Toelichting, Regels, Verbeelding
Tekst van het document
4.5.
Geluid
Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. Met het plan wordt het gebied waar de woning, een nieuwe geluidgevoelige functie, gerealiseerd kan worden uitgebreid. Door Target Advies is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn beschreven in de rapportage Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tramweg ong. te Baexem (10 augustus 2022, bijlage 2). In het onderzoek is zowel gekeken naar de huidige situatie, als naar de situatie na herinrichting van de N280. Uit het onderzoek blijkt dat in de huidige situatie op 4 plekken sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 8 dB (geluidbelasting 56 dB). De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt hiermee niet overschreden. In de situatie na herinrichting van de N280 wordt de voorkeursgrenswaarde op geen van de toetspunten overschreden.
Gezien de resultaten is berekening van de gecumuleerde waarde op basis van de Wet geluidhinder niet aan de orde.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
30
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde na herinrichting bedraagt 53 dB, waarmee er sprake is van de kwalificatie ‘redelijk’ en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Zonder herinrichting bedraagt de maximaal gecumuleerde waarde 62 dB met kwalificatie ‘tamelijk slecht’ en dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Het college van burgemeester en wethouders heeft inmiddels een hogere grenswaarde verleend. Daarmee is hieraan invulling gegeven voor het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.
Industrielawaai Gezien de ligging van de bedrijfsfunctie, grenzend aan de woonbestemming, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De resultaten zijn beschreven in de rapportage ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tramweg ong. te Baexem’ (Target advies, 8 juli 2022, bijlage 3). De resultaten van dit onderzoek luiden als volgt: Ruimtelijk spoor Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) – Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van stap 2 (gemengd gebied) uit de VNG-publicatie, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. Maximaal geluidniveau (LAmax) – Het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van stap 2 (gemengd gebied) uit de VNGpublicatie, zijnde 70 dB(A) etmaalwaarde. Indirecte hinder – Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de inrichting is feitelijk niet aan de orde en derhalve niet nader beschouwd. Milieuspoor Beste beschikbare technieken – De inrichting voldoet aan de beste beschikbare technieken (BBT). Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) – Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten in het gebied wonen/overgangszone aan de richtgrenswaarde uit het geluidbeleid, zijnde 45/50 dB(A) etmaalwaarde.
Maximaal geluidniveau (LAmax) – Het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Eindconclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de bestemmingswijziging mogelijk is. De toekomstige situatie ten aanzien van de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden kan akoestisch inpasbaar worden geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
31
Conclusie Het aspect geluid legt, zowel voor het onderdeel ‘wegverkeer’ als voor het onderdeel ‘industrielawaai’, geen beperkingen op aan de beoogde ontwikkeling Rijksweg - Tramweg. Wel dient het college van burgemeester en wethouders een Besluit hogere grenswaarde te nemen, voor het ontwerp bestemmingsplan wordt vastgesteld. Dit besluit is reeds genomen.
4.6.
Luchtkwaliteit
Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • • •
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: •
Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBMproject en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
32
De 3% is als volgt gekwantificeerd: •
•
Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Bij voorliggend initiatief is sprake van herbegrenzing van een woon- en bedrijfsbestemming, met aanpassing van de bouwmogelijkheden binnen deze bestemmingen. In plaats van 5 woningen, is in de toekomstige situatie één woning toegestaan in het plangebied. Daarnaast is de algemene bestemming ‘categorie 1 of 2-bedrijf’ gespecificeerd naar garagebedrijf, gericht op in- en verkoop. De invloed van de ontwikkeling op verkeersbewegingen is dusdanig beperkt, dat het plan ruimschoots binnen de NIBM-grens valt. Het plan geldt dan ook als een NIBM-project. Huidige achtergrondconcentratie Wanneer op basis van een ruimtelijke procedure nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd kunnen worden, dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. Binnen het plangebied Rijksweg – Tramweg is het realiseren van woningen en bedrijfsbebouwing binnen de geldende regeling reeds rechtstreeks mogelijk. Nu er geen sprake is van toevoeging van nieuwe gevoelige functies, is het niveau van de achtergrondconcentratie naar verwachting voldoende. Volledigheidshalve is de achtergrondconcentratie getoetst. Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3.
Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. De huidige luchtkwaliteit is dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens uit de verspreidingskaarten (Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland, Rijksdienst voor Volksgezondheid en Milieu). Ter hoogte van het plangebied is sprake van de volgende waarden:
PM10 PM2,5 NO2
Waarde plangebied (μg/m3) Grenswaarde (μg/m3) - 2025 (gegevens 2022) 15 40 8 25 11 40
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
33
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor de belangrijkste luchtkwaliteitscomponenten binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse legt dan ook geen belemmeringen op aan de beoogde ontwikkeling. Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ is, kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten en wordt voldaan aan de grenswaarden voor de verschillende componenten. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied.
4.7.
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • • • •
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); het gebruik van luchthavens; het gebruik van windturbines.
Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
34
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de Risicokaart blijkt dat de dichtst bijgelegen risicobron zich op circa 230 meter van het plangebied bevindt. Het betreft een LPG-tankstation. De risicocontour reikt niet tot het plangebied. Daarbij zijn de gronden in het plangebied reeds bestemd voor gevoelige functies (wonen en bedrijvigheid). De personendichtheid neemt in de nieuwe situatie af ten opzichte van de huidige maximale planologische mogelijkheden, aangezien het aantal woningen in het plangebied daalt. Uit de kaart blijkt verder dat de Rijksweg niet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen met een risicocontour en ook voor het overige geen risicobronnen voorkomen in de omgeving. Advies Veiligheidsregio Het plan is ter beoordeling voorgelegd aan Veiligheidsregio Limburg-Noord. Bij brief van 25 oktober 2022 heeft de veiligheidsregio aangegeven dat er sprake is van de volgende mogelijke scenario’s voor het aspect externe veiligheid: • • •
Het ontstaan van een plasbrand op of nabij de N280; Het optreden van een koude of warme BLEVE op de N280 (kokendevloeistof-gasexpansieexplosie); Het vrijkomen van toxische stoffen op de N280.
Gezien de risico’s en beoogde situatie adviseert de Veiligheidsregio Limburg-Noord als volgt:
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
35
•
•
•
Om veilig in een gebouw te kunnen schuilen voor een toxische gaswolk, moet de mechanische ventilatie voorzien zijn van een gemakkelijk te bereiken schakelaar (bijvoorbeeld in de meterkast), zodat de ventilatie snel kan worden afgeschakeld; Zorg dat de BHV-ers en overige werknemers van het bedrijfspand en de bewoners van de woning op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de voorzieningen in het gebouw, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Creëer vluchtroutes vanuit de gebouwen zoveel mogelijk van de N280 af.
Met deze uitgangspunten wordt bij de bouw en het gebruik van de woning en het bedrijfsgebouw rekening gehouden.
Afbeelding 26. Uitsnede risicokaart Rijksweg – Tramweg en omgeving (bron: risicokaart.nl)
Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ legt geen beperkingen op aan de herontwikkeling van de locatie Rijksweg – Tramweg met één woning en autobedrijf.
4.8.
Waterparagraaf
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
36
realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Hemelwater Het plan ziet op aanpassing van de begrenzingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ (verkleining van de bestemming ‘Wonen’ ten gunste van vergroting van de bestemming ‘Bedrijf’). Op basis van het geldende bestemmingsplan is het oprichten van bebouwing en verharding binnen het plangebied reeds toegestaan. In de huidige situatie is het plangebied echter vrijwel geheel onverhard en onbebouwd.
Het hemelwater dat terecht komt op de nieuwe bebouwing en verharding in het plangebied wordt geheel afgekoppeld en middels voorzieningen terug in de bodem geleid of opgevangen en hergebruikt. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat 85% van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en 45% van het bestemmingsplan ‘Wonen’ wordt verhard/ bebouwd. De toename verhard oppervlak bedraagt daarmee (0,85*1.645) + (0,45 * 1.680) = 2.155 m2. Het Waterschap Limburg heeft in haar Keur vastgelegd dat een te realiseren hemelwatervoorziening dient te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Voor de nieuwe verharding binnen het plangebied is dan ook een buffer- en infiltratiecapaciteit nodig van circa 21,5 m³ (2.155 m2 x 100 mm). Op de eigen percelen (bedrijf en wonen) is voldoende ruimte beschikbaar voor het realiseren van de benodigde infiltratievoorziening. De keuze voor de hemelwatervoorziening met ontwerp en dimensionering wordt uitgewerkt in het civieltechnisch ontwerp als onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag. Afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater van de woning en het bedrijfsgebouw in het plangebied wordt aangesloten op de riolering.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
37
Overleg waterbeheerder Het plan is ter advisering voorgelegd aan Waterschap Limburg. Bij mail van 14 november 2022 heeft het waterschap aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de bestemmingswijziging.
4.9.
Wet natuurbescherming
Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet zijn opgegaan in deze overkoepelende wet. Uitgangspunt van de wet is dat beschermde gebieden en soorten niet aangetast mogen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gebiedsbescherming Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Indien een project geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000gebied, dan gelden geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden en ook andere natuurgebieden kunnen schade ondervinden door diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel met voldoende zekerheid direct worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand (> 1 kilometer) van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. Indien een project geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het project een significant gevolg kan hebben. De stikstofdepositie wordt inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en de toetsingswaarde bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
38
Op afbeelding 27 is de globale ligging van het plangebied aangeduid, in relatie tot de aangewezen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied vanaf het plangebied Rijksweg – Tramweg betreft het ‘Leudal’ op een afstand van circa 2,8 kilometer in noordoostelijke richting. Door de aard van het voornemen, de ligging en de afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, met zekerheid worden uitgesloten.
Afbeelding 27. Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: provincie Limburg)
Stikstof Binnen het plangebied wordt de bestemming ‘Bedrijf’ verruimd ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ en worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden aangepast. Op hoofdlijn blijft het gebied bestemd voor bedrijvigheid en wonen, waarbij het totaal aantal woningen daalt van 5 naar één. Sinds de uitspraak van de Raad van State d.d. 2 november 2022 (202107079/1/R4) dient zowel de aanleg- (bouw)fase als de gebruiksfase betrokken te worden in de afweging. Nieuw te bouwen woningen en bedrijven worden sinds 1 juli 2018 niet meer aangesloten op het aardgasnet. Voor de gebruiksfase geldt dan ook dat eventuele emissies door het gebruik van deze gebouwen niet meer van toepassing zijn. Derhalve resteren voor de gebruiksfase de verkeersbewegingen als mogelijke stikstofbron. Zoals in paragraaf 4.11 nader wordt toegelicht, betreft het maximaal 9 verkeersbewegingen van lichte motorvoertuigen per etmaal voor de woning en maximaal 118 voor het bedrijfsgebouw. Met behulp van de AERIUS-calculator zijn de effecten in de aanlegfase en gebruiksfase berekend. Hierbij blijkt dat voor beide fases de stikstofdepositie voor geen enkel natuurgebied boven de 0,00 mol/ha/jr. komt.
Voor de berekening en beschrijving wordt verwezen naar bijlage 4 en 5 (‘Rapportage AERIUS-calculatie Rijksweg Tramweg te Baexem’, Ecolybrium, 6 februari 2023 en ‘Rapportage AERIUS-calculatie Rijksweg te Baexem, Ecolybrium, 10 oktober 2022 (update 6 februari 2023)). De ontwikkeling heeft voor wat betreft de aanleg- en gebruiksfase geen stikstofdepositie tot gevolg op de stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
39
Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en beschermde plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied is een natuurtoets uitgevoerd. De resultaten van de natuurtoets zijn verwoord in de rapportage ‘Quickscan Ecologische waarden Rijksweg/ Tramweg te Baexem’ (Ecolybrium, 14 oktober 2022) – bijlage 6.
De onderzoekslocatie wordt in de huidige situatie omschreven als sterk verruigde open grasvegetatie, waarbij de overhand van vegetatie bestaat uit gras, brandnetel en aan de randen braamstruweel. Aan de noordwestzijde is een deel begroeid met opschot van jonge bomen en struiken. Oude bomen zijn hier geheel niet aanwezig. De maximale stamdiameter is 15 cm en het betreft hier enkele snelgroeiende soorten zoals ruwe berk en geoorde wilg. Er is geen bebouwing aanwezig op het perceel, ook zijn er geen waterlopen of anderzijds waterhoudende elementen aanwezig. De beplanting is verder te kwalificeren als zeer monotoon, voedselrijk en verwilderd. De conclusies van het onderzoek luiden als volgt: Op basis van het onderzoek en in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) kan gesteld worden dat: •
•
• •
Er geen overtredingen van verbodsbepalingen optreden door de herbestemming en voorgenomen ingrepen op broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Omdat er geen geschikte nestmogelijkheden zijn in de gebouwen en in de aanwezige vegetatie Er geen effecten en daarmee geen overtredingen van verbodsbepalingen optreden door de ingreep op vleermuizen, omdat er geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bomen. Effecten op primaire jachtgebieden en vliegroutes treden ook niet op omdat deze niet aanwezig/ontwikkeld zijn ter plekke. Er geen effecten optreden ten aanzien van amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, overige ongewervelden en grondgebonden zoogdieren. Algemeen voorkomende soorten kunnen wel aanwezig zijn op de locatie, zoals diverse muizensoorten, egel en dergelijke andere soorten. Door in de minst kwetsbare periode te werken en vanuit één richting te werken kunnen deze soorten de locatie veilig verlaten en elders plek vinden.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
40
•
• •
Op basis van deze resultaten kan gesteld worden dat er geen vervolgonderzoeken noodzakelijk zijn. Ook is er geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming De herbestemming en ruimtelijke ingrepen kunnen dan ook uitgevoerd worden zoals beoogd. We adviseren wel om de ingrepen zoveel als mogelijk buiten de broedperiode van vogels (dus buiten half maart -half juli) uit te voeren, om daarmee verstoring van broedvogels te minimaliseren/voorkomen.
Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek kan worden gesteld dat er geen verdere vervolgonderzoeken en/ of ontheffingsprocedure noodzakelijk zijn.
4.10.
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • •
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Aan het plangebied is een archeologische verwachting toegekend, die in het bestemmingsplan is vertaald in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Op basis van deze bestemming is een onderzoek nodig als de ondergrens van 1.000 m2, dieper dan 40 cm, wordt overschreden. In 2012 is een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase uitgevoerd op perceelnummer 673 (Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase Rijksweg 12-14 te Baexem, Archeodienst, 21 december 2012, bijlage 7 bij deze toelichting). Uit het onderzoek is gebleken dat de locatie archeologisch niet interessant is, aangezien de bodemopbouw niet (meer) voldoet aan de verwachting. De verwachtingswaarde hoog is bijgesteld naar laag. Het perceel is daarmee ten aanzien van archeologie vrijgegeven. De dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden is dan ook verwijderd. Voor de percelen 672 en 411 geldt dat hier rechtstreekse bouwtitels liggen voor het realiseren van 4 woningen. Met voorliggende herbestemming vervalt deze bebouwingsmogelijkheid en geldt uitsluitend nog de mogelijkheid voor het oprichten van één vrijstaande woning met aan- en bijbouwen met een maximale totale bebouwingsoppervlakte van 275 m2.
Gezien deze maximale bebouwingsmaat en de conclusies over de bodemopbouw van het naastgelegen perceel is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Op basis van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg geldt dat eventuele vondsten bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden altijd gemeld dienen te worden bij de gemeente als bevoegd gezag. Daarnaast is het gewenst de lokale heemkundevereniging tijdig te informeren, zodat zij (indien gewenst) tijdens de graafwerkzaamheden kunnen meekijken. Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
41
Cultuurhistorie Ter plaatse van het plangebied aan de Rijksweg - Tramweg zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. In de directe omgeving zijn op de cultuurhistorische waardenkaart wel een aantal waardevolle objecten opgenomen, hetgeen kan worden verklaard uit de historie van de plek als één van de twee oorspronkelijke ‘centra’ van Baexem. In de omgeving liggen een aantal gebouwen, die zijn opgenomen in de MIP-inventarisatie (Monumenten Inventarisatie project). Daarnaast is er sprake van één rijksmonument in de omgeving, een archeologisch monument en enkele wegen die aangewezen zijn als historische elementen.
Afbeelding 28. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Leudal (bron: gemeente Leudal)
Bij de ontwikkeling is geen sprake van sloop van bebouwing of het wijzigen van (historische) verkeersstructuren. Het plan zorgt voor de invulling van een open, braakliggend terrein en heeft geen invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
42
4.11.
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied is gelegen aan de rand van Baexem, in de directe nabijheid van de Rijksweg, en is daardoor goed bereikbaar. Voor de ontsluiting bestaat het plan uit twee delen: de bedrijfslocatie wordt ontsloten vanaf de Rijksweg en de woning via de Rijksweg vanaf de Tramweg. Ontsluiting bedrijf Het ontsluiten van het bedrijf met bijbehorende parkeerplaatsen rechtstreeks op de Rijksweg is verkeerstechnisch niet wenselijk en onveilig. Een ontsluiting van de parkeerplaats langs de rotonde is wel mogelijk. Omdat de verkeersbelasting voor het bedrijf niet heel hoog is, is deze ontsluiting acceptabel. Mogelijk kan er op termijn, als de omleiding van de N280 gerealiseerd is, rechtstreeks op de Rijksweg een uitrit gemaakt worden. Ontsluiting woning De in- en uitrit van de woning is gesitueerd aan de Tramweg, aan de noordoostzijde van het plangebied. De Tramweg is een woonstraat die vanuit de bebouwde kom richting het buitengebied loopt. Ter plaatse zijn met name aan de oostzijde van de Tramweg woningen gelegen. Verkeersbewegingen Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied zal in de toekomstige situatie wijzigen als gevolg van de planrealisatie. Bezien vanuit de maximale planologische mogelijkheden is sprake van een afname gezien de vergunde situatie met 5 woningen en mogelijkheden voor een bedrijf.
Feitelijk is sprake van een toename, aangezien de locatie op dit moment braak ligt. Het Kennisplatform CROW heeft kencijfers opgesteld voor de verkeersgeneratie van diverse functies. Deze kencijfers zijn opgenomen in publicatie 381, december 2018 ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. De verkeersgeneratie betreft de som van de verkeersproductie en verkeersattractie, of wel het totaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal (zowel komend, als vertrekkend). In de CROW-publicatie wordt onderscheid gemaakt naar functies en naar verstedelijkingsgraad van het gebied en omgeving. Leudal kan worden ingedeeld in de verstedelijkingsgraad ‘weinig stedelijk’ en de locatie aan de Rijksweg – Tramweg kan worden beschouwd als ‘Rest bebouwde kom’. Aangezien het bedrijf via de Rijksweg wordt ontsloten en de woning via de Tramweg, zijn beide afzonderlijk inzichtelijk gemaakt op basis van voornoemde CROW-publicatie en de bovengenoemde gegevens: Verkeersgeneratie bedrijf Rijksweg-zijde: Functie Type Showroom Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief
Aantal 1.075 m2
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
Norm 10,9/ 100 m2 bvo
Totaal afgerond 118
43
Verkeersgeneratie woning Tramweg-zijde: Functie
Type
Woning
Koop, huis, vrijstaand
Aantal
Norm 1
7,8 – 8,6/ woning
Totaal afgerond 9
Afgerond zorgt de ontwikkeling voor (maximaal) 118 bewegingen vanuit het bedrijf en 9 bewegingen vanuit de woning, totaal 127 verkeersbewegingen per etmaal vanuit het plangebied. De verkeersbewegingen van het nieuw te realiseren bedrijf en de nieuwe woning kunnen zonder problemen verwerkt worden op de Rijksweg en Tramweg. De dimensionering van deze wegen is zodanig, dat deze verkeersbewegingen niet tot problemen leiden. Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie. Ook voor parkeren geldt dat er in het plangebied twee functies voorkomen, die los van elkaar bezien moeten worden. Bedrijfsfunctie Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, hanteert de gemeente Leudal de normering uit de Nota Parkeernormen 2016. Deze nota geeft in bijlage 1 kencijfers voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor diverse functies. Een garagebedrijf en/of showroom voor (in- en) verkoop van auto’s, is niet specifiek vermeld in de in bijlage 1 bij de nota opgenomen parkeernormen onder de hoofdgroep ‘werken’. Ook in de CROW publicatie 381 zijn hiervoor géén normen opgenomen. Een garagebedrijf/ servicestation dient te worden beschouwd als een ‘bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief’. Hiervoor geldt volgens het gemeentelijk beleid voor het gebiedstype ‘rest kom’ een parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.
Het voorliggende initiatief betreft echter een bedrijf dat voor het grootste deel bestaat uit handel in auto’s (in- en verkoop). Er is geen sprake van een servicestation en de werkzaamheden die ter plaatse worden verricht bestaan uitsluitend uit het rijklaar maken van de te verkopen auto’s en kleine reparatiewerkzaamheden ten behoeve van de te verkopen voortuigen. Dit betreft een ondergeschikte functie, gerelateerd aan de verkoopactiviteiten. Voor alleen een showroom kan worden uitgegaan van een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Hierbij wordt aangesloten bij de parkeernorm van de Nota Parkeernormen 2015 van de gemeente Rheden, die wel normen heeft opgenomen voor een showroom. Als een bedrijf meerdere functies in zich herbergt, is voor het bepalen van de parkeerbehoefte de dominante functie bepalend. Alleen als de functies gelijkwaardig zijn, dan dient de parkeerbehoefte te worden berekend naar evenredigheid van de functionaliteiten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een dealerbedrijf, de functies ‘showroom’ en ‘garage’ zijn vaak even sterk aanwezig. In dit geval is daarvan echter geen sprake. De totale bvo in het voorliggende plan bedraagt 1.075 m². Daarvan wordt 1.002 m² gebruikt als showroom voor te verkopen auto’s en 73 m² ten behoeve van klein onderhoud-rijklaar maken van de te verkopen auto’s. Dit betekent dat in dit geval de verkoop van auto’s c.q.
het gebruik als showroom de dominante functie wordt, als gevolg waarvan voor de totale oppervlakte bvo een parkeernorm geldt van 1,2 pp per 100 m² bvo. Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
44
Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 10,75 x 1,2 = 13 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in realisering van 16 parkeerplaatsen. Daarmee wordt in relatie tot de te hanteren parkeernorm voldoende parkeercapaciteit op eigen terrein gerealiseerd. In de planregels is vastgelegd dat de aanwezige parkeerplaatsen aangelegd en in stand gehouden moeten worden en dat 13 parkeerplaatsen te allen tijde beschikbaar moeten zijn voor personeel en bezoekers van het bedrijf (en niet gebruikt mogen worden voor het stallen van te verkopen voertuigen). Tevens zal in de regels worden opgenomen dat op deze locatie géén andere bedrijven gevestigd mogen worden met een hogere parkeerdruk. Deze bedrijven worden enkel toegestaan middels een binnenplanse afwijkingsregel. Woning Conform de nota Parkeernormen 2016 heeft een vrijstaande koopwoning een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen (afgerond 3 parkeerplaatsen). Op het eigen buitenterrein worden twee parkeerplaatsen aangelegd. De overige parkeerplaats kan opgevangen worden in het openbaar gebied. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm. Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
45
5.
Juridische planopzet
5.1.
Planstukken
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en voorliggende toelichting. Bij de regels en toelichting horen een aantal bijlagen. De verbeelding en regels vormen de juridisch bindende elementen van het plan.
5.2.
Verbeelding
Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen in dit plan. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. De uitgangspunten uit de SVBP2012 zijn toegepast bij het tekenen van de bestemmingen en aanduidingen. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Leudal hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.
5.3.
Regels
De regels zijn, conform de SVBP2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Bij de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’ en de recente (partiële) herzieningen zoals in procedure gebracht door de gemeente Leudal. 5.3.1.
Inleidende regels
In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen lezen en toepassen. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden of in dit plan een specifieke uitleg kennen. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc.. 5.3.2.
Bestemmingsregels
Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
46
bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). 5.3.3.
Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 5: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6: Algemene bouwregels In deze regel is een aantal algemene bepalingen over toegestane bebouwing opgenomen. Hier wordt onder meer aandacht geschonken aan parkeren, ondergronds bouwen en bestaande afwijkende maatvoeringen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Artikel 8: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde bouw- en gebruiksregels. Het gaat onder meer om beperkte afwijkingen van 10%, afwijkingen ten behoeve van kleine openbare gebouwtjes, zoals nutsgebouwtjes en wachthuisjes.
Artikel 9: Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders hebben met de algemene wijzigingsregels de mogelijkheid om bestemmingsgrenzen te overschrijden en bestemmingsregels aan te passen op wettelijke regelingen. Artikel 10: Algemene procedureregels In deze regels is vastgelegd welke procedure wordt doorlopen bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid of de nadere eisen regeling. Artikel 11: Overige regels In dit artikel is bepaald hoe de enkel- en dubbelbestemmingen zich tot elkaar verhouden.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
47
5.3.4.
Overgangs- en slotregels
In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
48
6.
Uitvoerbaarheid
6.1.
Economische uitvoerbaarheid
Hoewel de gronden in het plangebied reeds bestemd zijn voor ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ is een herziening noodzakelijk om de gewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden te bieden. De herbestemming vindt plaats voor rekening van de gemeente Leudal. De overige aspecten, om tot uitvoering van het plan te komen, zijn voor rekening en risico van de initiatiefnemer, tevens toekomstig bewoner en exploitant. Hij heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk.
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat reeds is bestemd voor ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. De ontwikkeling sluit aan bij reeds bestaande functies in de omgeving. Daarnaast past de ontwikkeling in de geldende beleidskaders en zijn er geen milieuhygiënische beperkingen. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan. 6.2.1.
Dialoog
Het plan is besproken met de bewoners van de direct omliggende woningen. Uit de dialoog zijn wensen en bedenkingen naar voren gekomen over het waarborgen van de fundering ter plaatse van de woning aan de Rijksweg 10. Hiervoor is een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – beschermingszone fundering’ opgenomen. Hiermee wordt geregeld dat de funderingsresten van de voormalige bebouwing aan de Rijksweg 12, die nodig zijn voor de stabiliteit van het pand aan de Rijksweg 10, niet verwijderd mogen worden en hier geen bouwactiviteiten mogen plaatsvinden. Verder heeft een aanpassing plaatsgevonden aan het esthetische uiterlijk van de achterzijde van het bedrijfsgebouw (hetgeen niet van belang is voor dit bestemmingsplan).
6.3.
Procedure
Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ heeft overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van 24 januari 2023 tot en met 6 maart 2023 ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend. In de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijziging Ontwerp bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ is een verkorte weergave van de zienswijzen opgenomen, gevolgd door de gemeentelijke standpuntbepaling. De geanonimiseerde versie van deze Nota is als bijlage 9 opgenomen bij deze toelichting. Uit de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijziging blijkt dat de zienswijzen geen aanleiding geven tot aanpassing van het Ontwerp bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
49
Wel wordt bij de vaststelling een ambtshalve wijziging in de toelichting doorgevoerd; de actualisatie van de stikstofonderzoeken naar aanleiding van de herziene Aeriuscalculator. Eén en ander is verwerkt in paragraaf 4.9 en bijlagen 4 en 5 van deze toelichting. Vaststelling van het bestemmingsplan vindt plaats door de gemeenteraad. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt vervolgens nog zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze ter inzage termijn bestaat de mogelijkheid beroep tegen het plan aan te tekenen bij de Raad van State.
Bestemmingsplan ‘Rijksweg – Tramweg, Baexem’ | toelichting
50
Rapport
verkennend bodemonderzoek Rijksweg 12 -Tramweg ong. te Baexem
Projectnaam Projectnummer
Rijksweg 12 – Tramweg ong. te Baexem B3075
Opdrachtgever Postadres
Bu-Ro Ester Princenweg 42a 6002 AK Weert Mw E. van Geldorp
Contactpersoon Status Versie
Definitief 1
Aantal pagina’s Datum
12 (exclusief bijlagen) 11 oktober 2022
Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole
dhr. M. Gloudemans
Paraaf
Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet
Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl
Inhoudsopgave 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3
2
3
4
5
1.1
Algemeen ................................................................................................................................................................ 3
1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3
1.3
Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3
1.4
Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3
VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie ............................................................................................................ 5
2.3
Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 6
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 6
2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 8
2.6
Terreinverkenning ................................................................................................................................................... 8
2.7
Conclusie vooronderzoek en hypothese ................................................................................................................. 8
2.8
Onderzoeksstrategie ............................................................................................................................................... 8
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK ..................................................................... 9 3.1
Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 9
3.2
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 9
3.3
Meetgegevens grondwater ..................................................................................................................................... 9
3.4
Analyse en monsterselectie .................................................................................................................................. 10
3.5
Geselecteerde grondmonsters en analysepakket ................................................................................................. 10
3.6
Overzicht grondwatermonsters en analysepakket ............................................................................................... 10
RESULTATEN ........................................................................................................................................................... 11 4.1
Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 11
4.2
Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie.............................................................................................. 11
4.3
Analyseresultaten grondwatermonsters en interpretatie .................................................................................... 11
CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 12
BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 1a: foto’s onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage
rapport B3075 Rijksweg 12 Trambaan te Baexem
2
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van Bu-Ro Ester te Weert heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Rijksweg 12 – Tramweg ong. te Baexem (gemeente Leudal). 1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek
Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen grondtransactie en bouw van een woning en bedrijfspand. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. 1.3
Partijdigheid
Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek (hoofdstuk 2) Uitgevoerde werkzaamheden (hoofdstuk 3) De resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5)
rapport B3075 Rijksweg 12 Trambaan te Baexem
3
2
VOORONDERZOEK
De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Leudal C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. Atlas Limburg G. Locatiebezoek H. Eigenaar/gebruiker onderzoekslocatie 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
adres onderzoekslocatie kadastrale gegevens oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie beschrijving bebouwing/inrichting beschrijving maaiveld omgeving
Rijksweg 12 en Tramweg ong. te Baexem Gemeente Baexem sectie U nummer 672, 673 en 411 3.164 m² Binnen de bebouwde kom Braakliggend terrein, deels begroeid terrein. Er is geen bebouwing meer aanwezig. Het maaiveld is onverhard en voorzien van gras (braakliggend), het westelijk deel is begroeid met bomen en struiken. noord Openbare weg Tramweg en woningen oost Openbare weg Tramweg, Rijksweg 10 woning en tuin zuid Openbare weg Rijksweg en landbouwgrond west Openbare weg Rijksweg N280 en (auto)bedrijven, park (Klockeberg Baexem)
rapport B3075 Rijksweg 12 Trambaan te Baexem
4
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie
voormalig gebruik locatie algemeen
(sloot-)dempingen ophogingen
Voormalige bebouwing
bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen
De percelen zijn sinds begin 1900 deels bebouwd, door de jaren heen is de bebouwing uitgebreid. De percelen waren voorheen genummerd als Rijksweg 12, 14 en 16. De locatie Rijksweg 12 is in gebruik geweest als autobedrijf en pompstation. In 1930 is op het adres Rijksweg 12 een vergunning afgegeven voor oprichting van een benzinepomp met ondergrondse benzinetank (inhoud 6.000 liter), pompeiland en kolenopslag. In 1954 en 1955 is vergunning verleend voor uitbreiding van de benzinepomp en in 1966 voor de wijziging van de brandstofpompinstallatie. De laatste wijziging had betrekking op het gebruik van een ondergrondse tank voor superbenzine (6.000 liter) en voor afgewerkte olie (6.000 liter). In 1988 is de vergunning komen te vervallen, nadat de locatie drie jaar buiten gebruik is geweest. Vanaf september 1998 was de locatie Rijksweg 12 in bedrijf als herstelinrichting voor motorvoertuigen. Op het adres Rijksweg 14 is sprake geweest van een horecabedrijf. Het buitenterrein behorende bij dit perceel werd gebruikt voor stalling van auto’s door het garagebedrijf. Sinds 2001 stonden de panden leeg. In 2007 is het noordwestelijk deel van de bebouwing (horecapand ter plaatse van perceel U 672) gesloopt, in 2013 is de overige bebouwing gesloopt. De toplaag is verwijderd en verzameld in een partij grond gelegen nabij de zuidwestgrens van het perceel. De bovengrond is herschikt.
Na sloop van bebouwing is perceel U 672 niet meer onderhouden en begroeid met bomen en struiken. 1950 1986 2001
Aanvullende informatie nabije omgeving: Ten westen van onderhavige onderzoekslocatie bevind zich park de Klockeberg. Hier heeft van 1200 tot 1944 een Romaanse kerk gestaan, gebouwd op een kleine heuvel. In WOII is de kerk zwaar getroffen en elders in het dorp herbouwd. De Tramweg maakte vroeger onderdeel uit van de tramlijn Deurne-Roermond. nee Op de locatie bevind zich een grondwal. De grondwal is opgeworpen na sloop van de bebouwing en uitvlakking van het terrein. Overtollige grond is verzameld in de grondwal, deze wordt te zijner tijd afgevoerd. De opdrachtgever geeft aan dat deze op een later moment wordt onderzocht middels een partijkeuring (AP04). Ja, er is sprake geweest van bedrijfsbebouwing bestaande uit een uit bakstenen opgetrokken woning met autogarage voorzien van dakpannen en deels voorzien van een bitumen dak. Momenteel is geen sprake van bodembedreigende activiteiten. In het verleden was sprake van een garagebedrijf met een ondergrondse benzinetank, een pompeiland, een ondergrondse afgewerkte olietank/benzinetank, een 2e pompeiland, een spuitcabine en werkplaats. Deze zijn in 2012 voldoende onderzocht, zie 2.4.
rapport B3075 Rijksweg 12 Trambaan te Baexem
5
Luchtfoto circa 2013
2.3
Toekomstig gebruik
bestemming bodembedreigende activiteiten opslagtanks opslag bodembedreigende stoffen 2.4
Beoogd wordt een woning en bedrijfspand (autoshowroom) op te richten. nee nee nee
Beschikbare onderzoeksgegevens
onderzoek op locatie Historische onderzoek, 2011 ,Econsultancy, kenmerk 11121020
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Econsultancy, maart 2012, kenmerk 12021097
In 2011 is een historisch onderzoek verricht. Er is sprake van een garagebedrijf en horecapand. Geadviseerd wordt de voormalige ondergrondse benzinetank, het voormalige pompeiland, de voormalige ondergrondse afgewerkte olietank/benzinetank, het voormalige 2e pompeiland, de voormalige spuitcabine en werkplaats en het overige terrein met een oppervlakte van 1.600 m² verkennend te onderzoeken. In 2012 is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht ter plaatse van Rijksweg 12 (autogarage en buitenterrein) in het kader van aankoop door gemeente Leudal. De voormalige ondergrondse benzinetank, het voormalige pompeiland, de voormalige ondergrondse afgewerkte olietank/benzinetank, het voormalige 2e pompeiland, de voormalige spuitcabine en werkplaats en het overige terrein met een oppervlakte van 1.600 m² zijn onderzocht. Bebouwing was ten tijde van het onderzoek nog aanwezig. Tijdens de veldwerkzaamheden wordt in de bovengrond bijmenging van baksteen, plastic en houtskool aangetroffen. De ondergrond is plaatselijk matig beton-, cement-, baksteen-, houtskool- en tegelhoudend. Resultaten: Voormalige spuitcabine: in de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond, het grondwater is licht verontreinigd met barium. Voormalige werkplaats: de bovengrond is licht verontreinigd met lood, het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen.