VNG Visitatiecommissie Leudal (achtergrondinfo)
Tekst van het document
4
Hoe kunnen inkoop of contractvoorwaarden worden ingezet om (grote) aanbieders en aanbieders met een monopoliepositie te sturen?
• Scherp opdrachtgeverschap aan en organiseer strakkere sturing vanuit contractmanagement, waar de gemeente Leudal dan bijstuurt wanneer nodig. Door daadkrachtig/zakelijk opdrachtgeverschap kan de gemeente ontwikkelingen bij aanbieders stimuleren. De contractmanagers kunnen hierbij de volgende vragen stellen: - Waaruit blijkt dat ‘goede zorg’ geleverd wordt (outcome)? - Waaruit blijkt dat u in de trajecten de basiszorg betrekt om te kunnen afschalen? - Hoeveel trajecten zijn er afgesloten in welke termijn? Hoeveel recidieven? - Wat doet u aan innovatie? - Kunt u aangeven hoe er geleerd wordt in uw organisatie? Op basis van wat? En waaraan zien we dat terug? • Bij daadkrachtig opdrachtgeverschap hoort ook het bijsturen in lijn met de visie. Dat kan door een scherp gesprek te voeren en tijdig in te grijpen bij misstanden en/of onwenselijke situaties. • Onderzoek hoe de gemeente kan bijsturen en neem daarbij ook alternatieve sturingsmogelijkheden in beschouwing. Het proces dat Venlo al doorlopen heeft, zou hiervoor een goed startpunt kunnen zijn. Leer ook van partijen in andere domeinen die zich het opdrachtgeverschap eigen hebben gemaakt, zoals bijvoorbeeld zorgkantoren. Breng daarnaast zorgen om de financiën op tafel bij de ontwikkeltafels Jeugd. Overweeg op termijn minder aanbieders te contracteren per zorgvorm.
• Stimuleer aanbieders die het goed doen en stappen zetten in substitutie, tijdige afschaling en een meer effectieve inzet van zorg. De gemeenten in West-Brabant West hebben hierover afspraken gemaakt met hun
18
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
aanbieders. De gemeente Leudal zou met een van die gemeenten in gesprek kunnen gaan om van hun aanpak te leren en toepasbare elementen in Leudal te integreren. • Bespreek intern wat wenselijk is bij het op scherp zetten van de relatie met aanbieders, met name in het kader van het verdelen van schaarste. Kijk ook wat de mogelijkheden zijn om met de regio hierin gezamenlijk op te treden.
Reactie kennisinstituten (NJi, Movisie en Divosa):
Wij raden de gemeente Leudal aan om scherp te krijgen wat zij verstaat onder maatschappelijk partnerschap, hoe zich dit verhoudt tot hun rol als opdrachtgever en met wie zij een partnerschap aan willen gaan. Een partnerschap ga je aan op resultaten die je gezamenlijk wilt bereiken. Hierbij heb je oog voor elkaars belangen en elkaars tekortkomingen. Dit houdt in dat men in een partnerschap ook ontvankelijk is voor kritiek en verbeterpunten, om met elkaar te leren. Een randvoorwaarde voor partnerschap is dat de partners bewust een proces ingaan waarin ze afspraken met elkaar maken. Het is niet nodig om met iedereen een partnerschap aan te gaan. Sommige partijen kunnen een (strategisch) partner zijn en anderen vervullen een leveranciersfunctie. Bij deze laatste komt de gemeente in een meer opdrachtgevende rol. Maar ook bij deze laatste rol zijn er twee partijen; een zorgaanbieder accepteert de opdracht (vanuit de visie, leidende principes en randvoorwaarden van de gemeente) en gaat hier dus mee akkoord. Het kan de gemeente helpen om een afweging te maken met wie zij een partnerschap aan wil gaan (bijvoorbeeld organisaties die met transformatie bezig zijn) en met wie zij een zogenaamde leveranciersrelatie wil onderhouden (bijvoorbeeld organisaties met een winstbelang). Vervolgens kan de gemeente scherpstellen wat dit inhoudt voor hun (sturings)rol.
De gemeente heeft aangegeven dat zij behoefte heeft aan concrete sturingsknoppen om kosten te beheersen. Bovenstaande aanbevelingen zijn hiertoe samengevat in een aantal sturingsknoppen.
Geef sturingsknoppen en het causaal verband hiertussen om de kostenbeheersing in het sociaal domein structureel in controle te krijgen en te houden. 1 Operationaliseer de visie door doelstellingen concreet te maken en te koppelen aan kwaliteits-, effectiviteits- en efficiëntie-indicatoren, en monitor deze vervolgens. Vat informatie samen in stuurinformatie en evalueer periodiek of de gemeente op de goede koers ligt. Stuur bij wanneer nodig. 2 Creëer meer inzicht op basis van beschikbare data op het gebied van Jeugd. Waar komen hulpvragen eigenlijk vandaan? Wie signaleren? Wat zijn de 10 meest voorkomende hulpvragen? Wat is de achtergrond van de cliënten met de hoogste uitgaven? Wat zijn de verbanden tussen de verschillende lijnen in zorg? Vertaal inzichten in sturingsinformatie door samen met verschillende partijen (zoals het CJG-ML en aanbieders) om tafel te gaan zitten en te bespreken wat de effecten zijn van de inzichten die je hebt verkregen. 3 Ontwikkel vanuit de geoperationaliseerde visie en inzichten heldere uitvoeringsrichtlijnen voor de gemeentelijke toegang. Gebruik hiervoor ook de adviezen vanuit de regionale ‘Taskforce sturing op financiën’. Uitvoeringsrichtlijnen moeten in het algemeen beschrijven wanneer er lichtere hulpvormen moeten worden ingezet, wanneer je moet afschalen en hoe je resultaat moet definiëren.
Maak ook afspraken met externe verwijzers in de lijn van de uitvoeringsrichtlijnen. 4 Onderzoek wat de mogelijkheden zijn om de regionale samenwerking verder te versterken. De regionale samenwerking is nodig om aanbieders daadkrachtig bij te sturen waar nodig. • Werk in dialoog met aanbieders toe naar duidelijke afspraken rondom bijvoorbeeld samenwerking, resultaat en administratie. Zie er ook op toe dat deze afspraken worden nagekomen. • Analyseer op regionaal niveau voor de grootste aanbieders op mate van afschalen, wachtlijsten, recidieven en gebruik van dure versus goedkopere arrangementen. Vraag hierbij naar de oorzaken en wat de verbeterplannen zijn. Herhaal dit tweemaal per jaar. 5 Stel limieten aan het jeugdhulpgebruik in het onderwijs, gebaseerd op landelijke cijfers. Maak hierbij duidelijk wat de taak is vanuit het speciaal (basis)onderwijs en wat de toevoeging moet zijn vanuit jeugdhulpaanbieders. Maak afspraken met de scholen die niet kunnen voldoen aan deze eis en stel met hen een verbeteringsplan op.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
19
Bijlage I – Grip… Grip in het sociaal domein heeft steeds te maken met twee onderdelen: inzicht en handelingsperspectief. Om grip te kunnen hebben, moet je weten welke ontwikkelingen zich voordoen. Vervolgens moet je hier in meer of mindere mate sturing aan kunnen geven óf op kunnen anticiperen. Zonder dit laatste is er geen sprake van grip maar alleen van inzicht. Daarbij is het goed om je te realiseren dat er vrijwel nooit sprake kan zijn van volledige grip, zeker in het sociaal domein niet. Er is altijd sprake van (de kans op) externe beïnvloeding die buiten het handelings- en zicht vermogen ligt en waar maar in beperkte mate op geanticipeerd kan worden. Gelukkig betreft dit over het algemeen maar een beperkt deel van het domein. Grip hebben begint zoals gezegd met het hebben van inzicht. Echter ook inzicht komt niet vanzelf en vraagt een afbakening en een antwoord op de vraag: waar wil je inzicht in hebben? We willen nu uiteraard niet verzanden in een eindeloze exercitie waarin we afpellen tot de kern van de scope van je gewenste inzicht, maar we kunnen nu voor het gemeentelijke sociaal domein wel stellen dat de visie het startpunt vormt van grip. Een visie verwoordt namelijk een ideaal toekomstbeeld voor (een deel van) de gemeente.
Hierin schetst een gemeente hoe de lokale samenleving functioneert, welke maatschappelijke resultaten worden bereikt en wat de uitgangspunten vormen waarmee dat ideaalbeeld gerealiseerd kan worden. Een visie laat zien wat je als gemeente in de kern het allerbelangrijkste vindt, zowel als het gaat om het uiteindelijke doel als om de route die je daarvoor af moet leggen. Een visie hoort richting te geven en wel op z’n manier dat duidelijk is welke richting gekozen wordt en op welke manier deze richting bewandeld wordt. Met name die duidelijkheid blijft een lastig aspect van iedere visie en is ook inherent aan het concept visie. Een visie is namelijk een geabstraheerde beschrijving van een toekomstsituatie die in de praktijk altijd veel complexer is en veel nuances kent. De taal die gebruikt wordt voor het beschrijven van een visie bestaat dan ook voornamelijk uit abstracte begrippen. Die zijn goed om een beeld te schetsen maar ontoereikend om een precies beeld te tekenen, met alle specificaties. Zo blijven veel visies dan ook hangen in containerbegrippen, zonder dat ze houvast geven aan de mensen die uitvoering moeten geven aan die visie.
Wil je een visie laten werken? Dan moet je een vertaalslag maken en als gemeente steeds opnieuw zo concreet mogelijk de volgende vraag beantwoorden: ‘Wat wil ik concreet zien veranderen op straat/in de wijk/bij mensen thuis?’ Met een dergelijke vertaling wordt een visie namelijk pas hanteerbaar, meetbaar en vervolgens stuurbaar. Om een visie ook meetbaar te maken, moet deze vertaling eerst nog geoperationaliseerd worden. Dat betekent dat er indicatoren geformuleerd worden die meetbaar zijn en bij voorkeur niet al te veel administratieve lasten met zich meebrengen. Over het algemeen is dat een relatief makkelijke doorontwikkeling. De voornaamste moeilijkheid bestaat uit het concreet maken van een visie. Dat gaat namelijk gepaard met het maken van keuzes en het trekken van duidelijke grenzen. Om te komen tot inzicht is er naast deze uitwerking nog één belangrijk aspect nodig en dat is een beleidstheorie (ofwel een effecttheorie). Dat is een uitwerking van de redeneerlijn die loopt van de inzet van middelen (input) en de uitvoering van activiteiten (throughput) naar de concrete resultaten (output) en de directe (outcome) en indirecte (impact) effecten. Deze redeneerlijn maakt in feite zichtbaar met welke concrete handelingen je bepaalde resultaten en effecten verwacht te behalen. Daarbij gaat het in eerste instantie niet om causale relaties die al op voorhand zijn vastgesteld.
Het mag best zo zijn dat redeneerlijnen achteraf niet blijken te kloppen. Door ze echter te expliciteren, wordt het wel mogelijk om ze ook te toetsen en kun je ze naderhand ook bijsturen.
20
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Het sturingsaspect van grip is met het juiste inzicht vervolgens niet meer dan draaien aan de knoppen die gegeven zijn. Deze knoppen zitten verwerkt in de organisatie van het sociaal domein (bijvoorbeeld de organisatie van de toegang), de gekozen bekostigingssystematiek en de contracten met zorgaanbieders. Uiteraard hangt de mate van sturing af van de mate waarin de sturingsmogelijkheden ook geborgd zijn in uitvoeringsrichtlijnen, afspraken en opgenomen contractuele verplichtingen. Er is echter meer mogelijk door naast de formele sturingsmogelijkheden ook de informele sturingsmogelijkheden te benutten. Die zitten vaak in het regelmatig, in onderling vertrouwen voeren van gesprekken en het creëren van een gezamenlijk eigenaarschap. Dit kost wel tijd en vaak ook het nodige geduld. Onderling begrip ontstaat namelijk niet zomaar. Desalniettemin heeft deze vorm van sturing altijd wel de voorkeur boven de formele sturingsmogelijkheden. Het sociaal domein is namelijk een complex ecosysteem dat zich nooit helemaal laat vangen in afspraken, contracten of procedures en in een dergelijk ecosysteem heb je meer aan een partner dan aan een opdrachtnemer. In onderstaand figuur is de vertaling van de visie naar operationele indicatoren en de beleidstheorie schematisch weergegeven.
Beleid (gemeenten) Gemeentelijke visie sociaal domein
Input (middelen, mankracht)
Throughput (zorg leveren)
Sturen
Indicatoren Meten
Indicatoren Sturen
Indicatoren Meten
Doelen
Sturen
Randvoorwaarden
Meten
Uitgangspunten
Output (aantal geholpen cliënten)
Outcome (directe effect)
Impact (Indirecte effect)
Causale relatie
Uitvoering (zorgaanbieders)
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
21
Bijlage II – Gegevensrapportage voorafgaand aan visitatie gemeente Leudal Om een beeld te scheppen van hoe gemeente Leudal er uit ziet in cijfers, is een gegevensrapportage opgesteld. Die ligt hier voor u. Het is een globaal beeld van Leudal, het sociaal domein en de gemeentelijke uitgaven daaraan. Daarbij wordt aangetekend dat een beeld in cijfers nooit een volledig beeld geeft. Deze gegevensrapportage dient, naast het geven van een globaal beeld, twee doelen. Ten eerste kunnen de in deze rapportage geschetste ontwikkelingen vragen oproepen en zo gespreksstof geven tijdens het intake-bezoek van de commissie. Ten tweede wordt de gemeente Leudal vergeleken met gemeenten van gelijke grootte en stedelijkheid, wat een indicatie geeft van waar de gemeente staat in vergelijking met controlegroepen De rapportage bestaat uit een selectie van de cijfers over Leudal uit de voor de commissie vrij toegankelijke databronnen. Ze zijn ontleend aan CBS Statline, de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein en Informatie Voor Derden (IV3), tenzij anders vermeld.
In de rapportage staan in elk geval de volgende cijfers: • Algemene kengetallen over Leudal en haar sociaal domein (afhankelijk van eventuele opvallendheden in het algemene beeld bevat dit hoofdstuk meer of minder cijfers); • Gebruik jeugdhulp, per type zorg, per verwijzer en per trajectduur; • Wmo per arrangement (ondersteuning thuis, hulp bij huishouden, verblijf en opvang, hulpmiddelen); • Gebruik voorzieningen participatiewet; • Uitgaven sociaal domein, inclusief opvallende afwijkingen ten opzichte van de begroting. Waar mogelijk is geprobeerd deze cijfers uit Leudal zoveel mogelijk door de tijd heen te presenteren en te vergelijken met gelijksoortige gemeenten, waarbij vaak gekozen is voor een vergelijking met gemeenten van vergelijkbare grootte (25.000 tot 50.000 inwoners), gemeenten met een vergelijkbare stedelijkheid (niet stedelijk) en gemeenten in heel Nederland. Wanneer wordt gesproken van de controlegroepen, gaat het om deze drie groepen, tenzij anders aangegeven. Als onderdeel van de gegevensverzameling zijn ook het Kenniscentrum Handhaving en Naleving (KCHN) van de VNG en het Ketenbureau i-Sociaal Domein gevraagd om hun kennis over de gemeente Leudal te delen.
2
Opvallendheden in deze rapportage
Hieronder worden kort de belangrijkste bevindingen in deze rapportage weergegeven. • Totale uitgaven zijn lager dan controlegroepen en van 2017 op 2018 dalende, vooral als gevolg van sterk dalende uitgaven (-50%) aan ‘samenkracht en burgerparticipatie’. • Wmo- en Participatievoorzieningengebruik per inwoner gemiddeld tot laag en licht dalende, maar uitgaven aan Wmo stijgen wel licht van 2017 op 2018. • Jeugdhulpgebruik zonder verblijf zeer veel hoger dan controlegroepen en snel stijgende. Kosten zijn iets hoger dan in de controlegroepen en eveneens stijgend van 2017 op 2018. • Opvallend is ook dat het jeugdhulpgebruik in 41,3% van de trajecten ‘geen verwijzer’ heeft, wat betekent dat de gegeven hulp door de gemeente als vrij toegankelijk wordt gezien (dus: er is geen verwijzer nodig om toegang te krijgen). • Jeugdhulpgebruik met verblijf en jeugdbeschermingsmaatregelen iets hoger dan de controlegroepen, maar stabiel.
22
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
• Waarschijnlijk kan het hoge jeugdhulpgebruik (met name voor wat betreft het verblijfsgedeelte) voor een deel worden verklaard doordat de bovenregionaal/landelijk werkende verblijfsinstelling Rubicon in de gemeente Leudal staat.
3
Kengetallen Leudal en haar sociaal domein
• Inwoners: Leudal heeft op 1 januari 2019 35.681 inwoners. De totale bevolking is sinds het ontstaan van de gemeente in 2007 gekrompen met iets meer dan 3 procent. • Geografisch en kernen: Leudal heeft een oppervlakte van 164,91 km². Leudal bestaat volgens de gemeentewebsite uit zestien dorpen. De grootste daarvan is Heythuysen, met iets meer dan 6000 inwoners. • Stedelijkheid: Leudal heeft een bevolkingsdichtheid van 220 inwoners per vierkante kilometer, waardoor het in de controlegroep ‘weinig stedelijk’ valt. Ter vergelijking: het Nederlands gemiddelde is ongeveer 510 inwoners per vierkante kilometer. • Leeftijdsopbouw: Leudal is een gemeente met voornamelijk een relatief gezien grote groep inwoners boven de 50. Zie gestapelde staafdiagram hieronder.
• Vergrijzing en ontgroening: in absolute getallen nemen de drie groepen inwoners ouder dan 50 van 2017 op 2018 toe, terwijl de groepen inwoners tot 18 en tussen de 23 en de 50 juist afnemen. • Jongeren tot 18 jaar: Leudal telt op 1 januari 2018 6187 inwoners die jonger dan 18 jaar oud zijn. • Migratieachtergronden: 87,6 procent van de bevolking is autochtoon, van de overige 12,4 procent heeft 9,4 procent een westerse migratieachtergrond en 3,0 procent een niet-westerse. Ter vergelijking: het Nederlands gemiddelde is 76,9 procent autochtoon, naast 10,1 procent met een westerse migratieachtergrond en 13,1 procent met een niet-westerse migratieachtergrond. • Opleidingen: Leudal heeft relatief iets meer middelbaar opgeleiden (47 procent) in de beroepsbevolking dan alle drie de controlegroepen. Zie tabel hieronder. % van de beroepsbevolking per opleidingsniveau
Laagopgeleiden
Middelbaar opgeleiden
Hoogopgeleiden
Leudal
21
47,4
31,6
25.000 - 50.000 inwoners
23,1
45,1
31,8
niet stedelijk
24,2
46,7
29,1
Nederland
21,1
41,7
37,2
• Werkzame beroepsbevolking: Leudal heeft in 2018 691 werkenden per 1000 inwoners; dat is meer dan de controlegroepen (679 voor 25.000-50.000 inwoners, 678 voor niet stedelijk, 672 voor Nederland). • Lage inkomens: 4,7 procent van de huishoudens had in 2015 een laag inkomen,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
23
waarvan 1,4 procentpunt langdurig laag. Landelijk was dit gemiddeld 8,2 respectievelijk 3,1 procent, en in de mediane gemeente was dit 5,5 procent respectievelijk 1,8 procent. • Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen: Leudal had op 1 januari 2018 een GGI van €25.500,- per jaar. In de mediane gemeente is dit €25.200,- per jaar. • Kans op armoede voor jongeren: kinderen hebben in Leudal 3 procent kans om in armoede op te groeien. • Gestapelde voorzieningen sociaal domein: de gemeente Leudal heeft absoluut gezien geen hoog aantal huishoudens per 1000 huishoudens met gestapelde voorzieningen, maar als percentage van het totale aantal huishoudens met een voorziening is het aantal huishoudens met twee of drie voorzieningen wel relatief hoog. Dit is te zien in de staafdiagram hier gelijk onder. Het aantal huishoudens met voorzieningen uit meerdere wetten is in alle opzichten laag (zie onderste staafdiagram).
24
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4
Jeugdzorg
Leudal heeft een zeer hoog gebruik van jeugdhulp zonder verblijf en ziet gedurende 2015 tot en met 2018 vergeleken met de controlegroepen een sterke groei van het aantal jeugdhulptrajecten zonder verblijf per 1000 jongeren. Dit is te zien in grafiek 1. Over de totale gemeten periode gezien is er een stijging van 48 procent, waar de controlegroepen in dezelfde perioden stijgingen laten zien van 19 (niet stedelijk), 23 (25.000 – 50.000 inwoners) en 26 (Nederland) procent.
• Het aantal jeugdhulptrajecten met verblijf per 1000 jongeren en het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen per 1000 jongeren is hoog vergeleken met het Nederlandse gemiddelde (13 per 1000 jongeren in Leudal versus tussen 9 en 11 in de controlegroepen), maar redelijk stabiel; een mogelijke verklaring daarvoor is de bovenregionaal werkende verblijfsinstelling Rubicon in Horn1. Klik hier voor het bericht van de gemeente Leudal c.s. aan minister De Jonge over de financiële gevolgen van de aanwezigheid van een landelijk of bovenregionaal werkende instelling. • Jeugdhulptrajecten per verwijzer: uitgesplitst naar verwijzer hebben Leudal en jeugdregio MiddenLimburg West (waar Leudal deel van uitmaakt) in 2018 een hoog aandeel trajecten dat niet is ingestart door een verwijzer. Dat betekent dat voor gebruik van dit type jeugdhulptraject geen verwijzer nodig is, ofwel vrij toegankelijk is. Verder is zichtbaar dat de gemeente vaker verwijst dan de huisarts. Ten slotte is opvallend dat ondanks het hoge aantal jeugdbeschermingsmaatregelen de GI’s relatief weinig verwijzen. Zie de onderstaande drie taartdiagrammen; in de taartpunten staan de percentages van het aantal jeugdhulptrajecten dat door de corresponderende verwijzer is gestart. • Herhaald beroep: 14,9 procent van de trajecten in 2018 was een herhaald beroep.
Dat is laag vergeleken met de jeugdregio (15,6 procent) en het Nederlands gemiddelde (27,4 procent).
1 Jeugdreclassering wordt laag tot vrijwel niet gebruikt zonder zich bijzonder te ontwikkelen en is daarom niet meegenomen in de analyse.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
25
• Duur van de trajecten: uit de cijfers over de duur van de beëindigde trajecten blijkt dat de trajecten in Leudal gemiddeld genomen wat langer duren. Zo’n 38,3 procent van de jeugdhulptrajecten duurt tenminste een jaar; landelijk duurt gemiddeld 27,8 procent langer dan een jaar.
26
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5
Wmo
• Gebruik Wmo-voorzieningen: het gebruik per 1000 huishoudens van hulp bij het huishouden-voorzieningen is in de tweede helft van 2018 ongeveer gelijk aan de controlegroepen. Het gebruik van ondersteuning thuis is iets lager en het gebruik van hulpmiddelen en diensten iets hoger.
• Ontwikkelingen gebruik Wmo: het gebruik van alle Wmo-voorzieningen is tussen 2015 en 2018 iets gedaald als gevolg van een daling van het gebruik van hulpmiddelen en diensten. Dat is tegen de trend in de controlegroepen in: het gebruik van Wmo-voorzieningen stijgt daar op vrijwel alle categorieën.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
27
• Mantelzorg: 19,2 procent van de volwassen inwoners van Leudal geeft aan mantelzorg te verlenen. Dit is meer dan de 14,2 procent in heel Nederland die dat aangeeft, en de ~16 procent in de twee andere controlegroepen. • Beschermd wonen: Leudal behoort tot de beschermd wonen-regio Venlo. In deze regio maken 2,2 inwoners per 1000 inwoners gebruik van een beschermd wonen-voorziening. Dat is iets meer dan het landelijk gemiddelde van 2,0 inwoners per 1000 inwoners.
6
Participatie
• Bijstand: Leudal heeft 17 bijstandsontvangers per 1000 inwoners in de tweede helft van 2018; dat is minder dan alle controlegroepen. • Ontwikkeling hoeveelheid inwoners met bijstand: is te zien in de onderstaande grafiek.
• Gebruik re-integratievoorzieningen: Leudal ziet gedurende de periode 2015-2018 het gebruik van re-integratievoorzieningen stijgen van 2,5 in 2015 tot 17,1 re-integratievoorzieningen per 1000 inwoners. Hoewel dat een relatief veel sterkere stijging is dan in de controlegroepen, is dat nog altijd minder dan de 21 tot 26 re-integratievoorzieningen in de controlegroepen. Een stijging is daarnaast in lijn met de trend.
7
Begroting & realisatie sociaal domein 2017 - 2019
De uitgaven per inwoner in de gemeente Leudal ten opzichte van de controlegroepen2 in 2018, het meest recent openbaar beschikbare jaar, staan in onderstaande tabel. Leudal geeft in totaal €895,50 per inwoner uit aan taakveld 6; dat is rond de 15 procent minder dan de controlegroepen 20.000-50.000 inwoners en niet stedelijk. Daarnaast vallen de volgende zaken op: Posten met hoge uitgaven in vergelijking met controlegroepen • De enige kostenposten waar opvallend veel meer per inwoner wordt uitgegeven dan door alle controlegroepen is maatwerkdienstverlening 18-. Posten met lage uitgaven in vergelijking met controlegroepen • Daar tegenover staat dat Leudal juist minder uitgeeft dan de drie controlegroepen per inwoner aan bijna alle andere kostenposten.
28
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Posten met afwijkende uitgaven in vergelijking met begroting • Leudal’s uitgaven komen in de meeste gevallen goed overeen met de begroting, behalve bij met name maatwerkdienstverlening 18- (€60,- per inwoner meer uitgegeven) en in mindere mate maatwerkdienstverlening 18+ (€18,- per inwoner). • Bij elkaar is dit een overschrijding van ongeveer €78,- per inwoner, wat naar het totale inwoneraantal optelt tot €2,8 miljoen.
Uitgaven per inwoner – Leudal en controlegroepen
Gemeente Leudal
20.000-50.000 inwoners
Niet stedelijk
Nederland
Jaar
2018
2018
2018
2017
6.1 Samenkracht en burgerparticipatie
65,3
97
91,3
115,3
6.2 Wijkteams
38
46,4
52,5
55,1
6.3 Inkomensregelingen
200,2
307,5
277
473,5
6.4 Begeleide participatie
114,8
141,1
150,5
147,6
6.5 Arbeidsparticipatie
21,7
30
28
52,3
6.6 Maatwerkvoorziening (WMO)
26,6
38,3
31,6
36,5
6.71 Maatwerkdienstverlening 18+
155
150,4
154,6
167,1
6.72 Maatwerkdienstverlening 18-
251,9
211,9
210,7
208,4
6.81 Geescaleerde zorg 18+
1,3
15,8
4,6
122,7
6.82 Geescaleerde zorg 18-
20,7
29,5
30,9
36,1
Totaal
895,5
1067,9
1031,7
1414,6
*Uitgedrukt in euro per inwoner
Ontwikkeling van de begroting en uitgaven 2017 op 2018 • De totale uitgaven van Leudal op taakveld 6 dalen, tegen de trend in alle controlegroepen in, met ongeveer 3,4 procent. • Licht stijgende uitgavenposten (1 tot 10 procent) zijn wijkteams, maatwerkdienstverlening 18+ en 18- en geëscaleerde zorg 18+ en 18-. • De dalende kosten worden vrijwel volledig veroorzaakt door een afname van de uitgaven aan samenkracht en burgerparticipatie: van €119,- naar €65,30 per inwoner.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
29
Bijlage III Gesprekspartners gemeente Leudal De heer Mart Janssen: Wethouder (o.a. Sociaal Domein, welzijn en gezondheid) De heer Leon Jeurninck: plv. gemeentesecretaris / afdelingshoofd Samenleving De heer Roel Peeters: Notulist Mevrouw Gonnie Poell: Regionaal projectleider Jeugd Mevrouw Angelique Roumen: Regionaal Business Controller Jeugd Mevrouw Chantal Timmermans: Beleidsmedewerker Sociaal Domein De heer Piet Verlinden: Wethouder (o.a. Economische ontwikkeling en financiën)
Samenstelling visitatiecommissie gemeente Leudal De heer Reinier ter Kuile Mevrouw Marjanne Sint (voorzitter)
Adviseurs van de commissie / overige betrokkenen De heer Souhail Changhouani: Controller Maatschappelijke Ontwikkeling gemeente Utrecht Mevrouw Nina Dinaux: Consultant, KPMG Healthcare Mevrouw Francine Gresnigt: Consultant, KPMG Healthcare Mevrouw Monique Malmberg: Senior Projectmanager, Nederlands Jeugdinstituut (NJi) De heer Yannick Methorst: Beleidsmedewerker, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) De heer Bert Roes: Senior beleidsmedewerker, VNG De heer Garrit Schumacher: Senior adviseur/onderzoeker, Significant Public De heer Robbert Verkuijlen: Coördinator team Financiën, VNG De heer Juriaan Vrind: Projectleider Visitatiecommissie, VNG
30
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Bijlage IV Reactie gemeente Leudal
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
31
32
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
33
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 82 00 info@vng.nl juni 2020
vng.nl