CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Verordening Jeugdhulp 2026__290129__.pdf

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente LeusdenBij agendapunt: 17: Raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 202623.103 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2026

De raad van de gemeente Leusden; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leusden van 20 januari 2026; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1. derde lid, van de Jeugdwet en gelet op de artikelen 147 en 156 van de gemeentewet; rekening houdend met de adviezen van de Adviesraad Sociaal domein gemeente Leusden; overwegende: -

dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

-

dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:  de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen,  de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling,  de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening,  de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen,  de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld,  de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget,  misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en  regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

Besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2026.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: Jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreekst toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders of toegankelijk is op basis van een beperkte toegangsboordeling; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) waaruit blijkt welke zorg met een persoonsgebonden budget ingekocht wenst te worden én waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening, zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar oordeel van het college aangesteld mogen worden; d. budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; e. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden; g.

familiegroepsplan: plan waarin ouders (bloedverwanten, aanverwanten of belangrijke anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren) aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Zij geven aan wat zij zelf kunnen doen, wat zij met behulp van mensen uit hun omgeving kunnen doen en welke professionele hulp en ondersteuning zij denken nodig te hebben bij het behalen van concrete doelen. Met het familiegroepsplan krijgen ouders, gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om de regie te voeren over hulp die zij nodig hebben; h. financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels en bedragen zijn vastgesteld. i. hulpvraag: de melding van de behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; j. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de verordening; k. in natura: de Jeugdhulp wordt rechtstreeks door een gecontracteerde aanbieder geboden aan de jeugdige en/of zijn ouder(s). l.

pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; m. plan van aanpak: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; n. sociaal netwerk: personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s); o. spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; p. wet: Jeugdwet; q. wijkteam: team dat door het college is gemandateerd, om namens de gemeente de toegang verzorgt naar de niet vrij-toegankelijke zorg. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet (hierna: wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet Bestuursrecht.

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. Het aanbod algemene voorzieningen bestaat onder andere uit: a. voorzieningen gericht op ondersteuning bij opvoed- en opgroeiproblemen, b. voorzieningen gericht op (sociale) participatie van jeugdigen, c. voorzieningen gericht op (mentale) weerbaarheid in de sociale basisstructuur, d. voorzieningen gericht op een positieve gezondheid van jeugdigen, e. voorzieningen gericht op sport en bewegen van jeugdigen, en f. het wijkteam voor hulpverlening bij opvoed- en opgroeiproblemen. 2. De volgende vormen van individuele, niet-vrij toegankelijke, voorzieningen zijn beschikbaar: a. Kinderopvang met specialistische jeugdhulp b. Onderwijszorgarrangement c. Basis- en specialistische ggz d. Jeugd- en opvoedhulp – ambulante (gezins-)behandeling, begeleiding en diagnostiek e. Collectief en digitaal hulpaanbod f. Dagactiviteiten g. Logeren met dagactiviteit h. (Deeltijd)pleegzorg en gezinshuizen i. (Deeltijd)dagbehandelingsgroep j. Verblijf k. Zelfstandigheidstraining l. Crisishulp m. Forensische hulp HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.

Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige en/of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als het college beoordeeld dat er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.

Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening indienen bij het college door middel van de (digitale) ondertekening van het plan van aanpak. 3. Het college merkt een ondertekend plan van aanpak als bedoeld in artikel 8 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient dit vermeld te worden bij de aanvraag.

5. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel óf een passende voorziening óf een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met negende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. Het gesprek vindt plaats aan het begin van het onderzoek, en vindt plaats samen met de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. 2.

Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid het familiegroepsplan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4. Het college vraagt aan de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken indien noodzakelijk voor het onderzoek voor het inwinnen en delen van informatie met andere instanties, zoals de huisarts of de onderwijsinstelling. Toestemming kan schriftelijk (ook digitaal) of mondeling worden gegeven en dient geregistreerd te worden door het college. Afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige wordt er om toestemming voor de hulpverlening gevraagd aan de ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en/of de jeugdige zelf, conform artikel 7.3.4 van de Jeugdwet. 5.

Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 6. Tijdens het gesprek informeert het college de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn;

2°. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene (collectieve) voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; d. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); e. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 8. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Vanaf het twaalfde jaar wordt de jeugdige gesproken, tenzij de jeugdige niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is.

Onder de 12 jaar wordt de jeugdige gesproken enkel wanneer dit van belang wordt geacht voor de besluitvorming. 9. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college zorgt ervoor dat het wijkteam beschikt over deskundigheid, en een deskundig oordeel en advies kunnen geven, met betrekking tot: a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, c. taal- en leerproblemen, d. somatische aandoeningen, e. lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en f. kindermishandeling en huiselijk geweld. 2. Indien de geregistreerde professional van het wijkteam deze kennis of ervaring niet zelf heeft, wordt een andere geregistreerde professional om advies gevraagd. Dit advies wordt opgenomen in het plan van aanpak. De geregistreerde professional zet bovendien gevalideerde instrumenten in om tot een besluit te komen, indien deze instrumenten beschikbaar zijn. 3.

Het in het tweede lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIGregister. 4. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel 8. Plan van aanpak 1. Na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het plan van aanpak, waar onder andere het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek is beschreven. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het plan van aanpak toegevoegd. 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

Met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) worden in het plan van aanpak afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten uit het plan van aanpak met de jeugdige en/of ouder(s), het wijkteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 3. Als uit het plan van aanpak of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het plan van aanpak ondertekend door de jeugdige en/of zijn gezaghebbende ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 4. Als uit het plan van aanpak blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of algemene voorziening, dan wordt het plan van aanpak ondertekend door de jeugdige en/of zijn gezaghebbende ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende plan van aanpak voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.

Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder(s) in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. 2. Het college voert stapsgewijs onderzoek uit of andere mogelijkheden en voorzieningen, voorliggend aan een individuele voorziening, een oplossing zijn voor de hulpvraag. Het onderzoek wordt vastgelegd in het plan van aanpak. De volgende mogelijkheden en voorzieningen worden onderzocht: a. de oplossing ligt binnen de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige, b. gebruikelijke hulp van ouders en het sociale netwerk of gebruik van een algemene voorziening kan de nodige ondersteuning bieden, of; c. gebruikmaking van een andere voorziening kan de noodzaak voor een individuele voorziening verminderen of wegnemen. 3. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal

probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor de tabel ‘gebruikelijke zorg’ van het Centrum Indicatiestelling Zorg1. 4. Een algemene of andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. 7. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; of c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); 8.

Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag, kan het college hier alleen een voorziening voor verstrekken: a. Als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. Voor zover het college de noodzaak en of de voorziening voldoende passend acht en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen worden beoordeeld. 9. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 10. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen 1.

Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders behoort het: a. zorgen voor opvang en toezicht van hun kind op de volgende momenten: i. gedurende de dag tot vier jaar; ii. buiten schooltijden vanaf vier jaar (het kind volgt dan onderwijs); iii. tijdens de nacht, en; 1

Factsheet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport “Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag. Gebruikelijke zorg.”

iv. gedurende het weekend. b. begeleiden hun kind bij het deelnemen aan sociaal-recreatieve activiteiten, zoals een (sport-)vereniging, zwemles of buitenspelen. c. zorgen voor vervoer zodat hun kind kan deelnemen aan onderwijs. d. begeleiden hun kind naar en tijdens medische afspraken, zoals afspraken met een huisarts, fysiotherapeut of ziekenhuisbezoek. e. bieden alle persoonlijke verzorging die nodig is, uitgezonderd intieme persoonlijke verzorging bij kinderen vanaf 12 jaar als de jeugdige aangeeft deze verzorging niet van ouders te willen ontvangen. f. verrichten alle medische handelingen die op basis van de Zorgverzekeringswet aangeleerd kunnen worden. g. verzorgen meerdere kinderen binnen hun gezin tegelijkertijd, behalve als uit het zorgmomentenoverzicht blijkt dat de benodigde verzorging niet zo ingedeeld kan worden dat de ouders, aangevuld met hun netwerk, beschikbaar zijn voor het bieden van de benodigde verzorging. De zorg aan de kinderen is gelet op de aard van de handeling niet uitstelbaar. 4. Het college kan ouders vragen om een zorgmomentenoverzicht aan te leveren, waarmee de aard, frequentie en omvang van de ondersteuning die ouders bieden aan hun kind in kaart worden gebracht. 5.

Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. 6. De beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders is niet afhankelijk van de (ontwikkel-) leeftijd van de jeugdige. 7. Op het moment dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders (tijdelijk) niet toereikend is, kan er een voorziening op basis van de Jeugdwet worden getroffen voor dit deel van de hulpvraag. Dit is het geval als: a. Het college op advies van een deskundige vaststelt dat ouders overbelast zijn of dreigen te raken en/of door middel van een objectief meetinstrument wordt vastgesteld dat ouders overbelast zijn. b.

Er voor jeugdige van vijf jaar en ouder 24 uur per dag toezicht nodig is, beoordeeld door een daartoe bevoegde deskundige, ter voorkoming van ernstig nadeel en er geen aanspraak gemaakt kan worden op een andere voorziening, waaronder de Wet langdurige zorg. Voor de beoordeling van de onderdelen a en b kan het college advies inwinnen bij een onafhankelijk sociaal medisch adviesbureau. 8. Van ouders wordt verwacht dat zij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen versterken door: a. oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen; b. het belang van hun kind voor het belang van de (werk-)carrière te stellen, ook als dit gepaard gaat met financiële achteruitgang waarvoor ondersteuning gezocht kan worden via de participatiewet; c. zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten; d. werktijden aan te passen; e. gebruik te maken van de opvang mogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; f. het sociale netwerk in te zetten en te werken aan het vergroten van het sociale netwerk; g. de jeugdige voltijds onderwijs te laten volgen; h. de eigen problematiek te verminderen, door het inzetten van o.a. de Zorgverzekeringswet voor behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek

e.d. 9. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden wordt vastgesteld in het plan van aanpak welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, zoals genoemd in het vorige lid. Hierbij houdt het college rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 6 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. 10. Het college beoordeelt of degene waarvan oplossingen vanuit eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verwacht: a. in staat is om de jeugdige noodzakelijke hulp te bieden; b. beschikbaar is om de noodzakelijke hulp te verlenen; c. niet overbelast dreigt te raken door het bieden van de noodzakelijke hulp. 11. Indien er sprake dreigt te zijn van overbelasting, kan er een individuele voorziening worden ingezet voor dat deel van de hulp dat niet geboden kan worden op basis van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting is tijdelijk.

Van ouder(s) wordt verwacht dat zij, in samenwerking met het wijkteam, een plan opstellen om de (dreigende) overbelasting aan te pakken en dat zij in de tijd dat jeugdhulp wordt ingezet werken aan dit plan. Dit wordt opgenomen in het plan van aanpak. Er wordt verwacht dat in dit plan van aanpak in elk geval uitvoering gegeven wordt aan de punten genoemd in het negende lid. 12. Wanneer de geldigheidsduur van de beschikking is verlopen en een verlenging wordt aangevraagd, bekijkt het jeugdteam of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dienen. Artikel 11. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2. Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Van een medische noodzaak, zoals in het bovenstaande lid, is er sprake wanneer de jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer en/of fietsen, ook niet met begeleiding. 4.

Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. Ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege werkverplichtingen; b. Ouders hebben gekozen voor verder weg gelegen aanbod, terwijl een vergelijkbaar aanbod dichterbij huis beschikbaar is; c. De jeugdige is in staat om zelfstandig per fiets of met het openbaar vervoer te reizen; d. Ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; e. Ouders kunnen op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten; f. Ouders hebben een aangepast vervoersmiddel voor de jeugdige ontvangen op grond van een andere wet of verordening, waaronder de Wmo of de verordening

leerlingenvervoer. 5. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is er sprake wanneer: a. er voldoende is aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat zijn om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; b. er sprake is van ernstige gedragsproblematiek die het reizen onmogelijk maakt of andere redenen van niet-medische aard die het zelfstandig of onder begeleiding reizen onmogelijk maken. 6. Begeleiding in het vervoer is primair de verantwoordelijkheid van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordigers van de jeugdige. Indien de begeleiding in het openbaar vervoer van de jeugdige meer dan 4 uur per dag kost, kan dit redelijkerwijs niet van de ouder en/of personen uit het sociale netwerk worden verlangd en komt de jeugdige in aanmerking voor een vervoersvoorziening. 7. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 8.

Het wijkteam legt de noodzaakt tot inzet van de vervoersvoorziening vast in het plan van aanpak. Artikel 12. Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg bij het vermoeden van ernstige dyslexie conform het geldende landelijke protocol. 2. Dyslexiezorg is beschikbaar voor leerlingen van 7 tot 13 jaar, waarbij op school voor primair onderwijs het vermoeden van ernstig dyslexie is geconstateerd. De dyslexiezorg bestaat uit: a. Diagnostiek bij het vermoeden van ernstige dyslexie; b. Behandeling van ernstige dyslexie. Artikel 13. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel 14. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1.

In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. waarom voor een pgb is gekozen; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; e. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; f. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, het onderzoek, het daaruit volgende verslag en het plan van aanpak. Voor zover genoemde in het eerste, tweede en derde lid niet is opgenomen in de beschikking, geldt dat dit moet zijn opgenomen in het plan van aanpak. HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel 15. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in. Het college faciliteert hiervoor een format. In het budgetplan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger niet passend is en een pgb gewenst is; b.

welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger willen inkopen met een pgb en wat het beoogde resultaat is; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Jeugdige en ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen hiervoor verplicht worden gesteld om één of meerdere offertes te vergaren; en e. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 2. Het college verstrekt een pgb als: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b. het budgetplan toereikend is en voor de hulpvraag passend bevonden wordt door het college; c. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 16 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die de regie over en het beheer van een pgb met zich meebrengt; en d.

naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat. 3. Het college verstrekt geen pgb indien niet aan de voorwaarde als genoemd in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet voldoen, of indien: a. er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen en/of van de aanvrager verlangen, waaronder een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de te kiezen zorgverlener; b. er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: i. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te

verkrijgen, heeft gepleegd; ii. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; iii. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of iv. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. c. het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jeugdige die is opgenomen in een gesloten accommodatie; d. er sprake is van crisishulp, crisisopvang of spoedeisende zorg; e. er sprake is van formele pleegzorg; 4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. 5. Het college kan beleidsregels vaststellen over de voorwaarden en verplichtingen verbonden aan het pgb. Artikel 16. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d.

voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is, de kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen te kunnen realiseren; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend; b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: 1°. schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°.

aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7°. Dak- of thuisloosheid 8°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of

9°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 3. Naast de omstandigheden zoals benoemd dit artikel, kan het college ook op andere gronden een negatief oordeel geven over de pgb-vaardigheden wanneer sterk de indruk bestaat dat iemand niet in staat is om een pgb te beheren. Als op basis van andere gronden de budgetbeheerder niet in staat wordt geacht, dient dit onderbouwd en gemotiveerd te worden door het college. Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp) die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2.

Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp. 4. Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk voor zover het niet gaat om behandeling. Artikel 18. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Eerste- en tweedegraads bloedverwanten zijn uitgesloten van deze eis; b.

beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; f. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; g. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; h. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; i. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op

rechtmatigheid; en is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 17 eerste en tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een ondersteuningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht. j.

Artikel 19. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt: a. 90% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura als het gaat om hulpverleners die in dienst zijn van een instelling als bedoeld in artikel 17 lid 1 onder a van deze verordening; en b. 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura als het gaat om personen als bedoeld in artikel 17 lid 1 onder b van deze verordening; 2. Als het op basis van lid 1 vastgestelde Pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 3. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijke minimumloon, prijspeil 2026. Het tarief zal jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de OVA-indexatie. 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college jaarlijks de pgb-tarieven vast in het financieel besluit. Artikel 20. Uitgesloten van pgb 1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b.

kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor toestemming is gegeven door het college; g. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; h. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en i. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 2. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 21. Inlichtingen

1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel 22. Niet meewerken ouder(s) 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is/zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.

Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel 23. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb beëindigen, wijzigen, herzien, opschorten of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d.

de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; e. de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; f. de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 15, derde lid; of g. de jeugdige langer dan 3 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan met de jeugdhulpplicht van het college. 8. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel 24. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 25.

Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel 26. Voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet Passend Onderwijs, Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b. naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of c.

gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

Artikel 27. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige en/of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; b. de Participatiewet; c. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d. de Wet Inburgering 2021; e. de Wet kinderopvang; f. de Wet langdurige zorg; g. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h. de Wet passend onderwijs; i. de Wet publieke gezondheid; j. de Wet tijdelijk huisverbod; k. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; l. de Zorgverzekeringswet zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en/of zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige en/of zijn ouder(s), voor zover dat binnen het vermogen ligt; b. het opheffen van een situatie die voor een jeugdige en/of zijn ouder(s) of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; en c. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder b; 3.

Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 4. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 5. Ter uitvoering van het vierde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.

Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. Cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. Overheadkosten; en d. kosten voor indexeren. 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van

preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 29. Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel 30. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt jeugdigen en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.

Het college betrekt de ingezetene van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdzorg. Daarnaast zorgt de gemeente ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN Artikel 31. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college; 2. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger afwijken van de bepalingen in de deze verordening, als toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 32. Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Leusden 2025 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4387/documents/50445