CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Ruimtelijke onderbouwing TCL_234070.pdf

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 7: Raadsvoorstel VVGB Omgevingsvergunning Kol. van Royenweg 3 - TCL29.849 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Indien sprake is van een ongewoon voorval op de A28 dient de locatie ontvlucht te worden. De meest kansrijke vluchtrichting is richting zuidoosten over de Kolonel H.L. van Royenweg en de N227. De uitgang van het defensieterrein leidt naar deze weg. Daarmee is dit de meest kansrijke en logische vluchtroute. Ontvluchten richting de west- en noordzijde wordt niet aanbevolen gezien de aanwezigheid van de A28.

28 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.8

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur.

4.8.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) regelt op hoofdlijnen drie zaken: - bescherming van planten- en diersoorten, soortenbescherming genoemd; - bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden, gebiedsbescherming genoemd; - bescherming van bos en houtopstanden, houtopstand genoemd. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang.

Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998.

Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk.

29 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. Gemeentelijk bomenbeleid Op grond van artikel 3, lid 1 van de Bomenverordening van de gemeente Leusden is het verboden beschermde houtopstanden te vellen of te doen vellen. Onder beschermde houtopstanden wordt door de gemeente verstaan houtopstanden die staan aangegeven op de Groene kaart (art. 2 Bomenverordening).

Het gaat hierbij om: - bomenstructuren; - bospercelen op de Liniedijk; - bomen uit het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting; - lokale monumentale en waardevolle bomen. Het verbod geldt niet voor: - een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van Burgemeester en wethouders; - het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het regulier onderhoud; - het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; - het dunnen van de houtopstand, met het doel de overblijvende houttopstand te bevoordelen; - het snoeien van bomen met achterstallig onderhoud waarbij meer dan 20 % moet worden gesnoeid, op aanwijzen van een bomendeskundig.

4.8.2

Resultaten onderzoek

Er zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: een NNN-toets en een Soortenbeschermingstoets zijn uitgevoerd, beide door Witteveen+Bos. De NNN-toets (bijlage I) is op 1 juni 2023 en de Soortenbeschermingstoets (bijlage II) is op 31 mei 2023 opgeleverd. Soortenbescherming In onderstaande tabel (zie ook tabel 5.1 van bijlage II ) zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten weergegeven.

30 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 4.2 Samenvatting soortenbescherming

Voor mogelijke verstoring van vleermuizen en reptielen zal ontheffing moeten worden aangevraagd. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden

Afbeelding 4.3 Ligging Natura 2000-gebieden

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij het plangebied (‘Arkenheem’) bevindt zich op circa 12 km afstand. Overige Natura 2000-gebieden liggen op ruim 15 km afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van directe effecten als

31 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door licht (’s avonds en ’s nachts werken), geluid en trillingen zijn uitgesloten op basis van de grote tussenliggende afstand. Van negatieve directe effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen als gevolg van de aard van het voornemen en de relatief grote tussenliggende afstand worden uitgesloten. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Vervolgstappen vanwege genoemde indirecte effecten in het kader van de Wnb onderdeel Gebiedsbescherming zijn niet nodig. Stikstofdepositie Arcadis heeft in november 2024 stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase (bijlage III). De stikstofuitstoot is voor project TCL Leusden bepaald in de realisatiefase en gebruiksfase. Voor de realisatiefase is op basis van de uitvoeringsplanning de inzet van materieel bepaald. Met inbegrip van gedeeltelijke toepassing van elektrisch materieel is het maatgevende jaar gedurende de realisatie 2025.

Op basis van dat jaar is bepaald of stikstofdepositie aan de orde is. Zowel in de realisatiefase als gebruiksfase, wordt geen toename van stikstofdepositie berekend. Ook worden geen hexagonen met een hersteldoel geraakt. Een verdere ecologische beoordeling is niet noodzakelijk. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat stikstofuitstoot voor project TCL geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. NNN Zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving hiervan bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Utrecht. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN binnen het plangebied worden gevormd door de beheertypen ‘N04.02 Zoete plas’, ‘N07.01 Droge heide’, ‘N11.01 Droog schraalgrasland’ en N16.03 Droog bos met productie’ (afbeelding 4.4).

Afbeelding 4.4 Ligging van het plangebied ten opzichte van percelen behorend tot het NNN van de provincie Utrecht

Vanwege de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van het NNN, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het voornemen mogelijk leidt tot het verlies van natuur en daarmee botst met de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van deze of nabijgelegen gebieden. Om te beoordelen of sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, wordt een ‘nee, tenzij-toets’ uitgevoerd.

32 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 4.5 Conclusie relevante effectentypen

Op basis van de handreiking NNN behorend bij de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is nagegaan of er een compensatieverplichting van toepassing is. Omdat functie én de uiteindelijke bebouwingsoppervlakte (na sloop van het huidige gebouw) wél passen binnen de vigerende bestemming (‘Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen’ van 2014 én van onderliggend ‘Bestemmingsplan Den Treek’ van 1975’) is volgens de handreiking NNN geen sprake van een compensatieverplichting. Dit is afgestemd met zowel gemeente Leusden als met de provincie Utrecht. De maximale bouwhoogte is 16 meter, dit is hoger dan de toegestane bouwhoogte van 10 meter. Het effect op de NNN-waarden is getoetst. Door de grotere hoogte zal natuurlijk lichtval ten westen van toekomstige bebouwing in de ochtenduren afnemen. In de avonduren zal natuurlijke lichtval ten oosten van de bebouwing afnemen. Ten westen van de toekomstige bebouwing ligt voornamelijk bosgebied met op twee plaatsen kleine oppervlaktes van heide en droog schraalgrasland. De nabijgelegen bosgebieden zijn voldoende robuust waardoor een beperkte afname van natuurlijk licht hier geen gevolgen op heeft die leiden tot een aantasting van het natuurbeheertype. In de huidige situatie is ter plaatse van het heide- en schraalgraslandgebied al sprake is van schaduwwerking door deze omliggende bebossing.

Schaduwwerking tijdens ochtenduren in de toekomstige situatie gaat niet toenemen in een mate dat dit significante gevolgen heeft voor natuur ter plaatse. Ten oosten van de toekomstige bebouwing worden poelen en op grotere afstand heidegebieden aangebracht. Beperkte lichtval in de avonduren staat de ontwikkeling van deze natuurbeheertypen niet in de weg. Hierdoor zorgt schaduwwerking niet voor een aantasting van de bestaande en potentiële waarden van het NNN. Daarnaast is er sprake van schaduwwerking op open plekken zoals heidegebied en droog schraalgrasland die voor reptielen mogelijk van belang zijn als opwarmplekken. Voor koudbloedige soorten zoals reptielen zijn opwarmplekken van belang om hun lichaamstemperatuur te reguleren. Hoewel de toekomstige bebouwing ervoor zorgt dat schaduwwerking mogelijk toeneemt op deze open plekken, vindt dit plaats op een relatief klein gebied waar in de huidige situatie ook al sprake is van schaduwwerking door omliggende bebossing. Voor reptielen blijven in de direct omgeving voldoende open gebieden die kunnen dienen al opwarmplekken. Tevens zal in de toekomstige situatie ten oosten van de bebouwing heide gebied gerealiseerd worden waardoor opwarm mogelijkheden voor reptielen zal toenemen. Hierdoor zorgt schaduwwerking niet voor een aantasting van de abiotische condities van het NNN.

33 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Houtopstanden De Wnb heeft betrekking op houtopstanden, bomen of beplantingen met een oppervlakte van meer dan 10 are (1.000 m2), of meer dan 20 bomen in rijbeplanting (gerekend over het totaal aantal rijen). Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt, dient een kapmelding te worden gedaan bij de RVO. Het is daarmee noodzakelijk om: - een melding van de kap te doen bij de provincie Utrecht. Dit dient tenminste vier weken voorafgaand aan de kap te gebeuren, middels het aanvraagformulier houtopstanden (https://formulieren.provincieutrecht.nl/provincieutrecht1/wnb-houtopstanden-eh); - te herplanten. De herplantplicht schrijft voor dat de gekapte houtopstand binnen 3 jaar herplant dient te worden op hetzelfde perceel. Deze herbebossing moet kwantitatief en kwalitatief gelijkwaardig zijn aan hetgeen is gekapt, en op een bosbouwkundig verantwoorde wijze te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, dient daarnaast een ontheffing aangevraagd en verkregen te worden voor het uitvoeren van de herplant op een ander perceel. De bomen binnen het plangebied komen niet voor op de ‘Groene Kaart’ van de gemeente Leusden. Vanuit het gemeentelijke bomenbeleid zijn geen vervolgstappen nodig.

4.8.3

Conclusie

Soortenbescherming Leefgebied van de beschermde soorten dient gecompenseerd te worden. Voor vleermuizen en reptielen dient ontheffing Wnb te worden aangevraagd. Onderdeel van een ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan waarin onder andere te nemen mitigerende en compenserende maatregelen worden toegelicht, het wettelijk belang wordt onderbouwd en duidelijk wordt gemaakt dat er geen reële alternatieven voorhanden zijn. Benodigde mitigerende en compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld: - werken buiten kwetsbare perioden; - faseren activiteiten in ruimte en tijd; - realiseren van nieuw leefgebied; - wegvangen en verplaatsen van individuen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring, en indirecte effecten door deze ontwikkeling, zoals vernatting, verdroging of verontreiniging, kan als gevolg van de grote afstand (minimaal 12 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000gebieden worden uitgesloten. Stikstofdepositie Zowel in de realisatiefase als gebruiksfase, wordt geen toename van stikstofdepositie berekend. Ook worden geen hexagonen met een hersteldoel geraakt. Een verdere ecologische beoordeling is niet noodzakelijk. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat stikstofuitstoot voor project TCL geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.

Natuurnetwerk Nederland Op basis van de Omgevingsverordening provincie Utrecht is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compensatieverplichting aan de orde. De schaduwwerking van de hogere bebouwing leidt niet tot aantasting van NNN-waarden.

34 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Houtopstanden Vanuit de Wnb is het voor de kap van de gehele houtopstand (of slechts een deel er van) noodzakelijk om een melding van de kap te doen, en het gekapte bos binnen 3 jaar elders te herplanten. Vanuit het gemeentelijke bomenbeleid zijn geen vervolgstappen nodig.

4.9

Water

Water is een belangrijk onderdeel in de ruimtelijke planvorming. Het is daarom van belang dat water vroeg in het planproces wordt betrokken. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets is een instrument om het waterbeleid en regelgeving te waarborgen in ruimtelijke plannen. De watertoets vormt een proces dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. De opgestelde waterparagraaf is voorgelegd aan het waterschap.

4.9.1

Toetsingskader

Het watertoetsproces bestaat uit twee onderdelen: initiatiefnemers van ruimtelijke plannen zijn verplicht om de waterbeheerder vroegtijdig te betrekken in de planvorming; initiatiefnemers van ruimtelijke plannen zijn verplicht in hun plan verantwoording af te leggen over hoe met de inbreng van de waterbeheerder wordt omgegaan. Normaliter is dit terug te vinden in de waterparagraaf van het plan.

4.9.2

Resultaten

In januari 2024 is door Witteveen+Bos een watertoets uitgevoerd (bijlage IV). Onderstaand zijn de resultaten beknopt weergegeven. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie is er een verhardingstoename van 37.824 m2. Door het toevoegen van verhard oppervlak in het plangebied zal hemelwater versneld afstromen naar het oppervlaktewatersysteem waardoor de piekbelasting toeneemt. Om te zware piekbelasting van het systeem te voorkomen heeft het waterschap als eis dat er wordt gecompenseerd bij een grote verhardingstoename. Het waterschap hanteert een compensatie-eis van 60 mm gerekend over het verhard oppervlak. Bij goeddoorlatende bodem kan hierop een reductie worden toegepast. Hier wordt conservatief gerekend met 60 mm. Bij een verhardingstoename van 37.824 m2 komt de compensatie-eis uit op circa 2.270 m3. In het ontwerp is een oppervlakte van circa 10.000 m2 voorzien voor wadi’s. De beoogde diepte van de wadi’s is vooralsnog onbekend. Om te voldoen aan de compensatie-eis van 2.270 m3 zouden de wadi’s een effectieve waterdiepte van circa 23 cm moeten hebben. Gegeven de grondslag en de lage grondwaterstanden is dit realistisch. Er wordt geconcludeerd dat het planvoornemen voorziet in voldoende compenserende waterberging voor de tijdelijke situatie met verhardingstoename.

Hierbij gelden wel 2 aandachtspunten: - watercompensatie dient aangelegd te worden alvorens de verhardingstoename plaatsvindt; - hemelwater dat op de verharding valt, dient af te stromen naar de wadi’s. Dit dient nog uitgewerkt te worden. Eindsituatie In de eindsituatie is de nieuwbouw gerealiseerd en wordt de bestaande bebouwing afgebroken. Dit leidt tot een verhardingsafname van 21.230 m2. Als ook de ruimtelijke reservering volledig wordt verhard, dan bedraagt de verhardingsafname 6.557 m2.

35 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

De verhardingsafname leidt ertoe dat er minder hemelwater tot afstroming komt en meer hemelwater infiltreert. Er is daarom geen compensatie benodigd. Hemelwater dat op de nieuwe verharding valt, stroomt richting de wadi’s die onderdeel zijn van het ontwerp. Daar infiltreert het overtollige hemelwater. Aandachtspunt is de manier waarop het hemelwater de wadi’s en retentievijver kan bereiken. De ontwerptekening laat afschot zien richting de wadi’s in de verharde oppervlakten. Ook lijkt een hemelwaterafvoerleiding ingetekend langs de ATCC en het hoofdgebouw richting de retentievijver. Het ontwerp is in deze toetsing echter niet hydraulisch doorgerekend en getoetst op de werking van het systeem. Het uitgangspunt bij verdere detaillering dient te zijn dat de toegevoegde verhardingen worden aangesloten op de wadi’s en retentievijver. Effecten op geohydrologie Op de planlocatie neemt het verhard oppervlak in de eindsituatie af. Dit leidt in beginsel plaatselijk tot meer infiltratie en minder afstroming van hemelwater, waardoor er lokaal sprake is van meer grondwateraanvulling. Dit draagt bij aan het voorkomen van verdroging. Er wordt van uitgegaan dat er geen grondwater wordt onttrokken voor dit project, omdat de grondwaterstanden voldoende diep liggen.

Effecten op oppervlaktewater Watersysteem Vanwege de grote afstand tot de bestaande watergangen en kunstwerken is er geen invloed op het watersysteem. Oppervlaktewaterkwaliteit Ten opzichte van de huidige situatie veranderen de activiteiten op het terrein niet. Op plaatsen waar ‘vuile’ activiteiten plaatsvinden, wordt gezorgd dat verontreinigingen niet in de bodem of het watersysteem terechtkomen. Het planvoornemen kent daardoor geen effect op de waterkwaliteit. Indien verontreinigingen zich ophopen op de bestrating, worden zij meegevoerd naar de wadi’s. Verontreinigingen ondergaan daarbij een berm- en bodempassage en bereiken daardoor niet het grondwater. Keringen Er zijn in het plangebied geen keringen aanwezig. Afvalwater Het uitgangspunt in de toekomstige situatie is dat afvalwater separaat wordt ingezameld. In de huidige situatie is de hemelwaterafvoer van enkele panden aangesloten op het DWA. Hierdoor wordt het DWA onnodig belast. In de toekomstige situatie wordt schone verharding afgekoppeld van het DWA, waardoor er een kleinere belasting op het DWA wordt verwacht. Indien een toename wordt verwacht van de DWA belasting, dan dient dit te worden afgestemd met de rioolbeheerder.

4.9.3

Conclusie

Het planvoornemen is vergunningplichtig op grond van de Keur van Waterschap Vallei en Veluwe. Vanwege de voorziene tijdelijke verhardingstoename dienen er vergunningen te worden aangevraagd. Ook het grondwater en de waterkwaliteit zijn er aandachtspunten waar afstemming met het waterschap en de omgeving voor vereist is.

36 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.10

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

4.10.1 Toetsingskader In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.10.2 Resultaten Door T&A Survey B.V. is Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport Verkennend bodemonderzoek op de Technology Center Leusden 3 oktober 2022) conform NEN 5740. De onderzochte locaties zijn weergeven in afbeelding 4.6 en het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage V. Voor de bodem ter plaatse van het huidige gebouw wordt na de sloop bodemonderzoek gedaan.

Afbeelding 4.6 Onderzochte locaties bodemonderzoek

37 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Bodemopbouw Gelet op de geplaatste boringen bestaat de bodem ter plaatse tot de maximaal geboorde diepte van 2,0 m-mv uit zand. Tot een diepte van 0,5 m-mv is de bodem matig humeus. De bodem is zwak tot matig siltig. Boringen Van de 136 gezette boringen bestaan 127 uit schoon zand. Er zijn 9 boringen zwak baksteen- of puinhoudend en 4 boringen met sporen baksteen. In 1 boring is zwak plastic aangetroffen. Er was 1 boring matig baksteenhoudend en 1 boring was sterk baksteenhoudend. 1 boring bevatte brokken asfalt. Bij boring 069 bleek tussen 5 en 30 centimeter minus maaiveld, een betonnen fundering aanwezig te zijn. Met een stootijzer is deze fundering verwijderd. Boring 119 is op 21 juli 2022 gestaakt op 0,3 m-mv. De boring is 3x in drie verschillende richtingen ten opzichte van de oorspronkelijke coördinaat verplaatst. Alle 3 de pogingen strandden op 0,3 m-mv op een verharding. De boringen 104 en 114 zijn op 25 augustus 2022 op 1,5 m-mv gestaakt op steen.

4.10.3 Resultaten De mengmonsters van de grond zijn getoetst aan de Wet Bodembescherming. Geen enkele parameter in de geanalyseerde mengmonsters overschrijdt de Tussenwaarde. In 14 van de 27 mengmonsters wordt de achtergrondwaarde overschreden. De grond in deze mengmonsters is licht verontreinigd. Er is geen sprake van een bodemverontreiniging op de locatie. Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit, zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. De mengmonsters van de grond zijn tevens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Uit de toetsing blijkt dat de grond in mengmonster BG08 Niet Toepasbaar is vanwege het gehalte minerale olie. De grond in mengmonster OG02 is als klasse ‘Industrie Toepasbaar’ en de grond in de mengmonsters BG09, BG10 en OG04 als Klasse ‘Wonen’. Na de uitsplitsing van mengmonster BG08 blijkt dat de grond in de boringen 084 en 085 ‘Niet Toepasbaar’ is. De grond in het monsters 086 is als klasse ‘Wonen Toepasbaar’. De grond in de overige monsters is ‘Altijd Toepasbaar’. Er zijn 5 mengmonsters getoetst aan de normen in het Handelingskader PFAS. De grond is in 4 van de 5 mengmonsters ‘Altijd Toepasbaar’. In mengmonster PFAS4 overschrijdt de som PFOA de toetsnorm. De grond in dit mengmonsters is ‘Niet Toepasbaar’. Doordat in ieder mengmonster meer dan 10 deelmonsters zijn gebruikt, is het analyseresultaat alleen indicatief te gebruiken.

Indien er grondroering plaats vindt bij boring 084 en 085 dan dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Dit heeft als doel het afperken van de hoeveelheid ‘Niet toepasbare grond’. Bij grondroering ter plaatse van de zuidoosthoek dient nader onderzoek gedaan te worden naar PFAS. Ook dit heeft als doel het afperken van de hoeveelheid ‘Niet toepasbare grond’.

4.10.4 Conclusie Het Verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft aangetoond dat er ter plaatse van de boringen 084 en 085 nader onderzoek nodig is naar minerale olie in de bodem wanneer duidelijk is dat er op deze plek grondroering gaan plaatsvinden. Gegeven de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om ter plaatse van de zuidoosthoek pas nader onderzoek naar PFAS in de bodem te doen als duidelijk is dat er op deze plek grondroering zal gaan plaats vinden. Wanneer tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden verontreinigde grond aan wordt getroffen zal deze gesaneerd worden. Vanuit bodem zijn er geen bezwaren welke de ontwikkeling van het TCL in de weg staan.

38 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.11

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorische waarden zijn sporen, objecten, patronen en structuren (zichtbaar of niet zichtbaar) die onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en positief gewaardeerd worden. Voorbeelden van cultuurhistorische waarden zijn gebouwd erfgoed, archeologische resten en cultuurlandschappen. Deze paragraaf gaat in op historische-geografische elementen, patronen en ensembles en op historische (steden)bouwkundige elementen.

4.11.1 Toetsingskader Cultuurhistorie De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van gemeente Leusden heeft een archeologische beleidskaart opgesteld. Wanneer een gebied een middelhoge archeologische verwachting kent geldt een archeologische onderzoeksplicht bij projectgebieden groter dan 500 m2 waarbinnen bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld plaatsvinden. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt een archeologische onderzoeksplicht bij projectgebieden groter dan 100 m2 waarbinnen bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld plaatsvinden.

4.11.2 Resultaten Cultuurhistorie In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied aangewezen als ‘Waarde Cultuurhistorie’, deze gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarden. Het ensemble van gebouwen, smalspoor en de nabijgelegen voormalige schietbanen is van cultuurhistorische waarde. Er is een passende oplossing gezocht, waarbij het smalspoor en de gebouwen blijven behouden. Gemeente Leusen heeft uitdrukkelijk de wens dit ensemble, onder de naam ‘het verloren erfgoed Leusderheide’ aan te wijzen als gemeentelijk monument en conform de erfgoedverordening de eigenaar te vragen om hiermee in te stemmen. Met het planvoornemen behoort dit tot de mogelijkheden. Naast deze mogelijk toekomstige gemeentelijke monumenten, zijn er geen Rijksmonumenten, provinciale monumenten, aardkundige monumenten of andere gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook is er geen sprake van beschermd stads- of dorpsgezicht, aardkundige waarden, beschermde historische landschapsstructuren of molenbiotopen.

4.11.3 Resultaten Archeologie Het plangebied kent de aanwijzing 'Waarde - Archeologie wettelijk beschermd monument', de aangewezen gronden zijn mede bestemd voor bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Volgens de archeologische beleidskaart van gemeente Leusden ligt de voorgenomen ontwikkeling in een gebied met middelhoge tot hoge archeologische verwachting.

39 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 4.7 Uitsnede archeologische beleidskaart Leusden

4.11.4 Conclusie De cultuurhistorische elementen: het voormalige schietkamp, de schijvenwerkplaats (1925), de kampbarak (1925, een model voor ontwerp en uitvoering van voormalig barakkenkam Amersfoort) de (gas)masker oefenruimte (1926) en de (schiet)schijvenloods met kantoor (1953), de beheerswoning (1953), de opslagloods (1953), de originele bestrating en de restanten van de smalspoorbaan voor het voormalig schietkamp’, krijgen een nadrukkelijke betekenis in de planontwikkeling door het plaatsen van een informatiebord, het opknappen van de cultuurhistorische gebouwen en handhaving van de fietsroute die langs de cultuurhistorische gebouwen zal lopen. Het plangebied is groter dan 500 m2 waarbij de werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld plaatsvinden. Voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken is een archeologisch onderzoek benodigd. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.12

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;

40 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

-

defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

4.12.1 Toetsingskader Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt.

4.12.2 Resultaten De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied zijn geïnventariseerd. Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen.

4.12.3 Conclusie Er bevinden zich binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast zal voorafgaand aan de graafwerkzaamheden een KLIC-melding worden uitgevoerd.

4.13

Ontplofbare oorlogsresten (OO)

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.

4.13.1 Toetsingskader Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland niet-gesprongen explosieven of ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.

4.13.2 Resultaten Door de Explosive Clearance Group (ECG) is een vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Zeisterspoor’, waar de planlocatie binnen valt, uitgevoerd. Bijlage VI Historisch vooronderzoek CE (explosieven) 2019. Op basis van het meest recente en volgens de nieuwste normen uitgevoerde onderzoek de locatie nagenoeg niet meer verdacht is op de aanwezigheid van OO.

41 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

In de verdachte gebieden kan munitie uit de periode 1940-1945 in de volgende verschijningsvormen worden aangetroffen: afgeworpen, verschoten, gedumpt, gelegd, weggeslingerd en restant springput/explosie. Specifiek voor het plangebied (afbeelding 4.2 en detail) gaat het om geschutmunitie, raketten en loopgraven over de gehele projectlocatie. De verdachte gebieden zijn afgebakend op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal, waarbij er bij voorkeur is afgebakend wanneer er tenminste twee onafhankelijke bronnen zijn per indicatie. Wanneer dit niet het geval is, wordt een gebied als ‘onverdacht’ geclassificeerd. ECG adviseert u om het opsporingsproces voort te zetten in de gebieden die op de CE-Bodembelastingkaarten als ‘verdacht’ zijn aangemerkt. Tevens wordt u aangeraden om uitvoerende partijen op de hoogte te stellen van het Protocol Spontane Vondst.

Afbeelding 4.8 Een van de resultatenkaarten met in het rechter deel het plangebied

Advies Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde gebieden, dan wordt geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen. Tevens wordt geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een WSCS-OCE gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is.

4.13.3 Conclusie Op basis van het meest recente en volgens de nieuwste normen uitgevoerde onderzoek de locatie nagenoeg niet meer verdacht is op de aanwezigheid van OO. Vanuit het aspect OO zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling in de weg staan.

42 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.14

Duurzaamheid

Voor de nieuwbouw Technology Center Land (TCL) zijn ambities opgesteld ten aanzien van duurzaamheid op vijf thema’s: - energie; - materiaal; - klimaatadaptatie; - biodiversiteit; - duurzame werkomgeving. Er wordt ingezet op een zo laag mogelijk energieverbruik, zowel gebouwgebonden als gebruiksgebonden. Gebiedsgerichte oplossingen voor de opwekking van warmte, koude, elektriciteit, gedeelde netwerken en opslag van duurzame energie zullen waar mogelijk worden ingezet. In samenwerking met adviesbureau Alba Concepts is een kader voor circulariteit vastgesteld wat onder meer eisen voor de losmaakbaarheid, lage grondstoffen en een lage milieu impact heeft opgeleverd. De nieuwe inrichting wordt klimaatadaptief, waarbij de klimaateffecten wateroverlast, hittestress en natuurbrandrisico een rol spelen. Bij de ontwikkeling van de buitenruimte wordt kwetsbare flora en fauna zoveel mogelijk beschermd en daar waar mogelijk versterkt. Naast de veiligheid is ook de gezondheid van de gebruikers van het toekomstige TCL van essentieel belang. Alle aspecten die hierbij komen kijken verdienen bovengemiddeld veel aandacht. Denk hierbij aan geluid op de werkplek, daglicht en luchtkwaliteit. De huidige bedrijfsprocessen van de Afdeling Techniek zullen grotendeels worden voortgezet in het TCL.

Wel wordt er rekening mee gehouden dat de toekomstige grondsystemen van Defensie in belangrijke mate zullen worden geëlektrificeerd en dat hierbij ook waterstof als energiedrager zal worden toegepast. Voor het Technology Center Land betekent dit dat de nieuwbouw moet zijn voorbereid op werken met waterstof binnen het onderhoud en dat er sprake kan zijn van eigen productie en opslag van waterstof. De vorm en concrete invulling hiervan is onderdeel van het ontwerpproces.

43 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

5 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een ruimtelijk plan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Het voornemen sluit aan bij de gebiedsontwikkeling A tot Z. Gezien er geen directe belanghebbenden in de omgeving zijn wordt er gesproken over een communicatie en informatiestrategie. Wel is er overleg geweest met de gemeente Leusden en de Bedrijvenkring Leusden (BKL) over de rol die het ATCC-gebouw kan spelen in de gebiedssamenwerking. Defensie heeft onder andere ook deelgenomen aan c.q. is medeorganisator van de bedrijvenmiddag van de bedrijvenkring Leusden (BKL). Daarnaast heeft er overleg plaatsgevonden met landgoed Den Treek.

5.1.1

Participatie en Communicatiestrategie

Het Rijksvastgoedbedrijf hecht groot belang aan zorgvuldige participatie met alle betrokken partijen bij het afwijken van het bestemmingsplan. De informatie- en communicatiestrategie richt zich op het verminderen van weerstand en het creëren van draagvlak door toegankelijke en correcte informatieverstrekking.

5.1.2

Externe Communicatie

Het Rijksvastgoedbedrijf streeft naar open en transparante communicatie om zorgen en weerstand te verminderen. Door middel van heldere informatie zorgen zij ervoor dat belanghebbenden goed geïnformeerd zijn over plannen en ontwikkelingen.

5.1.3

Samenwerking en Afstemming

De samenwerking met Defensie (Dosco en MatLogCo) en andere stakeholders, zoals de gemeente Leusden, is cruciaal. De strategie is gepresenteerd in overleg met de gemeente Leusden. Het landgoed Den Treek speelt een essentiële rol in het participatieproces. Op 29 augustus 2024 is er een overleg geweest met rentmeester van Den Treek-Henschoten. Defensie en RVB hebben hierin de ontwikkelingsplannen toegelicht en vragen beantwoord. Er zijn geen belemmeringen of tegenstrijdige belangen geconstateerd tijdens dit gesprek of in de periode daarna.

44 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

5.1.4

Centraal Informatiepunt

Een toegankelijke website met een speciale TCL-pagina fungeert als centraal informatiepunt. Hier worden regelmatig updates geplaatst door het Rijksvastgoedbedrijf en Defensie, waaronder interviews, bijeenkomsten, mijlpalen en algemene informatie: projecten.rijksvastgoedbedrijf.nl.

5.1.5

Aanvullende Communicatiemiddelen

Afhankelijk van doel, boodschap en doelgroep (op basis van stakeholdersanalyse) worden aanvullende communicatiemiddelen en -kanalen ingezet. Alle middelen verwijzen naar de website. Evaluatie is essentieel voor bijsturing en intensivering van middelen en kanalen.

5.1.6

Omgevingsvisie Amersfoort – Zeist

Op maandag 17 juni 2024 is de gebiedssamenwerking voor het bestuurlijk akkoord Amersfoort tot Zeist (A tot Z) ondertekend. Drie Defensieobjecten zijn opgenomen in de no regrets en hebben hiervoor draagvlak. In dit dossier zijn onder andere Kamp Amersfoort, Den Treek-Henschoten en de Stichting Utrechtse Heuvelrug opgenomen. Naar aanleiding hiervan is er, in samenspraak met de gemeente Leusden, gesproken over hoe Kamp Amersfoort de cultuurhistorische aspecten kan verbeteren in de doorontwikkeling van het ontwerp. In het (landschaps)ontwerp is op een paar plekken een voorstel gedaan voor uiting aan cultuurhistorie. Nadere uitwerking hiervan gebeurd in overleg met het bevoegd gezag.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Het Rijksvastgoedbedrijf realiseert de ontwikkeling op het terrein dat wordt gepacht van de gemeente Amersfoort. De ontwikkeling komt in zijn geheel voor rekening van het Rijksvastgoedbedrijf en het Ministerie van Defensie. De anterieure overeenkomst met het bevoegd gezag is inmiddels ondertekend.

45 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Bijlagen

I BIJLAGE: NNN-TOETS

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Bijlage I | Definitief

Bestemmingsplan TCL Leusden NNN-toets

Rijksvastgoedbedrijf 20 december 2024

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Bestemmingsplan TCL Leusden Rijksvastgoedbedrijf

NNN-toets Definitief 03 20 december 2024 137851/24-018.993

137851 Drs.ing. A. van de Werfhorst Drs. M.J. Schilt

J. Poot BSc M.R. de Groot MSc Drs.ing. A. van de Werfhorst

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Leeswijzer

5

2

PLANBESCHRIJVING

6

2.1

Beschrijving plangebied

6

2.2

Werkzaamheden

8

3

BESCHRIJVING TOETSINGSKADER

10

3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

10

3.2

Natuurnetwerk Nederland in Utrecht

10

3.3

Gemeentelijk beleid

12

4

AANWEZIGE NATUURWAARDEN

13

4.1

Wezenlijke kenmerken en waarden

13

4.2

Gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten (Utrechtse Heuvelrug)

15

5

EFFECTAFBAKENING

17

5.1.1 5.1.2 5.1.3

18 18

5.1.4

Doden van individuen Oppervlakteverlies en versnippering Verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische effecten en of optische verstoring Schaduwwerking

18 19

6

EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING

20

6.1

Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem

20

6.2

De robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten

22

6.3

De aanwezigheid van bijzondere soorten en de abiotische en ruimtelijke condities van het gebied voor soorten en ecosystemen

22

Gebiedsspecifieke ecologische kernkwaliteiten (Utrechtse Heuvelrug)

24

6.4

6.5

Conclusie

24

7

DOORKIJK MITIGATIE EN COMPENSATIE OPGAVE

26

8

CONCLUSIES

27

9

LITERATUUR

28

Laatste pagina

28

Bijlage(n) -

Aantal pagina's

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel

Rijksvastgoedbedrijf is voornemens om de gedateerde huisvesting van Materieellogistiek Commando Land (MatlogCo), Afdeling Techniek, aan de Kolonel H.L. van Roijenweg te Leusden te vervangen door nieuwe huisvesting in het Nieuwbouw Technology Center Land (TCL). Het doel van dit project is de realisatie van een veilige, passende, toekomstbestendige, duurzame en structureel betaalbare nieuwbouw. De nieuwe huisvesting wordt direct ten westen van de huidige huisvesting gerealiseerd. Na realisatie en ingebruikname van de nieuwe huisvesting worden de bestaande bebouwing en infrastructuur die niet meer nodig zijn, gesloopt en gesaneerd. De hierbij vrijkomende ruimte wordt (groten)deels als natuur ingericht. De locatie van de geplande ontwikkeling ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Utrecht. Dit betekent dat de geplande werkzaamheden mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden, ecologische kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk. In de voorliggende rapportage wordt daarom getoetst of en in welke mate de beoogde ontwikkelingen leiden tot een aantasting van het NNN en wat de eventuele consequenties hiervan zijn. Het rapport sluit af met een globale doorkijk naar mogelijkheden voor mitigatie en compensatie.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden het plangebied en de geplande werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het relevante toetsingskader beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de aanwezige natuurwaarden van het NNN binnen en in de directe omgeving van het plangebied. In hoofdstuk 5 worden de relevante effecten afgebakend. In hoofdstuk 6 worden de effecten nader bepaald en beoordeeld. Hoofdstuk 7 geeft een globale doorkijk naar de mogelijkheden voor mitigatie en een inschatting van de compensatieopgave. De conclusie van de voorliggende NNN-toets wordt gegeven in hoofdstuk 8. Tenslotte staat de geraadpleegde literatuur in hoofdstuk 9.

5 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

2 PLANBESCHRIJVING 2.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied ligt aan de Kolonel H.L. van Roijenweg 2-3 te Leusden (provincie Utrecht) en betreft in de huidige situatie een terrein dat in gebruik is door defensie. Het gaat specifiek om het Materieellogistiek Commando Land (MatlogCo), dat onderdeel is van de Defensie Materieel Organisatie en gespecialiseerd in het onderhoud van en modificaties aan landgebonden materieel van de Koninklijke Landmacht. Het plangebied bevindt zich in de natuurrijke omgeving van de Utrechtse Heuvelrug, buiten de bebouwde kom en op circa 5 kilometer afstand van de kern van Leusden (zie afbeelding 2.1). In de wijdere omgeving van het plangebied liggen verschillende natuurgebieden: het landgoed Den Treek-Henschoten aan de noord- en oostzijde en de Leusderheide aan de zuidzijde. Ook in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich bos- en heidegebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betreft onder andere de Oude Boskamp aan de westzijde, een gebied dat wordt gebruikt als waterwingebied. De grens tussen het bos- en heidegebied rondom het plangebied en het landgoed Den Treek-Henschoten wordt gevormd door de wegen A28/E30 ten noorden en N227/Doornseweg ten oosten. De zuidelijke grens van het plangebied met de Leusderheide wordt gevormd door de Kolonel H.L. van Roijenweg.

Het terrein staat door middel van twee ecoducten (één over de A28 en één over de Doornseweg) hier ook mee in verbinding. Het plangebied laat zich globaal opdelen in twee helften; een gedeelte dat in de bestaande situatie bebouwd en verhard is aan de oostzijde, en een gedeelte dat in de bestaande situatie begroeid is (bos- en heidevegetatie) aan de westzijde (zie afbeelding 2.2). De bebouwing in de oostelijke helft bestaat uit een grote loods met meerdere bijgebouwen. De onverharde en onbebouwde gedeelten in de westelijke helft van het plangebied bestaan, in volgorde van abundantie, uit bos, (schraal) grasland en heide. Het aanwezige oppervlaktewater binnen het plangebied is beperkt tot één poel aan de noordzijde van het terrein.

6 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

Afbeelding 2.1 Globale ligging van het plangebied

Afbeelding 2.2 Huidige situatie plangebied

7 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

2.2

Werkzaamheden

De werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van (delen van) bestaande bebouwing, groenelementen en infrastructuur binnen het plangebied, en de realisatie van nieuwe bebouwing, groenelementen en infrastructuur (zie afbeelding 2.3). Deze onderdelen worden hieronder toegelicht: - bebouwing: de nieuw te realiseren bebouwing bestaat uit een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 30.000 m2, inclusief een aantal kleinere bijgebouwen in de westelijke helft van het plangebied. De hoogte van de nieuwe bebouwing betreft maximaal 16 meter. Alle bestaande bebouwing op het terrein wordt gesloopt, dit betreft de hoofdloods inclusief alle bestaande bijgebouwen. Deze bebouwing bevindt zich in de bestaande situatie uitsluitend in de oostelijke helft van het plangebied; - groenelementen: ten behoeve van de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw is het noodzakelijk om hier de bestaande vegetatie (voornamelijk bos) te verwijderen. Ook aan de oostzijde van het plangebied wordt (heide)vegetatie verwijderd. Het overige bestaande bos- en heidegebied buiten deze delen blijft behouden, waarbij onder andere al rekening is gehouden met een dassenburcht aan de westzijde van het plangebied.

Op een deel van de locatie die beschikbaar komt nadat de bestaande bebouwing is gesloopt, is voorzien in de ontwikkeling van nieuwe heide met kleine delen bos; - water: de noordelijk gelegen poel/retentievijver wordt deels verwijderd en wordt vervolgens verlengt naar de westkant. De nieuwe poel wordt hierdoor groter dan de bestaande poel. Aan de zuidkant van het nieuwe bedrijfsgebouw worden twee wadi’s en een nieuwe blusvijver aangelegd. Ten slotte worden in midden van het terrein, aan de oostkant van het nieuwe bedrijfsgebouw, ook enkele wadi’s aangelegd; - infrastructuur: verreweg het grootste gedeelte van de bestaande infrastructuur zal worden verwijderd. In de bestaande situatie bevindt deze infrastructuur zich voornamelijk in de oostelijke helft van het plangebied, rondom de te verwijderen bebouwing. Een klein deel van de bestaande infrastructuur blijft behouden of wordt slechts gedeeltelijk aangepakt. Voor de toekomstige situatie wordt een volledig nieuwe infrastructuur gerealiseerd. Allereerst zal het beoogde terrein voor de nieuwbouw vrijgemaakt worden van bomen en andere vegetatie en bouwrijp worden gemaakt, waarna de nieuwbouw gerealiseerd wordt. Zodra de nieuwbouw gereed is, wordt gestart met de sloop van de bestaande bebouwing. De realisatie van nieuwe natuur op het beschikbaar gekomen gedeelte van het terrein vindt als laatste plaats.

De planning van de werkzaamheden is vooralsnog niet bekend.

8 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

Afbeelding 2.3 Voorontwerp d.d. 12 december 2024

9 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

3 BESCHRIJVING TOETSINGSKADER 3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van grote en kleine beschermde natuurgebieden en verbindingszones waarin de natuur prioriteit heeft en wordt beschermd. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is het rijksbeleid ten aanzien van het NNN kort uiteengezet (Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2012). De juridische borging van het NNN vindt deels plaats via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin worden regels gegeven met betrekking tot de begrenzing, het beschermingsregime en de wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied. De invulling van de regels uit het Bkl voor het NNN is echter gedecentraliseerd en ligt in de handen van de verschillende provincies. Ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN aantasten, kunnen alleen doorgang vinden wanneer sprake is van een groot openbaar belang, als er geen reële alternatieven zijn en wanneer negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en gecompenseerd. Dit is het zogeheten ‘nee, tenzij principe’.

3.2

Natuurnetwerk Nederland in Utrecht

Het provinciaal beleid met betrekking tot het NNN binnen Utrecht is opgenomen in hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening Provincie Utrecht (Provincie Utrecht 2024). Naast het NNN is er binnen de provincie Utrecht circa 3.000 hectare grond dat grenst aan het NNN aangewezen als Groene contour. In de Groene contour wordt stapsgewijs natuur toegevoegd dat uiteindelijk deel gaat uitmaken van het NNN. Het meest nabije gebied dat behoort tot de Groene contour ligt op circa 2,5 km van het plangebied. Dit gebied ligt buiten de verstoringscontouren van het plangebied en is daarom niet relevant voor verdere beschouwing in het voorliggende rapport. In artikel 6.3 lid 1 van de omgevingsverordening staat beschreven dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het NNN geen nieuwe activiteiten of wijzigingen mogelijk maakt die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, zoals bedoeld in bijlage XI ‘Wezenlijke kenmerken en waarden’ van de verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het NNN (provincie Utrecht 2024). Uitzonderingen hierop staan beschreven in art.

6.3 lid 2, en zijn: 1 ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het NNN niet of minder aantasten; 2 een plan waarop de meerwaardebenadering wordt toegepast; of 3 een beperkte wijziging, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten. Verder staat in art. 6.3 lid 2 sub b t/m e dat nadelige gevolgen voor het NNN door nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten zoveel mogelijk worden voorkomen, door deze in het omgevingsplan alleen mogelijk te maken op een locatie waar het NNN zo beperkt mogelijk kan worden aangetast en door het toegestane ruimtebeslag, de toegestane bebouwing en het toegestane gebruik zoveel mogelijk te

10 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

beperken. Aantasting dient tijdig gecompenseerd te worden en de te realiseren compenserende maatregelen, zowel ontwikkeling, instandhouding en beheer, voldoende zijn verzekerd. Verder moet motivering van het omgevingsplan een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan. De tijdige realisatie van de compenserende maatregelen dient te worden gesteld door in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin is bepaald dat deze maatregelen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de nieuwe activiteit of de gewijzigde bestaande activiteiten, zijn uitgevoerd en daarna in stand worden gehouden (provincie Utrecht 2024). Een andere uitzondering hierop zijn militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het Natuurnetwerk Nederland. Volgens artikel 6.3 lid 3, kunnen omgevingsplannen regels bevatten die terreinverharding of bouwactiviteiten toestaan, mits is verzekerd dat nadelige gevolgen voor het Natuurnetwerk Nederland tijdig worden gecompenseerd. De motivering van het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan. Tenslotte staat de compensatie voor aantasting van NNN-gebied beschreven in artikel 6.9 van de omgevingsverordening.

Hierin staat onder andere dat compensatie de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN moet versterken en in de (directe) nabijheid van de aantasting plaats moet vinden indien het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist. De oppervlakte van de compensatie wordt bepaald aan de hand van bijlage XII bij de omgevingsverordening (berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen). Voor de compensatie is een compensatieplan noodzakelijk, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse. Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan van de provincie Utrecht in acht genomen. Externe werking Werkzaamheden in of nabij NNN-gebieden kunnen uitstralen naar nabijgelegen NNN-gebieden en op deze manier leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Dit wordt externe werking genoemd. Per provincie is bepaald of externe werking op NNN-gebieden relevant is om te onderzoeken voor de aanvang van ontwikkelingen. In de omgevingsverordening (provincie Utrecht 2024) staat beschreven dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland bevat regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (Art. 6.2).

Dit betekent dat de provincie Utrecht geen externe werking hanteert in het kader van toetsing van effecten op het NNN. Compensatieberekening Bij de compensatie van NNN worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1 de oppervlakte van de te realiseren compensatie is ten minste net zo groot als de oppervlakte natuur die verloren gaat; en 2 het aantal natuurpunten voor de compensatie die gerealiseerd gaat worden is groter dan of gelijk aan het aantal natuurpunten voor de te realiseren compensatie. Natuurpunten zijn gebaseerd op het beheertype dat verloren gaat of gerealiseerd wordt. Verschillende beheertypen zijn verdeeld in drie klassen naar natuurwaarde die de provincie daaraan toekent: - klasse 1: hoogste waardering; - klasse 2: ‘midden’ - waardering; en - klasse 3: laagste waardering. Elke klasse heeft een toeslagfactor voor hoeveel ha aan oppervlakte extra gecompenseerd moet worden voor de hoeveelheid natuur dat verloren gaat bij een activiteit. Deze staan weergegeven in tabel 3.1. Daarnaast wordt er een toeslag gerekend voor de hersteltijd van een natuurbeheertype (de tijd dat het ter plaatse aanwezig is geweest). Hierbij geldt dat hoe langer het natuurbeheertype ter plaatse aanwezig is geweest, des te hoger is de toeslagfactor. In tabel 3.1 staan de toeslagfactoren per klasse en hersteltijd weergegeven.

11 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

Tabel 3.1 Compensatietoeslag per klasse en hersteltijd van verloren natuurbeheertypen Klasse indeling

Natuurbeheertype

Toeslag per ha verloren natuurbeheertype

klasse 1

N06.01 veenmoerasrietland en moerasheide N06.04 vochtige heide N06.05 zwakgebufferd ven N10.01 nat schraalland N11.01 droog schraalgrasland

0,6

klasse 2

N04.01 kranswierwater N05.01 moeras N06.06 zuur ven of hoogveenven N07.01 droge heide N.07.02 zandverstuiving N10.02 vochtig hooiland N12.02 kruiden- en faunarijke akker N12.03 glanshaverhooiland N13.01 vochtig weidevogel grasland

0,3

klasse 3

overige natuurbeheertypen

0

Hersteltijd van het natuurbeheertype in jaren < 10

0,1

10 - 25

0,3

25 - 50

0,5

50 - 100

0,75

100 - 200

1,0

> 200

1,5

3.3

Gemeentelijk beleid

Het plangebied ligt binnen de grenzen van het vigerende ‘Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen’ van 2013 én het onderliggend Bestemmingsplan Den Treek van 1973 (Gemeente Leusden 1973; 2013). In overleg tussen Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en de provincie Utrecht (die dient als bevoegd gezag) is overeengekomen dat de geplande ontwikkelingen binnen het plangebied vallen onder de bepalingen zoals vastgesteld in de beheersverordening en onderliggend bestemmingsplan (persoonlijke communicatie, 12-2024). In artikel 13 van het bestemmingsplan staat beschreven dat de op de kaart voor militaire doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor militaire inrichtingen met bijbehorende voorzieningen. Hiervan is een bebouwingspercentage van ten hoogste 20 % van de aangewezen gronden in het bestemmingsplan toegestaan en dient er een maximale bouwhoogte van 10 meter aangehouden te worden (Gemeente Leusden 1973). De geplande ontwikkelingen zorgen voor een bebouwingspercentage van circa 13 % van de aangewezen gronden met militaire doeleinden zoals bepaald in het bestemmingsplan. Hierdoor valt het binnen de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan. Wel betreft de hoogte van de nieuwe bebouwing 16 meter en is dit in strijd met de bepalingen van een maximale bouwhoogte van 10 meter (Gemeente Leusden 1973).

12 | 28

Witteveen+Bos | 137851/24-018.993 | Definitief 03

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4108/documents/49039