CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Vraag 18okt22 raadslid Schouten (D66) + Antwoord college 1nov22

Raadsvergadering 8 november 2022, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvragen + Antwoorden13.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

https://www.ifv.nl/kennisplein/vrijwilligheid-bij-de-brandweer/publicaties/het-net-ophalen-buiten-de-brandweerorganisatie

17

vooral uit vrijwilligers bestaat. Dit impliceert dat een ruime meerderheid van de respondenten het werk van de brandweer als een betaalde baan zien en niet als vrijwilligerswerk. Het blijkt dat interesse in vrijwilligerswerk bij de brandweer toeneemt naarmate het beeld van brandweervrijwilligers meer overeenkomt met de eigen voorkeuren. Uit de literatuur komt naar voren dat eenmaal aangemelde vrijwilligers weer afhaken wanneer hun verwachtingen van het werken bij de brandweer niet overeenkomen met de daadwerkelijke praktijk. De respondenten hebben een voorkeur voor het doen van vrijwilligerswerk in een organisatie met een open cultuur en persoonlijke omgangsvormen, waarin verschillende type mensen werken en een vrije keuze bestaat in het opkomen bij een noodgeval. In het algemeen kan gesteld worden dat burgers vooral geïnteresseerd raken wanneer zij informatie hebben gekregen over wat het werken bij de brandweer inhoudt en wanneer zij op de hoogte zijn van de noodzaak van het vinden van voldoende vrijwilligers. Dit betekent dat informatie belangrijk is om de interesse van potentiële vrijwilligers te wekken.

Ad. 2.Wat kan de brandweer leren van andere organisaties die met vrijwilligers werken? De cultuur en de werksfeer op de locatie waar de vrijwilliger werkt, wordt geregeld als reden genoemd waarom vrijwilligers hun vrijwilligerswerk waarderen. De direct leidinggevende speelt een belangrijke rol in het bewaken van die cultuur en sfeer en daarmee ook bij het behouden van vrijwilligers. Tevreden vrijwilligers spelen een belangrijke rol in de werving van nieuwe vrijwilligers. De knelpunten die ervaren worden als het gaat om het werven van nieuwe vrijwilligers – beeldvorming, lange termijn, what’s in it for me, onbekendheid bij hoofdwerkgevers, het perspectief van de vrijwilliger en doelgroep(verbreding) – worden ook ervaren binnen de brandweer, hoewel lokale verschillen groot kunnen zijn. Hetzelfde kan gezegd worden over de ervaren knelpunten met betrekking tot het behouden van vrijwilligers – de jongere generatie blijft minder lang, gebrek aan tijd, cultuur/sfeer op de werkvloer, overvragen van vrijwilligers, gebrek aan daadwerkelijke inzetten, leeftijd en toekomstige problemen zoals de Europese Deeltijdrichtlijn – hoewel ook hier geldt dat de verschillen tussen brandweerposten groot kunnen zijn.

Er is één belangrijke, afwijkende factor die het voor de meeste organisaties makkelijker maakt om vrijwilligers te werven en te behouden: de beschikbaarheid en planbaarheid van vrijwilligers. Waar de brandweer hier strikte eisen aan stelt (een vrijwilliger moet bij een melding binnen enkele minuten op de brandweerkazerne aanwezig zijn), zijn de meeste andere organisaties daar flexibeler in. Een veelgenoemde oplossingsrichting is oog hebben voor de wensen (‘what’s in it for me’) en mogelijkheden van de individuele vrijwilliger en voor het feit dat deze wensen en mogelijkheden gedurende het leven kunnen veranderen. In tijden van verschuivende prioriteiten, kan een organisatie vrijwilligers behouden door in taken en verantwoordelijkheden op te schalen of af te schalen. Relatie sociaal-cultureel en de brandweerorganisatie Interne ontwikkelingen als behapbare basis en flexibele uitruk sluiten aan bij de ontwikkelingen op sociaal-cultureel gebied. De strakke scheiding tussen brandweerwerk en werk van anderen vervaagt. Een voorbeeld hiervan is duiken. Het is mogelijk om enkel voor de duiktaak bij de brandweer te zijn. Het is dan ook niet nodig om een volledige manschap-opleiding te volgen. Zo zijn er nog meer taken die weggelegd kunnen worden bij niet-brandweermensen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan logistieke taken of eerste waarnemingen met behulp van foto’s en video’s.

Taken die aanvullend en ondersteunend zijn aan het werk van de repressieve brandweermensen.

18

4.4 Technologie Welke technologische ontwikkelingen zijn er binnen en buiten onze branche die onze strategische fit gaan bepalen. Technologische ontwikkeling Technologische ontwikkelingen bij de brandweer vinden vaak hun oorsprong bij defensie: infraroodcamera, robotisering. Defensie is een alliantiepartner waarmee we de samenwerking kunnen zoeken. De brandweer heeft zelf maar beperkte mogelijkheden om technologische ontwikkelingen te initiëren. Beperkingen die zowel met financiën te maken hebben als met het feit dat op het moment suprême de burger verzekerd moet zijn dat de middelen die de brandweer inzet beproefd en betrouwbaar zijn. Veel ontwikkelingen zullen in het teken staan van de energietransitie. Ontwikkelingen waarover nog geen regelgeving bestaat en waar de brandweer zich wel op de risico’s moet voorbereiden. De komst van de zelfsturende voertuigen zonder tussenkomst van de mens heeft een langere tijdshorizon dan 10 jaar omdat hier nog veel vraagstukken omheen zitten. Artificial Intelligence is wel slim, maar heeft geen bewustzijn.

Hoe gaat een zelfsturende auto om met een moreel dilemma om wanneer bijvoorbeeld een ongeluk onvermijdelijk is door menselijk gedrag: rijdt hij de kinderen op de weg aan of de ouderen op de stoep?29 Ook zijn we nog ver weg van het moment dat een robot een brandend pand naar binnen gaat en op basis van wat hij aantreft zelfstandig de juiste besluiten neemt en handelingen combineert. Op dit moment kan een robot meten, bepaalde repeterende handelingen verrichten, informatie binnen halen en combineren. Nederland bouwt al behoorlijk brandveilig, daar is vooralsnog geen revolutionaire ontwikkeling te zien. Informatietechnologie Data-analyse helpt om je koers te bepalen. Patronen in data vormen de basis van kwalitatief betere besluiten. Je hoeft data echter niet zelf te genereren en beheren (juist niet) maar je moet juist delen en gebruikmaken van data die er op veel plekken al gewoon is. Veel data is te herleiden uit opensources. Met behulp van Artificial Intelligence (AI) zijn verbanden te leggen en patronen te herkennen (en zelfs voorspellingen te doen) mits er genoeg informatie voorhanden is. Daarbij moet echter aandacht zijn voor de kloof tussen de techneut die weet wat er allemaal kan maar die de behoeftes in het veld niet kent en de uitvoerder die precies weet wat hij zou willen maar die niet weet wat er allemaal mogelijk is.

Zorg dat je de juiste deskundigheid in huis hebt om de vertaalslag van data naar bruikbare informatie te kunnen maken. i-labs van de politie De politie werkt in het Innovatielab (iLab in Heerlen), samen met bedrijven en kennisinstellingen aan nieuwe oplossingen voor veranderende veiligheidsuitdagingen. Bijvoorbeeld met rechercheurs in de iroom om beelden van drones en smart-glasses van politiemensen ter plaatse te analyseren. Vervolgens op basis van de beelden en beschikbare data een gericht advies geven welke actie gepast is. Het is voor de brandweer interessant om te onderzoeken of aansluiting mogelijk is. Een voorbeeld van samenwerking is inzet van de smart-glasses in ziekenhuizen zodat artsen op afstand mee kunnen kijken en advies kunnen geven. Een voorbeeld dat de techniek het middel is maar de echte winst zit in het delen van de technologie en het verbreden van de toepassingen.

29 Yuval Noah Harari, historicus en futuroloog

19

VIC bij Crisisbeheersing Het VIC (Veiligheids Informatie Centrum) is de verzamelnaam van alle ontwikkelingen om als Veiligheidsregio meer informatiegestuurd te werken. Dit betekent dat de mogelijkheden van informatie en informatietechnologie maximaal benut worden om het dagelijkse werk binnen de crisisbeheersing en rampenbestrijding verder te verbeteren. Het is steeds meer van belang om te weten wat er speelt en daarvoor is informatie nodig. Dit voor de langere termijn voor het maken van de juiste beleidskeuzes, maar ook voor de korte termijn om goede besluiten te kunnen nemen als het mis dreigt te gaan of is gegaan. Doel is om samen te werken aan de informatiegestuurde veiligheid en daarmee het werk van de hulpverleners en de samenleving veiliger te maken. Het VIC wordt vormgegeven door de beide Limburgse Veiligheidsregio’s. Dit omdat we samen meer slagkracht hebben en een groot deel van onze Limburgse partners ook op Limburgse schaal zijn georganiseerd. Denk aan de meldkamer, de politie, het waterschap en de Provincie Limburg. Relatie technologie en de brandweerorganisatie Terugkijkend op de afgelopen 20 jaar en vooruitkijkend is de verwachting dat er minder uitslaande gebouwbranden en meer kleine binnenbranden. Het zijn veelal kleine woningbranden die bij snel ingrijpen klein blijven.

Door de woningisolatie en vele kunststoffen blijven dit gevaarlijke branden voor bewoners, niet beschermede hulpverleners en zelfs voor brandweerpersoneel met ademlucht omdat de rookontwikkeling in een woning groot kan zijn. Daar waar de bewoners minder zelfredzaam zijn, zijn meer branden met slachtoffers te verwachten. Door schaalvergroting worden gebouwen vaak groter. In de regel blijven branden in dit soort gebouwen klein maar incidenteel zullen veiligheidsmaatregelen niet functioneren en is sprake van een zeer grote brand. Er is steeds meer kennis nodig om risico’s te beperken. De brandweer volgt de technologische ontwikkelingen bij onder andere defensie en politie en vertaalt deze naar de eigen organisatie om complexe branden te kunnen blijven bestrijden. Recente voorbeelden hiervan zijn:   

Inzet landelijke drone-teams: ook toegepast bij de bestrijding van de brand aan de Meinweg in Roerdalen. Inzet van specialistische brandbestrijdingsteams met blusrobots voor grote gebouwen. Doorontwikkeling van informatietechnologie zodat real-time informatie beschikbaar is in de commando-centra tijdens de bestrijding van incidenten: bijvoorbeeld ontsluiting van camerabeelden op de mobiele dataterminals.

De ‘human factor’ Er komt steeds meer informatie beschikbaar en dan lopen we snel tegen de beperkingen van de mens zelf aan, de ‘human factor’. We moeten de informatie eerst verwerken tot een advies of een handelingsperspectief voor de hulpverlener ter plaatse. Dezelfde technologische ontwikkelingen die tot meer gevaren leiden, bieden hier juist ook kansen: door al die informatie en kennis te combineren en analyseren, komen we tot ‘voorschrijvende incidentenbestrijding’ en houden we de informatievoorziening behapbaar. Met behulp van nieuwe technologieën informatie kunnen verzamelen, verwerken en doorgeven om de gevaren het hoofd te bieden!

20

4.5 Ecologie De invloed van ons functioneren en de keuzes die we dagelijks en strategisch maken in organisaties hebben invloed op onze omgeving en het milieu. Klimaatadaptatie Voor Nederland betekent klimaatverandering dat zich meer weersextremen zullen voordoen. Zo zijn hittestress en extreme neerslag risico’s waarop adaptief gereageerd zal moeten worden in de ruimtelijke ordening. Met het oog op het veranderende klimaat zijn gemeenten verplicht een klimaatstresstest te doen om knelpunten op het gebied van onder meer wateroverlast door extremere neerslagpieken in kaart te brengen. Ook moeten zij kijken naar de gevolgen van andere weersextremen, zoals uitzonderlijke droogte, hitte en overstromingen. Nieuwe energiebronnen Om ons land te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering zijn er nationaal en internationaal klimaatdoelen afgesproken, waarbij landen hun CO₂-uitstoot fors moeten terugdringen. Daarbij wordt gezocht naar alternatieve energiebronnen met een geringere CO₂-uitstoot dan fossiele brandstoffen. Wijken worden aardgasvrij, waarbij huizen verwarmd worden met alternatieve energiebronnen en buurtbatterijen zorgen voor energieopslag. Huiseigenaren installeren zonnepanelen en warmtepompen en isoleren hun huizen met allerlei materialen.

We gaan meer hybride en elektrische auto’s op de weg zien, maar ook voertuigen die rijden op waterstof, aardgas, groengas en zonne-energie. Ook is er een toename in locaties waar productie, transport en opslag van nieuwe energievormen plaatsvindt (zoals biomassa- en mestvergistingsinstallaties, zonneparken en tankpunten voor vloeibaar aardgas). Intensieve veehouderij In Limburg-Noord bepaalt de agrarische sector voor een belangrijk deel het gezicht van het landelijk gebied. Er is veel intensieve veehouderij, glastuinbouw en tuinbouw; er zijn relatief veel megastallen. Naast de gevolgen voor de dieren in de stallen, is een stalbrand is voor veehouders en hulpverleners een traumatische ervaring. In 2019 waren er in Nederland in totaal 41 stalbranden, met ruim 175.000 dierlijke slachtoffers.30

30 Brandweer Nederland. [https://www.brandweer.nl/brandweernederland/nieuws/2020/stalbranden-te-

vaak-oorzaak-onbekend]

21

Relatie ecologie en de brandweerorganisatie De brandweer zet zich in op het beheersen van de risico’s. Dit betekent dat er specifieke deskundigheid nodig is bij de brandweer om te kunnen adviseren over (brand)veiligheid. Het is aannemelijk dat de brandweer zich geconfronteerd ziet met een toename van de hulpverlening als gevolg van storm- en wateroverlast en met een toename van natuurbranden als gevolg van toenemende droogte en warmte. Van belang hierbij is dat de brandweer voldoende slagkracht heeft in aantallen voertuigen die geschikt zijn om in onverhard gebied te gaan blussen (4X4-aangedreven) en waterwagens die zorgen voor voldoende bluswater. Vanuit de energietransitie worden nieuwe risicobronnen geïntroduceerd. Dit betekent dat er meer specifieke deskundigheid nodig is bij de brandweer om te kunnen adviseren over (brand)veiligheid en om bij een incident passende repressieve technieken en (blus)materialen in te kunnen zetten: specialisatie van optreden bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Repressief optreden in megastallen met grote brandcompartimenten vraagt om specifieke kennis en materieel van de brandweer: specialisatie in brandbestrijding en optreden met grote blusrobots. Specifieke deskundigheid en voldoende slagkracht zijn noodzakelijke componenten om een robuuste brandweerorganisatie te vormen.

4.6 Politiek-Juridisch ontwikkelingen Wat zijn de politieke en juridische beleidsontwikkelingen die van invloed zijn op de brandweerorganisatie? WNRA WNRA staat voor Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren. Deze wet maakt een einde aan de uitzonderlijke rechtspositie van ambtenaren. Zij gaan onder het normale arbeidsrecht vallen. Op het moment van schrijven van deze notitie is nog niet helder of personeel (inclusief brandweervrijwilligers) van de veiligheidsregio’s onder de WNRA vallen of hiervan worden uitgezonderd. Wanneer zij onder de WNRA vallen heeft dit rechtspositionele gevolgen. Deeltijdrichtlijn en Taakdifferentiatie Zoals in hoofdstuk 2 onder landelijke ontwikkelingen genoemd, heeft de uitkomst van de discussie over de deeltijdrichtlijn en de mogelijke oplossing tot taakdifferentiatie tussen vrijwilligers en beroepspersoneel invloed op de inrichting van de brandweerorganisatie. Afdekken risico’s Sinds eerder aangehaalde incidenten, maar ook als gevolg van latere gebeurtenissen31, is in toenemende mate de (politieke) behoefte ontstaan om risico’s zoveel als mogelijk af te dekken. Daarbij gaat het zowel om het afdekken van de risico’s voor de samenleving (schade, letsel, imago) als om het afdekken van (gezondheids)risico’s voor hulpverleners. De snelle opkomst van social media hebben deze ontwikkeling versterkt. Alles ligt vast op beeld.

Dit resulteert in een bestuurlijk spanningsveld. Enerzijds wil men bijvoorbeeld graag evenementen toestaan maar anderzijds mag dit niet tot incidenten leiden. Het resultaat lijkt soms te leiden tot een overregulering om maar elk risico af te dekken Er zijn grenzen aan risicovermijding. Het bestuur zal de samenleving moeten blijven aangeven dat er ook eigen verantwoordelijkheid blijft en er ook incidenten en crises zullen blijven ontstaan. De verdeling van middelen tussen, zorg, welzijn en veiligheid vindt politiek plaats. 31 Sprekende voorbeelden zijn het ongeval met de monstertruck in Haaksbergen, diverse grote natuurbranden en de vuurstorm

in Scheveningen

22

5. Analyse Alle informatie uit de voorgaande hoofdstukken leidt tot keuzes in hoe de brandweer georganiseerd kan worden. Er zijn verschillende richtingen te schetsen hoe de brandweer vanaf 2030 georganiseerd kan zijn. Bepalend hiervoor zijn de antwoorden op de vragen uit de inleiding van deze notitie: 1. Hoe ziet de toekomst eruit? 2. Wat is de hulpvraag vanuit de samenleving? 3. Wie kan de hulpvraag beantwoorden? Denk hierbij aan netwerken in de samenleving, burgerinitiatieven. 4. Welk deel van de hulpvraag komt bij de repressieve brandweer terecht? 5. Welke technieken staan ons ter beschikking? 6. Welk kwaliteitsniveau willen wij bieden? De laatste vraag wordt beantwoord in hoofdstuk 6 7. Hoe organiseren wij de repressieve brandweer? Vanuit een voorzichtige analyse komen we tot de volgende antwoorden: 1. Hoe ziet de toekomst eruit? In hoofdstuk 4 is de toekomst verkend aan de hand van de DESTEP-methode. Hieronder staat op elk onderdeel een analyse naar de toekomst. Demografie: De gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking neemt toe en de totale potentiële beroepsbevolking neemt tot 2023 volgens de prognoses met 5% tot 10% af. Daarnaast zien we een trek van mensen naar de stad. Door doorstroming en uitstroming van personeel blijft de brandweer nieuwe (jonge) aanwas nodig hebben om het werk te kunnen blijven uitvoeren.

Het rendement van een gemiddelde vrijwilliger is lager geworden. Gemiddeld blijven nieuwe mensen 6 tot 10 jaar verbonden. Deze ontwikkelingen leiden er toe dat weving van nieuw personeel, beroeps maar vooral vrijwillig, een continu proces is geworden. Het is niet ondenkbaar dat de demografische ontwikkelingen invloed hebben op de paraatheid van posten. Het is niet te voorspellen wanneer en op welke posten deze invloed merkbaar wordt. Economie: Wisselen van baan (plaats, werktijden, werkomstandigheden, etc.) kan het moeilijker maken een betaalde baan te combineren met vrijwilligerswerk voor de brandweer. Dat kan een groter verloop onder brandweervrijwilligers betekenen en invloed hebben op de paraatheid van een post. Tegelijkertijd kan toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt en bijbehorende inkomensonzekerheid het werken als brandweervrijwilliger aantrekkelijker maken (extra inkomsten). Ook inkomensdaling die (tijdelijke) werkloosheid met zich meebrengt, kan de extra inkomsten van werken als brandweervrijwilliger aantrekkelijker maken. Als er uitgerukt wordt vanuit de woonplaats, betekent een lange reisafstand tussen werkplek en woonplaats dat het moeilijker wordt de paraatheid overdag te garanderen. De ontwikkeling van thuiswerken heeft een positieve invloed op de paraatheid van brandweerpersoneel overdag.

In de periode maart-juli 2020 was het aantal buitendienstmeldingen van posten gedaald met 90% ten opzichte van 2019. Deze ontwikkeling kan ondersteund worden door werkplekken beschikbaar te stellen op brandweerkazernes voor brandweerpersoneel dat thuis geen ruimte heeft om te werken.

23

Sociaal-cultureel: De jongeren van nu zoeken naar een flexibele werk- en levensstijl. Wanneer verwachtingen van het werken of sociale activiteiten niet overeenkomen met de praktijk, zoeken ze verder. Informatie is belangrijk bij het maken van keuzes: wat kan ik betekenen voor de maatschappij en wat haal ik er voor mezelf uit (motivatie), wat moet ik daarvoor kunnen (capaciteit) en welk beroep wordt er op mij gedaan (gelegenheid). Iedereen is gelijk en met iedereen wordt gelijk gecommuniceerd. Waar we naar toe moeten is werven van vrijwilligers die van alles kunnen, in plaats van vrijwilligers die alles moeten kunnen. Laat ieder zijn stukje doen waar hij of zij goed in is en graag wil doen. Interne ontwikkelingen als behapbare basis en flexibele uitruk sluiten aan bij de ontwikkelingen op sociaal-cultureel gebied. Technologie: Technologische ontwikkelingen zijn ondersteunend aan het werk van de brandweer. De brandweer volgt de ontwikkelingen bij onder andere politie en defensie. Voorbeelden daarbij zijn inzet van drones, blusrobots en informatietechnologie. We verwachten in de periode tot 2030 geen technologische ontwikkelingen die het werk van de brandweer drastisch veranderen.

Ecologie: De brandweer ziet zich door klimaatverandering geconfronteerd met een toename van de hulpverlening als gevolg storm- en wateroverlast en met een toename van natuurbranden als gevolg van toenemende droogte en warmte. Van belang hierbij is dat de brandweer voldoende slagkracht heeft in aantallen voertuigen die geschikt zijn om in onverhard gebied te gaan blussen (4X4-aangedreven) en waterwagens die zorgen voor voldoende bluswater. Vanuit de energietransitie worden nieuwe risicobronnen geïntroduceerd. Dit betekent dat er meer specifieke deskundigheid nodig is bij de brandweer om te kunnen adviseren over (brand)veiligheid en om bij een incident passende repressieve technieken en (blus)materialen in te kunnen zetten: specialisatie van optreden bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Repressief optreden in megastallen met grote brandcompartimenten vraagt om specifieke kennis en materieel van de brandweer: specialisatie in brandbestrijding en optreden met blusrobots. Politiek-juridisch De landelijke discussie over de deeltijdregeling en taakdifferentiatie heeft invloed op de organisatie van onze brandweer. De landelijke denkrichting voor een geaccepteerde invulling van de deeltijdregeling is om te komen tot een substantiële taakdifferentiatie tussen vrijwilligers en beroepsmatige brandweermensen.

Dit is een fundamentele verandering want het huidig stelsel gaat uit van gelijke taken voor beroeps- en vrijwilligers. 2. Wat is de hulpvraag vanuit de samenleving? De hulpvraag blijft voor een groot deel hetzelfde. Er blijven branden ontstaan en er vinden ongevallen plaats. De aard van de incidenten kan complexer worden door technologische ontwikkelingen en door nieuwe risicobronnen zoals bijvoorbeeld vanuit de energietransitie.

24

3. Wie kan de hulpvraag beantwoorden? 4. Welk deel van de hulpvraag komt bij de repressieve brandweer terecht? De antwoorden op deze vragen hangen met elkaar samen. Te beginnen met het antwoord op vraag 4. De verwachting van de maatschappij is en blijft dat de brandweer snel inzetbaar is op brandbestrijding en hulpverlening. De brandweer blijft verantwoordelijk voor de invulling van de primaire wettelijke taken. De brandweer wil helpen daar waar kan. Wanneer de brandweer maatschappelijk relevante taken kan en mag uitvoeren, draagt dit bij aan het gevoel van betekenis te zijn voor de maatschappij en de motivatie om bij de brandweer te willen zijn. Invulling geven aan maatschappelijk relevante taken draagt daarmee bij aan de paraatheid van de brandweerorganisatie. De burger is bereid te helpen, mits hij de hulpvraag snapt, deze eenvoudig uit te voeren is en de uitvoering voldoening geeft. Het werk van de brandweer wordt snel als een professionele klus gezien. Burgers zijn geneigd aan de kant te gaan staan wanneer de brandweer arriveert. Tegelijkertijd hebben professionele hulpverleners de neiging burgers weg te sturen zodra zij zelf ter plaatse zijn. Burgerhulpverlening bij reanimatie is ingericht en opgepakt door burgers. Deze taak is ook opgepakt door de brandweer. De discussie of deze taak nog bij de brandweer moet liggen is gerechtvaardigd.

Er is minder toegevoegde waarde als burgernetwerken goed functioneren. De mentale belasting van het uitvoeren van reanimaties vraagt om een individuele keuzevrijheid om al dan niet uit te rukken naar een reanimatie. Een burgerhulpverlener heeft deze vrijheid, voor de brandweermensen voelt het als een verplichting en daardoor kan het een belasting vormen. Mogelijke oplossing hierbij is om als brandweerorganisatie te stoppen met uitrukken naar organisaties en de vrijwilliger de keuze te geven om via de pager als persoon opgeroepen te worden. Vanuit Brandveilig leven mobiliseren we burgerkracht aan de kant van risicobeheersing. Vanuit dit netwerk kunnen we samen met gemeenten proeftuinen opzetten om burgerkracht te mobiliseren aan de kant van incidentbestrijding. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het helpen bij een ontruiming. Stel dat in een verzorgingstehuis maar 1 personeelslid aanwezig is en het tehuis ontruimd moet worden vanwege brand. Wanneer dit personeelslid geleerd heeft hoe hij of zij gebruik kan maken van burgers om te helpen bij de ontruiming, kan de brandweer zich primair richten op de brandbestrijding en is er minder brandweerpersoneel nodig bij de ontruiming. Burgerhulpverlening vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de brandweer en is aanvullend op brandweertaken en niet vervangend.

Welke technieken staan ons ter beschikking? Brandweer Limburg-Noord beschikt over moderne hulpmiddelen. Beproefde technologie zal zijn plek krijgen bij de inzet van de brandweer. We zijn geen voorloper maar lopen ook zeker niet achteraan. Ook hier is geen ontwikkeling te verwachten die maakt dat de brandweer in 2030 in de basis verandert. 5. Welke technieken staan ons ter beschikking? Op het gebied van informatietechnologie zijn de ontwikkelingen in volle gang. We kunnen via drones en satellieten, en zelfs met bodycams en dashcams, real time beelden maken. Zo verzamelen we steeds meer informatie over incidenten, terwijl de hulpverleners nog onderweg

25

zijn. Daarnaast is er steeds meer informatie beschikbaar die (nog) niet toegankelijk is voor de brandweer. Maar die wel kan helpen om een incident te bestrijden. Zo is er van elk nieuw gebouw tegenwoordig al een 3D map beschikbaar, zijn er toegangscontrolegegevens, inventarislijsten, gevaarlijke stoffenlijsten en bewakingscamera’s. Wat zou het mooi zijn als burgers en bedrijven die informatie met ons willen delen, op het moment dat zich in hun gebouw een calamiteit voordoet. Ook binnen de eigen organisatie kan steeds meer informatie beschikbaar gemaakt worden voor incidentbestrijding zoals informatie uit vergunningverlening en veiligheidscontroles. De uitdaging is dus, om de juiste kennis op het juiste moment op de juiste plaats te krijgen. 6. Welk kwaliteitsniveau willen wij bieden? Het kwaliteitsniveau van de brandweerorganisatie laat zich niet in kwantitatieve cijfers uitdrukken. Het enige kwantitatieve cijfer dat bepaald is, is de opkomsttijd van het eerste voertuig bij brand in een gebouw. Dit getal zegt weinig over het kwaliteitsniveau van de brandweer in de volle breedte van het takenpakket. De repressieve brandweerorganisatie heeft de inspanningsverplichting om de risico’s in de regio te beheersen. Daarvoor is de organisatie flexibel, rationeel en robuust ingericht.

Met een flexibele organisatie sluiten we aan op de flexibele werk- en levensstijl van de jongere generatie om een interessante werkgever te blijven en zetten we in op flexibele voertuigbezetting om paraatheid te borgen. Rationele brandweerzorg betekent dat we de inspanningen die we vragen van onze medewerkers behapbaar zijn en dat we de brandweerzorg organiseren tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Robuustheid komt tot uitdrukking in voldoende slagkracht en specialistische kennis om grootschalige en complexe incidenten te kunnen bestrijden.

26

6. Conclusies In dit hoofdstuk geven we antwoord op de laatste onderzoeksvraag: 7. Hoe organiseren wij de repressieve brandweerzorg?

Beeld van de repressieve brandweerzorg vanaf 2030 volgens de commissie Op basis van de analyse in hoofdstuk 5 ziet de Commissie brandweerzorg in de toekomst een repressieve brandweerorganisatie die flexibel, rationeel en robuust is ingericht om snel en adequaat incidenten te kunnen bestrijden. Dit gebeurt door vrijwilligers in combinatie met beroepskrachten en met ruimte voor burgerhulpverlening. Snel en adequaat betekent dat de basisbrandweerzorg georganiseerd is vanuit de lokale brandweerposten. Eenvoudige technieken en tactieken en een verregaande standaardisering maken dat de lokale vrijwilliger de basisincidenten in zijn of haar verzorgingsgebied kan bestrijden: werken vanuit een behapbare basis. Daar waar de uitrukfrequentie te hoog is voor een vrijwillige post, hebben we een beroepspost. Aanvullend op de vrijwillige posten die op basis van vrije instroom werken, creëren we waar en wanneer nodig een beroepsmatige schil van gegarandeerde paraatheid. De focus van de specialistische teams ligt op hoogwaardige kennis van en ervaring met complexe incidenten en minder op de opkomsttijd. We realiseren ons dat ‘de vrijwilliger’ niet bestaat. Ieder mens heeft zijn eigen motivatie, competenties en (privé)omstandigheden. We mobiliseren vrijwilligheid door rekening te houden met deze factoren.

Daarmee maken we werken bij de brandweer voor verschillende doelgroepen interessant en stimuleren we diversiteit binnen de organisatie.

Aansluiting bij het Beleidsplan Veiligheidsregio Limburg-Noord 2020-2023 Het beeld van de commissie over de ontwikkeling van de repressieve brandweerorganisatie, sluit aan bij de kernwaarden en beleidsontwikkelingen uit het beleidsplan, beschreven in hoofdstuk 2. We kunnen verder met de bouwstenen waarmee we al aan het bouwen zijn:      

De behapbare basis Risicogerichte specialismen Een flexibel repressief organisatiemodel Gebiedsgerichte opkomsttijden in het volgende dekkingsplan Toekomstbestendige brandweerzorg, met inachtneming van de ‘deeltijdrichtlijn’ Informatiegestuurd werken en continu ontwikkelen van onze kennis.

Uitgangspunt is dat we de brandweerorganisatie blijven financieren binnen de bestaande begroting.

Risico’s Taakdifferentiatie als oplossing voor het vraagstuk vanuit de deeltijdrichtlijn, staat op gespannen voet met eerder gekozen oplossingen voor de borging van de paraatheid. De vrijwilliger heeft geen beschikbaarheids- of opkomstplicht waardoor vormen van kazernering en consignering van vrijwilligers niet meer zijn toegestaan.

27

De gevolgen van taakdifferentiatie zijn in een separate notitie en op basis van de informatie van september 2020 uitgewerkt in drie scenario’s. Elk scenario leidt tot structurele kostenverhoging. De ontwikkeling van een rationele brandweerzorg in 2030 biedt kansen om de financiële gevolgen van taakdifferentiatie te verzachten. Kanttekeningen bij de landelijke ontwikkelingen: -

De landelijke denkrichting is op dit moment (oktober 2020) nog niet vastgesteld. Naar verwachting bespreekt het Veiligheidsberaad in december 2020 opnieuw de denkrichting en de consequenties voor het personeel en de organisaties van de veiligheidsregio’s.

-

Een aantal veiligheidsregio’s heeft moeite met het tempo waarin gewerkt wordt en voorziet problemen in de eigen organisatie wanneer taakdifferentiatie snel ingevoerd moet worden.

-

Het is nog onbekend bij wie de kosten van taakdifferentiatie gaan landen: is het een stelselwijziging onder verantwoordelijkheid van het Rijk, of een arbeidsrechtelijke wijziging onder verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s als werkgevers?

28

7. Voorstel Het voorstel van de Commissie repressieve brandweerzorg aan de Bestuurscommissie veiligheid is als volgt: -

Kennis nemen van het verkennend onderzoek naar de brandweerzorg in 2030. De conclusies uit het onderzoek onderschrijven. Opdracht geven aan de brandweerorganisatie om de uitwerking van de conclusies op te nemen in de reguliere beleidscyclus. Opdracht geven aan de brandweerorganisatie om vóór het volgende beleidsplan een nieuwe toekomstanalyse uit te voeren. De relatie met het landelijk vraagstuk over de deeltijdrichtlijn en taakdifferentiatie blijven bewaken.

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=27b6212b-0f31-41eb-89a2-5796dacec12c