CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Ruimtelijke onderbouwing TCL_234070.pdf

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 7: Raadsvoorstel VVGB Omgevingsvergunning Kol. van Royenweg 3 - TCL29.849 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Technology Center Land Leusden Ruimtelijke onderbouwing

Rijksvastgoedbedrijf - Gemeente Leusden 20 december 2024 Status: Definitief

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Technology Center Land Leusden Rijksvastgoedbedrijf - Gemeente Leusden

Ruimtelijke onderbouwing Definitief 02 20 december 2024 137851/24-018.830

137851 Drs.ing. A. van de Werfhorst Drs. M.J. Schilt

M.A.P.M. Verbunt MSc Drs.ing. A. van de Werfhorst Drs.ing. A. van de Werfhorst

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend ruimtelijk plan

8

1.4

Leeswijzer

10

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

12

3

BELEIDSKADER

15

3.1

Rijksbeleid

15

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4

15 15 16 16

3.2

3.3

Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking

Provinciaal beleid

17

3.2.1

17

Interim Omgevingsverordening Utrecht

Gemeentelijk beleid

18

3.3.1 3.3.2

18 19

Omgevingsvisie Buitengebied gemeente Leusden Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Leusden

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

20

4.1

M.e.r-(beoordelings)plicht

20

4.2

Toetsing

21

4.3

Verkeer en parkeren

21

4.3.1

21

4.4

Conclusie

Geluid 4.4.1 4.4.2 4.4.3

21 Toetsingskader Resultaten Conclusie

21 22 22

4.5

4.6

Luchtkwaliteit

22

4.5.1 4.5.2 4.5.3

23 23 24

Geur 4.6.1 4.6.2 4.6.3

4.7

4.8

4.12

4.13

24 25 25

4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.7.4

25 26 28 28

Toetsingskader Resultaten Conclusie en aanbevelingen Beperkte verantwoording groepsrisico Rijksweg A28

Natuur

29 Toetsingskader Resultaten onderzoek Conclusie

Water

29 30 34 35

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Bodem 4.10.1 4.10.2 4.10.3 4.10.4

4.11

Toetsingskader Resultaten Conclusie

25

4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10

24

Externe veiligheid

4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9

Toetsingskader Resultaten Conclusie

35 35 36 37

Toetsingskader Resultaten Resultaten Conclusie

37 37 38 38

Cultuurhistorie en archeologie

39

4.11.1 4.11.2 4.11.3 4.11.4

39 39 39 40

Toetsingskader Resultaten Cultuurhistorie Resultaten Archeologie Conclusie

Kabels en leidingen

40

4.12.1 4.12.2 4.12.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

41 41 41

Ontplofbare oorlogsresten (OO)

41

4.13.1 4.13.2 4.13.3

41 41 42

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.14

Duurzaamheid

43

5

UITVOERBAARHEID

44

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44

5.1.1

44

Participatie en Communicatiestrategie

5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5 5.1.6 5.2

Externe Communicatie Samenwerking en Afstemming Centraal Informatiepunt Aanvullende Communicatiemiddelen Omgevingsvisie Amersfoort – Zeist

44 44 45 45 45

Economische uitvoerbaarheid

45

Laatste pagina

45

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

NNN-toets

29

II

Soortenbeschermingstoets

49

III

Stikstofdepositieberekening

37

IV

Waterparagraaf

42

V

Bodemonderzoek

198

VI

Ontplofbare oorlogsresten onderzoek

238

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Op dit moment voldoet het huidige gebouw van de afdeling Techniek van Matlogco te Leusden niet meer aan eisen die door Defensie gesteld worden aan functionaliteit, energiezuinigheid, duurzaamheid, gezondheid (gezonde werkomgeving) en veiligheid (veilige werkomgeving). Bovendien voldeed het huidige gebouw niet aan de brandveiligheidseisen. Daarvoor zijn tijdelijke maatregelen genomen (om te voldoen aan de minimumeisen), met in het achterhoofd dat uiterlijk begin 2028 vervangende nieuwbouw gerealiseerd is. Met het nieuwe Technology Center Land (hierna: TCL) krijgt Defensie een moderne faciliteit voor technisch hoogwaardige, betrouwbare en innovatieve instandhouding, modificaties en beproevingen van grondgebonden systemen en voor concept development & experimentation. Het voornemen is (nagenoeg) volledige nieuwbouw op de naastgelegen kavel van het huidige Materieellogistiek Commando Land (MatlogCo), afdeling Techniek, om daarmee de infrastructuur van de Afdeling Techniek in één stap te moderniseren naar het TCL. De nieuwbouw wordt ten westen van de bestaande bebouwing gesitueerd (op de kavel bekend als ‘boskamp’), zodat er na voltooiing van de nieuwbouw qua werkproces in één keer overgestapt kan worden. De gebouwen op de vertreklocatie worden daarna gesloopt en het vrijkomende gebied wordt hoofzakelijk met natuur ingericht.

Daarnaast beoogt het Rijksvastgoedbedrijf met de procedure die voor deze ontwikkeling doorlopen moet worden, een bepaalde mate van uitbreidingsmogelijkheden voor de toekomst te borgen. Gezien de recentelijk verhoogde druk op het defensieapparaat en de (momenteel op handen zijnde/nog toekomstige) vernieuwing van door Defensie gebruikte grondgebonden systemen (voertuigen) is het niet uitgesloten dat de capaciteit die nu beoogd is, in de toekomst niet toereikend is. De Afdeling Techniek onderhoudt, adviseert, levert expertise en beproeft op het hoogste niveau de grondgebonden wapensystemen van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS). Haar taken zijn o.a. uitvoering geven aan Depot Level Maintenance (DLM), componentenonderhoud aan Line Replaceable Units (LRU’s), Mid-life Updates (MLU’s) en modificatieprojecten, het ontwikkelen van noodzakelijke aanpassingen aan bestaande systemen en producten, het leveren van technische expertise in de vorm van missieondersteuning, instromingsbegeleiding en productverificaties en optreden als expertise- en beproevingscentrum voor verwerving en instandhouding van nieuwe en bestaande systemen.

Dit maakt op dit moment de Afdeling Techniek, en na de transformatie het TCL, op de locatie Leusden onmisbaar en uniek in de onderhoudsketen van Defensie, essentieel voor de instandhouding van alle grondgebonden systemen, nu en in de toekomst en van groot belang voor de doorontwikkeling van het materieel van Defensie, waarin de verbinding tussen mens en technologie centraal staat. Dit is cruciaal voor de militaire bescherming van Nederland en de rest van Europa. Deze ontwikkelingen passen niet binnen het geldende bestemmingsplan. De ontwikkeling kan planologisch mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan. Voorliggend rapport dient ter onderbouwing dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.1 lid c Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 3 Wabo).

6 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Locatieafweging Vanwege de nauwe bedrijfsmatige, organisatorische en functionele binding met het militaire kazerne Kamp Soesterberg, waar het nieuwe Logistiek Centrum Soesterberg (LCS) wordt gebouwd, is vooral de afstand tot de operationele eenheden van belang. Omdat de primaire functie van de inrichting zich richt op het inzetbaar houden van landsystemen die van essentieel belang zijn voor de krijgsmacht (als bedoeld en zodanig benoemd in categorie 29.1 van Bijlage I van het Bor – Besluit Omgevingsrecht), dient de inrichting een centrale ligging te hebben. Andere locaties komen niet in aanmerking, omdat die niet aan de randvoorwaarden voor het functioneren van het TCL kunnen voldoen.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Kolonel H.L. van Roijenweg 3 in het noordwesten van de gemeente Leusden binnen de provincie Utrecht. Op afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en op circa 5 kilometer afstand van de kern van Leusden. Het gebied ligt midden in het bos- en heidelandschap de Leusderheide en maakt onderdeel uit van een groter gebied met defensieterreinen (o.a. kamp Soesterberg, du Moulinkazerne en Bernhardkazerne).

Afbeelding 1.1 Globale ligging van het plangebied

In de wijdere omgeving van het plangebied liggen verschillende natuurgebieden: het landgoed Den TreekHenschoten aan de noord- en oostzijde en de Leusderheide aan de zuidzijde. De zuidelijke grens van het plangebied met de Leusderheide wordt gevormd door de Kolonel H.L. van Roijenweg die zuidelijk langs het gebied loopt. De Kolonel H.L. van Roijenweg en het naastgelegen fietspad zijn eigendom van defensie, maar momenteel wel openbaar toegankelijk. Ten noorden van het plangebied is het grondgebruik recreatief (golfclub De Hoge Kleij), ten zuiden en ten oosten bevindt zich het defensieoefenterrein Leusderheide en ten westen bevindt zich militaire kazerne Kamp Soesterberg. Op afbeelding 1.2 zijn deze weergegeven.

7 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 1.2 Het plangebied (TCL) met Kamp Soesterberg en oefenterrein Leusderheide

1.3

Vigerend ruimtelijk plan

In de huidige situatie geldt het ruimtelijke plan, zoals weergegeven in tabel 1.1.

Tabel 1.1 Vigerend ruimtelijk plan ter plaatse van het plangebied Naam plan

IMRO-code

Datum vaststelling

Vastgesteld door

Bestemmingen/ gebiedsaanduidingen

Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen

NL.IMRO.032 7.139-0401

14-11-2013

Gemeente Leusden

-

Waarde - Archeologie middelhoge verwachting; Waarde - Archeologie hoge verwachting; Waarde - Cultuurhistorie; Waarde - Ecologie; Bsp Den Treek

Beheersverordening Leusden en Achterveld actualisering bestemmingsplannen De vigerende beheersverordening Leusden en Achterveld Actualisering bestemmingsplannen (vastgesteld 14 november 2013) voorziet in een militaire bestemming met een dergelijke functie. In de planregels zijn voor het grootste deel van het besluitgebied de voorschriften van de tot dan toe geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. De projectlocatie voor het TCL kent de aanduidingen ‘bestemmingsplan Den Treek’, de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Cultuurhistorie’, ‘Waarde Archeologie middelhoge verwachting, ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’ en ‘Waarde - Ecologie’. In afbeelding 1.3 is een uitsnede opgenomen van de beheersverordening.

8 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 1.3 Uitsnede plangebied (bron: ruimtelijke plannen)

Bestemmingsplan Den Treek In de beheersverordening zijn de tot dan toe geldende bestemmingsplannen van toepassing verklaard. Voor het terrein van het TCL is dat bestemmingsplan Den Treek, met dien verstande dat voor dit terrein uitgegaan wordt van de bestaande situatie (toegestane situatie op basis van het nog geldende bestemmingsplan) en maar een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, van beperkte omvang voor mogelijk wordt gehouden. Op grond van de plankaart behorende bij het Bestemmingsplan Den Treek heeft de planlocatie de bestemming ‘militaire doeleinden (hoog)’. Daarnaast is de planlocatie gelegen aan een gebied van ‘natuurwetenschappelijke- en landschappelijke waarde, met militair gebruik’. Onder landschappelijke waarden moet worden verstaan: geomorfologische en landschappelijke esthetische waarden. Onder natuurwetenschappelijke waarden moet worden verstaan: geologische, bodemkundige en biologische waarden.

Afbeelding 1.4 Uitsnede plankaart ter hoogte van de planlocatie. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

9 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Artikel 13 van de planregels ziet op de gronden die bestemd zijn ten behoeve van militaire doeleinden: 1 de op de kaart voor militaire doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor militaire inrichtingen met bijbehorende voorzieningen zulks met inachtneming van het onder 2 bepaalde; 2 bouwwerken ten behoeve van de bestemming mogen worden opgericht met dien verstande dat: · het bebouwingspercentage ten hoogste 20 % bedragen mag; · op de op de kaart als militaire doeleinden-hoog aangewezen gronden de bouwhoogte ten hoogste 10 meter bedragen mag; · op de op de kaart als militaire doeleinden-laag aangewezen gronden de bouwhoogte ten hoogste 6 meter bedragen mag; · ten hoogste 4 dienstwoningen toegestaan zijn, met een inhoud van ten hoogste 500 m 3 per dienstwoning. Conclusie De huidige beheersverordening (inclusief bestemmingsplan Den Treek) laat ontwikkelmogelijkheden voor nieuwbouw toe binnen het maximale bebouwingspercentage van 20 %. Het nieuwe TCL is voorzien op de gronden náást de bestaande bebouwing, waarbij de ontwikkeling (nieuwbouw en verhuizing) plaats zal vinden vóórdat de bestaande faciliteit zal worden ontmanteld/gesloopt. In deze situatie is tijdelijk sprake van iets meer dan 20 % bebouwing, hiervoor kan ontheffing worden gevraagd. De maximale bouwhoogte van het nieuwe hoofdgebouw bedraagt 16 meter, wat meer is dan de 10 meter die nu maximaal toelaatbaar is.

Op dit punt is de beoogde ontwikkeling in strijd met de beheersverordening.

1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 1 beschreef de aanleiding van het planvoornemen. Hoofdstuk 2 behelst de planbeschrijving. Hoofdstuk 3 is een beschrijving van de geldende relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 is het laatste hoofdstuk en betreft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

10 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de planbeschrijving.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied betreft in de huidige situatie een terrein dat in gebruik is als afdeling techniek door Defensie. Het plangebied laat zich globaal opdelen in twee delen; - openbaar toegankelijk: · aan de oostzijde bevindt zich een gebied met cultuurhistorische waardevolle bebouwing met een ontsluitingsroute en bebossing (‘kavel 3’); Dit kavel is onderdeel van Oefenterrein Leusderheide. Binnen deze aanvraag worden hier geen werkzaamheden uitgevoerd; - omheind, niet openbaar toegankelijk: · het midden gedeelte bestaat uit de gebouwen en verhardingen van de huidige Afdeling Techniek (‘Kavel 2’); · de westzijde, ook bekend als Boskamp, bestaat uit dicht begroeid (bos- en heidevegetatie) gebied en een asfalt plaat (zie afbeelding 2.1) (‘Kavel 1’). Het aanwezige oppervlaktewater binnen het plangebied is beperkt tot één poel aan de noordzijde; · elke deelgebied kent een eigen ontsluiting op de K.L. van Rooijenweg.

Afbeelding 2.1 Luchtfoto van het plangebied

11 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Het huidige complex – Kavel 1 en 2, dus exclusief het openbaar toegankelijk gebied - is circa 19,6 ha groot. Het plangebied is geen eigendom van Defensie, maar is eigendom van de gemeente Amersfoort. Defensie pacht dit van de gemeente. Aanwezige cultuurhistorie In het, nu openbaar toegankelijk, oostelijk deel van het plangebied staan enkele dienstwoningen en markante gebouwen zoals de bruine barak (voorheen rode barak), de maskeroefenruimte (MOR) en de schijvenloods. Het ensemble van gebouwen, smalspoorrestanten en de nabijgelegen voormalige schietbanen op de Leusderheide is van cultuurhistorische waarde. In paragraaf 4.12 Cultuurhistorie worden de huidige en toekomstige situatie nader toegelicht.

Afbeelding 2.2 Pachtgronden van defensie op en rondom de locatie inclusief aanwezige hekwerk, aanwezige te slopen gebouwen en cultuurhistorische gebouwen

2.2

Toekomstige situatie

In afbeelding 2.3 is de toekomstige situatie van het plangebied weergegeven. De toekomstige situatie bestaat uit de nieuwbouw van het TCL inclusief vier nevengebouwen, ontwikkelruimte voor toekomstige ontwikkelingen ten behoeve van het TCL, het natuurinclusief inrichten van het huidige terrein afdeling techniek, invulling geven aan het behoud van de cultuurhistorische gebouwen en het gedeeltelijk compenseren van natuurdoeltypen op bestaand terrein. NB; de laatste twee doelen bevinden zich op ‘kavel 3’. Dit is visievormend. In deze aanvraag zitten geen werkzaamheden welke hier invulling aan geven. Voor de toekomstige situatie wordt een deel van de bestaande infra hergebruikt en wordt tevens nieuwe infrastructuur gerealiseerd. Allereerst zal het beoogde terrein voor de nieuwbouw (kavel 1) vrijgemaakt worden van bomen en andere vegetatie en bouwrijp worden gemaakt, waarna de nieuwbouw gerealiseerd wordt. Zodra dit gereed is en in gebruik genomen, wordt gestart met de sloop van de bestaande bebouwing op kavel 2. Ruimtelijke uitgangspunten De ruimtelijke uitgangspunten maken het mogelijk om een zo efficiënt TCL te realiseren dat past bij het terrein en de omgeving.

12 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 2.3 Situatietekening toekomstige inrichting plangebied

Ruimtelijke uitgangspunten nieuwbouw TCL gebouw De scope van het project behelst de gebouw(delen) en inrichting van de buitenruimte. Voor de nieuwbouw van het TCL gebouw en de vier nevengebouwen met een totale gezamenlijke oppervlakte van 36.000 m2 bruto bebouwd oppervlak en 57.000 m2 bruto vloeroppervlak (hierna: BVO) worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: - het hoofdgebouw als een groot bouwvolume, waarbij gestreefd wordt naar een efficiënte footprint om natuur en omgeving de ruimte te geven. Dit bouwvlak heeft een grootte van 26.000 m2 met een lengte van 170 meter, een breedte van 170 meter en een maximale hoogte van 16 meter; - het mogelijk maken van vier kleinere nevengebouwen (zie afbeelding 2.3) die de functie vervullen als ATCC, facilitair gebouw, DRS2 en POLO (wachtgebouw).

Hiervoor worden de volgende maximale afmetingen aangehouden: · het ATCC1: een totaal bouwvlak van 3.500 m2 met een lengte van 110 meter een breedte van 32 meter en een maximale hoogte van 11 meter (uitgezonderd dakinstallaties); · het facilitair gebouw een totaal bouwvlak van 1.000 m2 met een lengte van 35 meter, een breedte van 40 meter en een maximale hoogte van 11 meter; · het DRS2: een totaal bouwvlak van 3.800 m2 met een lengte van 95 meter, een breedte van 40 meter en een maximale hoogte van 11 meter (uitgezonderd dakinstallaties); · de POLO, met een totaal bouwvlak van 100 m2, met een lengte van 10 meter, een breedte van 10 meter en een maximale hoogte van 6 meter; - inrichting buitenruimte, circa 200.000 m² BOT, inclusief de bebouwing: · nieuwbouw (circa 10 ha), inclusief de bebouwing; · oude gedeelte (circa 10 ha).

1

Samenwerking met de civiele markt.

13 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Ruimtelijke uitgangspunten ontwikkelruimte Er wordt rekening gehouden met een eventuele toekomstige uitbreiding door middel van reservering ontwikkelruimte. Die mogelijke ontwikkelruimte is weergeven in afbeelding 2.3. De onderstaande uitgangspunten woerden gehanteerd: - ten behoeve van potentieel toekomstige ontwikkelingen een strategische ontwikkelruimte van 30 % van bebouwingsmogelijkheden t.o.v. het vigerende regime; - de bestaande natuurlijke kenmerken en waarden worden zoveel mogelijk in stand gelaten, nieuwe bebouwing landschappelijk wordt ingepast en dat aantasting van natuurlijke waarden zal worden gecompenseerd conform het beleid dat hierop van toepassing is. Ruimtelijke uitgangspunten TCL-terrein Binnen de huidige inrichting is nagenoeg het volledige terrein dat gelegen is tussen en direct rondom de bebouwing, verhard. Bij het ontwerp van de nieuwe inrichting wordt uitgegaan van groene zones langs de randen van het perceel en mogelijk ook (direct) rondom de bebouwing wanneer mogelijk.

Uitgangspunten zijn: - de natuurinclusieve randen van het TCL-terrein zorgen voor de inpassing van het terrein in de omgeving.; - met Wadi’s (Water Afvoer Drainage en Infiltratie) invulling geven aan de wateropgave en inspelen op het kunnen infiltreren van hevige regenbuien op het terrein die vaker zullen voorkomen in verband met klimaatverandering; - een goed werk- en verblijfsklimaat voor de werknemers en bezoekers door beleving van de groene buitenruimte vanuit het gebouw; - een overzichtelijke entree, ruime draaicirkels voor militaire voertuigen; - een representatieve uitstraling met een accent aan de Kolonel H.L. van Roijenweg, waarbij aan de burger getoond wordt door middel van een informatiebord wat Defensie op dit terrein doet en waarom het van groot belang is voor de veiligheid van onder andere Nederland; - de gebouwen op het terrein worden landschappelijke ingepast.

14 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor onderhavig plan relevante ruimtelijk beleid beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Omgevingswet

De Omgevingswet (Ow) treedt op 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (Omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Gezien de start van de procedure in december 2023 zal de voormalige wet- en regelgeving conform het overgangsrecht van kracht zijn en heeft de Omgevingswet geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

3.1.2

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitgangspunt van de NOVI is dat de ontwikkeling van de leefomgeving zoveel mogelijk in balans moet zijn met de bescherming van waarden als gezondheid, veiligheid, landschap, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Hiertoe zijn in de NOVI nationale belangen genoemd. De

15 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving, waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet politiek aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk. Het defensiebeleid wordt nadrukkelijk genoemd in de NOVI. Het negende nationale belang betreft ‘zorg dragen voor de nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten’. Veiligheid is een basisvoorwaarde voor een welvarend Nederland. Onze krijgsmacht is er om Nederland te beschermen. Nederland is een knooppunt van mensen, goederen en data. Voor de nationale veiligheid is de weerbaarheid van de samenleving van belang en moeten de vitale infrastructuur en de digitale veiligheid van ons land beschermd zijn. Defensie levert onmisbare bijdragen aan de veiligheid van onze vliegvelden, havens en andere vitale infrastructuur. Deze bijdragen komen voort uit de drie hoofdtaken van Defensie op basis van de Grondwet: - bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied; - bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit; - ondersteuning van civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal.

Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de nationale defensie- en staatsveiligheidsbelang. Op dit terrein vindt onderhoud plaats aan de systemen in het grondgebonden domein van Defensie en periodieke (veiligheids)keuringen. Dit is een essentiële taak voor het inzetbaar houden van de Nederlandse strijdkrachten.

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn verschillende nationale belangen opgenomen. Op basis daarvan kunnen regels gelden, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Onder andere de volgende nationale belangen zijn opgenomen: - project Mainportontwikkeling Rotterdam; - kustfundament; - grote rivieren; - Natuurnetwerk Nederland; - Waddenzee en waddengebied; - defensie; - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De planlocatie zelf is niet aangewezen als militair terrein en valt daarmee niet onder het nationaal belang ‘defensie’ van het Barro. Het terrein ligt wel binnen de begrenzing Natuurnetwerk Nederland. Hiervoor wordt verwezen naar de provinciale verordening (paragraaf 3.2.1).

3.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in

16 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het voorliggende plan maakt de realisatie van het TCL, als vervangende nieuwbouw van het bestaande gebouw van de afdeling Techniek, mogelijk. Deze ontwikkeling voldoet niet aan de definitie van een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven.

3.2

Provinciaal beleid

Het plangebied ligt in de provincie Utrecht. In deze paragraaf wordt het relevante provinciale beleid besproken.

3.2.1

Interim Omgevingsverordening Utrecht

In de Omgevingsvisie heeft de provincie integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening zijn bindende regels opgenomen. In de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale Omgevingsvisie. De Interim Omgevingsverordening is op 10 maart 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 april 2021 in werking getreden. De Interim Omgevingsverordening geldt totdat de Omgevingswet ingevoerd wordt. Dat is naar verwachting op 1 januari 2024. Mobiliteit In hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening is een instructieregel opgenomen ten aanzien van de bereikbaarheid. Indien uit analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een mobiliteitstoets uitgevoerd.

Het TCL heeft geen bereikbaarheidseffect tot gevolg, een mobiliteitstoets cf verordening hoeft niet te worden uitgevoerd. Natuurnetwerk Nederland In de Interim Omgevingsverordening zijn in hoofdstuk 6 bepalingen opgenomen voor Natuur. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: - nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten.

17 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Afbeelding 3.1 Weergave NNN-gebied ten opzichte van plangebied

Relatie met voorgenomen ontwikkeling De Interim Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling met de daarbij behorende compensatie van natuur.

3.3

Gemeentelijk beleid

In de gemeente Leusden zijn een omgevingsvisie buitengebied en een ontwerp omgevingsvisie gemeente Leusden vastgesteld.

3.3.1

Omgevingsvisie Buitengebied gemeente Leusden

De omgevingsvisie Buitengebied is op 1 februari 2018 vastgesteld door gemeente Leusden. Hierin kiest gemeente Leusden voor de volgende strategische keuzes: - de keuze voor een brede economische basis van het platteland, die bijdraagt aan de kwaliteit en beheer van de kernkwaliteiten en een vitaal platteland; - binnen de brede economische basis een hoofdrol voor de grondgebonden veehouderij; - de keuze voor een sterke verbinding van stad en land en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap; - het watersysteem en het landschap zijn sturend bij het realiseren of uitbreiden van functies; - de gemeente werkt samen met bewoners en gebruikers van het platteland om in te spelen op klimaatverandering en de energietransitie. De planlocatie voor het TCL ligt in het landschap ‘Landgoederenzone met Centraal Buitengebied’. Kenmerken van dit gebied zijn: - het glooiende en heuvelachtige karakter, op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug; - de buitenplaatsen, landgoederen en pachtboerderijen op de flanken, met enkele monumentale lanen en beplantingen; - in de bossen, behorend bij de landgoederen, liggen de wegen in een blokstructuur; - de kronkelige wegen in de oudere bossen; - de Heiligenbergerbeek en de Grift.

18 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Een van de doelen van deze visie is het behoud van de kwaliteiten rust en stilte. De ontwikkeling zorgt voor een intensivering van het gebruik van deze gronden voor militaire doeleinden en is in strijd met deze doelstelling. Echter is het maatschappelijke noodzaak dat de afdeling ‘techniek voor militaire landsystemen’ vernieuwd wordt. De huidige faciliteit voldoet namelijk niet meer aan de huidige eisen en moet op korte termijn herontwikkeld worden. Een grotere hoogte is nodig om alle systemen te kunnen onderhouden en voor efficiënt ruimtegebruik. Daarnaast moet in het kader van de veranderende veiligheidssituatie in de wereld ook ruimte worden geboden aan de militaire functie. Een (grote) toename van verkeer in het buitengebied door deze ontwikkeling wordt niet verwacht, aangezien deze functie al op de locatie aanwezig is en de maximale bebouwingsoppervlakte niet toeneemt. Overige aspecten uit de omgevingsvisie vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de doelstelling ‘rust en stilte’ van de omgevingsvisie Buitengebied. Echter is er sprake van groot maatschappelijk belang waarbij ruimte geboden moet worden aan de militaire functie zoals hierboven ook toegelicht. Een (grote) toename van het verkeer wordt niet verwacht gezien deze functie al op de locatie aanwezig is.

Overige aspecten uit de omgevingsvisie vormen geen belemmering.

3.3.2

Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Leusden

Op 1 juni 2023 heeft de gemeente Leusden een Ontwerp Omgevingsvisie ter inzage gelegd. Hierin zijn de volgende strategische keuzes opgenomen: - ontwikkeling van bebouwd gebied gemengd, groen en gezond; - realisatie woningen door stenig gebied te verdichten en een groene ontwikkelstrategie in te zetten voor extra woningen in het buitengebied; - de Leusdense ondernemerscultuur als een belangrijke pijler van een vitale gemeente, het behouden van ruimte voor (nieuwe) bedrijvigheid; - buitengebied krijgt een brede economische basis, die bijdraagt aan de kwaliteit en beheer van de kernkwaliteiten en een vitaal platteland; - een hoofdrol voor de grondgebonden veehouderij, met een koers op toekomstbestendig en duurzaam; - een sterke verbinding van bebouwd gebied en landelijk gebied, het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap; - het watersysteem in het landschap is sturend bij het realiseren of uitbreiden van functies; - samen met bewoners en gebruikers van het platteland inspelen op klimaatverandering en de energietransitie. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de Ontwerp Omgevingsvisie.

19 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij het afwijken van een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan sectorale wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - M.e.r.-(beoordelings)plicht; - verkeer en parkeren; - geluid; - luchtkwaliteit; - geur; - externe veiligheid; - natuur; - water; - bodem; - archeologie en cultuurhistorie; - kabels en leidingen; - ontplofbare oorlogsresten; - duurzaamheid.

4.1

M.e.r-(beoordelings)plicht

Wettelijke grondslag Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2 'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure.

20 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.2

Toetsing

Voorliggend plan ziet toe op de herinrichting van het TCL terrein (zie paragraaf 2.2 voor de uit te voeren werkzaamheden). Een dergelijke activiteit komt niet voor op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Een m.e.r.-beoordelingsplicht is dus niet aan de orde. Conclusie Er is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.3

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeersgeneratie en het parkeren besproken. Eerst komt aan bod wat het effect van de ontwikkeling is op de verkeersgeneratie en ontsluiting van het terrein. Daarna worden de parkeerbehoefte en -capaciteit behandeld. Ontsluiting van het terrein De ontsluiting van het terrein (kavels 1 en 2) vindt plaats via de Kolonel H.L. van Roijenweg middels twee inritten. Deze inritten blijven behouden ten opzichte van de huidige situatie. Ook zorgt de ontwikkeling niet voor een verkeersaantrekkende werking. De ontsluitingen van het terrein zullen in geen geval onder druk komen te staan door de voorgenomen ontwikkeling. Parkeren Het parkeren van personeel vindt nu plaats op het eigen terrein. Met de voorgenomen ontwikkeling blijft deze situatie hetzelfde. Personeel en bezoekers kunnen op eigen terrein parkeren.

4.3.1

Conclusie

Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren welke de ontwikkeling van het TCL in de weg staan.

4.4

Geluid

Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen.

4.4.1

Toetsingskader

Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer gelden voor het aspect geluid regels uit het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit bevat standaard waarden die van toepassing zijn voor de meeste inrichtingen. Voor het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximale geluidsniveau (LAmax) geldt het standaard toetsingskader uit tabel 3.17a van het Activiteitenbesluit.

21 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.4.2

Resultaten

De volgende paragrafen van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn van toepassing op het TCL: - lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (§ 3.1.3 Abm); - het in werking hebben van een stookinstallatie (§ 3.2.1 Abm); - in werking hebben van een installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater (§ 3.2.4 Abm); - afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer (§ 3.3.1 Abm); - het uitwendig wassen van motorvoertuigen (§ 3.3.2 Abm); - opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof en afgewerkte olie (§ 3.4.2 Abm); - opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank (§ 3.4.9 Abm); - opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen (§ 3.4.10 Abm); - bereiden van voedingsmiddelen (§ 3.6.1 Abm); - opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking (§ 4.1.1 Abm); - mechanische bewerkingen van hout (§ 4.3.1 Abm); - reinigen, coaten en lijmen van hout (§ 4.3.2 Abm); - mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten (§ 4.4.1 Abm); - reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten (§ 4.4.2 Abm); - spaanloze, verspanende en thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen (§ 4.5.1 Abm); - lassen van metalen (§ 4.5.2 Abm); - solderen van metalen (§ 4.5.3 Abm); - stralen

van metalen (§ 4.5.4 Abm); - reinigen, lijmen en coaten (verfspuitwerkzaamheden) van metalen (§ 4.5.5 Abm); - beitsen en etsen van metalen (§ 4.5.7 Abm); - drogen van metalen (§ 4.5.9 Abm); - lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten met metalen (§ 4.5.12 Abm); - lozen van afvalwater (algemeen) van activiteiten met motoren, motorvoertuigen, vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten (§ 4.6.1 Abm); - onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren (§ 4.6.5 Abm); - mechanische bewerking of verwerking van textiel (§ 4.7a.3 Abm); - lijmen of coaten of veredelen van textiel, leer of bont (§ 4.7a.5 Abm); - in werking hebben acculader (§ 4.8.6 Abm). Voor het TCL geldt dat de meeste activiteiten inpandig plaatsvinden. Enkele activiteiten zoals zeilmakerij, wassen en reinigen van (rups)voertuigen en het testen van voertuigen kunnen op het buitenterrein plaatsvinden. Omdat de geluidsemissie zeer beperkt blijft, is er geen belemmering voor vergunningverlening.

4.4.3

Conclusie

Uit de beoordeling volgt dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.5

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan.

22 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm stelt de gemeenteraad alleen een ruimtelijk plan vast wanneer aannemelijk is gemaakt dat: - het plan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; of - de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert; of - het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen; of - de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

4.5.1

Toetsingskader

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project leidt per niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht.

4.5.2

Resultaten

Uit gegevens van de meest nabijgelegen meetstations en gegevens van luchtmeetnet over 2021 en 2022 kunnen aantal conclusies worden getrokken voor het TCL: Voor PM10 geldt: - gemiddeld < 21 µg/m3 gemeten (norm 40 µg/m3); - < 8 overschrijdingsdagen per jaar (norm < 35 dagen per jaar > 50 µg/m3). Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan. De NO2-concentratie bleef in 2022 in het overgrote deel van Nederland onder de EU-norm voor het jaargemiddelde (40 µg/m3). Dit blijkt uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Voor NO 2 is de emissie volgens gegevens van het luchtmeetnet op de meest nabijgelegen meetstations gemiddeld < 10 µg/m3. De gevraagde activiteiten op het TCL hebben derhalve naar verwachting geen negatieve effecten op de luchtkwaliteit.

23 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.5.3

Conclusie

Uit de beoordeling blijkt dat er in zowel de autonome situatie als in de plansituatie geen overschrijdingen plaatsvinden van de in de Wet milieubeheer vastgelegde grenswaarden. Op het gebied van luchtkwaliteit is er dan ook geen belemmering om het plan te realiseren.

4.6

Geur

4.6.1

Toetsingskader

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de ‘Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven’ van Infomil. Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Activiteitenbesluit beoordeeld. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld. Het lokale bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Op de regels uit het Activiteitenbesluit zijn uitzonderingen, namelijk installaties die vallen onder de RIE en waarvoor in BBT-conclusies eisen aan emissies van deze installaties zijn gesteld. In dat geval is het Activiteitenbesluit niet van toepassing en wordt geurhinder behandeld in de vergunning. Het TCL is een type C inrichting zonder IPPC installaties. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot het aspect geur zijn voor deze situatie van toepassing. In aanvulling op bovenstaande zijn er overheidsdocumenten zoals het rapport ‘Geur en gezondheid GGDrichtlijn medische milieukunde RIVM’ die inzicht geven in de beleidsdoelen 1. Hierin staan onderstaande waarden benoemd.

Tabel 4.1 Beleidsdoelstellingen voor geur voor bedrijfsmatige activiteiten Hinder (%) streefwaarde

3

richtwaarde

12

bovenwaarde

20

Ernstige hinder (%)

Situatie

0-3

nieuwe bestaande

Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft op haar website aandacht voor de lucht- en geurkwaliteit binnen het grondgebied. Er wordt verwezen naar zowel lokale als landelijke regels; een specifiek provinciaal wettelijk kader op dit gebied is niet aan de orde.

1

Geur en gezondheid GGD-richtlijn medische milieukunde RIVM Rapport 2015-0106 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2015-0106.pdf

24 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.6.2

Resultaten

Op het terrein van het TCL zijn een aantal relatief kleine geuremissiepunten te onderscheiden (emissie van vullen tanks, gebruik van verf en diverse stoffen (lijmen, kitten, oplosmiddelen met vluchtige componenten), afzuiginstallatie van keukens, uitlaatgassen werkplaatsen, en dergelijke. Deze emissiepunten leiden niet tot geurhinder en klachten. Dit komt omdat de emissies relatief klein zijn (geurconcentratie) en omdat de inrichting zo groot is dat geuremissies vanwege de grote afstand tot derden (buiten het terrein van de inrichting) niet zullen bereiken.

4.6.3

Conclusie

Uit de inschatting blijkt dat er in de plansituatie geen overschrijdingen plaatsvinden van de in de Wet milieubeheer vastgelegde grenswaarden. Op het gebied van geur is er dan ook geen belemmering om het plan te realiseren.

4.7

Externe veiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongewoon voorval gevaarlijke stoffen vrij kunnen komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten objecten worden ook wel de risicoontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen moet worden getoetst of met het realiseren van het plan een nieuwe veiligheidssituatie ontstaat (in de zin van externe veiligheid). Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen en eventueel (beperkt) kwetsbare objecten die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de ‘Regeling externe veiligheid inrichtingen’ (Revi) van belang. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'.

1

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar nietzelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen). Beperkt kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen, dienst- en bedrijfswoningen van derden en kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van minder of gelijk aan 1.500 m2 per object.

25 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Bevb. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Binnen de risicocontour 10-6 (kans van overlijden één op 1.000.000) mogen geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

4.7.2

Resultaten

Opslag gevaarlijke stoffen in verpakking Op de locatie van het TCL vindt opslag plaats van diverse gevaarlijke stoffen, zoals brandstoffen, koelvloeistoffen, chemicaliën en gas in gasflessen. De opslag van deze stoffen vindt plaats conform de PGS 15. Tevens vindt er opslag van dieselolie plaats in onder/bovengrondse opslagtanks. Dit vindt plaats conform de PGS 30. Er vindt geen opslag plaats van ontplofbare of explosieve stoffen binnen de inrichting. Mogelijk vindt er in de toekomst productie en opslag van waterstof plaats. Hierover zijn in deze fase nog geen concrete gegevens beschikbaar. In deze fase is er dan ook geen nader onderzoek nodig in de vorm van bijvoorbeeld een QRA. Er kan worden volstaan met de kennisgeving dat wordt voldaan aan in deze paragraaf genoemde BBT-documenten. Accushop Er vindt opslag en laden van accu’s plaats. De hoeveelheid lithium-ion blijft onder de ondergrenzen van de PGS 37-2. Het plangebied is in de huidige situatie ook in gebruik als defensieterrein. In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich een risicobron: de A28. Deze risicobron is weergegeven op onderstaande afbeelding. Aangezien geen sprake is van nabijgelegen stationaire inrichtingen wordt hier verder niet op ingegaan.

Afbeelding 4.1 Risicobron projectlocatie

26 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

Tabel 4.2 Overzicht en informatie risicobronnen Wegvak nr.

Naam Basisnetweg

U3

A28: afrit 5 (Maarn) - afrit 3 (Den Dolder)

PR106

PR107 (GR)

0

82

PAG

GF3

Afstand tot plangebied (m)

Ja

7011

83

Plaatsgebonden risico De weg heeft een plaatsgebonden risicocontour van 0 m, gemeten vanaf de middenberm. De plaatsgebonden risicocontour ligt dus niet op het plangebied. Het plaatsgebonden risico veroorzaakt dus geen knelpunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Voor dit deel van de A28 is een groepsrisicoplafond vastgesteld van 83 meter, gemeten vanaf de middenberm. Het plangebied bevindt zich ook binnen het 1 %-letaliteitsgebied van de weg. Conform tabel 1-2 uit de bijlage bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is deze afstand voor wegen waarover GF3 wordt vervoerd 355 m. Om vast te stellen of sprake is van een overschrijding van (10 % van) de oriëntatiewaarde, worden de vuistregels uit paragraaf 1.2.2.2 van de bijlage bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) toegepast. Indien het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, hoeft op basis van artikel 8 lid 2 sub a van het Besluit externe veiligheid transportroutes geen groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden. Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1: wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen), pas dan RBM II toe.

Vuistregel 2: wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in tabel 1-4 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in tabel 1-5 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Vuistregel 1 is niet van toepassing, GF3 is de maatgevende stofcategorie. Uit de meest recente tellingen blijkt dat LT3, GT4 en GT5 niet vervoerd worden op dit wegvak1. De afstand tot de as van de weg is 83 m. Omdat sprake is van eenzijdige bebouwing wordt tabel 1-4 uit de bijlage bij de HART gehanteerd. Het aantal personen op locatie wijzigt niet door de herontwikkeling. Het terrein omvat ongeveer 20 hectare. Volgens de BAG populatieservice is hier een personendichtheid van 17 personen in totaal. De personendichtheid wordt hier naar boven afgerond om uit te gaan van een worst case scenario, een personendichtheid van 10 personen per hectare. Bij een afstand tot de weg van 80 m, met een personendichtheid van 10 personen per hectare, staat een ‘-‘ in de tabel 1-4 van de bijlage bij de HART. Dit streepje geeft aan dat meer dan tweemaal het maximaal waargenomen aantal vervoerseenheden per jaar nodig is voor een overschrijding van 10 % van de oriëntatiewaarde. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van 10 % van de oriëntatiewaarde.

Conclusie groepsrisico Op basis van artikel 8 lid 2 sub a van het besluit externe veiligheid transportroutes is een groepsrisicoberekening niet nodig. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet worden opgesteld op basis van artikel 7 van het Bevt. De projectlocatie bevindt zich namelijk binnen het invloedsgebied van de A28. De beperkte verantwoording groepsrisico is opgenomen in onderstaande paragraaf.

1

Bron: Rapport toetsing realisatiecijfers vervoer gevaarlijke stoffen over de weg aan de risicoplafonds Basisnet, jaar 2017.

27 | 45

Witteveen+Bos | 137851/24-018.830 | Definitief 02

4.7.3

Conclusie en aanbevelingen

In voorliggende paragrafen is onderzocht wat de impact van het thema externe veiligheid is op de voorgenomen uitbreiding van het defensieterrein. Om dit vast te stellen is van de omliggende risicobronnen bepaald of sprake is van een plaatsgebonden risicocontour, of dat het plangebied binnen het invloedsgebied van het groepsrisico ligt. Op basis van het onderzoek naar externe veiligheid is geconcludeerd dat het plaatsgebonden risico geen effect heeft op de voorgenomen uitbreiding. Geen van de omliggende risicobronnen heeft een plaatsgebonden risicocontour dat op de planlocatie ligt. Het plangebied bevindt zich wel binnen de 1 %-letaliteitsgrens van de nabijgelegen snelweg A28. Op basis van de vuistregels uit de HART is geconcludeerd dat voor de snelweg geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A28 ligt, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist op basis van artikel 7 van het Bevt. Conform artikel 9 van het Bevt moet het bevoegd gezag de veiligheidsregio in gelegenheid stellen om advies uit te brengen over de omgevingsvergunning. In onderstaande paragraaf is de beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen voor de transportroute over de A28. Uit de voorliggende analyse blijkt het thema externe veiligheid geen belemmering te vormen voor uitbreiding van het defensieterrein.

4.7.4

Beperkte verantwoording groepsrisico Rijksweg A28

Bestrijdbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn. De autosnelweg A28 gaat van noordwestelijke naar zuidoostelijke richting, zonder een directe uitrit naar het defensieterrein. In geval van een ongewoon voorval is het terrein bereikbaar via andere openbare wegen, waaronder de N227 (noordoostelijke richting) en de Kolonel H.L. van Roijenweg (zuidwestelijke richting). Zo blijft de ongevalslocatie goed bereikbaar vanuit tegengestelde windrichtingen in geval van calamiteiten. Nood- en hulpdiensten kunnen dus op een veilige manier snel de ongevalslocatie bereiken. In geval van brand kunnen hulpdiensten gebruik maken van omliggende oppervlaktewateren als bluswater. De veiligheidsregio moet aangeven of voldoende bluswater aanwezig is, aangezien er geen oppervlaktewater direct aan de projectlocatie grenst. Mogelijk kan bluswater uit de nabijgelegen oppervlaktewateren gehaald worden. Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan uit schuilen en ontvluchten. Schuilen is mogelijk op het defensieterrein zelf. De aanwezige gebouwen op het terrein bieden genoeg bescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4108/documents/49039