CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting (versie 2, van 22nov23)

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'Vergroting bouwvlak Karreveld 10' te Heibloem29.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

30

• •

•

goede ontsluiting. Dit houdt in dat de weg voldoende breed en veilig is voor vrachtauto’s en passeren van vrachtauto's, een goede verkeersafwikkeling naar doorgaande hoofdwegen, geen ontsluiting via de kern; passend in een landschap waarbij de te beschermen waarden niet worden aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan beekdalen, open gebieden en landschapselementen. Daarbij moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke inpassing in de omgeving (zoals afstanden tot andere functies, bouwmassa en compact bouwen); geen toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee rekening moet worden gehouden.

Toetsing Het plangebied voldoet aan de criteria voor een duurzame Locatie. In het vigerende beleidskader voor de intensieve veehouderij (nota van uitgangspunten en bestemmingsplan intensieve veehouderij) is de locatie specifiek genoemd als “duurzame locatie”. Dit wordt bevestigd door het raadsbesluit van 26 juni 2012 waarin de gemeenteraad expliciet aangeeft dat er sprake is van een duurzame locatie.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

31

3.

Ruimtelijk beleid

3.1.

Algemeen

Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van het Rijk, provincie Limburg, regio en gemeente worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede als randvoorwaarden dienen voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan.

3.2. 3.2.1

Rijksbeleid Structuurvisie infrastructuur en ruimte

Het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, getoetst aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. In deze structuurvisie is de toekomstvisie van het kabinet met betrekking tot onder andere de ruimtelijke ordening uiteen gezet. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. De structuurvisie beschrijft de principes voor de ruimtelijke inrichting in Nederland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beoogde ambities tot en met 2040. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid aangegeven, waarbij de nationale ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een grote rol speelt. Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers en reizigers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren.

Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Om de regeldruk te verlagen heeft het kabinet besloten dat de ruimtelijke afwegingen zo dicht mogelijk bij de burger plaats moet vinden. Daarom wordt er op basis van de Structuurvisie Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

32

Infrastructuur en Ruimte naar gestreefd worden om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden bij de gemeenten en provincies onder te brengen. Het Rijk zal zeer terughoudend, en met name achteraf, bij het toezicht betrokken zijn. Er zijn echter wel enkele ontwikkelingen waarbij het Rijk bij voorbaat al aangeeft dat er een rijksverantwoordelijkheid aan de orde kan zijn. In de onderhavige situatie is er geen rijksverantwoordelijkheid. Duurzame verstedelijking De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld: 1. beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling (aantal hectares of aantallen woningen) gaat het ook om kwalitatieve vraag (bijvoorbeeld een bedrijventerrein waar zware milieuhinder mogelijk is of een specifiek woonmilieu) op regionale schaal; 2. indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3.

indien herstructurering of transformatie van bestaand bebouwd gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of deze vraag op locaties kan worden ontwikkeld die passend multimodaal ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleidsdoeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden. De provincie Limburg hecht er grote waarde aan dat toepassing wordt gegeven aan deze ladder, omdat het een van de leidende principes is voor het verstedelijkingvraagstuk en een belangrijk ondersteunend instrument is om op een kwalitatieve wijze te kunnen sturen op bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie Limburg geeft aan dat de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij alleen mogelijk is in een zgn. Landbouwontwikkelingsgebied of een duurzame vestigingslocatie. Een uitbreiding van een I.V. bedrijf is mogelijk in een verwevingsgebied of landbouwontwikkelingsgebied. Binnen een extensiveringsgebied is geen uitbreiding van het bouwvlak mogelijk. Onderhavig initiatief past binnen de uitgangspunten van dit beleid. 3.2.2

Algemene maatregel van bestuur ruimte (Barro)

Op 26 augustus 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) gepubliceerd in het Staatsblad. Het gaat hierbij om: •

Een ontwerp structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (in drie delen);

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

33

• • • •

Een ontwerp Algemene maatregel van bestuur (AMvB) Ruimte en bijbehorende nota van toelichting; een plan Milieueffectrapport (plan-MER); Een Nota van Antwoord voor zienswijzen op het voornemen tot het opstellen van SVIR een wetsvoorstel houdende wijziging van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wordt op korte termijn ingediend.

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Onderhavig planvoornemen past binnen de kaders zoals die zijn gesteld in het Barro.

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2011

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2006) is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. Het POL wordt doorlopend geactualiseerd en aangevuld. In het vervolg van deze paragraaf wordt steeds uitgegaan van de meest actuele vastgestelde POL aanvulling. De diverse POL aanvullingen worden periodiek verwerkt in de perspectieven kaart.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

34

kaart 4, POL kaart perspectieven (POL actualisatie 2010)

Het projectgebied is op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als perspectief ‘P2’ en ‘P5b’. • •

De uitbreiding van het bouwvlak vind geheel plaats binnen het gebied dat is aangeduid met P5b, het zgn. dynamische landbouwgebied. De vormverandering vind plaats binnen het gebied dat is aangeduid met P2.

Toetsing In de ontwerpfase is het onderhavige planvoornemen getoetst aan het op dat moment vigerende provinciale beleid zoals verwoord in het Provinciaal OmgevingsPlan (het POL) 2011. In december 2014 is echter een nieuwe structuurvisie voor de provincie L:imburg vastgesteld. Deze wijziging ook gevolgen voor het onderhavige plangebied; • •

De plangebied is niet meer gelegen meer deels gelegen in de Provinciale Omgevingszone Groen (de POG) maar ligt geheel in het “Buitengebied”. Het plangebied is niet meer gelegen in het extensiveringsgebied.

Deze verandering in het provinciaal beleid is nog niet doorvertaald in het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied. Het voorliggende plan wordt daarom getoetst aan de regelgeving zoals op dit moment van toepassing is voor het plangebied. Deze regelgeving vloeit voort uit het reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg. 3.3.1.1 Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg

Op 5 maart 2004 is door Provinciale Staten van Limburg het reconstructieplan Noord- en Midden Limburg vastgesteld en op 1 juni 2004 goedgekeurd door de minister van LNV en de staatssecretaris van VROM. Op 17 februari 2006 hebben Provinciale Staten de Wijziging van het reconstructieplan vastgesteld. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Volkshuisvestiging, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben de Wijziging op 30 maart 2006 goedgekeurd. Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

35

Het reconstructieplan is een nadere uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Met het reconstructieplan wordt een integrale en gebiedsgerichte aanpak van problemen beoogd. Wettelijk gezien moet een reconstructieplan voorzien in een zonering van de intensieve veehouderij. Daarnaast wordt ingezet op versterking van de economische vitaliteit van het landelijk gebied, versterking van natuur en landschap, veerkrachtig watersysteem en leefbare dorpen. Op basis van het vermelde in de regels van het paraplu bestemmingsplan Leudal dient de voorgenomen ontwikkeling getoetst te worden aan het “reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg”. In het reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg worden de gewenste ontwikkelingen en ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot de intensieve veehouderij beschreven. Het buitengebied is in dit plan opgedeeld in 3 zones. Deze zonering heeft een directe doorwerking in het bestemmingsplan. Op dit onderdeel werkt het reconstructieplan als voorbereidingsbesluit. In de reconstructiewet zijn de mogelijkheden voor de intensieve veehouderij zijn per zone vastgesteld. 1.

Extensiveringsgebied; Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of Nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. 2. Verwevingsgebied; Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mist de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. 3. Landbouwontwikkelingsgebied; Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of Nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

36

Kaart 5, IV zoneringskaart ‘doorsneden bouwkavels herziening reconstructieplan voor Noord- en midden Limburg 2006.

Binnen het kader van de reconstructiewet is de onderhavige situatie behoorlijk uniek te noemen. Niet alleen ligt het vigerende bouwblok gelijktijdig in een landbouwontwikkelingsgebied en een extensiveringsgebied (dit komt maar bij 3 intensieve veehouderij bedrijven in Limburg voor). De uitbreiding van het bouwvlak vind plaats in het landbouwontwikkelingsgebied. De vormverandering van de bouwkavel vind plaats in het extensiveringsgebied. In deel B, pag. 21 tot en met 25, van het reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg is hierover het volgende bepaald: 1. Uitbreiding van intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied; 2. Uitbreiding van intensieve veehouderij is in extensiveringsgebieden verboden. 3. Wat is Uitbreiding van intensieve veehouderij? Uitbreiding van de, in het rechtsgeldige bestemmingsplan vastgelegde, agrarische bouwkavel met intensieve veehouderij, ten behoeve van de intensieve veehouderij(tak).Dit betekent dat toename van het aantal dieren binnen de bouwkavel niet als uitbreiding van intensieve veehouderij wordt beschouwd. 4. Vormverandering van bouwkavels in een extensiveringsgebied.

Vormverandering van de bouwkavel van een intensieve veehouderij, ook als dit niet een vergroting van het oppervlak van de bouwkavel tot gevolg heeft, wordt in dit Reconstructieplan aangemerkt als uitbreiding (dit is naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State gewijzigd, zie hierna).

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

37

Wijziging reconstructie als gevolg van een uitspraak Raad van State; De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak, van 6 juli 2005, naar aanleiding van de tegen het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg ingestelde beroepen, de bepalingen van het Reconstructieplan vernietigd die inhielden dat vormverandering van de bouwkavel van een intensieve veehouderij – ook al betekent dit geen vergroting van de bouwkavel – wordt beschouwd als uitbreiding en daarmee niet is toegestaan in extensiveringsgebieden. Het betreft paragraaf 4.6.3 van deel B van het Reconstructieplan. Naar aanleiding van deze uitspraak is paragraaf 4.6.3 van deel B (het onder punt 2 genoemde) van het Reconstructieplan aangepast; •

•

Aan de tekst van paragraaf 4.6.3 wordt de volgende passage toegevoegd: ‘Op de regel van het verbod van vormverandering van bouwkavels van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied geldt één uitzondering. Als de bestaande bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel van een intensieve veehouderij uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn en de door de ondernemer gewenste vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging op grond van artikel 4 van de Reconstructiewet moeten worden betrokken, is de vormverandering toegestaan. Ligging van de bouwkavel in een landbouwontwikkelingsgebied en een extensiveringsgebied; Wanneer een bouwkavel deels in het extensiveringsgebied ligt, beschouwen wij, GS, deze bouwkavel bij de toepassing van het stimuleringsbeleid als gelegen binnen het extensiveringsgebied. Een intensieve veehouderij die in een dergelijke situatie is gelegen en wil stoppen en verplaatsen, kan geheel gebruik maken van de regelingen die gelden voor extensiveringsgebieden. Wat betreft de rechtstreekse doorwerking geldt voor deze gevallen dat uitbreiding van de bouwkavel binnen het extensiveringsgebied niet, en binnen het verwevingsgebied of het landbouwontwikkelingsgebied wel tot de mogelijkheden behoort.

Als het bedrijf wil uitbreiden mag dat alleen in het verwevingsgebied of het landbouwontwikkelingsgebied. In dat geval komt het niet meer in aanmerking voor regelingen of subsidies voor het extensiveringsgebied (dus ook niet voor het deel van zijn bedrijf in extensiveringsgebied). Dit betekent dus ook dat via het bestemmingsplan in het deel van de bouwkavel dat in het verwevingsgebied of het landbouwontwikkelingsgebied valt, uitgebreid zou kunnen worden (afweging via BOM+). Wanneer een bouwkavel deels in een landbouwontwikkelingsgebied ligt, beschouwen wij deze bouwkavel bij de toepassing van BOM+ als gelegen binnen het landbouwontwikkelingsgebied. Dit betekent dat er in deze gevallen bij de toepassing van BOM+ geen bovenmaat van 1,5 hectare wordt gehanteerd, ook niet indien er in het aansluitende verwevingsgebied wel een bovenmaat geldt. Als gevolg van deze uitspraak van de Raad van State is het mogelijk om de bouwkavel in het extensiveringsgebied van vorm te wijzigen. Voorwaarde hiervoor is dat de oppervlakte niet toeneemt en dat voldaan wordt aan de doelstellingen van de reconstructiewet zoals verwoordt in artikel 4 van de betreffende wet. Praktisch betekend dit dat een vormverandering alleen is toegestaan indien dit het realiseren van de doelstellingen uit de reconstructiewet niet belemmerd. Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

38

Vormverandering bouwvlak in extensiveringsgebied De vormverandering van het bouwvlak binnen het vigerende plan met betrekking tot het deel van het bouwvlak dat is gelegen in het extensiveringsgebied bestaat daarin dat de bestaande stal, nr. 5, het vigerende bouwvlak aan de zuidoost zijde met 6,70 m. overschrijdt. De breedte van de stal is conform het vigerende plan. Stal 5 is afwijkend van de originele aanvraag in 2007 gerealiseerd. In het originele ontwerp was rekening gehouden met het houden van zeugen in ligboxen (individuele voedering) met vrije uitloop. Uit de benodigde toen MER rapportage, in combinatie met veranderde inzichten, bleek dat het bijzonder onzeker was of de stal met het beoogde huisvestingssysteem ook na 2013 aan de regelgeving zou voldoen. Op het laatste moment is daarom, in overleg met de MER commissie en de gemeente, besloten groepshuisvesting te installeren. Als gevolg hiervan daalde het aantal dragende zeugen in de stal met 225 stuks en werd de stal 2,10 meter langer. In het originele ontwerp van de stal was voorzien in een biologische luchtwasser, nr. BB96.10.042V1. Tussen het ontwerp van de stal, het vooroverleg met de gemeente, en de daadwerkelijke bouw zit een periode meerdere jaren. Ook was er voor de milieuvergunning een zogenaamde MER procedure noodzakelijk.

In overleg met de gemeente, en de MER commissie, werd besloten om niet alleen het huisvestingssysteem maar ook het “Groen Label” systeem aan te passen. Gedurende de looptijd van de procedures waren er immers nieuwe, betere, systemen beschikbaar gekomen. De aangevraagde milieuvergunning werd daarom tijdens de procedure gewijzigd. Het aangevraagde systeem “D 1.3.6. biologisch luchtwassysteem 70% emissiereductie, met een emissie 1,3 kg. NH3 / dierplaats per jaar” werd daarom vervangen door een systeem met een aanzienlijk lagere ammoniakemissie per dierplaats “ D1.3.12.1 gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met chemische wasser (lamellenfilter) en waterwasser met een emissie 0,63 kg. NH3 / dierplaats per jaar”. Een gecombineerd luchtwassysteem is echter aanmerkelijk groter dan een alleen biologisch luchtwassysteem. De stal werd hierdoor nog eens 4,60 m. langer.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

39

kaart 6, bestaande situatie, na 2007 (feitelijk een vrijstelling)

kaart 7, nieuwe situatie

Uit het navolgende overzicht, dat afkomstig is van infomil, blijkt duidelijk dat de milieuvoordelen van de nu geplaatste luchtwasser aanzienlijk zijn. De ammoniakemissie en de geuremissie zijn

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

40

ongeveer de helft van het eerder aangevraagde systeem. De fijnstof emissie is met het geïnstalleerde systeem ca. 20 % lager.

Toetsing Samenvatting relatie reconstructieplan Noord- en Midden Limburg en gevraagde ontwikkeling. • • •

De vormverandering van het bouwvlak binnen het extensiveringsgebied is toegestaan. De uitbreiding van de bouwvlak binnen het Landbouwontwikkelingsgebied is toegestaan. Voor BOM+ (of kwaliteitsmenu) dient getoetst te worden aan de voorwaarden voor uitbreiding in een landbouwontwikkelingsgebied.

Een verandering van de vorm van het bouwvlak in het extensiveringsgebied en de uitbreiding van het bouwvlak in het landbouwontwikkelingsgebied is op grond van het reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg toegestaan. Reconstructieplan opgenomen in omgevingsverordening 2014. Zonering aangepast Na de ter inzage legging van het ontwerpplan is het provinciaal beleid, en als gevolg daarvan het gemeentelijk beleid, met betrekking tot het reconstructieplan aanmerkelijk gewijzigd. • •

Het reconstructieplan voor Noord- en Midden Limburg maakt sinds dec. 2014 deel uit van de provinciale omgevingsverordening. Ter plaatse van het plangebied is de zone extensiveringsgebied vervangen door de zone verwevingsgebied.

De gemeente Leudal heeft de aanpassingen in de provinciale zonering verwerkt in het recentelijk vastgestelde reparatie en veegbestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Leudal. De extensiveringszone ter plaatse van het plangebied is geschrapt.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

41

De gemeente Leudal heeft echter besloten om het plangebied geen deel te laten uitmaken van het recent vastgestelde bestemmingsplan voor het buitengebied. Het gevolg hiervan is dat het actuele beleid van zowel de gemeente als de provincie Limburg niet door vertaalt is in het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied. De regelgeving de mogelijkheden voor de ontwikkelingen van de intensieve veehouderij is op grond van het bestemmingsplan nog steeds van toepassing op het plangebied. De toetsing aan dit onderdeel maakt daarom nog deel uit van deze toelichting. De Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – extensiveringsgebied is echter niet meer opgenomen op de verbeelding.

3.3.2.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (het POL) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. Het POL wordt doorlopend geactualiseerd en aangevuld. In het vervolg van deze paragraaf wordt steeds uitgegaan van de meest actuele vastgestelde POL aanvulling. De diverse POL aanvullingen worden periodiek verwerkt in de perspectieven kaart.

kaart 8, POL kaart perspectieven (POL 2014)

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

42

Het projectgebied is op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als “Buitengebied”. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Het buitengebied biedt de meeste ruimte voor land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.

3.3.2.1.

Kwaliteitsmenu

Het Limburgs Kwaliteitsmenu komt voort uit de bestaande kwaliteitsverbeterende instrumenten zoals Ruimte voor Ruimte, Bouwkavel op Maat plus (BOM+), Rood voor Groen en de Verhandelbare Ontwikkelings Rechten Methode (VORm). Het Limburgs Kwaliteitsmenu is bedoeld voor de Limburgse gemeenten. Het biedt een instrumentarium waarmee ontwikkelingen en kwaliteitsverbeteringen kunnen worden gekoppeld. Dit instrumentarium dient een plaats te krijgen in het gemeentelijke ruimtelijk beleid. Hiertoe legt de gemeente het beleid vast in een gemeentelijke structuurvisie. Daarbij heeft de gemeente de mogelijkheid om in samenhang met het gemeentelijke ruimtelijke beleid het Limburgs Kwaliteitsmenu een gebiedsgerichte uitwerking te geven. Met deze uitwerking door de gemeenten is er geen sprake meer van één provinciaal Limburgs Kwaliteitsmenu, maar van diverse gemeentelijke kwaliteitsmenu’s. De gemeente Leudal heeft het BOM+ beleid verder uitgewerkt in haar bestemmingsplan,

3.3.2.2 Provinciaal Waterplan Limburg

Op november 2015 heeft provinciale staten het Provinciaal Waterplan Limburg vastgesteld. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 en heeft de status van een regionaal waterplan, als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet en is daarmee voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL2014, noodzakelijk om verdere invulling te geven aan het provinciale waterbeleid en om aan de vereisten van de KRW en de Waterwet te voldoen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het waterplan de status hebben van een provinciaal waterprogramma, als bedoeld in artikel 3.7 van het ontwerp van de Omgevingswet. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheiden de provincie Limburg de ecologische en mensgerichte functies: de specifiek en algemeen ecologische functie (SEF resp. AEF) en de functies drinkwaterwinning en agrarisch water.

Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

43

belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. Conform het Provinciaal Waterplan is de locatie deels gelegen in een beekdal.

3.3.3.

Provinciale omgevingsverordening

3.3.3.1.

Provinciale omgevingsverordening 2011

kaart 9, Bron, Gis Viewer provincie Limburg

Per 1 januari 2011 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. De Omgevingsverordening Limburg is een samenvoeging van de eerdere Provinciale Milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening, die met de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening Limburg is echter meer dan een samenvoeging van eerdere verordeningen. Bij het opstellen van de verordening zijn diverse normstellingen geactualiseerd, zijn waar mogelijk regels vervallen en zijn zoveel mogelijk administratieve verplichtingen vereenvoudigd. De wettelijke grondslag of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd betreffen de Wet milieubeheer art. 1.2, Waterwet art.2.4, 2.8, 2.14 en 5.1, Ontgrondingenwet art. 5, Wegenwet art.57, Provinciewet art. 145 en 150 en de Algemene wet bestuursrecht. Op basis van bovenstaande kaart zijn de volgende onderdelen uit de provinciale omgevingsverordening zijn van belang voor de gevraagde ontwikkeling; •

Boringsvrije zone

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

44

• •

Roerdalslenk Overige kwetsbare gebieden als bedoeld in art. 5.2.

De locatie is gelegen buiten het stiltegebied “asbroekerheide”. 3.3.3.2.

Boringsvrije zone / Roerdalslenk

De locatie is gelegen in de zogenaamde Roerdalslenk. De Roerdalslenk omvat vrijwel geheel MiddenLimburg. Dit is een deel van de aardkorst dat vrij diep is weggezonken. Het is vervolgens opgevuld met verschillende afzettingen (zand, grind, klei, veen). De pompstations Ospel, Graafschap Hornelaan, Hunsel, Asselt, Pey, Susteren en Hoogveld liggen in dit gebied. Het grondwater wordt hier gewonnen op grote diepte onder dikke kleilagen. Deze kleilagen geven een natuurlijke bescherming tegen vervuilingen van bovenaf. Het is dan ook niet nodig om voor deze grondwaterwinningen een grondwaterbeschermingsgebied aan te wijzen. Wel is het zaak om deze kleilagen in stand te houden en ze niet 'lek te prikken' bijvoorbeeld door het maken van boringen. In de Provinciale Milieuverordening Limburg is de Roerdalslenk aangewezen als milieubeschermingsgebied. Dit betekent onder meer dat in dit gebied voor boringen, welke door deze kleilagen heen gaan, steeds een ontheffing van de provincie nodig is. Deze ontheffing zal alleen in bijzondere gevallen en onder strenge voorschriften worden verleend. Voor de uitvoering van onderhavig plan is het niet nodig om boringen tot onder de kleilagen uit te voeren. 3.3.3.3.

Stiltegebied

Rust en stilte is een belangrijke waarde, in woonomgevingen en natuurgebieden, zeker ook vanuit toeristisch oogpunt. De provincie Limburg kiest ervoor om een aantal, van oudsher stille gebieden ook stil te laten blijven (met een geluidsniveau van 40 dB[A] of lager). In deze stiltegebieden geldt een aantal beperkingen, geregeld in de Omgevingsverordening. Deze gebieden zijn herkenbaar (gemarkeerd) en dragen bij aan de bewustwording van milieu en natuur.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

45

afbeelding 6, uitsnede kaart 8 “milieubeschermingsgebieden” POL 2014.

De locatie is gelegen buiten een stiltegebied. 3.3.3.4.

Overig kwetsbaar gebied als bedoeld in art. 5.2

Artikel 5.2 (rioolplichtontheffing) van de provinciale omgevingsverordening luidt als volgt; 1. Een aanvraag om ontheffing van de gemeentelijke rioolplicht als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer (rioolplichtontheffing) met betrekking tot percelen gelegen in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, het bodembeschermingsgebied Mergelland of in een overig kwetsbaar gebied als aangegeven op de kaartbijlage bij dit artikel bevat ten minste het volgende: a. een overzicht van de in de gemeente aanwezige vuilwaterrioolvoorzieningen; b. een kaart van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft op een schaal van 1:25.000, met een overzicht van de niet op het gemeentelijke riool aangesloten percelen die alsnog zullen worden aangesloten, alsmede van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een of meer kaarten op een schaal van of herleidbaar tot 1:10.000, waarop de percelen zijn aangegeven waarop de aanvraag betrekking heeft; d. voor al deze percelen een overzicht van de kosten van aansluiting; e. voor elke bebouwde kom van waaruit afvalwater met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonersequivalenten wordt geloosd, een overzicht van de maatregelen die zijn of worden genomen om dat afvalwater te verwerken;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

46

f.

het door de gemeenteraad vastgestelde beleid met betrekking tot de niet op het gemeentelijke riool aangesloten percelen; g. de resultaten van het overleg over de voorgenomen aanvraag met de waterbeheerders als bedoeld in de Waterwet, indien dat overleg heeft plaatsgehad. 2. Gedeputeerde staten stellen de in het eerste lid onder g bedoelde waterbeheerders en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerpbesluit. Voor het realiseren van het planvoornemen is geen ontheffing van de gemeentelijke rioolplicht nodig. Het planvoornemen is niet in strijd met de provinciale milieuverordening. 3.3.3.5.

ontwerpverordening veehouderijen en Natura 2000

Gedeputeerde Staten hebben op 5 maart 2013 de ontwerpverordening veehouderijen en Natura 2000 vastgesteld. Met de ontwerpverordening veehouderijen en Natura 2000 provincie Limburg wordt aan veehouderijen voorgeschreven dat vergaande ammoniakemissie reducerende staltechnieken worden gebruikt in nieuwe en te renoveren stallen. Met de ontwerpverordening wordt voldaan aan de verplichting in de Natuurbeschermingswet 1998 om ten aanzien van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken en mogelijk negatieve effecten sorteren op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden, passende maatregelen te treffen. Het planvoornemen voorziet niet in de oprichting of renovatie van dierverblijven. Het bedrijf voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de onderhavige ontwerpverordening. 3.3.3.6.

Provinciale omgevingsverordening 2014

Extensiveringsgebied

afbeelding 7, Uitsnede kaart 11 “Landbouw”.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

47

Zoals uit kaart 11 blijkt maakt het plangebied na de invoering van de provinciale omgevingsverordening 2014 op grond van het provinciaal beleid geen deel meer uit van het extensiveringsgebied. Verordening veehouderijen en Natura 2000 Provinciale staten hebben de ontwerpverordening veehouderijen en Natura 2000 een plaats gegeven in de provinciale omgevingsverordening. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor het planvoornemen. Overig Voor het beleid inzake het stiltegebied, de boringsvrije zone “Roerdalslenk”, en het overig kwetsbaargebied als bedoeld in art. 52 heeft de wijzing van de provinciale omgevingsverordening in 2014 geen gevolgen voor het onderhavige planvoornemen.

3.3.4.

Handreiking ruimtelijke ontwikkeling

In juli 2004 is door Gedeputeerde Staten van Limburg de Handreiking ruimtelijke ontwikkeling vastgesteld als opvolger van de tot dan toe gehanteerde Handleiding bestemmingsplannen. Deze handreiking is in oktober 2005, 19 december 2006 en augustus 2008 herzien. Het uitgangspunt van het provinciaal beleidskader, zoals opgenomen in de handreiking, is het (zo mogelijk) bieden van ontwikkelingsruimte voor volwaardige agrarische bedrijven, rekening houdend met de omgevingskwaliteiten, mits de gebiedskwaliteit als geheel erop vooruit gaat. Ontwikkelingen die bijdragen aan de provinciale doelen worden actief ondersteund. Het POL dient als kader om op deze doelen en kwaliteit te sturen. Gemeenten krijgen in deze werkwijze meer verantwoordelijkheid en ruimte voor eigen afwegingen. De Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg beoogt een hulpmiddel te zijn bij het toepassen van de nieuwe aanpak, gericht op kwaliteit. Deel I van de Handreiking heeft een formele status en moet worden beschouwd als een door G.S. vastgestelde beleidsregel. Dit deel bevat procedurele en inhoudelijke aspecten voor de toetsing van bestemmingsplannen. Deel II is een informatief deel, waarin nadere toelichting wordt gegeven op vigerend beleid of vigerende wetgeving, en waarin ingegaan wordt op actuele ontwikkelingen.

In deel II van de handreiking staan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw beschreven. Het POL, het reconstructieplan Noord- en Midden Limburg en de POL-aanvulling ‘Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering’ en de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu zijn richtinggevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de land- en tuinbouw. Wettelijk kader WRO; Wet milieubeheer; Reconstructiewet concentratiegebieden Het beleid Het provinciaal beleidskader is opgenomen in deel 1. Voor de regeling van agrarische bouwkavels gelden het POL2006, het Reconstructieplan NML en de POL-uitwerking BOM+ als toetsingskader. In het POL2006 is van belang de paragraaf 5.8 (landbouw). Hoofdaandachtspunten van het provinciaal beleidskader zijn:

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

48

•

• •

•

het zo mogelijk bieden van ontwikkelingsruimte voor volwaardige agrarische bedrijven (bouwkavel op maat) rekening houdend met de omgevingskwaliteiten, mits de gebiedskwaliteit als geheel er op vooruit gaat; gestreefd moet worden naar een zo compact mogelijke kavel op basis van een afweging tussen agrarische belangen en andere belangen en waarden; gestreefd wordt naar een afwaartse beweging van de intensieve veehouderij in Noord- en Midden-Limburg, dit op basis van de zonering intensieve veehouderij die een rechtstreekse doorwerking in de bestemmingsplannen kent. Omschakeling van een grondgebonden naar een niet-grondgebonden bedrijfstak wordt gelijkgesteld met nieuwvestiging van een nietgrondgebonden agrarisch bedrijf en is niet toegestaan buiten de landbouwontwikkelingsgebieden. Nieuwvestiging van en omschakeling naar niet grondgebonden agrarische bedrijven is in geheel Zuid-Limburg uitgesloten. De agrarische bouwkavel bestaat uit een bebouwd deel van de agrarische bouwkavel en eventueel een onbebouwd deel van de agrarische bouwkavel. Het bebouwde deel van de agrarische bouwkavel is dat deel van de agrarische bouwkavel waarop alle gebouwen en bouwwerken zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, (folie)kassen, schaduwhallen, silo’s en permanente teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden.

Het onbebouwde deel van de agrarische bouwkavel sluit bij voorkeur aan bij het bebouwde deel van de agrarische bouwkavel en bestaat uit dat deel van de agrarische bouwkavel waarop containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden indien hiervoor geen ruimte is op het bebouwde deel van de agrarische bouwkavel (zie 2.2.4 overige agrarische gebouwen en bouwwerken).

Aanvullende regel; •

vestiging en/of uitbreiding van initiatieven voor duurzame energieopwekking bij of gerelateerd aan agrarische bedrijven worden tevens beoordeeld volgens de POLuitwerking BOM+. Hierbij is een gebiedsgerichte benadering uitgangspunt in de vorm van een duidelijke koppeling met het eigen agrarische bedrijf of met andere agrarische of niet agrarische bedrijven of instellingen in het omliggende gebied.

Deel 2 Deel II van de Handreiking is een informatief deel, waarin nadere toelichting wordt gegeven op vigerend beleid of wetgeving en waarin ingegaan wordt op actuele ontwikkelingen. POL2006, het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg, de beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen en hagelnetten en de POL-uitwerking BOM+ zijn richtinggevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de land- en tuinbouw. De in de tabel genoemde maten zijn referentiematen. Toepassing van deze referentiematen dient een waarborg te zijn voor de realisering van het POL-beleid. Onder omstandigheden is een gemotiveerde afwijking van deze maat mogelijk op basis van toepassing van het BOM+ principe.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

49

Tabel 2, De ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij in Noord- en Midden-Limburg is gerelateerd aan de zonering van extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden (zie Reconstructieplan, 2004 tabel A6.3, pagina A-89)

Het in deel 1 verwoorde beleid is in deel 2 vertaald in concrete mogelijkheden en voorwaarden. De onderhavige uitbreiding betreft een uitbreiding van een zgn. overige niet-grondgebonden veehouderij in een dynamisch landbouwgebied landbouwontwikkelingsgebied. Praktisch betekend dit dat op grond van de handreiking een referentiemaat geldt voor de bouwkavel van 1,5 ha. en dat bom+ verplicht is. Middels een landschapsinrichtingsplan wordt voldaan aan het beleid zoals verwoord in de POL aanvulling BOM+, zie ook paragraaf 3.3.2.1. Er wordt voldaan aan het beleid zoals verwoord in de handreiking. 3.3.5.

Beleidskader Bodem 2010

Op 28 september 2010 hebben GS het Beleidskader bodem 2010 vastgesteld. Dit beleidskader omvat het provinciale beleid voor de aanpak van bodemverontreiniging in Limburg, en vervangt het Beleidskader bodem 2005. Het perceel is de afgelopen decennia altijd in gebruik geweest voor de teelt van landbouwgewassen. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de grond verontreinigd is, zie ook paragraaf 4.3.1. 3.3.6.

Provinciaal Natuurbeheerplan Limburg

3.3.6.1.

Provinciaal Natuurbeheerplan Herziening X, deel 2

Het Provinciaal Natuurbeheerplan (voorheen Stimuleringsplan voor Natuur, Bos en Landschap) geeft de na te streven doelen weer op het gebied van natuur- bos en landschapsbeheer. Het Provinciaal Natuurbeheerplan vormt tevens het leidend document voor de subsidieverlening in het kader van het Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer (SNL). De gebiedsplannen beschrijven hiertoe de natuurdoelen, de mogelijkheden voor subsidie vanuit genoemde subsidieregelingen en geven de begrenzingen aan van gebieden waar deze regelingen van toepassing zijn.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

50

kaart 10, Provinciaal Natuurbeheerplan, herziening X, deel 2

Uit bovenstaande kaartuitsnede blijkt dat de ontwikkeling plaatsvind buiten een gebied met doelstellingen zoals verwoord in het voornoemde plan. De gevraagde herziening van het bestemmingsplan is niet strijdig met de doelstellingen zoals verwoord in het provinciaal natuurbeheerplan.

3.3.6.2.

Provinciaal natuurbeheerplan 2017

Inmiddels heeft gedeputeerde staten het Provinciaal natuurbeheerplan 2017 vastgesteld.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

51

afbeelding 8, Uitsnede vigerend provinciaal natuurbeheerplan.

Het beleid inzake het plangebied is niet gewijzigd.

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1.

Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020

De gemeente Leudal bestaat sinds 1 januari 2007. De toekomstvisie 'Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020' (vastgesteld d.d. 11 december 2007 en aangepast in maart 2014) dient als handvat om (maatschappelijke, landelijke, regionale) ontwikkelingen in het perspectief van Leudal te plaatsen, maar ook om keuzes te maken in haar beleid. In de visie staan de thema's ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid, sociale samenhang en duurzaamheid centraal. In de oorspronkelijke visie uit 2007 lag de nadruk van de gemeenteraad van Leudal bij het creëren van een eigen identiteit en het gezamenlijk optrekken van de samengevoegde gemeenten om zich als één nieuwe krachtige gemeente te profileren. In 2013 is de visie aangepast aan de veranderende maatschappij en de rol van de gemeente daarbinnen. Het initiatief komt meer bij de burger te liggen. De gemeente heeft een ondersteunende rol voor de burgers en bedrijven en zorgt voor haar kerntaken zoals veiligheid, sociaal vangnet en toezicht op de naleving van de regels. Voor de ontwikkelingen is in de aangepaste visie de koers bepaald en zijn nieuwe of specifieke opgaven geformuleerd. Voor het buitengebied is het van belang om ruimte voor natuur en recreatie zo veel mogelijk in onderlinge samenhang te ontwikkelen. De land- en tuinbouw zijn en blijven van groot belang voor Leudal. Er is sprake van schaalvergroting en een grote terugloop van

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

52

het aantal bedrijven. Er wordt voor de komende periode een halvering van het aantal bedrijven verwacht. Leudal kan inspelen op ontwikkelingen door innovatie gericht op het terugdringen van de milieubelasting van niet-grondgebonden bedrijven en het ondersteunen van biologische productie. Kansen liggen er voor streekproducten, combinaties met toerisme en verwerking van mest en groenafval tot grondstoffen en energie. Ontwikkelingen/trends Het maatschappelijk debat buitengebied heeft de aanzet gegeven tot een dialoog over de kwaliteit van het buitengebied. Uitvoering van maatregelen en duurzame samenwerking tussen partijen in het buitengebied vragen om het voorzetten van de dialoog en gebiedsontwikkeling gericht op versterken van de kwaliteiten van het buitengebied en het benutten van kansen voor agrarische, recreatieve bedrijvigheid en zorginitiatieven. In het bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' wordt waar mogelijk voorzien in een flexibele regeling om daardoor zoveel als mogelijk direct in te kunnen spelen op trends en ontwikkelingen. Een van de resultaten van het maatschappelijk debat is dat de gemeente Leudal de ontwikkeling van de intensieve veehouderij stimuleert op duurzame locaties. 3.4.2.

Gemeentelijke structuurvisie

Algemeen Met het in werking treden van de nieuwe Wro (1 juli 2008) vormt de Structuurvisie een belangrijk gemeentelijk beleidsdocument. In de Structuurvisie Leudal (vastgesteld d.d. 2 februari 2010) wordt ingezet op: 'Een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. Agrarische bedrijvigheid Wat betreft het beleid aangaande agrarische bedrijvigheid legt de gemeente het accent op het behouden en versterken van de bestaande agrarische bedrijvigheid binnen de gemeente Leudal in combinatie met het streven naar een goed woon- en leefklimaat. De gemeente Leudal wijst geen landbouwontwikkelingsgebieden aan, maar faciliteert agrarische bedrijfsontwikkeling via maatwerk om de afweging te maken ten tijde van het verzoek. Daarnaast ondersteunt de gemeente initiatieven vanuit de markt met betrekking tot de verbreding van de bedrijfsvoering en/of bedrijfsbeëindiging. Sturen op kwaliteit De gemeente Leudal is een gemeente met een grote agrarische sector. De bestaande agrarische bedrijvigheid in het buitengebied dient gekoesterd en zoveel mogelijk gefaciliteerd te worden, met behoud van omgevingskwaliteit. De zones, zoals aangeduid in het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg, dienen hiervoor als basis. Limburgs Kwaliteitsmenu De gemeente Leudal staat achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu.

Nieuwe functionele ontwikkelingen in het buitengebied (zowel incidentele initiatieven in het buitengebied als ontwikkelingen aan de rand van een kern) zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit alleen mogelijk Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

53

indien daarmee ook investeringen in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve belevingskwaliteit en/of cultuurhistorie plaatsvinden waarmee de kwalitatieve draagkracht van het landelijk gebied wordt versterkt en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het kwaliteitsmenu is hierbij van toepassing. Nota kwaliteit De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de Nota Kwaliteit. In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Tevens wordt het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, hierin verankerd. Het provinciale kwaliteitsmenu heeft betrekking op het buitengebied. De Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal gaat verder. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, maar ook in de kern vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving in het buitengebied of de kern plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving. Deze aantasting wordt gezien als kosten die voor rekening van de gemeente Leudal komen. Deze aantasting van kwaliteit dient daarom binnen de gemeente of nabij de gemeentegrenzen van Leudal gecompenseerd te worden. 3.4.3.

Beleid intensieve veehouderij

Algemeen In de raadsvergadering van 11 november 2008 is het 'Beleidskader intensieve veehouderij' vastgesteld. In dit beleidskader wordt het beleid van de gemeente voor een aantal belangrijke thema's met betrekking tot intensieve veehouderij vastgesteld. Dit beleidskader intensieve veehouderij is aangepast op 13 juli 2010. Daarnaast heeft eind 2010 een maatschappelijk debat plaatsgevonden waarin kaderstellende uitspraken zijn gedaan met betrekking tot de intensieve veehouderij. Deze uitspraken worden opgenomen in de nog aan te passen structuurvisie. Zoekgebieden of landbouw ontwikkelingsgebieden In het (inmiddels vervallen) Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg zijn binnen de grenzen van de gemeente Leudal zes zoekgebieden voor landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen. In dit beleidskader kiest de gemeente ervoor deze niet nader juridisch te begrenzen. Dit omdat het gemeentebestuur z'n regie niet uit handen wil geven en er dan geen maatwerk mogelijk is. Voor het onderhavige wijzigingsplan betekend dit dat de locatie niet meer gelegen is in zoekgebied.

Zoekgebieden, extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden Volgens het (inmiddels vervallen) Reconstructieplan is het buitengebied in drieën gedeeld: (de bovengenoemde) zoekgebieden waar ruimte wordt geboden voor intensieve veehouderij, extensiveringsgebieden waar de natuur de ruimte krijgt en verwevingsgebieden waar landbouw, wonen, natuur, landschap, recreatie en toerisme kansen krijgen. De gemeente streeft ernaar om intensieve veehouderijen uit extensiveringsgebieden te verplaatsen naar zoekgebieden. Nieuwvestiging en uitbreiding De gemeente biedt agrarische ondernemers ruimte voor nieuwvestiging of uitbreiding van intensieve veehouderij, onder de voorwaarde dat gevraagde medewerking aan nieuwvestiging Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

54

uitsluitend verleend wordt aan ondernemers uit de eigen gemeente en aan ondernemers uit de gemeenten die grenzen aan de gemeente Leudal of gelegen zijn in de rest van Midden-Limburg met die beperking dat die gemeenten een vergelijkbare faciliteit dienen te bieden aan ondernemers uit de gemeente Leudal. Als nadere voorwaarden gelden: •

•

•

• •

•

•

Nieuwvestiging mag alleen plaatsvinden in zoekgebieden. Om de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze zoekgebieden in beeld te krijgen stelt de gemeente een gebiedsvisie daarover op. Binnen zoekgebieden wordt geen principiële maximumomvang bouwvlak vastgesteld. Het gemeentebestuur toetst dergelijke uitbreidingen in hoofdzaak aan de normen op grond van de milieuwetgevingen. Daartoe dient de ondernemer in elk geval een milieueffectrapportage te overleggen. Gevraagde medewerking aan uitbreiding buiten het bouwvlak van een binnen de gemeente bestaande inrichting van intensieve veehouderij wordt uitsluitend verleend aan ondernemers die ter plekke van de gewenste uitbreiding hun fysieke hoofdvestiging hebben. Uitbreiding mag alleen plaatsvinden in zoekgebieden en verwevingsgebieden. Binnen verwevingsgebieden wordt - in tegenstelling tot zoekgebieden - wel een maximumomvang bouwvlak vastgesteld. In het kader van de herziening van het bestemmingsplan buitengebied zal de gemeenteraad dat maximum vastleggen. Afhankelijk van de lokale omstandigheden zal dat maximumbouwvlak bij die herziening tot drie hectare groot kunnen worden. Verzoeken om uitbreiding van in het bestemmingsplan vastgelegde bouwvlakken worden ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd.

De gemeenteraad weegt daarbij de effecten van de uitbreiding op de omgevingskwaliteit af (waaronder de woon- en recreatieve kwaliteiten) en laat in het begunstigende geval het college in de uitwerking ten behoeve van landschappelijke inpassing het instrument van de 'POL-uitwerking Bouwkavel op Maat Plus' toepassen. Binnenplanse uitbreidingen kunnen door het college worden afgehandeld. De gemeente staat geen intensieve veehouderij toe in bouwwerken waarvan de goothoogte hoger dan 7,20 meter of een nokhoogte hoger dan 12,0 meter boven het maaiveld ligt.

Aanpassing Beleidskader intensieve veehouderij Op 13 juli 2010 heeft de raad besloten om vooruitlopend op de uitkomsten van het maatschappelijk debat buitengebied, het vastgestelde Beleidskader intensieve veehouderij aan te passen voor wat betreft de toegestane grootte van de bouwvlakken. Het beleidskader biedt namelijk mogelijkheden voor uitbreiding van een intensieve veehouderij tot een bouwvlak van 3 hectare in de verwevingsgebieden. In een zoekgebied landbouwontwikkelingsgebied (LOG) is nieuwvestiging en uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk, waarbij geen bovengrenzen aan de omvang van het bouwvlak zijn gesteld. Om ontwikkelingen te voorkomen die in toekomstig beleid als ongewenst worden beschouwd heeft de raad het volgende besloten: 1. Uitbreiding van een agrarisch bouwvlak voor een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied wordt beperkt tot een omvang van maximaal 2,5 hectare. Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

55

2. Uitbreiding en nieuwvestiging van een agrarisch bouwvlak voor een intensieve veehouderij in een zoekgebied landbouwontwikkelingsgebied (LOG) wordt beperkt tot een omvang van maximaal 2,5 hectare. 3. Voor het oplossen van knelsituaties in kernrandzones en extensiveringsgebieden zal maatwerk worden geleverd. In voorkomende gevallen zullen daartoe concrete voorstellen aan de raad worden gedaan. De Raad van State heeft in haar uitspraak inzake het in 2014 vastgestelde bestemmingsplan haar goedkeuring onthouden, voor de onderhavige locatie, aan het beleid zoals dit is verwoord onder 1 en 2. De maximale omvang van het bouwvlak van 2,5 ha. is voor onderhavig wijzigingsplan niet van toepassing. 3.4.4.

Nota van Uitgangspunten buitengebied

Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad de nota van uitgangspunten voor het buitengebied vastgesteld. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt een kwaliteitsbijdrage in beeld bij een planologische afweging of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie. De kwaliteitsbijdrage is daarbij noodzakelijk om negatieve ruimtelijke effecten van het plan te compenseren. Ruimtelijke ontwikkelingen worden niet toegestaan zolang niet verzekerd is dat het optredende kwaliteitsverlies wordt gecompenseerd. De kwaliteitsverbetering die een initiatiefnemer gaat realiseren wordt vastgelegd in de ruimtelijke onderbouwing van het plan, het bestemmingsplan of WABO vergunning en in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente. Vossen Leudal Onroerend Goed B.V. heeft inmiddels met de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst afgesloten. Bij ruimtelijke plannen waarbij een kwaliteitsverbeterende maatregel aan de orde is wordt advies gevraagd aan de kwaliteitscommissie van Leudal, Weert en Nederweert. Deze commissie adviseert aan het college of de landschappelijke inpassing en de kwaliteitsverbeterende maatregel voldoende is. Deze regionale commissie is op 1 januari 2012 ingesteld. Dit advies van een onafhankelijke en deskundige commissie is een verplichting van de provincie Limburg.

Het plan is voorgelegd aan de kwaliteitscommissie. Deze commissie is inmiddels akkoord. Het advies van de commissie is opgenomen in de bijlage. 3.4.5.

Landschappelijke inpassing

De gemeente “Leudal” heeft in het eerder genoemde paraplubestemmingsplan eigen beleid vastgesteld waaraan de landschappelijke inpassing dient te voldoen. Het BOM+ beleid is inmiddels verwerkt in het Limburgs KwaliteitsMenu (LKM). Dit plan zegt over het BOM+ , het kwaliteitsmenu van de provincie Limburg en de landschappelijke inpassing, het volgende;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

56

afbeelding 11, Landschappelijke inpassing

De gemeente staat de ontwikkeling van agrarische bedrijven (onder voorwaarden) toe en staat derhalve open voor uitbreiding van bestaande bedrijven. Het uitgangspunt is daarbij wel dat een goede landschappelijke inpassing van de agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken plaatsvindt. Daartoe wil de gemeente aansluiten bij het POL en met name de POL uitwerking Bouwkavel Op Maat plus (BOM+). Deze regeling is erop gericht (agrarische) bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken en tegelijkertijd winst te behalen door het ontwikkelen van omgevingskwaliteit (win - win situatie). Het daadwerkelijk voor bebouwing benutten van de uitbreidingsmogelijkheden binnen het toegekende bouwvlak is dan ook pas mogelijk als aan de regels conform BOM+ is voldaan. Daarnaast kan landschappelijke inpassing worden afgedwongen via nadere eisen. Deze vormen de vertaling van het provinciale BOM+ beleid. Het BOM+ traject is enkel van toepassing voor bedrijven die de oppervlakte van hun bouwkavel willen uitbreiden of de vorm van de bouwkavel wensen te veranderen. Overige uitbreidingen dan wel aanpassingen van de bouwmogelijkheden (bijvoorbeeld met betrekking tot bouw- en goothoogtes) vallen hier niet onder. Dit betekend dat de gemeente Leudal voor de uitwerking van het BOM+ beleid, dat is opgenomen in het LKM aansluit bij het beleid van de provincie Limburg, zie paragraaf 3.3.2.1.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

57

De kwaliteitscommissie heeft in haar vergadering van 14 november 2013 aangegeven met de voorliggende inpassing akkoord te kunnen gaan indien aan haar adviezen tegemoet zou worden gekomen, zie bijlage 15. In het nu voorliggende landschapsinrichtingsplan is aan de adviezen van de kwaliteitscommissie tegemoet gekomen De tegenprestatie is uitgewerkt in het bijgevoegde landschapsinrichtingsplan, zie bijlage 7.

afbeelding 12, dwarsdoorsnede landschappelijke inpassing

De inpassing is op advies van de kwaliteitscommissie aanmerkelijk robuuster uitgevoerd. Hierdoor worden de nieuwe gebouwen en silo’s beter ingepast. 3.4.6.

Gebiedskwaliteiten

Algemeen Uitgangspunt is een gebiedsgerichte benadering waarbij de waarden en kwaliteiten van de diverse gebieden leidend zijn voor het wel of niet toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen. In het buitengebied komen verschillende gebiedstypen voor die zich kwalitatief van elkaar onderscheiden. Er wordt onderscheid gemaakt in: •

regulier agrarisch gebied;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting

58

• •

agrarisch gebied met waarden; natuur- en bosgebied;

Conform het recent vastgestelde reparatie en veegplan Buitengebied Leudal 2016 is het plangebied aangemerkt als een Grootschalig dekzandlandschap. Agrarisch gebied met waarden De gemeente zet met de bestemming 'Agrarisch met waarden' in op het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, naast het landbouweconomische gebruik van bijvoorbeeld de beekdalen. Behoud en herstel van landschappelijke waarden, archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle elementen, het historisch patroon van verkaveling, ontsluiting en kleine landschapselementen is uitgangspunt. Voor het bepalen van de diverse bestemmingen 'Agrarisch met waarden' met de te beschermen waarden wordt op hoog schaalniveau de gebiedsindeling uit de Gebiedsbeschrijving van de gemeente Leudal als basis genomen. Op kleiner schaalniveau wordt het vigerende bestemmingsplan en de bestaande situatie aangehouden. Binnen het bestemmingsplan worden derhalve vier bestemmingen 'Agrarisch met waarden' onderscheiden: •

•

De bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor behoud en herstel van de aan het grootschalige dekzandlandschap eigen zijnde landschappelijke waarden. Deze waarden bestaan uit openheid en duidelijke begrenzingen in de vorm van beboste randen en beplanting langs (hoofd)wegen. De bestemming 'Agrarisch met waarden - 4' Deze agrarische bestemming is toegekend aan of in de directe nabijheid van beekdalen. Daarmee kunnen deze gronden in de (hydrologische) invloedssfeer van de beek liggen. De natuurlijke waterhuishouding en de landschappelijke en natuurlijke structuur dient te worden behouden en waar mogelijk te worden versterkt.

De bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - 1 tot en met 4' zijn toegekend op basis van de gebiedsbeschrijving zoals deze in 2009 voor het buitengebied is opgesteld. Volgens deze indeling is het perceel Karreveld 10 gelegen binnen het grootschalig deklandschap. Dit komt dus overeen met de indeling volgens de Structuurvisie. Gronden die gelegen zijn in het grootschalig dekzandlandschap zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - 1'. De gemeenteraad van de gemeente Leudal heeft daarom bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Leudal beslaoten dat het perceel Karreveld 10 bestemd dient te worden als 'Agrarisch met waarden - 1'. De verbeelding is daarop aangepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=19b43ac2-171c-4e9e-9116-0d0d133065dc