CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Ruimtelijke onderbouwing TCL.pdf

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 11: RV Ontwerp Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Kol.v. Royenweg 3 Technology Center Land (TCL) Defensie29.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4 AANWEZIGE NATUURWAARDEN Het NNN in de provincie Utrecht kenmerkt zich door wezenlijke kenmerken en waarden (bijlage IX; (provincie Utrecht 2024) en gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten van het NNN-deelgebied Utrechtse Heuvelrug (bijlage 1; provincie Utrecht 2022a). In de paragrafen hierna volgt eerst een beschrijving van de aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN (paragraaf 4.1). Vervolgt volgt een beschrijving van de aanwezige gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten van het NNN-deelgebied Utrechtse Heuvelrug (paragraaf 4.2).

4.1

Wezenlijke kenmerken en waarden

De wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN kunnen worden beschreven aan de hand van de volgende aspecten: 1 bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; 2 de robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten; 3 de aanwezigheid van bijzondere soorten; 4 de abiotische en ruimtelijke condities van het gebied voor soorten en ecosystemen. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem Voor dit aspect ligt de nadruk op het functioneren van het (eco)systeem, waarbij met name wordt gekeken naar het functioneren van de huidige beheertypen en de potentie voor geambieerde beheertypen. Binnen het plangebied zijn vier natuurbeheertypen aanwezig. Tabel 4.1 geeft een overzicht van deze natuurbeheertypen, inclusief klassen en oppervlakten.

Tabel 4.1 Aanwezige natuurbeheertypen binnen plangebied, inclusies oppervlakten (in m2 en ha) Oppervlakte (m2)

Oppervlakte (ha)

3

1.260

0,13

N07.01 - Droge heide

2

6.700

0,67

N11.01 - Droog schraalgrasland

1

9.600

0,96

N16.03 - Droog bos met productie

3

79.430

7,94

89.030 m2

8,90 ha

Natuurbeheertype

Klasse

N04.02 - Zoete plas

totaal

Voor het ruimtebeslag van de beoogde ontwikkelingswerkzaamheden in het huidige ontwerp zijn natuurbeheertypen N04.02 - Zoete plas, N07.01 - Droge heide, N16.03 - Droog bos met productie en N11.01 - Droog schraalgrasland relevant (zie afbeelding 4.1).

13 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

Uit recent onderzoek (Witteveen+Bos 2022) blijkt dat binnen het plangebied gemixt loof- en naaldbos voorkomt met ten westen van de huidige tankwerkplaats soorten zoals de gewone esdoorn, zomereik, grove den, zwarte den, ruwe berk en ten oosten beuk, grove den, zwarte den en linde. Deze bossen zijn naar verwachting niet ouder dan 70 jaar oud en in sommige plaatsen is bos ontstaan na 2008. Dit komt overeen met informatie van de provincie Utrecht, dat aangeeft dat er geen oude boskern ligt binnen het plangebied (provincie Utrecht 2022a). Ook is er binnen het plangebied heidegrond aangetroffen. De veldwerkresultaten komen globaal overeen met de gekarteerde natuurbeheertypen.

Afbeelding 4.1 Natuurbeheertypen binnen en rondom het plangebied

Het areaal droog productiebos is veruit het grootst. Voor elk natuurbeheertype is slechts een beperkt aantal karakteristieke soorten aangetroffen. In de wijde omgeving overheerst droog productiebos, terwijl het restant droge heide vrij geïsoleerd is komen te liggen. Door de aanleg van wegen is het areaal droge heide versnipperd en de huidige kwaliteit gaat achteruit door het uitblijven van adequaat beheer. Het bestaande jonge droge productiebos heeft geringe botanische waarde, maar biedt wel schuilmogelijkheden voor wild en leefgebied voor vogels. De lage schrale vegetatie biedt een relatief hoge natuurwaarde vanwege de aangetroffen reptielen, insecten en kruiden. Gezien de kwaliteit van de bodem en het grondwaterregime ligt de ontwikkeling van een overwegend droge, voedselarme zure tot zwak zure vegetatie voor de hand. Een dergelijke ontwikkeling versterkt de functie van de Leusderheide, waar heide onder druk staat als gevolg van verbossing, vergrassing en versnippering. Daarnaast sluit dit aan op de aangetroffen aandachtsoorten conform de lijst van provincie Utrecht. Verder verdampt een lage vegetatie minder dan bos wat gunstig is in relatie tot waterconservering en het versterken van kwelplekken op de flank van de Utrechtse heuvelrug. De robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten De robuustheid van het plangebied is beperkt.

De humuslaag is dun en tamelijk zuur, met daar onder een uitspoelingshorizont. De vegetatie wordt daardoor meer kwetsbaar voor droogte. Het deel van de Leusderheide ten zuiden van de Kolonel H. L. van Roijenweg (geen onderdeel van NNN) staat in verbinding

14 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

met het omliggende NNN-gebied door middel van ecoducten aan zowel de oost- als noordwestkant van het gebied. Het plangebied (wél onderdeel van NNN) is in de huidige situatie al ingesloten door hekwerk en wegen, zonder faunavoorzieningen. De aaneengeslotenheid van het NNN binnen het plangebied met het omliggende NNN is daarmee beperkt. De verbindingsfunctie van het huidige gebied is ook beperkt doordat deze ingesloten is door wegen en door de aanwezigheid van omringend hekwerk. Voor vogels vormen deze wegen en hekken echter geen barrière en is de aanwezigheid van bos en heide van belang. Zo is er broedgebied en foerageergebied aanwezig voor de buizerd. Voor reptielen vormt de Kolonel H. L. van Roijenweg tussen het TCL en de Leusderheide wel een obstakel. De aanwezigheid van bijzondere soorten; en de abiotische en ruimtelijke condities die deze soorten en ecosystemen nodig hebben Met bijzondere soorten worden beschermde soorten en/of aandachtsoorten bedoeld. De aandachtsoorten zijn habitatsoorten, Rode Lijstsoorten (categorieën ‘verdwenen’, ‘ernstig bedreigd’ en ‘bedreigd’) en een aantal soorten die binnen de provincie Utrecht belangrijk zijn. De beschermde soorten zijn de soorten die in het kader van de Omgevingswet (Ow) beschermd zijn (Provincie Utrecht 2024). De natuurwaarden binnen NNN-gebieden spelen een belangrijke rol voor deze soorten.

Daarom wordt voor de bepaling van de wezenlijke kenmerken en waarden ook de aanwezigheid van deze soorten bepaald. Op basis van beschikbare informatie over waarnemingen blijken er 16 beschermde soorten te zijn waargenomen in het plangebied, namelijk: boommarter, bosmuis, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, rosse woelmuis, vos, wezel, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, hazelworm en ringslang. Daarnaast blijken er tien soorten binnen het plangebied voor te komen die op de lijst van aandachtsoorten en icoonsoorten staan van de provincie Utrecht. Het gaat om één plantensoort (riempjes), twee soorten reptielen (zandhagedis, ringslang), vier soorten vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis) en drie soorten vogels (boomleeuwerik, nachtzwaluw, zwarte specht). In het productiebos van het plangebied zijn diverse holen en graafsporen aangetroffen, vermoedelijk van de das. Ook is hier de buizerd waargenomen. De zoete plas heeft een grote aantrekkingskracht op vleermuizen. De waargenomen vleermuissoorten maken verder voornamelijk gebruik van de aanwezige gebouwen als schuil- en rustplaats. Er zijn slechts enkele mogelijk geschikte holen aangetroffen in het bos. Voor de zandhagedis is de aanwezigheid van open gebied met zand, heide en schraal grasland van belang.

Voor de hazelworm zijn aangrenzende bosranden met een goede strooisel-laag van belang. Daarnaast is de ringslang voor zijn voedsel (amfibieën) afhankelijk van water. De nachtzwaluw is ook eenmalig waargenomen in het plangebied. Er broeden nachtzwaluwen op de Leusderheide. Ze broeden op de grond op kale bodem in heidevelden, zandverstuivingen en open dennenbossen. In de avond en nacht vangen ze grote insecten (nachtvlinders) tijdens de vlucht. Ook de boomleeuwerik is gebonden aan heide en open zandgebieden. De zwarte specht is gebonden aan gemengde bossen.

4.2

Gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten (Utrechtse Heuvelrug)

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van NNN-deelgebied Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug is na de Veluwe het grootste aaneengesloten bosgebied van Nederland. In de kern van dit natuurgebied wisselen bossen zich af met stuifzanden en heidevelden. De belangrijkste ecologische waarde van de Heuvelrug is, hoewel geregeld doorsneden door wegen, de grote aaneen geslotenheid van de natuur in combinatie met de variatie in bodem- en vochtcondities en biotopen. In dit Provinciaal Landschap komen op relatief korte afstand grote hoogteverschillen voor. Deze hoogteverschillen veroorzaken een gradiënt van hoog naar laag, van droog naar nat en van voedselarm naar voedselrijk. De belangrijkste biotopen van de Heuvelrug zijn: bos, droge en natte heide, stuifzand, nat schraalland, vennen, grasland en akker (provincie Utrecht 2022b; 2011). Uit voorgaand onderzoek (Witteveen+Bos 2022) blijkt dat de biotopen bos en droge heide relevant zijn voor het plangebied. Vanaf de late middeleeuwen tot in de 19e eeuw bestond de Heuvelrug vooral uit uitgestrekte heidevelden en zandverstuivingen. Bos bleef laag door intensief beheer voor brandhout en eikenschorswinning. Wat resulteerde in overleving van vooral autochtone zomer- en wintereikbegroeiing. Gestreefd wordt naar een

15 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

samenhangend bosgebied waarin ook voor grotere bosdieren plaats is. Veel monotoon productiebos is in de laatste 30 jaar veranderd richting natuurlijker bos qua soortensamenstelling, structuur, aandeel dood hout en leeftijdsopbouw. Het droge bos op de Heuvelrug is nu nog vaak soortenarm. De oude boskernen en de bossen op oude bosbodems kennen een wat soortenrijkere flora. Omvorming van dichte bossen naar opener bos is zowel bij loof- als naaldbos bevorderlijk gebleken voor de biodiversiteit (provincie Utrecht 2022b). De grote heideterreinen die nog resteren zijn de Leusderheide, het Leersumse Veld en Soesterberg. Daarnaast zijn er nog vele kleine heideterreinen verspreid aanwezig. Voor de instandhouding van heide is actief beheer noodzakelijk. Het ingezette heideherstelbeleid heeft zowel als doel om het areaal heide te vergroten als om de terreinen onderling te verbinden. Op de Heuvelrug zijn veel maatregelen genomen die de versnippering van natuurlijke leefgebieden moeten tegengaan: vooral de aanleg van ecoducten over autosnelwegen en spoorwegen en veel kleine faunapassages zijn belangrijke stappen in het vormen van ecologische verbindingen. Hierdoor worden de beperkingen in verspreiding van dieren die door (spoor)wegen en bebouwing veroorzaakt wordt, enigszins opgeheven.

Door deze maatregelen neemt het leefgebied voor karakteristieke heidesoorten kwalitatief en in oppervlakte toe, terwijl ze grotere bosdieren meer mogelijkheden voor hun verspreiding bieden. De zandhagedis is een voorbeeld van een karakteristieke soort van droge heide die profiteert van het heideherstel en recentelijk is toegenomen (provincie Utrecht 2022b).

16 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

5 EFFECTAFBAKENING De geplande werkzaamheden brengen verschillende effecttypen met zich mee die de wezenlijke kenmerken en waarden en gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten van het NNN kunnen aantasten of de ambities in de weg kunnen staan. Effecten op NNN kunnen zowel optreden in de aanlegfase als in de gebruiksfase en kunnen permanent of tijdelijk van aard zijn. Tijdelijke effecten vinden enkel plaats in de aanlegfase. Permanente effecten kunnen starten in de aanlegfase en doorlopen in de gebruiksfase (zoals oppervlakteverlies van natuur door ruimtebeslag van het ontwerp). Dergelijke effecten met een mogelijk permanent gevolg worden daarom in de gebruiksfase beschouwd. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft voor Natura 2000 een effectenindicator ontwikkeld waarin effecttypen zijn gedefinieerd (Ministerie van LVVN 2024). Hoewel de indicator is ontwikkeld voor Natura 2000-gebieden, zijn de gedefinieerde effecttypen ook bruikbaar voor het NNN. De effectenindicator wordt daarom als leidraad gebruikt. Hoewel het ‘doden van individuen’ geen onderdeel uitmaakt van de lijst met effecttypen in de effectenindicator, is het wel een effecttype dat mogelijk relevant kan zijn voor het voornemen Daarnaast wordt de bebouwing in de toekomstige situatie verhoogd, waardoor er mogelijk sprake is van schaduwwerking.

De effecttypen ‘doden van individuen’ en ‘schaduwwerking’ zijn daarom meegenomen in de effectafbakening. Tabel 5.1 toont de relevante effecttypen per onderdeel van het voornemen en geeft aan of deze effecttypen tijdelijke en/of permanente gevolgen voor het NNN kunnen hebben.

Tabel 5.1 Overzicht van relevante effecttypen voor het project Project onderdeel

Aanleg- of gebruiksfase

Effecttype

realiseren nieuwbouw en toegangswegen en slopen huidige bebouwing (af- en aanrijden werkverkeer, kappen van bomen, grond afgraven, asfalteren, bouwwerkzaamheden, sloopwerkzaamheden)

aanlegfase

doden van individuen

ingebruikname van het nieuwe TCL

17 | 28

Tijdelijke gevolgen

Permanente gevolgen X

oppervlakteverlies

X

X

versnippering

X

X

verstoring door geluid/licht/trilling/mechanische effecten en optische verstoring

X

X

gebruiksfase verstoring door geluid/licht/trilling/mechanische effecten en optische verstoring

X

schaduwwerking

X

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

5.1.1

Doden van individuen

Zoals beschreven in paragraaf 4.2 hebben diverse diersoorten leefgebied in (de directe omgeving van) het plangebied. Tijdens de aanlegfase wordt met groot materieel gewerkt waardoor individuen van dieren onverhoopt kunnen worden gedood. Hoewel de aanlegfase slechts tijdelijk duurt, kan het doden van individuen ervoor zorgen dat een soort geheel uit (dit deel van) het NNN verdwijnt. Dit betekent een permanente aantasting van het NNN. Het doden van individuen is daarom een relevant effecttype. In de gebruiksfase van het project vinden geen werkzaamheden meer plaats, waardoor het doden van individuen is uitgesloten.

5.1.2

Oppervlakteverlies en versnippering

Voor het nieuwe TCL worden er verschillende onderdelen gerealiseerd binnen het NNN-gebied met permanent ruimtebeslag als gevolg. Het gaat hierbij om het realiseren van nieuwe bebouwing, de aanleg van (toegangs)wegen, wadi’s en poelen. Ook zijn er in de aanlegfase werkwegen, loslocaties en depots nodig. Dit leidt tot ruimtebeslag in de aanlegfase. Ruimtebeslag leidt tot vernietiging (oppervlakteverlies) van natuurbeheertypen en leefgebied van soorten binnen het NNN-gebied. Oppervlakteverlies is daarom een relevant effecttype. Oppervlakteverlies is permanent van aard indien de functies niet meer op dezelfde plek kunnen terugkomen en tijdelijk als het gebied kan worden hersteld (werkwegen, loslocaties, depots). De realisatie van nieuwbouw en toegangswegen leidt mogelijk tot een permanente versnippering van leefgebied van soorten in de gebruiksfase. In de aanlegfase leidt het gebruik van tijdelijke werkwegen, loslocaties en depots mogelijk tot een tijdelijke versnippering (barrièrewerking) van leefgebied van soorten. Versnippering (en barrièrewerking) kunnen leiden tot het (tijdelijk) ontoegankelijk/ongeschikt worden van leefgebied van soorten. Versnippering is daarom een relevant effecttype.

5.1.3

Verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische effecten en of optische verstoring

Onder verstoring door geluid, licht of trilling wordt de verstoring bedoeld die door menselijk handelen wordt veroorzaakt. Verstoring door mechanische effecten (specifiek betreding) en optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem (Alterra 2024). De geplande werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring door geluid en mechanische effecten en optische verstoring door gebruik te maken van (grote) machines en vervoersverkeer. Als ook in de schemer of in het donker wordt gewerkt, kan lichtverstoring optreden bij het gebruik van kunstlicht. Verstoring door trilling kan optreden door het realiseren van fundatie voor de nieuwbouw en de sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing. Verstoring door geluid, licht, trilling en mechanische effecten en optische verstoring in de aanlegfase zijn dan ook relevante effecttypen. De effecttypen hebben een tijdelijk karakter. Er is echter één uitzondering hierop. Tijdelijke verstoring kan een permanent effect hebben als soorten zodanig verstoord raken dat ze hun leefgebied permanent verlaten. Om deze reden worden zowel tijdelijke als permanente effecten van verstoring beoordeeld.

In de gebruiksfase zorgt het nieuwe TCL mogelijk voor een verandering in activiteit dat potentieel leidt tot een toename in verstoring door geluid, licht, trilling en mechanische effecten of optische verstoring vergeleken met de huidige situatie. Echter, gezien het feit dat de nieuwe bebouwing slechts enkele meters in westelijke richting verplaatst en nog steeds blijft ingesloten door de aanwezige wegen (A28/E30 ten noorden, N227/Doornseweg ten oosten en de Kolonel H.L. van Roijenweg ten zuiden), neemt de verstoring binnen het grotere Natuurnetwerk in de gebruiksfase niet toe.

18 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

5.1.4

Schaduwwerking

De geplande ontwikkelingen zorgen voor een hogere bebouwing dan in de huidige situatie aanwezig is. In de huidige situatie heeft de bebouwing ter plaatse een hoogte van 10 meter. In de toekomstige situatie betreft dit maximaal 16 meter. Hierdoor kan er sprake zijn van schaduwwerking. Schaduwwerking zorgt potentieel voor minder natuurlijke lichtval op omliggende natuur wat mogelijk gevolgen heeft voor vegetatie en ook leefgebieden van soorten. Daarom wordt schaduwwerking als relevant effecttype meegenomen in de effectbeoordeling.

19 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

6 EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING In hoofdstuk 5 zijn de relevante effecttypen voor het project afgebakend. In het voorliggende hoofdstuk worden de hieruit vloeiende effecten nader bepaald en worden de gevolgen voor het NNN beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten: - bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; - de robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten; - de aanwezigheid van bijzondere soorten; - de abiotische en ruimtelijke condities van het gebied voor soorten en ecosystemen; - gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten.

6.1

Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem

Het functioneren van de huidige natuurbeheertypen en potentie voor geambieerde beheertypen wordt door de geplande ontwikkelingen beïnvloedt door de effecttypen oppervlakteverlies, versnippering en schaduwwerking. Bij permanent oppervlakteverlies gaan beheertypen verloren en wordt de mogelijkheid tot het ontwikkelen van geambieerde beheertypen verhindert. Versnippering leidt mogelijk tot een afname van leefgebied of doortrekmogelijkheid voor soorten. Schaduwwerking kan gevolgen hebben voor vegetatie door natuurlijk licht te blokkeren en daardoor potentieel gevolgen hebben voor beheertypen. De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied leiden tot ruimtebeslag op beheertypen N04.02 - Zoete plas, N07.01 - Droge heide, N11.01 - Droog schraalland en N16.01 - Droog bos met productie (zie afbeelding 6.1 en tabel 6.1).

20 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

Afbeelding 6.1 Ruimtebeslag op natuurbeheertypen (arcering) binnen het plangebied van TCL Leusden

Tabel 6.1 Overzicht ruimtebeslag op beheertypen Natuurbeheertype

Ruimtebeslag (ha)

N04.02 - Zoete plas

0,13

N07.01 - Droge heide

0,02

N11.01 - Droog schraalgrasland

0,76

N16.03 - Droog bos met productie

4,58

totaal

5,49

De effecttypen oppervlakteverlies en versnippering die ontstaan tijdens de werkzaamheden zijn lokaal van aard en beperken zich tot het plangebied. Versnippering heeft mogelijk invloed op de verplaatsing van soorten, maar niet direct op beheertypen zelf. Oppervlakteverlies als gevolg van de geplande werkzaamheden heeft directe gevolgen voor de bestaande natuurbeheertypen en geambieerde natuur binnen het plangebied. Gezien de geplande ontwikkelingen binnen de regels voor het perceel zoals bepaald in het ‘Bestemmingsplan Den Treek’ passen, is er voor het ruimtebeslag geen noodzaak voor compensatie. Wel dient er volgens ’Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen’ een vergunning voor de geplande werkzaamheden aangevraagd te worden (Gemeente Leusden 2013). Omdat de maximale hoogte van de bebouwing in het plangebied toeneemt van 10 meter naar 16 meter, is er sprake van een toename van schaduwwerking binnen het plangebied. Dit heeft invloed op de natuur in de directe omgeving van de nieuwe bebouwing. Aan de hand van het huidige ontwerp zal natuurlijk lichtval ten westen van toekomstige bebouwing in de ochtenduren afnemen. In de middag- en avonduren zal natuurlijke lichtval ten oosten van de bebouwing afnemen. Ten westen van de toekomstige bebouwing ligt voornamelijk bosgebied met op twee plaatsen kleine oppervlaktes van heide en droog schraalgrasland. De

21 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

nabijgelegen bosgebieden zijn voldoende robuust waardoor een beperkte afname van natuurlijk licht hier geen gevolgen op heeft die leiden tot een aantasting van het natuurbeheertype. In de huidige situatie is ter plaatse van het heide- en schraalgraslandgebied al sprake is van schaduwwerking door deze omliggende bebossing. Schaduwwerking tijdens ochtenduren in de toekomstige situatie gaat niet toenemen in een mate dat dit significante gevolgen heeft voor natuur ter plaatse. Ten oosten van de toekomstige bebouwing worden poelen en op grotere afstand heidegebieden aangebracht. Beperkte lichtval in de avonduren staat de ontwikkeling van deze natuurbeheertypen niet in de weg. Hierdoor zorgt schaduwwerking niet voor een aantasting van de bestaande en potentiële waarden van het NNN.

6.2

De robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten

Voor robuustheid van het systeem en verbindingsfunctie voor soorten zijn de effecttypen oppervlakteverlies en versnippering relevant. Oppervlakteverlies en versnippering hebben mogelijk een barrièrewerking en leiden tot oppervlakteverlies van natuurbeheertypen. Dit heeft gevolgen voor de soorten die hier hun leefgebied hebben en/of het gebied gebruiken om te doorkruisen. Oppervlakteverlies en versnippering die mogelijk ontstaan tijdens de werkzaamheden zijn lokaal van aard en beperken zich tot het plangebied. Gezien het plangebied maar een klein onderdeel uitmaakt van de Leusderheide en NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug (en het grotere Utrechtse NNN), hebben de geplande werkzaamheden geen gevolgen voor de robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN. Mogelijk zorgen oppervlakteverlies en versnippering voor een aantasting van de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten. Dit voorkomt dat deze gemakkelijk het gebied kunnen doorkruisen waardoor deze op den duur hun rol binnen ecosystemen mogelijk niet meer (voldoende) kunnen vervullen. Uit voorgaand onderzoek (Witteveen+Bos 2022) blijkt dat de huidige verbindingsfunctie van het gebied beperkt is vanwege omliggende wegen en hekwerk.

Gezien het plangebied een klein deel uitmaakt van het NNN en deze momenteel slechts een beperkte verbindingsfunctie heeft met de omgeving, leiden de geplande werkzaamheden niet tot een aantasting van de verbindingsfunctie van NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug en het grotere Utrechtse NNN. Werkzaamheden op de locatie zullen daarom niet zorgen voor een aantasting van de robuustheid van het systeem en de verbindingsfunctie voor soorten van het Utrechtse NNN.

6.3

De aanwezigheid van bijzondere soorten en de abiotische en ruimtelijke condities van het gebied voor soorten en ecosystemen

Uit voorgaand onderzoek (Witteveen+Bos 2022) blijkt dat het plangebied mogelijk leefgebied vormt voor verschillende bijzondere soorten. De geplande werkzaamheden hebben daarom mogelijk gevolgen voor deze soorten. Voor de aanwezigheid van deze bijzondere soorten en de abiotische en ruimtelijke condities van het gebied voor soorten en ecosystemen zijn de effecttypen het doden van individuen, oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door geluid, licht, trilling en mechanische effecten en optische verstoring en schaduwwerking relevant. Het doden van individuen en de effecten van verstoring hebben direct invloed op individuen en tast mogelijk de aanwezigheid van soorten binnen het plangebied en de directe omgeving aan. Oppervlakteverlies, versnippering en verstoringen leiden mogelijk tot een afname van geschikt leefgebied en daarmee een afname van soorten binnen of nabij het plangebied. Tenslotte zorgt schaduwwerking voor een verandering van de abiotische condities van het plangebied, Bij de geplande werkzaamheden gaat natuur permanent verloren door middel van ruimtebeslag (zie afbeelding 6.1) en is er in de aanlegfase sprake van verstoring van de omgeving. Dit heeft gevolgen voor bijzondere soorten en de abiotische en ruimtelijke condities van hun leefgebied.

Oppervlakteverlies, versnippering en het doden van individuen zijn lokaal van aard en beperken zich tot het plangebied en de aansluitingswegen. Hierbij vinden oppervlakteverlies en versnippering plaats in de gebruiksfase. In de aanlegfase kunnen onverhoopt individuen worden gedood en zorgen de werkzaamheden voor verstoring. Verstoring straalt mogelijk uit naar de omgeving van het plangebied. Hierbij zorgt verstoring door geluid (bij een activiteit zoals heien of de sloopwerkzaamheden) voor de grootste verstoringsbron die maximaal tot 1.500 meter kan reiken (op basis van een drempelwaarde van 42 dB(A) voor broedvogels in

22 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

beboste gebieden). Het plangebied wordt aan alle kanten omringd door (drukke) wegen (A28, N227 en de Kolonel H. L. van Roijenweg) en ten zuiden ligt een militair oefenterrein. Dit zorgt bij elkaar in de huidige situatie al voor een enige mate van verstoring (afbeelding 6.2). Het plangebied is daarnaast aan alle kanten omringd door dichte bosschages. De aanwezige bomen en wegen absorberen eventuele geluidsverstoringen vanuit het plangebied. Naar verwachting blijft de toename van verstoring door geluid als gevolg van de werkzaamheden daarom beperkt tot het gebied binnen de eerdergenoemde wegen.

Afbeelding 6.2 Verstoring door geluid in de huidige situatie

In de omgeving van het plangebied zijn voor vliegende soorten (vogels en vleermuizen) voldoende mogelijkheden om uit te wijken naar omliggend geschikte natuur (de wegen en aanwezige bosschages langs de randen van het plangebied vormen voor deze soortgroepen immers geen barrière). Voor reptielen en amfibieën zijn er in de directe omgeving minder uitwijkmogelijkheden naar geschikte natuur. Gezien de effecten van de geplande werkzaamheden zich beperken tot het plangebied en dit een klein onderdeel is van het totale NNN-gebied, hebben de geplande werkzaamheden weliswaar gevolgen voor individuen, maar zorgt dit er niet voor dat bijzondere soorten uit de Utrechtse Heuvelrug (en het grotere Utrechtse NNN) verdwijnen. Bovendien zijn er in het kader van de Omgevingswet mitigerende maatregelen noodzakelijk om het doden van individuen en verstoring zoveel mogelijk te voorkomen. In hoofdstuk 7 wordt een doorkijk gegeven naar deze mitigerende maatregelen. Met inbegrip van deze maatregelen is een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN door verstoring uitgesloten. Tenslotte zorgt de nieuwe bouwhoogte van 16 meter voor een toename van schaduwwerking. Dit zorgt voor minder natuurlijk lichtval rondom de toekomstige bebouwing binnen het plangebied.

Deze schaduwwerking is niet van een omvang dat deze gevolgen heeft voor natuurbeheertypen of vegetaties, Wel is er sprake van schaduwwerking op open plekken zoals heidegebied en droog schraalgrasland die voor reptielen mogelijk van belang zijn als opwarmplekken. Voor koudbloedige soorten zoals reptielen zijn opwarmplekken van belang om hun lichaamstemperatuur te reguleren. Hoewel de toekomstige bebouwing ervoor zorgt dat schaduwwerking mogelijk toeneemt op deze open plekken, vindt dit plaats op een relatief klein gebied waar in de huidige situatie ook al sprake is van schaduwwerking door omliggende bebossing. Voor reptielen

23 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

blijven in de direct omgeving voldoende open gebieden die kunnen dienen al opwarmplekken. Tevens zal in de toekomstige situatie ten oosten van de bebouwing heide gebied gerealiseerd worden waardoor opwarm mogelijkheden voor reptielen zal toenemen. Door de locatie van de nieuwe bebouwing kunnen deze soorten zich ook gemakkelijker verplaatsen binnen het gebied door het heide- en bosgebied ten zuiden van de toekomstige bebouwing (afbeelding 6.3) en kunnen deze zo locaties met zonlicht gemakkelijk bereiken. Hierdoor zorgt schaduwwerking niet voor een aantasting van de abiotische condities van het NNN.

Afbeelding 6.3 Bebouwing en natuurontwikkeling in de toekomstige situatie

6.4

Gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten (Utrechtse Heuvelrug)

Binnen de Utrechtse Heuvelrug zijn de aaneengeslotenheid van natuur in combinatie met de variatie in bodem- en vochtcondities en belangrijke biotopen aangemerkt als ecologische kernkwaliteiten. De aaneengeslotenheid van het gebied is al behandeld bij de beoordeling van effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN in paragraaf 6.2. Bij de ontwikkelingswerkzaamheden worden bodem- en vochtcondities niet aangetast. De ecologische kernkwaliteiten van het plangebied betreffen de biotopen bos, schraalgrasland en droge heide die kunnen worden gecategoriseerd als natuurbeheertypen N16.03 - Droog bos met productie, N11.01 - Droog schraalgrasland en N07.01 Droge heide zoals aangewezen voor het Utrechtse NNN. Effecten op natuurbeheertypen zijn al behandeld in de beoordeling van de effecten op de wezenlijk kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN in paragraaf 6.1.

6.5

Conclusie

In tabel 6.2 staat welke effecttypen gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN en de ecologische kernkwaliteiten van NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug. Op basis van de effectbeoordeling hebben de geplande werkzaamheden gevolgen voor de ‘bestaande en potentiële

24 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

waarde van het ecosysteem’ (Utrechts NNN) en de ecologische kernkwaliteiten bos en schraalland (Utrechtse Heuvelrug). In het plangebied zijn deze elementen aanwezig in de vorm van natuurbeheertypen N11.01 - Droog schraalland en N16.03 - Droog bos met productie.

Tabel 6.2 Conclusie relevante effecttypen op wezenlijke kenmerken en waarden van Utrechts NNN en ecologische kernkwaliteiten van NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug Wezenlijke kenmerken en waarden (Utrechts NNN)/ ecologische kernkwaliteiten (Utrechtse Heuvelrug)

Doden van individuen

Verstoring door trilling, licht, geluid, mechanische effecten en optische verstoring

Oppervlakteverlies/ versnippering

bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem

n.v.t.

n.v.t.

X

robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

de aanwezigheid van bijzondere soorten

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

X

Utrechts NNN

Utrechtse Heuvelrug ecologische kernkwaliteiten

25 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

7 DOORKIJK MITIGATIE EN COMPENSATIE OPGAVE Mitigatie en compensatie in relatie tot soorten In het kader van de soortenbescherming is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen om soorten tijdens de geplande werkzaamheden zo min mogelijk te verstoren en incidenteel doden te voorkomen. Daarnaast zijn compenserende maatregelen beschreven om eventueel beschadigde en vernielde leefgebieden en verblijfplaatsen voldoende te compenseren. In de rapportage ‘TCL Leusden Soortenbeschermingstoets’ (Witteveen+Bos, 2023) staat uitgebreid beschreven welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn om bescherming van soorten binnen het plangebied te garanderen. Ter illustratie zijn hieronder enkele voorbeelden van te nemen maatregelen getoond: - werken buiten de kwetsbare periode en het aanbieden van tijdelijke en permanente vervangende verblijfplaatsen; - faseren activiteiten in ruimte en tijd; - realiseren van nieuw leefgebied; - wegvangen en verplaatsen van individuen. Ruimtebeslag op NNN-beheertypen Bij de geplande werkzaamheden wordt in NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug beschermde natuur aangetast. Zoals beschreven in paragraaf 3.3 is in ‘Bestemmingsplan Den Treek’ bepaald dat ruimtebeslag door bebouwing 20 % van de aangewezen gronden met militaire doeleinden is toegestaan.

Gezien de ontwikkelingen binnen de 20 % aan ruimtebeslag van bebouwing bevindt, voldoet dit aan de bepalingen van het bestemmingsplan. Hierdoor is geen sprake van compensatienoodzaak voor ruimtebeslag op natuurbeheertypen van het NNN. Wel is in het kader van artikel 19 (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) uit de ‘Beheersverordening Leusden en Achterveld’ (NL.IMRO.0327.139-0401) bepaald dat voor het uitvoeren van de in de voorliggende NNN-toets beschreven activiteiten een omgevingsvergunning vereist is (Gemeente Leusden 2013).

26 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

8 CONCLUSIES De voorgenomen ontwikkelingen voor TCL-Leusden bevinden zich binnen het beschermd NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug dat weer onderdeel uitmaakt van het grotere natuurnetwerk van de provincie Utrecht. Effecten van de geplande werkzaamheden zijn bepaald om mogelijke aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN en de ecologische kernkwaliteiten van de Utrechtse Heuvelrug te beoordelen. Op basis van de uitgevoerde effectbeoordeling blijkt dat het project en de geplande werkzaamheden leiden tot oppervlakteverlies van natuurbeheertypen N04.02 - Zoete plas, N07.01 - Droge heide, N11.01 - Droog schraalland en N16.03 - Droog bos met productie binnen het plangebied. Dit zorgt voor een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden ‘bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem’ van het NNN. Het project leidt niet tot een aantasting van de overige wezenlijke kenmerken en waarden van het Utrechtse NNN. Daarnaast zorgt dit oppervlakteverlies voor een aantasting van de ecologische kernkwaliteiten van het NNN-gebied Utrechtse Heuvelrug. Ondanks dat er sprake is van ruimtebeslag op natuurbeheertypen van het NNN, voldoen de geplande ontwikkelingen aan de regels zoals bepaald in de ‘Bestemmingsplan Den Treek’. Hierin is bepaald dat ruimtebeslag door bebouwing 20 % van de aangewezen gronden met militaire doeleinden is toegestaan.

Hierdoor vervalt de noodzaak voor compensatie voor het ruimtebeslag van de ontwikkelingen. Wel is in het kader van artikel 19 (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) uit de ‘Beheersverordening Leusden en Achterveld’ (NL.IMRO.0327.139-0401) bepaald dat voor het uitvoeren van de in de voorliggende NNN-toets beschreven activiteiten een omgevingsvergunning vereist is.

27 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

9 LITERATUUR 1

Alterra. 2024. 'Effectenindicator Natura 2000.' 2024. https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1. 2 Gemeente Leusden. 1973. 'Voorschriften, Deel Uitmakende van Het Bestemmingsplan ‘Den Treek.’' 3 ———. 2013. 'Beheersverordening Leusden En Achterveld Actualisering Bestemmingsplannen.' 4 Ministerie van Infrastructuur en Milieu. 2012. 'Structuurvisie Infrastructuur En Ruimte Nederland Concurrerend, Bereikbaar, Leefbaar En Veilig.' https://open.overheid.nl/repository/ronl-archief-b78e7eeccaf3-437e-9b0e-2ed34836effc/1/pdf/structuurvisie-infrastructuur-en-ruimte-4.pdf. 5 Ministerie van LVVN. 2024. 'Effectenindicator.' November 19, 2024. https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1. 6 Provincie Utrecht. 2011. 'Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen.' 7 ———. 2022a. 'Natuur & Landelijk Gebied.' December 23, 2022. https://geo-point.provincieutrecht.nl/pages/natuur--landschap#bossen. 8 ———. 2022b. 'Natuurbeheerplan 2023.' https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/202209/Natuurbeheerplan_2023.pdf. 9 ———. 2024. 'Omgevingsverordening provincie utrecht.' Regeling. March 1, 2024. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR704250?#chp_6. 10 Witteveen+Bos. 2022. 'Bepaling Wezenlijke Kenmerken En Waarden NNN - Vooronderzoek NNN Project TCL Leusden e.o.' 11 Witteveen+Bos. 2023.

‘TCL Leusden Soortenbeschermingstoets’.

28 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

www.witteveenbos.com

II BIJLAGE: SOORTENBESCHERMINGSTOETS

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Bijlage II | Definitief 02

TCL Leusden Soortenbeschermingstoets

Rijksvastgoedbedrijf 31 mei 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

TCL Leusden Rijksvastgoedbedrijf

Soortenbeschermingstoets Definitief 31 mei 2023 134753/23-009.159

134753 Ir. W.B. Roosen Drs. L.G. Turlings

V.A. van Os MSc Ir. W.B. Roosen Ir. W.B. Roosen

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Leeswijzer

6

2

PLANGEBIED

7

2.1

Beschrijving

7

2.2

Werkzaamheden

9

3

GEBIEDSBESCHERMING

13

3.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

13

3.1.1 3.1.2

13 14

3.2

3.3

Gegevens Effecten en conclusie

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

14

3.2.1 3.2.2

14 15

Gegevens Effecten & conclusie

Houtopstanden

15

3.3.1

15

Gegevens

4

SOORTENBESCHERMING

17

4.1

Methode

17

4.2

Beschrijving per soortgroep

17

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8

17 19 23 26 30 33 38 39

Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden

5

SAMENVATTING

42

5.1

Gebiedsbescherming

42

5.2

Soortenbescherming

42

6

LITERATUUR

45

Laatste pagina

45

Bijlage(n) I

Wetgevend kader

Aantal pagina's 4

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Op de defensielocatie aan de Kolonel H.L. van Roijenweg 3 te Leusden zijn ruimtelijke ontwikkelingen gepland. Het voornemen bestaat om de bestaande bebouwing op deze locatie te slopen en nieuwbouw te realiseren ter plaatse van het bosperceel direct ten westen hiervan. Het huidige, zeer gedateerde Materieellogistiek Commando Land (MatlogCo), zal worden vervangen door een nieuwe huisvesting in het Nieuwbouw Technology Center Land (TCL). Om ruimte te maken voor de nieuwbouw, is het allereerst noodzakelijk om een deel van de bestaande bos- en heidevegetatie te verwijderen. Ook zal de bestaande infrastructuur grotendeels worden verwijderd en wordt hiervoor in de plaats een nieuwe infrastructuur aangelegd. De ruimte die vrijkomt na de sloopwerkzaamheden wordt als natuur ingericht. De geplande werkzaamheden kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied. In dit kader is in de periode 2020 - 2021 reeds een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten flora en fauna door Ecologisch Adviesbureau Viridis [lit. 1]. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied vaste verblijf- en rustplaatsen, foerageergebieden en andere essentiële onderdelen van leefgebieden van diverse beschermde soorten vogels, vleermuizen, reptielen en grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn.

Deze natuurgegevens hebben in de regel een geldigheidsduur van drie jaar na de laatste veldinventarisatie, en moeten dus vanaf 2023 - 2024 als verouderd worden beschouwd. In deze soortenbeschermingstoets worden mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden en soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.

1.2

Doel

Het doel van deze soortenbeschermingstoets is om te toetsen: - welke effecten de voorgenomen werkzaamheden hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wnb; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). De effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn in een separate toetsing beoordeeld [lit. 2].

5 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 3 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 4 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 5 zijn de belangrijkste resultaten en conclusies samengevat. In hoofdstuk 6 is de geraadpleegde literatuur weergegeven. Het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving is weergegeven in bijlage I.

6 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

2 PLANGEBIED 2.1

Beschrijving

Het plangebied is gelegen aan de Kolonel H.L. van Roijenweg 2-3 te Leusden (provincie Utrecht) en betreft in de huidige situatie een terrein dat in gebruik is door defensie. Het gaat specifiek om het Materieellogistiek Commando Land (MatlogCo), dat onderdeel is van de Defensie Materieel Organisatie en gespecialiseerd in het onderhoud van en modificaties aan landgebonden materieel van de Koninklijke Landmacht. Het plangebied bevindt zich in een natuurrijke omgeving, buiten de bebouwde kom en op circa 5 km afstand van de kern van Leusden (afbeelding 2.1). In de wijdere omgeving van het plangebied zijn verschillende natuurgebieden gelegen: het landgoed Den Treek-Henschoten aan de noord- en oostzijde en de Leusderheide aan de zuidzijde. Ook in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich bos- en heidegebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betreft onder andere de Oude Boskamp aan de westzijde, een gebied dat wordt gebruikt als waterwingebied. De grens tussen het bos- en heidegebied rondom het plangebied en het landgoed Den Treek-Henschoten wordt gevormd door de wegen A28/E30 ten noorden en N227/Doornseweg ten oosten. De zuidelijke grens van het plangebied met de Leusderheide wordt gevormd door de Kolonel H.L. van Roijenweg.

Het plangebied laat zich globaal opdelen in twee helften; een gedeelte dat in de bestaande situatie bebouwd en verhard is aan de oostzijde, en een gedeelte dat in de bestaande situatie begroeid is (bos- en heidevegetatie) aan de westzijde. Binnen de oostelijke helft van het plangebied is verschillende bebouwing aanwezig. Het gaat om een grote loods met meerdere bijgebouwen. De bestaande bebouwing is in ieder geval gedeeltelijk geschikt als verblijfplaats voor bepaalde beschermde soorten (o.a. vleermuizen), vanwege de aanwezigheid van ruimtes in spouwmuren, onder dakpannen, achter dakranden etc. Een groot deel van het terrein rondom de bebouwing is verhard (wegen, parkeerplaatsen). De onverharde en onbebouwde gedeelten in de westelijke helft van het plangebied bestaan, in volgorde van abundantie, uit bos, (schraal) grasland en heide. Het aanwezige oppervlaktewater binnen het plangebied is beperkt tot één poel aan de noordzijde. . Deze poel heeft in het verleden periodiek droog gestaan [lit. 1].

7 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Afbeelding 2.1 Globale ligging van het plangebied

Afbeelding 2.2 Ligging van het plangebied in detail

8 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

2.2

Werkzaamheden

De werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van (delen van) bestaande bebouwing, groenelementen, water en infrastructuur binnen het plangebied, en de realisatie van nieuwe bebouwing, groenelementen en infrastructuur (afbeelding 2.3). Deze onderdelen worden hieronder afzonderlijk toegelicht: - bebouwing: alle bestaande bebouwing op het terrein wordt gesloopt, dus betreffende de hoofdloods inclusief alle bestaande bijgebouwen. Deze bebouwing bevindt zich in de bestaande situatie uitsluitend in de oostelijke helft van het plangebied. De nieuw te realiseren bebouwing bestaat uit een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 30.000 m2, inclusief een aantal kleinere bijgebouwen in de westelijke helft van het plangebied; - groenelementen: ten behoeve van de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw is het noodzakelijk om hier de bestaande vegetatie (voornamelijk bos) te verwijderen. Ook aan de oostzijde van het plangebied wordt (heide)vegetatie verwijderd. Het overige bestaande bos- en heidegebied buiten deze delen blijft behouden, waarbij onder andere reeds rekening is gehouden met een dassenburcht aan de westzijde van het plangebied.

Op een deel van de locatie die beschikbaar komt nadat de bestaande bebouwing is gesloopt, is voorzien in de ontwikkeling van nieuwe heide met kleine delen bos; - water: de noordelijk gelegen poel/retentievijver wordt deels verwijderd en wordt vervolgens verplaatst naar de westkant. De nieuwe poel wordt hierdoor groter dan de bestaande poel. Aan de zuidkant van het nieuwe bedrijfsgebouw worden twee wadi’s en een nieuwe blusvijver aangelegd. Tenslotte worden in het midden van het terrein, aan de oostkant van het nieuwe bedrijfsgebouw, ook enkele wadi’s aangelegd; - infrastructuur: verreweg het grootste gedeelte van de bestaande infrastructuur wordt verwijderd. In de bestaande situatie bevindt deze infrastructuur zich voornamelijk in de oostelijke helft van het plangebied, rondom de te verwijderen bebouwing. Een klein deel van de bestaande infrastructuur blijft behouden of wordt slechts gedeeltelijk aangepakt. Voor de toekomstige situatie wordt een volledig nieuwe infrastructuur gerealiseerd. Allereerst zal het beoogde terrein voor de nieuwbouw vrijgemaakt worden van bomen en andere vegetatie en bouwrijp worden gemaakt, waarna de nieuwbouw gerealiseerd wordt. Zodra dit gereed is, wordt gestart met de sloop van de bestaande bebouwing. De realisatie van nieuwe natuur op het beschikbaar gekomen gedeelte van het terrein vindt als laatste plaats.

De planning van de werkzaamheden is vooralsnog niet bekend.

9 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Afbeelding 2.3 Voorontwerp, d.d. 20-03-2023

10 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

3 GEBIEDSBESCHERMING 3.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

3.1.1

Gegevens

Binnen een straal van 10 km rondom het plangebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Arkenheem’, op circa 12 km ten noorden van het plangebied (afbeelding 3.1). Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijngebied [lit. 3]. Op grotere afstanden (> 15 km) ten oosten, zuiden en westen van het plangebied, liggen onder andere de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’, ‘Rijntakken’ en ‘Oostelijke Vechtplassen’ (afbeelding 3.1).

Afbeelding 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

13 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

3.1.2

Effecten en conclusie

Fysieke effecten Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij het plangebied (‘Arkenheem’) bevindt zich op circa 12 km afstand. Overige Natura 2000-gebieden liggen op ruim 15 km afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van directe effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door licht (’s avonds en ’s nachts werken), geluid en trillingen zijn uitgesloten op basis van de grote tussenliggende afstand. Van negatieve directe effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Stikstofdepositie Door de aard en omvang van de werkzaamheden, zijn effecten van stikstofdepositie (wat kan leiden tot vermesting en verzuring) ondanks de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelig habitat op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden en/of het gebruik dienen met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden. Afhankelijk van de uitkomst zijn er geen vervolgstappen (geen deposities) of is een Voortoets en/of een passende beoordeling en Wnb-vergunning nodig.

Indirecte effecten Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen als gevolg van de aard van het voornemen en de relatief grote tussenliggende afstand worden uitgesloten. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Vervolgstappen vanwege genoemde indirecte effecten in het kader van de Wnb onderdeel Gebiedsbescherming zijn niet nodig.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

3.2.1

Gegevens

Zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving hiervan bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Utrecht. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN binnen het plangebied worden gevormd door de beheertypen ‘N04.02 Zoete plas’, ‘N07.01 Droge heide’, ‘N11.01 Droog schraalgrasland’ en N16.03 Droog bos met productie’ (afbeelding 3.2) [lit. 2].

14 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Afbeelding 3.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van percelen behorend tot het NNN van de provincie Utrecht [lit. 2]

3.2.2

Effecten & conclusie

Vanwege de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van het NNN, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het voornemen mogelijk leidt tot het verlies van natuur en daarmee botst met de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van deze of nabijgelegen gebieden. Om te beoordelen of sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, wordt een ‘nee, tenzij-toets’ uitgevoerd [lit. 2].

3.3

Houtopstanden

3.3.1

Gegevens

Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig die in het kader van de werkzaamheden worden gekapt. Aangezien het plangebied buiten de bebouwde kom van de gemeente Leusden ligt, is op de desbetreffende bomen zowel de Wet natuurbescherming als het gemeentelijk bomenbeleid van kracht. Deze beschermingsregimes worden hieronder afzonderlijk toegelicht. Wet natuurbescherming - Houtopstanden Indien men bomen wenst te kappen die buiten de bebouwde kom liggen, is hoofdstuk 4 van de nationale Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb heeft betrekking op houtopstanden, bomen of beplantingen met een oppervlakte van meer dan 10 are (1.000 m2), of meer dan 20 bomen in rijbeplanting (gerekend over het totaal aantal rijen). Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt, dient een kapmelding te worden gedaan bij de RVO. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wnb.

15 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

De Wnb kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit minstens 1 maand voorafgaand aan de kap melden bij de RVO en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten binnen 3 jaar na het vellen. Deze herplant moet in beginsel ook op ‘dezelfde grond’ worden gerealiseerd. RVO definieert dit als ‘hetzelfde kadastrale perceel’. Als dit niet mogelijk is, kan op grond van Wnb art. 4.5, lid 1 een ontheffing worden aangevraagd voor herplant op ‘andere grond’, dus op een ander kadastraal perceel. In dit kader is ook Wnb art. 4.5, lid 2 van belang. In hoofdstuk 4 van de Regeling natuurbescherming (Rnb) is bepaald welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Gemeentelijk bomenbeleid Op grond van artikel 3, lid 1 van de Bomenverordening van de gemeente Leusden is het verboden beschermde houtopstanden te vellen of te doen vellen. Onder beschermde houtopstanden wordt door de gemeente verstaan houtopstanden die staan aangegeven op de Groene kaart (art. 2 Bomenverordening). Het gaat hierbij om; - bomenstructuren; - bospercelen op de Liniedijk; - bomen uit het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting; - lokale monumentale en waardevolle bomen.

Het verbod geldt niet voor: - een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van Burgemeester en wethouders; - het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het regulier onderhoud; - het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; - het dunnen van de houtopstand, met het doel de overblijvende houttopstand te bevoordelen; - het snoeien van bomen met achterstallig onderhoud waarbij meer dan 20 % moet worden gesnoeid, op aanwijzen van een bomendeskundig. Effecten en conclusie Aangezien de te kappen houtopstand een oppervlakte heeft groter dan 1000 m 2, valt deze onder het beschermingsregime ‘Houtopstanden’ van de Wnb. Het is daarmee noodzakelijk om: - een melding van de kap te doen bij de provincie Utrecht. Dit dient tenminste vier weken voorafgaand aan de kap te gebeuren, middels het aanvraagformulier houtopstanden (https://formulieren.provincieutrecht.nl/provincieutrecht1/wnb-houtopstanden-eh). In ieder geval de volgende gegevens dienen onderdeel uit te maken van de melding: · contactgegevens grondeigenaar (indien van toepassing); · situatietekening te vellen houtopstand; · oppervlakte van te vellen houtopstand; · boomsoort(en); · leeftijd van de houtopstand; · reden van velling.

De provincie kan na de melding een kapverbod opleggen, ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. - te herplanten. De herplantplicht schrijft voor dat de gekapte houtopstand binnen 3 jaar herplant dient te worden op hetzelfde perceel. Deze herbebossing moet kwantitatief en kwalitatief gelijkwaardig zijn aan hetgeen is gekapt, en op een bosbouwkundig verantwoorde wijze te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, dient daarnaast een ontheffing aangevraagd en verkregen te worden voor het uitvoeren van de herplant op een ander perceel. De bomen binnen het plangebied komen niet voor op de Groene Kaart van de gemeente Leusden. Vanuit het gemeentelijke bomenbeleid zijn geen vervolgstappen nodig.

16 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

4 SOORTENBESCHERMING 4.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4] en gegevens die voortkomen uit het reeds in 2020 - 2021 uitgevoerde ecologische onderzoek in het plangebied [lit. 1]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 8 februari 2023 door twee ecologen van Witteveen+Bos. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake kan zijn van een overtreding van verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb.

4.2

Beschrijving per soortgroep

4.2.1

Flora

Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 4] blijkt dat de afgelopen 5 jaar binnen 3 km van het plangebied geen beschermde flora is waargenomen. Verreweg de meeste beschermde soorten flora zijn hier op basis van verspreidingsgegevens ook niet te verwachten. Van de volgende soorten kan de aanwezigheid in de wijdere omgeving van het plangebied echter niet volledig worden uitgesloten: glad biggenkruid, muurbloem, rozenkransje, groot spiegelklokje, korensla en wilde ridderspoor. In het eerder uitgevoerde ecologische onderzoek is dan ook specifiek aandacht besteed aan glad biggenkruid, muurbloem en rozenkransje, maar deze soorten zijn niet aangetroffen [lit. 1]. Ook tijdens een veldbezoek in het plangebied op 1 september 2022 door een ecoloog van Witteveen+Bos is geen onder de Wnb beschermde flora aangetroffen [lit. 14]. De biotoopvereisten van beschermde soorten flora die mogelijk in de omgeving voorkomen, worden in onderstaand kader beschreven. Glad biggenkruid Glad biggenkruid komt voor op zonnige, warme, open plaatse (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand). De plant groeit op akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Hoewel deze soort oorspronkelijk inheems is, is hij in Nederland nu zeer zeldzaam.

Het voorkomen van de soort kent sinds 1950 een sterk dalende trend. Hij staat dan ook op de Rode Lijst vermeldt als bedreigde soort [lit. 5].

17 | 45

Witteveen+Bos | 134753/23-009.159 | Definitief

Muurbloem Deze soort komt alleen voor op oude, verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en forten die met zachte kalkspecie zijn gevoegd [lit. 5]. Rozenkransje Rozenkransje is een kensoort van het Verbond van heischrale graslanden, een verzameling van plantengemeenschappen die op heischrale graslanden voorkomen, op voedselarme tot matig voedselrijke, matig zure tot neutrale, droge tot vochtige gronden. Rozenkransje kan ook voorkomen op grazige of vaak licht betreden plaatsen in de zeeduinen, op de heide of op open plekken met veel korstmossen. Er zijn in Nederland nog twee populaties van rozenkransje die zichzelf kunnen voortplanten: bij Bergen en op Schiermonnikoog [lit. 5]. Groot spiegelklokje Groot spiegelklokje kan worden aangetroffen op zonnige akkers zoals graanakkers en braakliggende stoppelvelden, open plaatsen, braakliggende grond en langs spoorwegen, mits de grond zonnig, vochtig, matig voedselrijk en kalkrijk is. Dit is ook het geval op zand, leem, lichte klei, zavel, löss en mergel. Zeer zeldzaam in Zuid-Limburg en in het oostelijk rivierengebied [lit. 5]. Korensla Korensla prefereert open, zonnige, droge, stikstofarme, matig voedselrijke, kalkarme, zure grond. De soort is zeer specifiek te vinden op zandgrond, nooit op veen of klei. In Nederland is de groeiplaats beperkt tot akkers, maar sporadisch ook in bermen en op bouwterreinen [lit. 5].

Wilde ridderspoor Wilde ridderspoor is te vinden op zonnige en vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende, zandige klei, en in wintergraanakkers en op omgewerkte terreinen op kalkgrond. Ook rondom graansilo’s en graanoverslagbedrijven wordt deze soort aangetroffen [lit. 5]. Veldbezoek De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit bos- en heidevegetatie. Het gaat hierbij voornamelijk om boomsoorten als grove den, ruwe berk en zomereik, met een ondergroei van onder andere braam, Gelderse roos en Amerikaanse vogelkers en een lagere vegetatie met onder andere struikhei, brem, grote brandnetel, verschillende soorten grassen en zeggen. Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk geschikt biotoop voor de beschermde flora. Op basis van het aanwezige biotoop kan de aanwezigheid van glad biggenkruid en rozenkransje binnen de grenzen van het plangebied niet volledig worden uitgesloten. Het plangebied voldoet (gedeeltelijk) aan de standplaatsvereisten voor deze soorten en kent relatief weinig verstoring. De aanwezigheid van de soorten binnen het plangebied is echter reeds uitgesloten op basis van het bestaande ecologische onderzoek [lit. 1]. Voor de overige in de omgeving voorkomende soorten bevindt zich binnen het plangebied geen geschikt biotoop, vanwege het ontbreken van oude muren (muurbloem) en geschikte akkers (groot spiegelklokje, korensla, wilde ridderspoor).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4074/documents/46069