B.20 Bijlage Voorlopige jaarstukken 2020.pdf
Tekst van het document
9.2.3 Netto schuldquote Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De daling van de schuldquote is veroorzaakt door een lager saldo van de langlopende schulden door regulieren aflossingen en een hogere stand van de liquide middelen
Solvabiliteitsratio: Het quotiënt van eigen vermogen en balanstotaal Structurele exploitatieruimte:
9.2.4 Solvabiliteitsratio De solvabiliteit is ten opzichte van 2019 gestegen door de toename van eigen vermogen door het rekeningresultaat 2020. Na bestemming en inzet van het rekeningresultaat daalt deze ratio weer.
Het quotiënt van structurele baten minus structurele lasten en de totale baten
9.2.5 Structurele exploitatieruimte Dit kengetal geeft inzicht in de beschikbare structurele ruimte. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van beperkte begrotingsruimte.
Pagina
41
10 Onderhoud kapitaalgoederen 10.1 Activeren en afschrijven Conform artikel 59 van het BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar volgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat dit plaatsvindt vanaf € 10.000 per object. 10.1.1 Investeringen in gebouwen De VRU had ultimo 2020 vier brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die in eigendom van de gemeenten zijn, komen voor rekening van de betreffende gemeenten. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kapitaallasten worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen, via het individueel gemeentelijk plus pakket. 10.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteert de VRU een meerjarig investeringsplan welke periodiek wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag opgenomen voor kapitaallasten. De werkelijke kapitaallasten fluctueren.
Tezamen met het meerjaren investeringsplan is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting. 10.1.3
Onderhoud gebouwen en installaties
Hoofdkantoor Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in gehuurde etages in het provinciehuis. Het onderhoud voor deze locatie is onderdeel van de servicekosten die wij naast de huur aan de provincie Utrecht betalen. Decentrale huisvesting en brandweerkazernes De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 10.1.4 Onderhoud materieel Het onderhoud van materieel wordt grotendeels in eigen beheer door - uitgevoerd of uitbesteed via het VRU-organisatieonderdeel Bedrijf Preparatie Brandweer. Door vertraging in de investeringen in de nieuwe vervoermiddelen dient het bestaande materieel langer benut te worden. Dit heeft als consequentie dat dit niet geraamde onderhoudskosten en kosten voor vervangende huur met zich mee kan brengen.
Pagina
42
11 Financiering Het wettelijke kader voor het financieringsbeleid is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Ons treasury-beleid ligt vast in het treasurystatuut (d.d. 19 februari 2018).
11.1 Financieringsportefeuille Wij hebben externe financiering aangetrokken bij Bank Nederlandse Gemeenten (BNG Bank), de Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank) en gemeente Amersfoort (onderhandse lening). Het verloop en hoogte van de leningen is als volgt weer te geven: Tabel 23 Leningen
Bij BNG Bank is een rekening-courant kredietfaciliteit afgesloten van € 3 miljoen.
11.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasury-beleid te beheren zijn er normen vastgesteld in de Wet Fido. Deze normen bestaan uit de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. 11.2.1 Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximumbedrag zien waarmee een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. De landelijke norm is 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten (wat neerkomt op € 8,158 miljoen op basis van de geactualiseerde begroting). De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden. Ons netto overschot in 2020 bedroeg gemiddeld € 13,1 miljoen. Onderstaande tabel laat de berekening zien van de kasgeldlimiet in 2020. Daaruit blijkt dat de gemiddelde liquiditeitspositie over heel 2020 voldoet aan de norm.
Pagina
43
Tabel 24 Kasgeldlimiet
11.2.2 Renterisiconorm De renterisiconorm heeft tot doel het renterisico bij herfinanciering te beperken. De jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen mogen niet méér bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Uit onderstaande tabel blijkt dat wordt voldaan aan de renterisiconorm. Tabel 25 Renterisiconorm
Pagina
44
12 Bedrijfsvoering 12.1 Personeel 12.1.1 Formatie en bezetting De formatie en bezetting (in fte) per ultimo 2020 zijn als volgt: Tabel 26 Formatie & bezetting
Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Bij repressie is sprake van uitstroom van voornamelijk repressieve functionarissen. Om deze vacatures te bezetten is in augustus 2020 een werving en selectieprocedure opgestart, waarbij de instroom begin 2021 zal plaatsvinden. Een aantal vacatures zijn moeilijk in te vullen, mede door de coronacrisis. Daarnaast wordt een deel van de vacatures bewust aangehouden voor het creëren van een flexibele schil, waar nodig is capaciteit ingehuurd. Ultimo 2020 bedroeg het aantal vrijwilligers dat werkzaam is voor Brandweerrepressie 1.647 (2019: 1.668). 12.1.2 Wet banenafspraak De VRU heeft voor 2020 de ambitie gesteld om 15 garantiebanen te realiseren. In januari 2020 is gestart met 10,2 garantiebanen. Er is in 2020 een toename geweest van 4,2 fte door de komst van nieuwe collega’s en uitbreiding van de reeds ingevulde garantiebanen. Doordat ook binnen deze groep sprake is geweest van verloop (-2,4 fte) zijn ultimo 2020 uiteindelijk 12 garantiebanen ingevuld. 12.1.3 Diversiteit In wervingsuitingen geeft de VRU consequent aan naar inclusiviteit en talent te streven: “Veiligheidsregio Utrecht werft mensen met de beste capaciteiten en laat zich niet leiden door culturele achtergrond, fysieke of mentale beperking, genderidentiteit, geloofsovertuiging, geaardheid of leeftijd.
[Wij zijn] op zoek naar mensen met talent.” In 2019 is een project gestart dat tot doel heeft om meer collega’s te werven uit de genoemde specifieke doelgroepen. Vanwege de COVID-19-pandemie is dit de implementatie van dit project uitgesteld (de voorbereidingen zijn wel door gegaan, voor zover dit digitaal mogelijk was).
Pagina
45
12.1.4
Verzuim 2020
Tabel 27 Verzuim
Het ziekteverzuim over heel 2020 laat een duidelijke daling zien. Zowel bij het kortdurend als het langdurig verzuim. In 2020 zijn een fors aantal langlopende dossiers afgesloten, welke een flink deel uitmaakten van het verzuimpercentage. In de cijfers is duidelijk te zien dat het langdurige verzuim (meer dan 43 dagen) flink is afgenomen. Maar ook het aantal ziekmeldingen ligt in 2020 duidelijk lager dan in de twee jaren daarvoor. In 2018 hebben 715 medewerkers zich ziek gemeld, 2019 waren dit er 561 en in 2020 zijn er 454 ziekmeldingen geweest. Ook was de verzuimduur korter dan in 2019. Het kort frequent verzuim laat ook een duidelijk daling zien. Het percentage medewerkers dat zich in 2018, 3 keer of vaker heeft ziek gemeld was 10,9%, in 2019 was dit nog 7,51% van de medewerkers. In 2020 daalt dit percentage verder tot 4,46%. Vermoedelijk is dit te verklaren door het thuiswerken ten gevolge van COVID-19, maar zeker ook door een proactieve signalering en het bespreekbaar maken van frequent verzuim door leidinggevenden, hierbij ondersteund door de HRM-adviseurs en verzuimcoach in de tweede lijn. De maatregelen die in 2019 zijn genomen om het verzuim terug te dringen zijn in 2020 ook voortgezet De lijnen met de bedrijfsarts zijn nog korter geworden wat de samenwerking ten goede is gekomen.
Daarnaast is medische informatie versneld opgevraagd door de bedrijfsarts en zijn interventies ingezet om de re-integratie te versnellen. 12.1.5 Vrijwilligers In 2020 is het aantal vrijwilligers ten opzichte van 2019 afgenomen. Dit is gezien COVID-19 conform verwachting. Vanwege COVID-19 lag de actieve werving vanuit de posten stil en is er geen manschap-opleidingen gestart in september 2020. Tabel 28 Verloop vrijwilligers
Pagina
46
12.2 Inhuur Het volgende overzicht is een weergave van de besteding per inhuurcategorie. Tabel 29 Besteding per inhuurcategorie
Inhuur binnen formatie De inhuur binnen formatie zijn onderdeel van Rubriek A van de staat van baten en lasten. In 2020 is ingehuurd op een aantal moeilijk in te vullen vacatures. De dekking van de overschrijding van de inhuur binnen de formatie wordt gevonden binnen de reguliere salarisbegroting. Inhuur boven de formatie: De inhuur boven formatie zijn onderdeel van Rubriek C van de staat van baten en lasten. In 2020 is meer ingehuurd om een aantal projecten en additionele werkzaamheden – ondanks de coronamaatregel – toch tijdig te kunnen uitvoeren. Ook bevat deze post inhuur ten behoeve van COVID-19. Deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten.
12.3 Beleidsindicatoren Tabel 30 Beleidsindicatoren
*) Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisaties. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrages aan het IFV en de GMU. **) Het betreft voornamelijk inhuur van instructeurs voor opleiden, trainen en oefenen en inhuur vacatures en vervanging ziekte. ***) Voor de berekening van de overhead verwijzen wij naar bijlage 3 Overhead.
12.4 Vennootschapsbelasting Een drietal activiteiten van de VRU is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De positieve fiscale resultaten die de VRU hiermee behaalt, zijn zodanig klein van omvang dat de belastinglast beperkt blijft tot ca. € 5K op jaarbasis.
Pagina
47
12.5 Duurzaamheid De afgelopen jaren is binnen de VRU steeds meer aandacht voor duurzaamheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit: het nieuwe werkplekconcept, waardoor papierloos werken de norm is geworden; meer accugedreven materiaal op de nieuwe tankautospuiten. Dit geldt onder andere voor het redgereedschap, handgereedschap, de overdrukventilator en mobiele werkplekverlichting; verduurzaming van de ademluchtwerkplaats, door: o 80% hergebruik van warmte uit de droogkamer; o onderzoek te doen naar verder hergebruik, zoals het warme water van de wasmachines en warmte uit de compressorruimte. de actualisatie van de ‘Handreiking uitruklocatie zonder kantoorfunctie’, met daarin een groot aantal duurzaamheidsaspecten, zoals: o Locatiekeuze: makkelijk met de fiets bereikbaar en facilitering middels fietsenstalling; o Veelvuldig gebruik van LED-verlichting (vaak in combinatie met (instelbare) bewegingsmelders); o Sensorgestuurde douchebedieningen; o Instelbare, programmeerbare thermostaten, voorzien van een overwerkschakelaar of aanwezigheidssensor; o ’s Nachts in remise ‘waak’-verlichting; o Het aantal reisbewegingen is door COVID-19 drastisch verminderd; o In de toekomst zal het thuiswerken blijven, zodat ook de toekomstige reisbewegingen lager zal zijn.
Daarnaast komen duurzaamheidseisen nadrukkelijker terug bij aanbestedingen: Catering: eisen op het gebeid van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) worden voor 10% in de totaalbeoordeling meegenomen. Concrete invulling daarvan door leveranciers: o Op productniveau: vrije-uitloop eieren, vis met MSC-label, lokale producten en werken met toeleveranciers met een duurzaam productieproces. o Milieu: afvalscheiding en recycling, elektrische auto’s voor bezorging, zo min mogelijk disposables gebruiken. o Social Return: mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst, erkend leerbedrijf. Vorkheftrucks: oude diesels uit de werkplaatsen zijn vervangen door vier elektrische vorkheftrucks. Wasserijdiensten voor bluspakken en persoonlijke beschermingsmiddelen: o Duurzaam en milieuvriendelijk wasproces op basis van CO2; o Gebruik van herbruikbare waszakken (voorheen disposables: in water oplosbaar); o Door het CO2-wasprocedé gaan de pakken langer mee. Automaterialen, autobanden en smeermiddelen: o Aan automaterialen worden duurzaamheidseisen gesteld m.b.t. duurzaamheidslabels en –certificaten. o Accu’s, autobanden en smeermiddelen worden door de leverancier teruggenomen aan het einde van de levensduur. Overeenkomst drukwerk: o Leverancier is zeer gericht op duurzaamheid.
Onder andere doordat bij vacatures en stages actief mensen met afstand tot de arbeidsmarkt een kans krijgen;
Pagina
48
o
Opdrachten voor de VRU worden gedrukt met de nieuwste generatie drukpers (Anicolor). Dit bespaart papier en de drukpers is CO2-neutraal vervaardigd. Facturatie: De afdeling Financiën werkt sinds 1 januari 2020 duurzamer, doordat het niet meer nodig is om alle facturen uit te printen. Een nieuwe scan- en herkenfunctionaliteit biedt de mogelijkheid om digitale facturen in te lezen, de oude kon dit niet. Data centers: vorig jaar is de VRU overgegaan naar nieuwe data centers die veel energiezuiniger zijn. Hier is in de aanbesteding expliciet op gestuurd. Wagenpark: in 2020 is een start gemaakt met verduurzaming van het (ondersteunende) wagenpark en wordt er actief gestuurd op het verminderen van het aantal ondersteunende voertuigen.
Om de aandacht voor duurzaamheid vast te houden en te verstevigen is het streven naar een duurzame bedrijfsvoering als beleidsbeginsel opgenomen in het VRU-beleidsplan 2020-2023.
12.6 Privacy De regeling bescherming persoonsgegevens VRU is begin 2020 ter instemming voorgelegd aan de COR en op 10 februari 2020 vastgesteld door het algemeen bestuur. In 2020 zijn 17 meldingen opgenomen in het datalekregister. Elke melding wordt zorgvuldig beoordeeld zodat in een vroegtijdig stadium maatregelen genomen kunnen worden om de schade te beperken en het datalek naar de toekomst toe te voorkomen. Op basis van de risico-inschatting van de Functionaris Gegevensbescherming is één datalek binnen de termijn van 72 uur gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Pagina
49
13 Verbonden partijen Tabel 31 Verbonden partijen
Pagina
50
14 Declaratie COVID-19 Algemeen Op 20 juli jl. heeft de minister van VWS de voorzitter van het Veiligheidsberaad geïnformeerd over de declaratie van de meerkosten COVID-19 bij het Rijk. Over de periode februari tot en met juni en daarna maandelijks van juli tot en met december zijn de direct aan de coronacrisis gerelateerde out-of-pocketkosten gedeclareerd. Op basis van nacalculatie zijn de overige meer- en minderkosten achteraf bepaald. Tabel 32 Voorlopige opgave meerkosten COVID-19
Meerkosten De meerkosten betreffen uitsluitend de direct aan de coronacrisis gerelateerde out-ofpocketkosten. De kosten die in verband met COVID-19 zijn gemaakt hebben hoofdzakelijk betrekking op juridische capaciteit (juridisch loket voor gemeenten), communicatie (advisering RBT en publiekscampagne), persoonlijke beschermingsmiddelen, extra inzet van specialistische expertise en tijdelijke projectcapaciteit, ICT-voorzieningen en faciliteiten ten behoeve van veilige kantoorvoorzieningen. Minder inkomsten De VRU kent door COVID-19 geen minder-inkomsten. De gemeenten voldoen de gemeentelijke bijdragen conform de vastgestelde begroting en het Rijk stelt de financiële bijdrage conform de beschikking (Bdur) beschikbaar. Om deze reden is het saldo minder-inkomsten in de opgave nihil.
Pagina
51
Minderkosten Anders dan de meerkosten zijn de minderkosten niet apart geregistreerd en blijken deze niet éénop-één uit de administratie. Het vaststellen van de omvang van de minderkosten vereist dan ook een benadering, waarbij de volgende werkwijze is gehanteerd: Er is een selectie gemaakt van de positieve (niet saldo-neutrale) afwijkingen tussen realisatie en begroting die geheel of gedeeltelijk verklaard kunnen worden door de beperkingen die het gevolg zijn van de landelijke coronamaatregelen. De door het algemeen bestuur vastgestelde geactualiseerde begroting 2020 en de jaarcijfers over 2020 zijn hiervoor als uitgangspunt genomen. Voor zover bekend is dat een deel van de afwijking niet-COVID-19 gerelateerd is, wordt dit deel van de afwijkingen niet als minderkosten aangemerkt. Op basis van een beknopte cijfervergelijking tussen voorgaande jaren hebben wij bepaald welk deel van de afwijking als reguliere kostenfluctuatie kan worden aangemerkt. Conform het landelijk protocol zijn kosten die aantoonbaar ingehaald kunnen (en moeten) worden niet als minderkosten in aanmerking genomen. Het resterende afwijking is als minderkosten aangemerkt en als zodanig opgenomen in de declaratie van de meerkosten COVID-19.
De verrekende minderkosten hebben betrekking op lagere vergoedingen voor brandweervrijwilligers (169K), lagere kosten voor opleiden trainen en oefenen (brandweer: 487K, crisisbeheersing: 66K en GHOR 107K) en lagere brandstofkosten (100K). Voor de laatste post is uitgegaan van een stelpost niet precies kan worden vastgesteld welk deel van de lagere kosten het gevolg is van COVID-19 ten opzichte van andere factoren.
Pagina
52
Jaarrekening 2020
Pagina
53
1 Balans per 31 december Tabel 33 Balans per 31 december
Pagina
54
2 Rekeningresultaat 2.1
Overzicht van baten en lasten naar rubriek
Tabel 34 Overzicht baten en lasten naar rubriek
Pagina
55
2.2
Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar rubriek
De tabellen geven inzicht in de afwijkingen per rubriek. De grootste (>100K) en bestuurlijk relevante afwijkingen worden vervolgens nader toelicht. 2.2.1
Rubriek A – Personele kosten reguliere werkzaamheden
Tabel 35 Personele kosten - reguliere werkzaamheden
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Hogere lasten FLO-overgangsrecht (-1.115K): de kosten voor het FLO-overgangsrecht waren in 2020 hoger dan begroot. Dit betreft voornamelijk kosten met een incidenteel karakter: kosten voor het versneld sparen en kosten met betrekking tot een kleine groep medewerkers met FLO-rechten tot en met 2022. Lagere kosten vergoedingen brandweervrijwilligers (167K): de vrijwilligersvergoedingen waren in 2020 336K lager dan begroot. Hiervan is 169K verrekend als minderkosten COVID19 (zie A7) in verband met lagere vergoedingen wegens het opschorten van oefeningen door beperkende coronamaatregelen. Het resterende saldo betreft gedeeltelijk lagere vrijwilligersvergoedingen voor AED-inzetten (2020: 86K, 2019: 128K). Bij geplande evaluatie van de AED-taak in 2021 zal worden bezien in welke mate deze ontwikkeling structureel van aard is, zodat de begroting neerwaarts kan worden bijgesteld als de AED-taak wordt gecontinueerd. Lagere piketkosten crisisbeheersing (85K): de lagere piketkosten worden gedeeltelijk veroorzaakt doordat in 2020 minder piketkosten (36K) met betrekking tot 2019 in rekening zijn gebracht dan waarmee rekening was gehouden. Het restant van de reservering is vrijgevallen. Lagere piketkosten GHOR (133K): in 2020 zijn minder piketvergoedingen uitbetaald dan begroot.
Een deel van de onderbesteding (65K) blijkt structureel van aard en wordt daarom vanaf 2021 aangewend voor de versterking van de GHOR-organisatie. Saldo inhuur wegens ziekte en ontvangen uitkeringen (-180K): de ontvangen incidentele ziekte- en zwangerschapsuitkeringen (353K) dekken de kosten voor inhuur wegens ziekte (-533K) niet volledig. Per saldo bedraagt de afwijking -180K. Lagere salariskosten door vacatures en saldo overige afwijkingen (1.465K): dit betreft voornamelijk het voordelige saldo van lagere salarislasten door tijdelijke vacatureruimte en hogere kosten voor inhuur op vacatures. Een deel van de vacatures blijkt lastig in te vullen, zodat vacatures langer open staan en meer inspanningen verricht moeten worden om vacatures te vervullen. Tegenover een deel van de lagere salarislasten staan hogere kosten voor werving en selectie in rubriek B (zie B3). Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (139K): De minderkosten betreffen lagere vrijwilligersvergoedingen (zie A2) en bedragen 169K. Daarnaast bedragen de meerkosten binnen deze rubriek 30K, waarmee per saldo 139K is verrekend in de vergoeding van de minderkosten (zie L2). Tegenover het saldo van de meer- en minderkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
Boekhoudkundige afwijking lasten FLO-overgangsrecht (-712K): In de geactualiseerde begroting 2020 is per abuis een saldo-neutrale mutatie niet verwerkt die wel was
Pagina
56
opgenomen in de meerjarenraming van de lasten FLO-overgangsrecht. In 2020 leidt dit tot een boekhoudkundig tekort op de lasten voor het FLO-overgangsrecht waar tegenover een hogere onttrekking staat voor hetzelfde bedrag. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie P1). 2.2.2
Rubriek B – Ondersteunende personele kosten
Tabel 36 Ondersteunende personele kosten
1.
2. 3.
4.
5.
6.
7.
Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen brandweer (419K): de kosten voor opleiden, trainen en oefenen van de brandweer waren in 2020 906K lager dan begroot. Hiervan is 487K verrekend als minderkosten COVID-19 (zie B6). De minderkosten betreffen voornamelijk de lagere kosten voor realistisch oefenen (402K). In 2020 zijn de realistische inzetoefeningen op het trainingscentrum in Weeze tijdelijk opgeschort als gevolg van de landelijke coronamaatregelen. Ook voor de overige activiteiten voor opleiden, trainen en oefenen brandweer geldt dat mede door de beperkingen door de landelijke coronamaatregelen niet het volledige programma uitgevoerd is. Een aanzienlijk deel daarvan betreft opleidingen voor manschappen (269K) die later moeten worden ingehaald om weer op sterkte te komen. Deze kosten zijn daarom niet als minderkosten verrekend. Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen crisisbeheersing en GHOR (100K): de waren in 2020 273K lager dan begroot. Hiervan is 173K verrekend als minderkosten COVID-19 (zie B6). Hogere kosten werving en selectie (-257K): de personeelsbegroting is gebaseerd op de vastgestelde formatie. Daar tegenover staat dat geen kosten worden begroot voor werving en selectie. Kosten voor werving en selectie worden gedekt uit de lagere salarislasten als gevolg van tijdelijke vacatureruimte (zie A6).
Lagere kosten opleidingen omgevingswet (112K): In verband met uitstel van de omgevingswet zijn de opleidingskosten waarvoor incidentele middelen beschikbaar zijn gesteld in de begroting 2020 uitgesteld naar 2021. Tegenover de uitgestelde kosten staat een toevoeging aan de bestemmingsreserve Omgevingswet van 70K en een lagere onttrekking aan deze brestemmingsreserve van 42K. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie P4). Afwijking kapitaallasten middelen vakbekwaamheid (-151K): bij de invoering van het nieuwe financiële systeem heeft een verbeterslag plaatsgevonden op de activa-administratie waardoor de berekening en de toerekening van de kapitaallasten aan de afzonderlijke rubrieken in de realisatiecijfers van 2020 is aangescherpt ten opzichte van de begroting. Dit leidt tot verschillen tussen de rubrieken. Per saldo zijn de afwijkingen ten aanzien van de kapitaallasten in totaal saldoneutraal (zie O1). Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (596K): De minderkosten betreffen lagere kosten voor opleiden, trainen en oefenen (zie B1 en B2) en bedragen 660K. Daarnaast bedragen de meerkosten binnen deze rubriek 64K, waarmee per saldo 596K is verrekend in de vergoeding van de minderkosten (zie L2). Tegenover het saldo van de meer- en minderkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
Saldo overige afwijkingen (148K): het voordelige saldo op de overige afwijkingen betreft voornamelijk lagere kosten voor de overige opleidingen en trainingen.
Pagina
57
2.2.3
Rubriek C – Personele kosten additionele werkzaamheden
Tabel 37 Personele kosten - additionele werkzaamheden
1. 2.
3.
Hogere kosten inhuur projecten (-166K): in 2020 is meer ingehuurd voor een aantal noodzakelijke ICT-projecten. Lagere kosten inhuur programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden (347K): dit betreft uitgestelde activiteiten met dekking uit de ontwikkel- en egalisatiereserve. Tegenover de 301K lagere kosten voor inhuur en lagere overige kosten van 80K (zie H2) staat een hogere storting in de ontwikkel- en egalisatiereserve van 230K (zie O2) en een lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve van 151K (zie P2), zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de afronding in 2021. Per saldo is in 2020 geen sprake van een resultaateffect. Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-811K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft kosten voor extra capaciteit voor onder andere het juridische loket, crisiscommunicatie en voor projectondersteuning om een aantal noodzakelijke projecten – ondanks de coronamaatregelen – toch tijdig te kunnen uitvoeren. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
2.2.4
Rubriek D – Gebouwkosten
Tabel 38 Gebouwkosten
1.
2. 3.
Lagere kosten beheerpakketten brandweerposten (129K): de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de brandweerposten en stellen deze om niet ter beschikking aan de veiligheidsregio. Gemeenten kunnen via het individueel gemeentelijk pluspakket beheertaken door de VRU laten uitvoeren en betalen daarvoor een kostendekkende vergoeding. De lagere kosten in 2020 zijn verrekend in de (lagere) vergoeding voor het individueel pluspakket (zie K1). Per saldo is er dus geen sprake van een resultaateffect. Hogere kapitaallasten gebouwen (-25K): zie B5 Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-46K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
Pagina
58
2.2.5
Rubriek E – Operationele middelen
Tabel 39 Operationele middelen
1.
2.
3. 4.
Lagere lasten voertuigen (110K): de lagere lasten hebben voornamelijk betrekking op het onderhoud van voertuigen. Naast de lagere lasten voor onderhoud van de voertuigen waren er ook lagere gebruikslasten. In totaal is 100K aan lagere gebruikslasten verrekend als minderkosten COVID-19 (zie E4). Lagere lasten operationele middelen en uitrusting (239K): de lagere lasten hebben betrekking op persoonsgebonden uitrusting (89K) en de kosten voor aanschaf en onderhoud van operationeel materiaal (150K). Lagere kapitaallasten operationele middelen (895K): zie B5. Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (-49K): de verrekende minderkosten betreft 100K aan lagere brandstofkosten (zie E1). De meerkosten binnen deze rubriek (-149K) betreffen voornamelijk beschermende middelen zoals mondkapjes, brillen en vuilwerkpakken voor met name het uitrukpersoneel. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect (zie L2).
2.2.6
Rubriek F - Kantoorkosten
Tabel 40 Kantoorkosten
1.
2.
3.
Lagere kantoor- en ICT-kosten (211K): in 2020 is minder uitgegeven aan kantoorkosten (133K). Dit betreft onder andere minder vergaderkosten en kosten voor printers en overige kantoorbenodigdheden. De ICT-kosten zijn 99K lager dan begroot door een incidenteel voordeel op licentiekosten (40K) en naar 2021 uitgestelde onderhoudswerkzaamheden. Lagere kosten digitaal stelsel omgevingswet, doorschuiven naar 2021 (30K): In verband met uitstel van de wet zijn de werkzaamheden met betrekking tot het digitaal stelsel omgevingswet uitgesteld naar 2021. Hiervoor waren in de begroting 2020 incidentele middelen beschikbaar gesteld. Tegenover de uitgestelde kosten staat een toevoeging aan de bestemmingsreserve Omgevingswet voor hetzelfde bedrag. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie O3). Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-183K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft onder andere kosten voor de ontwikkeling van informatiedashboards. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
Pagina
59
2.2.7
Rubriek G – Financiële rekeningen
Tabel 41 Financiële rekeningen
1.
2.
Lagere rentekosten investeringen 2020 (270K): in 2020 is minder geïnvesteerd dan begroot. Hierdoor was ook de financieringsbehoefte in 2020 lager dan in de begroting was voorzien. In 2020 is de financieringsbehoefte volledig ingevuld met kortlopende financiering. De rente die daarvoor is betaald was lager dan begroot. In 2021 wordt een langlopende lening aangetrokken. Lagere rentekosten bestaande vaste activa (171K): in 2020 is een deel van de bestaande vaste activa gefinancierd met eigen vermogen. Dit leidt tot een rentevoordeel. Tegenover de lagere rentekosten staat een lagere onttrekking uit de egalisatiereserve kapitaallasten (zie O1). Per saldo is er geen resultaateffect.
2.2.8
Rubriek H – Overige kosten
Tabel 42 Overige kosten
1.
2.
3.
4.
Lagere kosten programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden (80K): de meeste communicatieactiviteiten zijn doorgeschoven naar 2021. Tegenover deze lagere kosten en de lagere kosten voor inhuur voor dit programma (zie C2) staat lagere onttrekking (zie P2) en een hogere storing (zie O2) aan de ontwikkel- en egalisatiereserve, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect en de voor het programma geoormerkte middelen beschikbaar krijgen voor de afronding van het programma in 2021. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. Lagere kosten activiteiten gedekt uit ontwikkel- en egalisatiereserve (106K): dit betreft uitgestelde activiteiten (digitalisering dossiers risicobeheersing voor 80K en afronding inhaalslag inkoop voor 26K) met dekking uit de ontwikkel- en egalisatiereserve. Tegenover de lagere kosten staat een lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de afronding in 2021. Per saldo is in 2020 geen sprake van een resultaateffect (zie P2). Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-320K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft onder andere kosten voor de regionale publiekscampagne ‘Hou vol – zo houden we corona onder controle'. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.
Saldo overige afwijkingen (-57K): de overschrijding wordt veroorzaakt door hogere kosten voor juridische expertise op het gebied van arbeidsrecht.
Pagina
60
2.2.9
Rubriek K – Gemeentelijke bijdrage en vergoeding
Tabel 43 Gemeentelijke bijdrage en vergoeding
1.
Lagere vergoeding beheerpakketten brandweerposten (-129K): Zie D1.
2.2.10
Rubriek L - Rijksbijdrage
Tabel 44 Rijksbijdrage
1.
2.
Loon- en prijsaanpassing rijksbijdrage (182K): De Rijksbijdrage is omhoog bijgesteld met een loon- en prijsaanpassing. Dit voordeel is structureel van aard en wordt in de begroting 2022/geactualiseerde begroting 2021 doorberekend als verlaging van de gemeentelijke bijdrage. Vergoeding meerkosten COVID-19 (675K): de vergoeding betreft het saldo van de gedeclareerde meer- (1.604K) en minderkosten (-929K) COVID-19 (zie A7, B6, C3, D3, E4, F3, H3).
2.2.11
Rubriek M – OMS
Tabel 45 OMS
2.2.12
Rubriek N – Overige baten
Tabel 46 Overige baten
1.
2.
Boekwinst verkoop activa (189K): dit betreft de gerealiseerde boekwinst op de verkochte activa die conform het activabeleid wordt gedoteerd aan de egalisatiereserve kapitaallasten (zie O1). Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect. Hogere baten liquidatie GMU (90K): in 2020 is de Gemeentelijk Meldkamer Utrecht geliquideerd. Door een hoger eigen vermogen van de GMU, is een hoger bedrag dan begroot
Pagina
61
3.
ontvangen. In de begroting was rekening gehouden met 150K. De opbrengst uit de liquidatie bedroeg uiteindelijk 240K. Hogere overige baten (176K): dit betreft onder andere hogere opbrengsten met betrekking tot opleidingen, detacheringen en werkzaamheden voor andere overheden vanuit de werkplaatsen.
2.2.13
Rubriek O – Storting reserves
Tabel 47 Storting reserves
1. 2. 3.
Hogere dotatie egalisatiereserve kapitaallasten (-1.054K): Zie B5, D2, E3, F4, G2 en N1. Hogere dotatie ontwikkel- en egalisatiereserve (-230K): Zie C2. Hogere dotatie bestemmingsreserve Omgevingswet (-100K): Zie F2.
2.2.14
Rubriek P – Onttrekking reserves
Tabel 48 Onttrekking reserves
1. 2. 3. 4.
Hogere onttrekking egalisatiereserve FLO-overgangsrecht (714K): Zie A8. Lagere onttrekking ontwikkel- en egalisatiereserve (-277K): Zie C2, H2 en H3. Lagere onttrekking egalisatiereserve Tweede loopbaan (-17K): Onderdeel van B7. Lagere onttrekking bestemmingsreserve Omgevingswet (42K): Zie B4.
Pagina
62
2.3
Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2020
Tabel 49 Overzicht baten en lasten
Pagina
63
3 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.
3.1
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en lasten worden slechts genomen voor zo ver zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende, arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. 3.1.1
Vaste activa
Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en eventuele bijdragen van derden in de kosten van dit actief. Hoofdregel van het beleid is dat investeringen met een levensduur van langer dan 3 jaar en een aanschafwaarde/verkrijgingsprijs van meer dan € 10.000 worden geactiveerd. Kleding en persoonlijke uitrusting worden niet geactiveerd, maar rechtstreeks ten laste van de exploitatie gebracht. Reserves mogen niet in mindering worden gebracht op de investering.
Pagina
64
De afschrijvingstermijn per activacategorie is als volgt: Tabel 50 Afschrijvingstermijnen per activacategorie
N.B.: Voor een gedetailleerd overzicht van de activa en de afschrijvingstermijnen verwijzen wij naar de Nota activabeleid VRU. Financiële vaste activa Leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. 3.1.2
Vlottende activa
Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid van de vorderingen wordt een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen. 3.1.3
Vaste passiva
Langlopende schulden Langlopende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De langlopende schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. 3.1.4
Vlottende passiva
Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Overlopende passiva De overlopende passiva worden opgenomen tegen nominale waarde. 3.1.5 Resultaatbepaling De baten en de lasten worden toegerekend aan het jaar, waarop zij betrekking hebben. De lasten zijn bepaald met inachtneming van de hierboven vermelde waarderingsgrondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben. Baten zijn verantwoord in het jaar waarin de diensten zijn verricht. Verliezen zijn in aanmerking genomen in het jaar waarin ze voorzienbaar zijn.
Pagina
65
De geactiveerde investeringen worden afgeschreven met de lineaire afschrijvingsmethode met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen. Hierbij wordt de restwaarde bij de bepaling van de afschrijvingsbedragen op nihil gesteld. Van de activa die in de loop van het jaar 2020 in gebruik zijn genomen, wordt vanaf januari 2021 gestart met afschrijven. Aan de geactiveerde investeringen is een rekenrente van 2,56% toegerekend. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. De hoogte van de interne rekenrente wordt bij begroting vastgesteld.
Pagina
66
4 Toelichting op de balans 4.1
Vaste activa
Materiële vaste activa De VRU heeft uitsluitend investeringen met een economisch nut. Het onderstaand overzicht geeft het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa weer: Tabel 51 Materiële vaste activa
De specificatie van de investeringen in 2020 is als volgt: Tabel 52 Investeringen
Investeringsbudget De gerealiseerde investeringen 2020 ten opzichte van het toegekende investeringsbudget is als volgt, dit is exclusief activa in uitvoering: Tabel 53 Investeringen en budget
Pagina
67
Het algemeen bestuur heeft de investering in de bedrijfsgebouwen in 2018 geaccordeerd, de uitvoering en investering heeft in 2020 plaatsgevonden. Het totale bedrag in de kolom Geïnvesteerd 2020 betreft het totaal van de activa dat in 2020 is geactiveerd. Het totaal aan Activa in uitvoering (€ 621k) wordt ten laste van het investeringsbudget 2021 gebracht. De investeringen worden voornamelijk gefinancierd vanuit leningen. Financiële vaste activa Het verloop van de financiële vaste activa gedurende het jaar 2020 is in onderstaand overzicht weergegeven: Tabel 54 Financiële vaste activa
4.2
Vlottende activa
Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan één jaar De in de balans opgenomen uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder kunnen volgt worden gespecificeerd: Tabel 55 Uitzettingen korter dan één jaar
De vorderingen op openbare lichamen bestaat voor €242k uit tegoeden welke naar de VRU zijn toegevloeid na de liquidatie van de GMU. De Uitzetting in ’s Rijks schatkist is hoger dan ultimo 2019 doordat voorgaand jaar een nieuw opgenomen geldlening van de NWB Bank volledig is aangewend voor investeringen. De Regeling schatkistbankieren decentrale overheden geeft de VRU de mogelijkheid om maximaal 0,75% van het begrotingstotaal aan geldmiddelen buiten ’s Rijks schatkist aan te houden. De onderstaande tabel toont dat de VRU aan deze bepaling heeft voldaan gedurende 2020. Tabel 56 Regeling schatkistbankieren
Voorziening wegens mogelijke oninbaarheid Dit betreft een voorziening die gevormd is wegens een juridisch geschil, waarbij de inbaarheid onzeker is.
Pagina
68
Tabel 57 Voorziening wegens mogelijke oninbaarheid
Liquide middelen Dit betreft het saldo van de rekening-courant verhouding met BNG Bank. Deze middelen staan ter vrije beschikking van de VRU. Tabel 58 Liquide middelen
Overlopende activa De post overlopende activa is als volgt te specificeren: Tabel 59 Overlopende activa
De vooruitbetaalde bedragen bestaan voornamelijk uit vooruitbetaalde erfpacht voor post Zeist en verzekeringen 2021.
4.3
Vaste passiva
Eigen vermogen Het in de balans opgenomen eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat 2020. Het verloop van het eigen vermogen in 2020 is in onderstaand overzicht per reserve weergegeven:
Pagina
69
Tabel 60 Eigen vermogen
De onderstaande toelichting is gebaseerd op de stand van de reserves ultimo 2020. De toevoeging en onttrekkingen zijn overgenomen uit de vastgestelde resultaatbestemming bij de jaarrekening 2019 en de mutaties 2020. Bedrijfsvoeringreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct afgewenteld hoeft te worden op de gemeenten. De schommelingen die optreden worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringsreserve (weerstandsvermogen) is minimaal gelijk aan de op basis benodigde weerstandscapaciteit. De bedrijfsvoeringreserve valt met 1,48% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). Bestemmingsreserve Repressieve Efficiency Utrecht Voor gemeente Utrecht is een aantal repressieve efficiency maatregelen afgesproken om een bezuiniging te realiseren. Voor de met de maatregelen samenhangende frictiekosten is in 2015 een reserve gevormd. Een deel van de bezuiniging (283K) moet nog structureel worden ingevuld. Reserve tweede loopbaanontwikkeling De reserve is gevormd in de 1e gewijzigde begroting 2016 vanwege het wegvallen van het FLO voor repressief brandweerpersoneel. Deze regeling is per januari 2006 afgeschaft. Voor medewerkers die nog niet met FLO waren, maar wel onder de FLO-regeling vielen, is het zogenaamde FLO-overgangsrecht afgesproken.
Vanaf 2016 wordt jaarlijks aan deze reserve een bedrag van € 98K toegevoegd. Voor het boekjaar 2020 is het bedrag € 102k. Bestemmingsreserve Omgevingswet De kosten voor de invoering van de omgevingswet worden uit deze reserve onttrokken. Ontwikkel- en egalisatiereserve Het doel van de ontwikkel- en egalisatiereserve is het vermijden van incidentele verhogingen of teruggaven van de gemeentelijke bijdragen. Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: • Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit het beleidsplan of structurele efficiencyvoordelen te realiseren. • Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren. De omvang van de reserve is maximaal € 1,8 miljoen en de looptijd van de reserve is tot en met 2023 (einde beleidsperiode, behorende bij het beleidsplan 2020-2023). Bij het instellen van de reserve zijn nadere spelregels vastgesteld over de besteding en verantwoording van de middelen.
Pagina
70
Egalisatiereserve lasten FLO-overgangsrecht De reserve is gevormd om de fluctuaties in de FLO-lasten voor de komende jaren op te kunnen vangen en daarmee de gemeentelijke bijdrage zo constant mogelijk te houden. Bestemmingsreserve Meldkamer Midden-Nederland De Meldkamer Midden-Nederland zal naar verwachting in 2025 in gebruik genomen worden. Middels deze reserve voor de door het rijk en de Nationale Politie toegekende middelen ingezet als dekking voor de te verwachten project- en frictiekosten in de jaren 2022 t/m 2025. Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Voorzieningen Het betreft een juridisch geschil met een oud-medewerker. Tabel 61 Voorziening juridische geschillen
Vaste schulden met een rente typische looptijd langer dan één jaar In onderstaand overzicht is het verloop weergegeven van de vaste schulden met een looptijd langer dan één jaar: Tabel 62 Vaste schulden looptijd langer dan één jaar
4.4
Vlottende passiva
Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De in de balans opgenomen netto-vlottende schulden met een rente typische periode < 1 jaar zijn als volgt te specificeren: Tabel 63 Vlottende schulden looptijd korter dan één jaar
Pagina
71
Overlopende passiva De specificatie van de post overlopende passiva is als volgt: Tabel 64 Overlopende passieve activa
Tabel 65 Ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van vorige begrotingsjaren
4.5
Waarborg en garanties
Er is geen sprake van waarborgen en/of garanties.
4.6
Niet in de balans opgenomen verplichtingen
De VRU is voor een aantal toekomstige jaren verbonden aan verscheidene, niet in de balans opgenomen, financiële verplichtingen. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste verplichtingen: Huur hoofdkantoor Ons hoofdkantoor aan de Archimedeslaan in Utrecht is contractueel tot juni 2023 gevestigd in het Huis van de Provincie te Utrecht. De jaarlijkse huur- en servicekosten bedragen € 813K (prijspeil 2020).
Pagina
72
Tabel 66 Verplichting: huur hoofdkantoor
Niet opgenomen verlofdagen Ten aanzien van de verlofdagen zijn uitsluitend de feitelijke jaarlasten in de rekening opgenomen.
4.7
Gebeurtenissen na balansdatum
Er is geen sprake van gebeurtenissen na balansdatum met een materiële impact op de jaarrekening 2020.
Pagina
73
5 Wet normering topinkomens (WNT) Op 1 januari 2013 is de Wet normering topinkomens (WNT) in werking getreden. De WNT is van toepassing op Veiligheidsregio Utrecht. Het voor de VRU toepasselijke bezoldigingsmaximum is in 2020 € 201.000, het algemeen bezoldigingsmaximum.
5.1
Bezoldiging topfunctionarissen 2020
Leidinggevende topfunctionarissen, gewezen topfunctionarissen met dienstbetrekking en leidinggevende topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vanaf de 13e maand van de functievervulling: Tabel 67 Bezoldiging topfunctionarissen
Pagina
74
Leidinggevende of toezichthoudende topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen met een bezoldiging van € 1.700 of minder: Voor alle functies in onderstaande tabel geldt dat deze onbezoldigd zijn. Tabel 68 Toezichthoudende topfunctionarissen
5.2
Overige rapportageverplichtingen op grond van de WNT
Functionaris maar geen topfunctionaris, met een dienstbetrekking op grond van de WNT norm: Binnen de VRU heeft, gedurende 2020, een functionaris met de functie programmadirecteur, een bezoldiging ontvangen van € 237.259. De overschrijding van het bezoldigingsmaximum is veroorzaakt door een uitkering van de levensloopregeling als gevolg van de FLO-60 overgangsrecht. Onbezoldigde ingehuurde functionaris: In 2020 heeft de VRU de directeur Publieke gezondheid van de GGD regio Utrecht ingehuurd.
Pagina
75
6 Single information Single Audit
JenV
A2
SiSa bijlage verantwoordingsinformatie 2019 op grond van artikel 3 van de Regeling informatieverstrekking sisa - d.d. 16 januari 2020 Brede Doeluitkering Besteding (jaar T) Rampenbestrijding (BDUR) Besluit veiligheidsregio's artikelen 8.1, 8.2 en 8.3 Veiligheidsregio's Aard controle R Indicatornummer: A2 / 01
€ 9.967.164
Figuur 1 Single information Singe Audit
Pagina
76
7 Controleverklaring van de onafhankelijke accountant Aan het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht t.a.v. de heer dr. P.L.J. Bos MCDM Postbus 3154 3502 GD Utrecht
Westkadijk 10c 3861 MB Nijkerk Postbus 206 7 6 0 0 AE Al m e l o Tel. 088-500 95 00 E-mail info@eshuis.com
CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT Aan het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Utrecht te Utrecht A. Verklaring over de in de jaarstukken opgenomen jaarrekening 2020 Ons oordeel Wij hebben de jaarrekening 2020 van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Utrecht te Utrecht gecontroleerd. Naar ons oordeel: geeft de in de jaarstukken opgenomen jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van zowel de baten en lasten over 2020 als van de activa en passiva van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Utrecht (verder: de VRU) op 31 december 2020 in overeenstemming met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV); zijn de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties over 2020 in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand gekomen in overeenstemming met de begroting en met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, waaronder verordeningen, zoals opgenomen in het Normenkader. De jaarrekening bestaat uit:
de balans per 31 december 2020;
de SiSa-bijlage met de verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen;
het overzicht van baten en lasten over 2020; de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen en; Het overzicht van de gerealiseerde baten en lasten per taakveld (bijlage 2); Het overzicht met de berekening van de overhead (bijlage 3).
Pagina
77
De basis voor ons oordeel Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden, het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado), het door het algemeen bestuur vastgestelde normenkader 2020 en het Controleprotocol Wet normering topinkomens (WNT) 2020 vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’. Wij zijn onafhankelijk van de VRU zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedragsen beroepsregels accountants (VGBA). Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Paragraaf ter benadrukking van de impact van COVID-19 Het coronavirus heeft ook invloed op de VRU. In de toelichting op pagina 10 van het jaarverslag heeft de directie de huidige impact en haar plannen om met deze gebeurtenissen of omstandigheden om te gaan toegelicht. Ons oordeel is niet aangepast met betrekking tot deze aangelegenheid.
Naleving anticumulatiebepaling WNT niet gecontroleerd In overeenstemming met het Controleprotocol WNT 2020 hebben wij de anticumulatiebepaling, bedoeld in artikel 1.6a WNT en artikel 5, lid 1, sub j Uitvoeringsregeling WNT, niet gecontroleerd. Dit betekent dat wij niet hebben gecontroleerd of er wel of niet sprake is van een normoverschrijding door een leidinggevende topfunctionaris vanwege eventuele dienstbetrekkingen als leidinggevende topfunctionaris bij andere WNT-plichtige instellingen, alsmede of de in dit kader vereiste toelichting juist en volledig is. Materialiteit Op basis van onze professionele oordeelsvorming hebben wij de materialiteit voor de jaarrekening als geheel bepaald op € 989.000. De bij onze controle toegepaste goedkeuringstolerantie bedraagt voor fouten 1% en voor onzekerheden 3% van de totale lasten inclusief toevoegingen aan reserves, zoals voorgeschreven in artikel 2 lid 1 Bado en het controleprotocol vastgesteld met het besluit d.d. 13 december 2013. Daarbij zijn voor de controle van de in de jaarrekening opgenomen WNT-informatie de materialiteits-voorschriften gehanteerd zoals vastgelegd in het Controleprotocol WNT 2020. Wij houden ook rekening met afwijkingen en/of mogelijke afwijkingen die naar onze mening voor de gebruikers van de jaarrekening om kwalitatieve redenen materieel zijn, zoals ook bedoeld in artikel 3 Bado.
Wij zijn met het algemeen bestuur overeengekomen dat wij aan het algemeen bestuur tijdens onze controle geconstateerde afwijkingen groter dan € 100.000 rapporteren, alsmede kleinere afwijkingen die naar onze mening om kwalitatieve, SiSa- of WNT-redenen relevant zijn.
Pagina
78
B. Verklaring over de in de jaarstukken opgenomen andere informatie Naast de jaarrekening en onze controleverklaring daarbij, omvatten de jaarstukken andere informatie, die bestaat uit: het jaarverslag, waaronder de programmaverantwoording en de paragrafen; de bijlagen (1, 4 en 5). Op grond van onderstaande werkzaamheden zijn wij van mening dat de andere informatie: Met de jaarrekening verenigbaar is zoals bedoeld in artikel 213 lid 3 sub d Gemeentewet en geen materiële afwijkingen bevat. Alle informatie bevat die op grond van het BBV is vereist. Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de jaarrekeningcontrole of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat. Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij de jaarrekening. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie, waaronder het jaarverslag in overeenstemming met het BBV. C.
Beschrijving van verantwoordelijkheden met betrekking tot de jaarrekening Verantwoordelijkheden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur voor de jaarrekening Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening in overeenstemming met het BBV. Het dagelijks bestuur is ook verantwoordelijk voor het rechtmatig tot stand komen van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties, in overeenstemming met de begroting en met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, waaronder verordeningen, zoals opgenomen in het Normenkader. In dit kader is het dagelijks bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het dagelijks bestuur noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude. Bij het opmaken van de jaarrekening moet het dagelijks bestuur afwegen of de financiële positie voldoende is om de gemeenschappelijke regeling in staat te stellen de risico’s vanuit de reguliere bedrijfsvoering financieel op te vangen. Het dagelijks bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden, waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de risico’s kunnen worden opgevangen, toelichten in de jaarrekening.
Het algemeen bestuur is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van de gemeenschappelijke regeling.
Pagina
79
Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel. Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid, waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten en fraude ontdekken. Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fouten of fraude en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel. Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Bado, het controleprotocol dat is vastgesteld door het algemeen bestuur, het Controleprotocol WNT 2020, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen.
Onze controle bestond onder andere uit: het identificeren en inschatten van de risico’s dat de jaarrekening afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fouten of fraude, danwel dat baten en lasten alsmede de balansmutaties als gevolg van fouten of fraude niet in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand zijn gekomen en het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;
het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de gemeenschappelijke regeling;
het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving, de gebruikte financiële rechtmatigheidscriteria en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het dagelijks bestuur en de toelichtingen die daarover in de jaarrekening staan;
het vaststellen dat de door het dagelijks bestuur gehanteerde afweging dat de gemeenschappelijke regeling in staat is de risico’s vanuit de reguliere bedrijfsvoering financieel op te vangen aanvaardbaar is. Tevens het op basis van de verkregen controleinformatie vaststellen of er gebeurtenissen en omstandigheden zijn, waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de gemeenschappelijke regeling haar financiële risico’s kan opvangen. Als wij concluderen dat er een onzekerheid van materieel belang bestaat, zijn wij verplicht om aandacht in onze controleverklaring te vestigen op de relevante gerelateerde toelichtingen in de jaarrekening. Als de toelichtingen inadequaat zijn, moeten wij onze verklaring aanpassen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de controle-informatie die verkregen is tot de datum van onze controleverklaring. Toekomstige gebeurtenissen of
Pagina
80
omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat de gemeente de financiële risico’s niet kan opvangen;
Het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de jaarrekening en de daarin opgenomen toelichtingen; Het evalueren of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de onderliggende transacties en gebeurtenissen en of de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand zijn gekomen.
Wij communiceren met het algemeen bestuur onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.
Nijkerk, 15 april 2021 Eshuis Registeraccountants B.V. Was getekend: drs. C.L. Willems RA
Pagina
81
Bijlage 1 Gemeentelijke bijdragen en vergoedingen 2020 Tabel 69 Gemeentelijke bijdragen en vergoedingen 2020
Pagina
82
Bijlage 2 Overzicht gerealiseerde baten en lasten per taakveld Tabel 70 Overzicht taakvelden
Pagina
83
Bijlage 3 Overzicht berekening overhead Tabel 71 Overzicht berekening overhead
Pagina
84
Bijlage 4 7.1
Materiële vaste activa staat nieuwe categorie indeling
Tabel 72 Materiële vaste activa nieuwe categorie-indeling
Pagina
85
Bijlage 5 Begrippen en afkortingen AB Algemeen Bestuur AC Algemeen commandant AED Automatische externe defibrillator AGV Adviesgroep Gemeentesecretarissen Veiligheid BAC Bestuurlijke Advies Commissie BBV Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten BDuR Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen BNG Bank Nederlandse Gemeenten BRZO Besluit risico’s zware ongevallen BVL Brand Veilig Leven CB Crisisbeheersing CB/G Crisisbeheersing en GHOR CBS Centraal Bureau voor de Statistiek COC Coördinatiewerkgroep COVID-19 CaCo Calamiteiten Coördinator CoFu Coördinerend functionaris CoPI Commando plaats incident DB Dagelijks Bestuur DIV Documentaire informatievoorziening DPG Directeur Publieke Gezondheid DT Directieteam FB Facilitair bedrijf Fido Wet financiering decentrale overheden FLO Functioneel leeftijdsontslag GBT Gemeentelijk beleidsteam GBTP Gemeentelijk basistakenpakket GC2.0 Gemeentelijke Crisisbeheersing 2.0 GGDrU Gemeentelijke Gezondheidsdiensten regio Utrecht GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio GMU Gemeenschappelijke meldkamer Utrecht GRIP Gecoördineerde regionale incidentbestrijdingsprocedure HKZ Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector HIN Hoofd informatie HON Hoofd ondersteuning IBP Incident bestrijdingsplan IFV Instituut Fysieke Veiligheid IGPP Individueel gemeentelijk pluspakket IM Informatie Management