. Bras,

De heer G.J. Bouwmeester,

Wnd. griffier

voorzitter

Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2026 Algemene inleiding Het doel van de Jeugdwet is om het jeugdstelsel te vereenvoudigen en het efficiënter en effectiever te maken met als uiteindelijk doel het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving. De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten. De jeugdhulpplicht geldt alleen als de jeugdige en zijn ouder(s) er niet zelf uit komen. De wet draagt gemeenten verder op om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dat dan is. Dat neemt echter niet weg dat de gemeente een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening precies wordt getroffen. De te treffen voorziening kan zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp toegankelijk is en welk niet. Voor niet vrij-toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en zijn ouder(s) deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben op basis van een beoordeling van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager.

Een jeugdige en/of een ouder kan jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen niet toereikend zijn. Met een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, is gewaarborgd dat de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid; c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Deze verordening geeft invulling aan de opdracht uit de Jeugdwet (art.2.9 van de wet). Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1, lid 1, onder b andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wet Passend Onderwijs, de Wmo 2015, de Participatiewet, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Artikel 1, lid 1 onder d budgetbeheerder en onder e budgethouder In de praktijk worden de begrippen budgethouder en budgetbeheerder als synoniemen van elkaar worden gebruikt, dit is niet correct. Voor de duidelijkheid zijn beide begrippen opgenomen in de begripsbepalingen.

Artikel 1, lid 1 onder j individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij-toegankelijk, er is een individuele beoordeling en een verleningsbeschikking nodig. Artikel 1, lid 1 onder o spoedeisend geval

Het is aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) om te stellen en te onderbouwen dat er sprake is van een spoedeisende situatie. Het is ter beoordeling aan het college of een individuele voorziening in natura moet worden ingezet, in afwachting van het onderzoek na de hulpvraag. Ook kan het college een machtiging voor gesloten hulpverlening bij de kinderrechter vragen als daartoe aanleiding is. Artikel 1, lid 1, onder q wijkteam Wijkteam is in elke gemeente anders georganiseerd. In Leusden zijn bij Lariks verschillende teams ondergebracht met verschillende opdrachten. Lariks heeft mandaat om zorg te beschikken. Als er in de verordening wordt gesproken over ‘college’, is dat in de praktijk vaak Lariks onder mandaat van de gemeente Leusden. HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is.

Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Het grootste deel van de jeugdhulp in onze gemeente wordt geleverd door MetMaya. Met MetMaya zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop de hulp wordt aangeboden. Daarbij is overeengekomen dat MetMaya, op basis van professionele expertise en in samenspraak met de jeugdige en diens ouders, de omvang en intensiteit van de hulp bepaalt. Om die reden is ervoor gekozen om in deze verordening geen vaste bepalingen op te nemen over de maximale omvang van individuele voorzieningen. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN In het voorgaande hoofdstuk zijn de beschikbare vormen van jeugdhulp geregeld. In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader geregeld.

De toegang in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting wordt hier niet geregeld. Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.

Tweede lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden. Derde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is.

Deze bepaalt in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 5 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen.

De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. De gemeente Leusden organiseert de toegang tot de jeugdhulp lokaal, via Lariks, zodat de toegang herkenbaar en laagdrempelig is voor de inwoners. Lariks is in Leusden gemandateerd om beslissing te maken over de inzet van jeugdhulp vanwege hun

deskundigheid. In de praktijk zal het de jeugdhulp-aanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Wanneer de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een hulpvraag melden bij het college, bevestigt het college de aanvraag van een melding digitaal of schriftelijk. Het college is dan (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meerdere gesprekken. Hierbij wordt een zekere medewerking van de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).

Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een pgb wensen dan zullen zij dit ook moeten aangeven bij de aanvraag. Vijfde lid In dit geval wordt in algemene zin acht weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Zesde lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. Zevende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. HOOFDSTUK 4.

BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke

vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Voor het gesprek verzamelt het college alle belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger verschaffen de overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn. Wanneer de gegevens vooraf al bekend zijn bij Lariks, dan is het niet nodig om het gehele vooronderzoek opnieuw uit te voeren. Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Er is geen termijn opgenomen waarbinnen het college een onderzoek moet uitvoeren, aangezien dit van vele factoren afhankelijk is waaronder de hulpvraag.

Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan als uitgangspunt bij het gesprek.

De wens van het college is dat het familiegroepsplan drie werkdagen voor het gesprek wordt aangeleverd. Dit biedt de mogelijkheid voor Lariks om het familieplan zorgvuldig mee te nemen in de besluitvorming. Vierde lid In het vierde lid wordt ingegaan op de verwerking van de persoonsgegevens en het verstrekken van informatie met derde. Deze informatie wordt enkel verwerkt en verleend indien nodig voor het onderzoek. Vijfde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, na

het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Zesde lid Het zesde lid legt vast dat jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger geïnformeerd dienen te worden over de gang van zaken met betrekking tot het onderzoek en de behorende rechten en plichten. Dit is conform de informatieplicht. Zevende lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag.

Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). Achtste lid Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Negende lid Door het toevoegen van het negende lid aan de verordening, wordt vastgesteld dat het college zich houdt aan de informatieplicht en jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden geïnformeerd over de keuze om een pgb te ontvangen. Artikel 6.

Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 5 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. De deskundigheid benoemt in lid 1 zijn gebaseerd op de relevante deskundigheid benoemd in artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet. Lid 2 biedt de mogelijkheid om advies uit te vragen bij andere geregistreerde professionals wanneer de lokale toegang en het jeugdteam niet de deskundigheid beschikken. Bovendien zetten we waar nodig beschikbaar bewezen effectieve methodiek en instrumenten in gebaseerd op de databanken Instrumenten, Interventies en Richtlijnen van de NJi.

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, derde lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de

(eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerde in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het vierde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college, in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 7. Identificatie Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Artikel 8. Plan van aanpak In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats.

De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een plan van aanpak. De jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het plan van aanpak toe te voegen, voordat het college dit plan van aanpak gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het plan van aanpak, hebben begrepen. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het plan van aanpak ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. De ondertekening is de gebruikelijke manier waarop de instemming wordt vastgelegd. In bijzondere gevallen kan de instemming ook op een andere manier gegeven worden, wel moet deze altijd ondubbelzinnig zijn en worden vastgelegd.

Het is ook mogelijk dat de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen. Het ondertekende verslag kan worden gezien als aanvraag wanneer het is voorzien van een dagtekening, de naam en de geboortedatum van de jeugdige.

Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het plan van aanpak ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, door het sociaal netwerk, door een algemene voorziening of andere voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het plan van aanpak dient hier als weergave van het onderzoek. Het ondertekende plan van aanpak geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen. Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.

Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede lid Het tweede lid omvat de mogelijkheden en voorzieningen die onderzocht dienen te worden voordat er onderzocht wordt of individuele voorzieningen passend zijn voor de hulpvraag. Door eerst de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, de gebruikelijke hulp uit het netwerk en algemene en andere voorzieningen te onderzoeken, zorgt het ervoor dat individuele voorziening als laatste mogelijkheid onderzocht worden en daardoor enkel wordt aangeboden aan en beschikbaar blijft voor jeugdige die dit ook echt nodig hebben. Derde lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen.

Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de tabel ‘gebruikelijke zorg’ van het CIZ. Leeftijd

Belangrijkste milieus

Ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven Normale uitdagingen

0–2 jaar

 Gezin  Opvang

• Veilige hechting; • Lichaamsbeheersing; • Exploratie & spelen; • Autonomie en individuatie.

2–4 jaar

 Gezin  Buurt  Opvang  Media

4–6 jaar

 Gezin  Basisschool  Opvang  Verenigingen  Mediaomgevin g

6 – 12 jaar

 Gezin  Opvang  School  Verenigingen

• Representationele vaardigheid; • Taalvaardigheid en denkontwikkeling; • Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); • Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; • Socialisatie; • Zelfredzaamheid; • Sekserol-identificatie • Schoolse vaardigheden; • Taal- en denkontwikkeling; • Executieve vaardigheden (zelfsturing); • Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; • Vriendschappen sluiten; • Ontwikkeling gewetensontwikkeling /schaamte- gevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). • Vergroten zelfstandigheid; • Gebruik infrastructuren (geld,

• Soepele verzorging; • Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; • Letterlijk beschikbaar zijn; • Structuur bieden; • Ruimte geven voor exploitatie; • Spelen en praten; • Ontwikkeling stimuleren. • Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); • Respect voor autonomie én grenzen stellen; • Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).

• Voedingsproblemen; • Slaapproblemen; • Scheidingsangst; • Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Incidenteel huilen.

• Aanmoedigen sociaal gedrag; • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Mediaopvoeding; • Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); • Loslaten en vertrouwen geven.

• Niet gegronde angsten; • Ruzies met leeftijdgenoten; • Zindelijkheid; • Schoolweigering; • Gebrek zelfsturing.

• Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); • Bewust leren

• Ruzies, pesten; • Concentratie problemen; • Laag

• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Koppigheid; • Driftbuien; • Agressie; • Ongehoorzaamheid; • Druk gedrag; • Niet zindelijk zijn; • Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik.

 Peergroep  Mediaomgevin g

vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media); • Schoolse vaardigheden; • Internet en sociale media vaardigheden; • Acceptatie door leeftijdgenoten; • Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.

12 – 16 jaar

 Gezin  School  Verenigingen  Peergroep  Mediaomgevin g  Werkkring

16 – 23 jaar

 Gezin  School  Verenigingen  Peergroep  Internetgroep  Werkkring

• Emotionele en praktische zelfstandigheid; • Ontwikkeling waardensysteem; • Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; • Seksualiteit; • Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; • Onderwijs en beroepsvoorbereiding. • Overgang van jeugd naar volwassenheid; • Loskomen van ouderlijk gezag; • Ontwikkeling eigen waarden en normen; • Onafhankelijkheid; • Duurzame relaties aangaan.

omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties. • Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; • Toezicht houden; • Emotionele beschikbaarheid; • Tolerantie voor experimenten; • leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; • Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.

prestatieniveau; • Niet naar school willen; • Incidenteel stelen of vandalisme; • Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; • Cyberpesten.

• Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; • Emotionele, financiële en praktische steun; • Eigen keuzes en beslissingen laten maken; • Accepteren seksuele keuzes.

• Stemmingswisselingen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten.

• Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; • Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; • Wisselend humeur; • Incidenteel spijbelen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten; • Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

Tabel 1. Gebruikelijke zorg per leeftijdscategorie op basis van de tabel 'gebruikelijke zorg' van het CIZ.

Vierde en vijfde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te

nemen met een algemene of andere voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een algemene of andere voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Zesde en zevende lid Het zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is.

Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Achtste lid Het achtste lid gaat in op de gemaakte kosten aan jeugdhulp voorafgaand aan de aanvraag. Het college versterkt hier een voorziening in op uitzondering en enkel over de periode van 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag. Negende en tiende lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet enkel aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet.

Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk

minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het tiende lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop en het moet voor ouders en zorgprofessionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden.

Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp vanuit eigen kracht kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Er wordt zorgvuldig onderzoek gedaan volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep en op basis daarvan wordt bepaald of en welke ondersteuning nodig is. De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326).

Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135136). Eerste lid Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten.

Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Tweede lid Het tweede lid gaat in op het aanspreken van de aanvullende verzekering van de jeugdige, die is afgesloten door de ouders. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. In dit lid is opgenomen wat verstaan wordt onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder. Vierde lid Een zorgmomentenoverzicht kan ondersteunend worden geacht door het college om de inzet van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in te schatten en te gebruiken in de bepaling of dit verwacht kan worden van ouder(s). Vijfde lid Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak. Zesde lid Vijfde lid geeft aan dat de draagkracht van ouders niet afhankelijk wordt geacht van de (ontwikkel-)leeftijd van het kind. Het overzicht van het NJi uit ‘Opvoeden en opgroeien’ kan helpend zijn bij het bepalen van de benodigde ondersteuning. Zevende en achtste lid Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, zevende lid, van de verordening beschreven wijze. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) (tijdelijk) tekortschieten. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Dit kan betekenen dat een ouder het eigen toekomstperspectief (carrière) of financiële situatie zal moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke ondersteuning te kunnen bieden.

Negende lid Op de in artikel 5, zevende lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht

worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als boven gebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Tiende lid Ter aanvulling op lid 6 wordt in het negende lid verder toegelicht hoe er wordt omgegaan met het onderzoek naar eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

Er wordt hier onder andere verder ingegaan op de tijdelijke inzet wanneer eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen niet toereikend zijn en het opstellen van een plan van aanpak om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te versterken. Artikel 11. Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp gegeven wordt, binnen of buiten de gemeentegrenzen, behoort tot de jeugdhulpvoorziening die het college moet treffen. Dit is het geval als een jeugdige jeugdhulp ontvangt op grond van de Jeugdwet en niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te komen waar de Jeugdhulp wordt aangegeven in verband met een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 2).

Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vijfde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). In het zesde lid is vastgelegd dat ook begeleiding in het vervoer tot zekere hoogte onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen valt. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het zevende lid. In het achtste lid wordt vastgesteld dat de noodzaak van het inzetten van vervoer wordt vastgelegd in het plan van

aanpak opstelt door Lariks. Artikel 12. Dyslexie Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor leerlingen van 7 tot 13 jaar, waarbij op school voor primair onderwijs het vermoeden van ernstige dyslexie is geconstateerd. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/).] Artikel 13. Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid.

Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Artikel 14. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Het plan van aanpak is een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en vormt daarmee ook de motivering van het besluit, waarom het aan de beschikking wordt gevoegd. HOOFDSTUK 5.

AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardes voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb.

Artikel 15. Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb Eerste lid Wanneer een jeugdige en/of zijn ouder(s) naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een budgetplan dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt gesteld wat er in het budgetplan dient te zijn opgenomen. Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Bovendien is er opgenomen dat het aangeleverde budgetplan toereikend en passend geacht wordt voor de hulpvraag. Derde lid In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt op verschillende gronden. Er staan punten in die betrekking hebben op twijfels tot de integriteit van de aanvrager en de beoogde uitvoerder. Daarnaast betreffen de andere gronden kaders waarbij jeugdhulp niet van kracht is omdat het niet gaat om vrijwillige en zelf te organiseren jeugdhulp.

Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’. Vijfde lid Voor het verder vaststellen van de pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen kan het college beleidsregels opstellen. Artikel 16. Pgb-vaardigheid Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder en/of een budgetbeheerder voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager

getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens het Ministerie van VWS om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden: 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag); 2. Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en 7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig. Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. In deze verordening wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder).

Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. Hieronder worden de redenen uitgezet met een beschrijving waarom iemand niet in staat kan worden geacht om regie te voeren op het pgb. 1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. 2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige (ex-)verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. 3.

Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. 6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. 7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands.

Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb. 8. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder. Naast bovenstaande gronden kunnen er ook andere omstandigheden zijn waardoor het college twijfels heeft of de budgetbeheerder het pgb kan beheren. Ook mag het college op deze gronden iemand het beheer ontzeggen, mits dit duidelijk onderbouwd en gemotiveerd is. Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt een lager tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Eerste en tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4387/documents/50445