CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Ruimtelijke onderbouwing TCL.pdf

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 11: RV Ontwerp Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Kol.v. Royenweg 3 Technology Center Land (TCL) Defensie29.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Effecten en conclusie Uit de NDFF [lit. 4] blijkt dat er in de wijdere omgeving (≥ 3 km) van het plangebied gedurende de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen zijn gedaan van de onder de Wnb beschermde flora. Ook zijn binnen het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde soorten, ondanks verschillende veldbezoeken door ecologen van Viridis en Witteveen+Bos in 2020, 2021 en 2022 [lit. 1, lit. 14]. De aanwezige vegetatie binnen het plangebied betreft bos- en heidesoorten, zoals grove den en struikhei. Op basis van de locatie en gebiedskenmerken kan het voorkomen van twee beschermde soorten in het plangebied niet volledig worden uitgesloten. Het gaat om glad biggenkruid en rozenkransje, aangezien het aanwezige biotoop binnen het plangebied (gedeeltelijk) voldoet aan de standplaatsvereisten voor deze soorten. Echter kan de aanwezigheid van deze soorten met voldoende zekerheid worden uitgesloten, op basis van het feit dat geen recente groeiplaatsen bekend zijn in de directe omgeving, en de soorten hier in

18 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

2020 - 2022 niet zijn aangetroffen [lit. 1, lit. 14]. Ten aanzien van beschermde flora zijn vanuit de Wnb geen vervolgstappen nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (Wnb art. 1.11).

4.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen 5 jaar binnen 3 km van het plangebied waarnemingen bekend van verschillende zoogdiersoorten die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb, zoals kleine marterachtigen, konijn, ree, vos, egel en verschillende muizensoorten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen op grond van art. 3.31 van de Regeling natuurbescherming (Rnb). Ook zijn waarnemingen bekend van verschillende niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ van de Wnb: boommarter, das, edelhert, eekhoorn en steenmarter. Van deze soorten zijn boommarter, das en (eenmalig) eekhoorn bij het eerder uitgevoerde ecologische onderzoek tevens binnen het plangebied waargenomen [lit. 1] (afbeelding 4.1). Boommarters worden met enige regelmaat waargenomen verspreid door de omgeving van het plangebied. Het gaat in een aantal gevallen om verkeersslachtoffers langs de A28. Ook in het plangebied zijn in 2020 waarnemingen gedaan van de soort [lit. 1]. Het ging daarbij uitsluitend om foerageergebied, verblijfplaatsen zijn vooralsnog binnen het plangebied niet aangetroffen. Ook das wordt verspreid door de omgeving van het plangebied waargenomen, met name op de Leusderheide ten zuiden van het plangebied en op de golfbaan ten noordwesten.

Bij het reeds uitgevoerde ecologische onderzoek is aan de westzijde van het plangebied een dassenburcht (bij-burcht) aangetroffen [lit. 1]. Foerageergedrag van dassen werd uitsluitend langs de westzijde van het plangebied waargenomen, de bestaande bebouwing en verharding is hiervoor niet geschikt [lit. 1]. Eekhoorn is in de wijdere omgeving van het plangebied een algemeen voorkomende soort, en is dan ook veel waargenomen. Waarnemingen concentreren zich voornamelijk in de bosgebieden ten noordoosten van het plangebied. Tijdens het ecologisch onderzoek in 2020 is eenmalig een eekhoorn waargenomen binnen het plangebied. Er zijn geen nesten aangetroffen van de soort [lit. 1]. Van edelhert is in de omgeving van het plangebied één waarneming bekend. Het betreft een individu dat in 2022 werd waargenomen in het landgoed Den Treek-Henschoten, op circa 500 m afstand ten zuiden van het plangebied [lit. 16]. Het hek rondom het plangebied belemmert edelhert het plangebied te betreden. De aanwezigheid van edelhert binnen de grenzen van het plangebied is daardoor uitgesloten. Van steenmarter is in recente jaren één waarneming bekend in de omgeving van het plangebied. Het gaat om een waarneming op circa 1 km afstand ten noorden van het plangebied (aan de andere zijde van de A28).

Tijdens het ecologisch onderzoek in 2020 - 2021 zijn in het plangebied geen sporen of individuen van de soort aangetroffen [lit. 1]. In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdiersoorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5). Deze soorten zijn hier op basis van recente verspreidingsgegevens en biotoopvereisten ook niet te verwachten [lit. 5].

19 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Afbeelding 4.1 Waarnemingen van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren binnen en in de omgeving van het plangebied. Op basis van gegevens uit de NDFF (2018 - 2023) [lit. 4] en uitgevoerd ecologisch onderzoek (2020 2021) [lit. 1]1,2

De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soort worden in onderstaand kader beschreven. Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 6]. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt [lit. 6].

Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen

1

Deze informatie is gedeeltelijk afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

2

Wees alert op het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

20 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld [lit. 6]. Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2000 meter. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor. Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van individuen van onder de Wnb beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Wel werden diverse graaf- en loopsporen aangetroffen van das en vos.

Het plangebied biedt geschikt biotoop aan verschillende ‘Andere soorten’ van de Wnb waarvoor een vrijstelling geldt, zoals kleine marterachtigen, konijn, vos en egel. Het gaat dan voornamelijk om de westelijke helft van het plangebied, waar zich in de bestaande situatie bos- en heidevegetatie bevindt. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor boommarter en das, en het is aannemelijk dat de situatie met betrekking tot deze soorten niet wezenlijk is veranderd sinds het onderzoek naar deze soorten in 2020 2021. Met andere woorden, er moet vanuit gegaan worden dat het plangebied (gedeeltelijk) foerageergebied vormt voor boommarter en das. Ook de dassenburcht aan de westzijde van het plangebied is nog steeds aanwezig, en het is aannemelijk dat deze nog steeds als bij-burcht in gebruik is. Op basis van biotoopvereisten kan tevens de aanwezigheid van eekhoorn en steenmarter in het plangebied niet worden uitgesloten. Beide soorten kunnen hier voldoende voedsel, dekking en geschikte verblijfplaatsen vinden. Effecten en conclusie Vrijgestelde soorten Het voorkomen van verschillende soorten grondgebonden zoogdieren (‘Andere soorten’ van de Wnb) zoals kleine marterachtigen, konijn, vos en egel kan op basis van het aanwezige biotoop en de ligging van het plangebied niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt op grond van art.

3.31 van de Regeling natuurbescherming (Rnb)een vrijstelling voor artikel 3.10 (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud en bij ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag en/of aanvullende maatregelen, dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze vrijgestelde soorten niet nodig. Wel geldt te allen tijden de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). ‘Andere soorten’ Boommarter, steenmarter, das en eekhoorn zijn niet vrijgesteld. Op basis van de gekende verspreiding en biotoopvereisten van deze soorten kan het voorkomen binnen het plangebied niet volledig worden uitgesloten. Op basis van het reeds uitgevoerde ecologische onderzoek komen van deze soorten alleen boommarter (foerageergebied), das (burcht en foerageergebied) en eekhoorn (sporadisch) in het plangebied voor, steenmarter is niet aangetroffen [lit. 1]. Voor edelhert kan met voldoende zekerheid worden aangenomen dat het plangebied niet van essentiële waarde is voor de soort.

21 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Het inventariserend veldonderzoek naar beschermde soorten grondgebonden zoogdieren is uitgevoerd in de periode mei 2020 - juni 2021 [lit. 1], waarmee deze conclusies in principe als actueel beschouwd kunnen worden tot en met juni 2024 (de jongste gegevens mogen in de regel niet ouder zijn dan 3 jaar). Eekhoorn, steenmarter Het optreden van negatieve effecten kan voor eekhoorn en steenmarter worden uitgesloten. Wel wordt geadviseerd om, indien de werkzaamheden aanvangen na juni 2024, het onderzoek naar deze soorten te actualiseren. Een actualiserend onderzoek kan leiden tot een wijziging in de conclusie ten aanzien van de soorten. Boommarter Het te kappen bosperceel maakt onderdeel uit van het leefgebied (foerageergebied) van boommarter. Het is onbekend of sprake is van essentieel foerageergebied [lit. 1]. Gelet op de aanwezigheid van veel vergelijkbaar bosgebied in de directe omgeving van het plangebied wordt er echter vanuit gegaan dat het plangebied niet als essentieel leefgebied aangemerkt hoeft te worden. Het kan daarom met voldoende zekerheid worden aangenomen dat het voornemen niet leidt tot overtreding van de Wnb ten aanzien van boommarter. Wel wordt geadviseerd om in het kader van de zorgplicht enkele maatregelen in acht te nemen: - de kapwerkzaamheden worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van boommarter.

Dit betreft de periode waarin jongen worden grootgebracht, tussen eind maart en eind augustus [lit. 6]. De werkzaamheden dienen dus uitgevoerd te worden in de periode september - maart; - de kapwerkzaamheden worden vanuit één kant uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten. Indien de werkzaamheden later dan juni 2024 worden uitgevoerd, wordt geadviseerd het onderzoek met betrekking tot boommarter te actualiseren. Een actualiserend onderzoek kan leiden tot een wijziging in de conclusie ten aanzien van de soort. Das Het te kappen bosperceel maakt onderdeel uit van het leefgebied van das. Het voornemen leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van dit dassenleefgebied, en mogelijk tot verstoring van individuen. Aangezien das beschermd is onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ (Wnb art. 3.10), is dit op zichzelf niet verboden. Wel is verboden om ‘de vaste voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen’ (Wnb. art. 3.10, lid 1, sub b). Hierbij kan ook sprake zijn van een indirecte aantasting, bijvoorbeeld wanneer belangrijk foerageergebied niet meer als zodanig kan functioneren. Het belang van het plangebied als foerageergebied voor dassen is echter naar verwachting beperkt, aangezien voornamelijk weilanden en andere open gebieden geschikte foerageergebieden vormen voor de soort.

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich veel gebieden die in vergelijkbare of hogere mate geschikt zijn als foerageergebied voor dassen. De voorgenomen werkzaamheden leiden daarmee niet tot een significant effect op de dassenburcht. Vanuit de Wnb zijn daarom ten aanzien van das geen vervolgstappen nodig. Wel wordt geadviseerd om in het kader van de zorgplicht enkele maatregelen in acht te nemen: - de kapwerkzaamheden worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van das. Dit betreft de voortplantingsperiode, tussen december en juli [lit. 15]. De werkzaamheden dienen dus uitgevoerd te worden in de periode augustus - november; - de werkzaamheden worden vanuit één kant uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten; - de locatie van de burcht wordt afgezet met lint, waarbij het lint in een cirkel van 25 m rondom de burcht wordt geplaatst. Deze buffer rondom de burcht wordt aangeduid als ontoegankelijk gebied tijdens de werkzaamheden. Indien de werkzaamheden later dan juni 2024 worden uitgevoerd, wordt geadviseerd het onderzoek met betrekking tot das te actualiseren. Een actualiserend onderzoek kan leiden tot een wijziging in de conclusie ten aanzien van de soort.

22 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Habitatrichtlijnsoorten De aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren beschermd onder de Habitatrichtlijn is binnen het plangebied uitgesloten, gezien de ligging buiten het bekende verspreidingsgebied van deze soorten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb (Habitatrichtlijn) zijn voor grondgebonden zoogdieren niet nodig.

4.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb (artikel 3.5) en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 4] komen er tenminste acht soorten vleermuizen voor in de omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen in de afgelopen 5 jaar binnen 3 km van het plangebied van overvliegende en/ of foeragerende individuen van baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (afbeelding 4.2). De meeste waarnemingen zijn gedaan ten noorden en ten oosten van het plangebied, maar dit berust op een waarnemerseffect. Ook op locaties waar geen waarnemingen van vleermuizen bekend zijn, is het voorkomen aannemelijk. Op basis van het reeds uitgevoerde ecologische onderzoek [lit. 1] komen binnen het plangebied in ieder geval gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis voor (afbeelding 4.3). Met name voor gewone dwergvleermuis waren hier in 2020 veel functies aanwezig (kraamkolonie, zomer- en paarverblijfplaatsen, foerageergebied). De overige soorten maakten enkel van het plangebied gebruik als foerageergebied [lit. 4].

Afbeelding 4.2 Waarnemingen van vleermuizen in de wijdere omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 1, 4]1,2

1

Deze informatie is gedeeltelijk afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

2

Wees alert op het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

23 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Afbeelding 4.3 Waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 1, 4]1,2

De biotoopeisen van de in het plangebied waargenomen vleermuissoorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7]. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw.

In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 7]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, 1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

2

Wees alert op het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

24 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In MiddenEuropa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7]. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 7]. Veldbezoek Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen: vanwege de aanwezigheid van opgaande, aaneengesloten vegetatie (bos) ontstaan hier luwe, donkere en insectenrijke gedeeltes waar vleermuizen kunnen foerageren. Binnen het plangebied bevinden zich geen specifieke opgaande, aaneengesloten, lijnvormige structuren die een belangrijke functie kunnen hebben als vliegroute voor vleermuizen.

Tijdens het veldbezoek werd tevens de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen onderzocht. Zowel in bebouwing als in bomen binnen het plangebied bevinden zich geschikte openingen die vleermuizen als verblijfplaats kunnen gebruiken. Het gaat daarbij om open stootvoegen en andere openingen onder dakranden en achter boeiboorden. Ook werden de kelders en kruipruimtes van gebouwen 3 en 5 geïnspecteerd op de aanwezigheid van (en geschiktheid voor) winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Hierbij is vastgesteld dat vleermuizen de kelders en kruipruimtes niet in kunnen vanwege het ontbreken van daarvoor geschikte openingen naar buiten. Bovendien zijn de ruimtes in de bestaande situatie droog en stoffig, wat afdoet aan de geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen. Effecten en conclusie Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en is recentelijk ook als zodanig gebruikt door tenminste vier vleermuissoorten [lit. 1]. In de directe omgeving bevindt zich echter ruim voldoende vergelijkbaar (bos)gebied, waardoor deze functie als foerageergebied niet als essentieel wordt beschouwd. De voorgenomen werkzaamheden leiden dus niet tot een vernietiging van essentieel foerageergebied en vormen wat dat betreft geen overtreding van de Wnb.

Binnen het plangebied bevinden zich geen opgaande, lijnvormige (groen)structuren die potentieel van belang zijn als vliegroute voor vleermuizen. De voorgenomen werkzaamheden leiden dus niet tot een vernietiging van één of meer essentiële vliegroutes, en vormen wat dat betreft geen overtreding van de Wnb. Wel kunnen foeragerende en overvliegende vleermuizen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Waar tijdens de werkzaamheden of in de beoogde gebruikssituatie (nachtelijke) verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt lichtbeheer.

Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/ de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken;

25 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4074/documents/46069