Toelichting + Regels + Verbeelding
Tekst van het document
bestemmingsplanNoenevershof
31
worden gehouden waarvoor geen geurmeissiefactor is vastgesteld een minimale afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom en 100 meter binnen de bebouwde kom. De afstand van het plangebied tot het agrarisch bouwvlak van Poelakkerweg 3 bedraagt ca. 300 meter. Met inachtneming van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van onevenredige hinder die van invloed zou kunnen zijn op het woon- en leefklimaat van de bewoners van de nieuw te realiseren levensloopbestendige woningen. Andersom vormt woningbouw op onderhavige locatie geen (extra) belemmeringen voor bedrijven in de directe omgeving van de 'Noenevershof'. Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. 5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht.
Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Initiatiefnemer is voornemens om op de gronden aan de 'Noenevershof' 16 levensloopbestendige woningen te realiseren. Met inachtneming van de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat onderhavig voornemen geen invloed heeft op het aspect luchtkwaliteit. Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit.
Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.504 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0%
32
bestemmingsplanNoenevershof
vrachtverkeer. 5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is niet op onderhavig project van toepassing. 5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid
In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, alsook op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. 5.6.2 Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c.
het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.6.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, (vaar)wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde, binnen welke contour geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht.
bestemmingsplanNoenevershof
33
5.6.4 Risicovollebronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen. Transportleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of verlening van een omgevingsvergunning, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een woning/kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). Uit bestudering van de Risicokaart volgt dat zich op een afstand van ca. 200 meter ten westen van het plangebied een transportleiding voor gevaarlijke stoffen (aardgasleiding) bevindt.
Deze transportleiding heeft een diameter van 8,35 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De PR 10-6-risicocontour voor de leiding bedraagt 0 meter. Derhalve vormt deze geen belemmering voor het planvoornemen. Aardgasontvangststation Daarnaast volgt uit de Risicokaart dat op een afstand van circa 340 meter ten oosten van onderhavig plangebied een aardgasontvangststation aanwezig is. De PR 10-6-risicocontour voor het aardgasontvangststation bedraagt 15 meter. Derhalve vormt deze geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over wegen Het plangebied is gelegen op een afstand van 970 meter van de N273. Uit de vervoersgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over de N273 de stofcategorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF3 en GT3 worden vervoerd. De toxische vloeistoffen bepalen in dit geval de begrenzing van het invloedsgebied. Uit tabel 4-2 van de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) volgt dat de grens van het invloedsgebied als gevolg van transport van LT2 880 meter bedraagt. Hiermee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van de N273. Transport over spoor Uit bestudering van de Risicokaart volgt dat op een afstand van circa 520 meter ten zuiden van onderhavig plangebied de spoorlijn Maastricht- Eindhoven gelegen. Het PR-plafond (m) voor deze spoorlijn bedraagt 1 meter. Derhalve vormt deze geen belemmering voor het planvoornemen.
Transport over water Op een afstand van circa 800 meter ten oosten van het plangebied is een binnenvaartroute van de Maascorridor gelegen. Uit de gegevens die bij de Risicokaart beschikbaar zijn, volgt dat over deze binnenvaartroute de stofcategorieën LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3 worden vervoerd. Aangezien het plangebied op een afstand van meer dan 200 meter is gelegen, hoeft de hoogte van het groepsrisico niet beschouwd te worden. Op basis van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport blijkt, dat voor zowel de Oude Maas als de Nieuwe Maas bevaarbaarheidsklasse 6 van toepassing is. Wat betreft het plaatsgebonden risico is relevant dat een vaarweg van bevaarbaarheidsklasse 6 geen 10-6-contour heeft. Daarnaast geldt als
34
bestemmingsplanNoenevershof
uitgangspunt dat binnen 200 meter langs deze vaarweg geen aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 500/ha en bedragen de vervoersaantallen van LT2 + GT3 258 per jaar. Op basis van de vuistregels uit de HART wordt daarmee 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Met inachtneming van het voorgaande is een nadere berekening van het groepsrisico niet nodig en hoeft er geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. 5.6.5 Resultaten en conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige ontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de ontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied
bestemmingsplanNoenevershof
35
36
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 6
Overige ruimtelijke aspecten
Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1
Archeologie
Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Erfgoedwet 2016, hoofdstuk vijf 'Archeologische monumentenzorg'). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen (daaronder tevens begrepen: wijzigingsplannen) betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. De aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kan langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. De gemeente Leudal beschikt over de 'Erfgoedverordening Leudal 2018'. Deze verordening biedt een soort voorbescherming voor archeologische waarden.
In de verordening wordt de mogelijkheid geboden om archeologische monumenten en verwachtingszones aan te wijzen en deze te verbinden aan categorieën regels en voorwaarden. De regels en voorwaarden overeenkomstig de verordening dienen te worden verwerkt in de regels van nieuw op te stellen bestemmings-/wijzigingsplannen. Gelet op de archeologische monumenten- en verwachtingskaart van de gemeente liggen de gronden gedeeltelijk binnen een gebied met een 'hoge verwachting voor droge landschappen' en gedeeltelijk binnen een 'AMK-terrein: terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen.
bestemmingsplanNoenevershof
37
Uitsnede archeologische monumenten- en verwachtingskaart gemeente Leudal met aanduiding plangebied Ter plekke van het plangebied zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 4' en 'Waarde – Archeologie 5' van kracht op grond van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Op basis van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' geldt een archeologische onderzoeksverplichting indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 . Wat betreft de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5' geldt een archeologische onderzoeksverplichting indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m2 . Aangezien onderhavig plangebied gedeeltelijk is gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' gelden deze waarden als uitgangspunt. Met betrekking tot onderhavig woningbouwproject is van belang dat het bouwplan een groter oppervlak heeft dan 250 m2 . Derhalve is door ArcheoPro een inventariserend veldonderzoek (d.d. 20 juli 2020) uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 9. In de rapportage van het archeologisch onderzoek wordt aangegeven dat de resultaten van het booronderzoek de aanwezigheid van een intacte radebrikgrond binnen het centrale en noordelijke deel van het plangebied bevestigen.
Binnen het zuidelijke deel van het plangebied wijkt de bodemopbouw hiervan af en lijkt deze te zijn verstoord tot een diepte variërend van 1,1 tot 1,8 m – mv. Met inachtneming van de resultaten van het verkennend booronderzoek dient de hoge archeologische verwachting voor het centrale deel en noordelijke deel van het plangebied te worden behouden. Voor het zuidelijke deel van het plangebied kan de archeologische verwachting met betrekking tot behoudenswaardige archeologische resten worden bijgesteld naar laag. Derhalve dient de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan te worden gehandhaafd voor wat betreft het centrale en noordelijk deel van onderhavig plangebied. Ten aanzien van het zuidelijke deel van het plangebied kan de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' worden verwijderd. Aangezien ter plaatse van het centrale en noordelijke deel van onderhavig plangebied een intacte radebrikgrond is aangetroffen, wordt geadviseerd om ter plaatse van dit deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd alvorens in dit gebied grondverstoringen plaatsvinden welke dieper reiken dan 40 cm-mv. Naar aanleiding van deze resultaten heeft Aeres Milieu een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.
Vooruitlopend op de definitieve rapportage zijn de bevindingen en de resultaten van dit onderzoek reeds bekend. Het archeologisch onderzoek toont aan dat binnen onderhavig plangebied sprake is van een natuurlijke zandopduiking in de ondergrond. Deze bereikt in het west noordwesten van het plangebied zijn hoogtepunt. Hier is de bodem als gevolg van natuurlijke processen geërodeerd en zijn de in het booronderzoek aangetroffen brikgronden ontstaan. De bodem die is weggespoeld is in oostelijke richting afgezet op de lager gelegen delen van het terrein. Op deze afzettingen zijn enkele fragmenten aardewerk uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen, maar geen concrete sporen van bewoning of grondbewerking. Naar onder is in het bodemprofiel een pakket zand waar te nemen waar leemlenzen zijn ingespoeld. Deze laag met leemlenzen sluit het oude maaiveld af. Op dit maaiveld zijn twee sporen aangetroffen, het betreft een haardkuil met enkele fragmenten prehistorisch handgevormd aardewerk met weinig magering en geen versiering. Dit doet vermoeden dat hier sprake is van materiaal afkomstig uit de ijzertijd of de zogenaamde inheems Romeinse periode. Iets noordelijker is er sprake van een inhumatie in dit zelfde niveau. De inhumatie is in dusdanig slechte toestand dat zelfs de emaille resten van de tanden niet behouden is.
Dit zal grotendeels het gevolg zijn van de ongunstige conservering als gevolg van de bodemmatrix. De inhumatie is dan ook alleen waargenomen als lijksilhouet. Vermoedelijk handelt het zich hier om een kind (gebaseerd op lengte). Vanwege het aantreffen van de inhumatie en de culturele ontwikkeling in de begraaf tradities kan worden gesuggereerd dat het hier waarschijnlijk om midden ijzertijd gaat (aangezien de late ijzertijd en inheems Romeins veelal crematies zijn). Dit zijn de enige twee sporen in het terrein en er is geen verwachting dat er veel meer resten aangetroffen zullen worden. De sporen liggen verder op een behoorlijke diepte (meer dan 1,5 meter-mv). Op
38
bestemmingsplanNoenevershof
basis van deze bevindingen adviseert het deskundige onderzoeksbureau dan ook dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het plangebied kan dan ook vrij worden gegeven voor het aspect archeologie. Aangezien het definitieve onderzoeksrapport nog overlegd moet worden, wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' gehandhaafd in de planregels. De archeologische waarden zijn dan ook te alle tijde beschermd. Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt onderhavig bestemmingsplan niet belemmerd door het aspect archeologie.
6.2
Kabels en leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Indien aanpassingen aan de bestaande aansluitingen moeten worden doorgevoerd, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
6.3
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. In dat verband mag de verkeersgeneratie vanwege een ruimtelijke ontwikkeling niet leiden tot verkeersproblemen, alsook dient de extra parkeerbehoefte op eigen terrein te kunnen worden opgevangen. 6.3.1
Verkeersstructuur
Initiatiefnemer is voornemens om op de gronden aan de 'Noenevershof' 16 nieuwe levensloopbestendige woningen te realiseren. Onderhavig plangebied is gelegen tussen Noenever, de Bergstraat en de Holstraat. Derhalve kan onderhavig plangebied worden gekarakteriseerd als een inbreidingslocatie. Wat betreft de ontsluiting van onderhavig plangebied kan worden gewezen op het feit dat onderhavige locatie wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen weg welke tussen de woning Holstraat 19 en Holstraat 23 aansluiting krijgt op de Holstraat. Verder wordt voorzien in een langzame verkeersontsluiting (voetgangers en fietsers) aan de Bergstraat (ter plaatse van het huidige vluchtpad). Deze langzame verkeersontsluiting betreft eveneens een calamiteitenontsluiting aangezien deze wordt afgesloten middels een uitneembaar paaltje. Indien zich een calamiteit voordoet, kan de brandweer onderhavig plangebied niet alleen bereiken via de nieuw aan te leggen weg tussen Holstraat 19 en Holstraat 23, maar ook via de calamiteitenontsluiting aan de Bergstraat door het betreffende paaltje ter plaatse weg te halen. Daarmee is onderhavig plangebied meerzijdig bereikbaar. Tot slot wordt een nieuw fiets- en voetpad beoogd tussen Holstraat 11 en Holstraat 13. Gelet op het aantal woningen kan de marginale verkeerstoename worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur (Bergstraat en Holstraat).
Binnen het plangebied wordt de weg zodanig aangelegd dat de woningen goed bereikbaar zijn voor de bewoners, bezoekers, vuilophaaldiensten, bezorgdiensten en hulpverleningsdiensten. De erftoegangsweg splitst zich ter hoogte van de centrale groenzone in een rondgang voor éénrichtingsverkeer. De rondgang wordt zo smal mogelijk uitgevoerd om een stenig karakter en langsparkeren te voorkomen. Met betrekking tot de éénrichtingsweg binnen het plangebied wordt er door de gemeente nog een verkeersbesluit genomen.
bestemmingsplanNoenevershof
39
6.3.2 Parkeren In het plangebied (Centrum Buggenum) zijn geen rechtstreeks werkende parkeernormen van toepassing. De parkeernormen die ter plaatse van onderhavig plangebied zijn toegepast, zijn afgeleid uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Als bijlage 6 bij dat bestemmingsplan is de 'Nota Parkeernormen' gehecht. Ter plaatse van onderhavig plangebied worden 16 levensloopbestendige woningen beoogd. Van deze 16 woningen zullen 10 woningen voor de verkoop en 6 woningen voor de verhuur worden gerealiseerd. In de Nota Parkeernormen wordt onderscheid gemaakt tussen vrijstaande koopwoningen en huurwoningen in de vrije sector. Aangezien met onderhavig planvoornemen beide woondoeltypen worden beoogd, wordt hieronder een nadere uiteenzetting per type woning gegeven. Initiatiefnemer beoogt ter plaatse van onderhavig plangebied 10 vrijstaande koopwoningen te realiseren. Aangezien onderhavige locatie is gelegen in de zone 'rest kom' geldt per nieuw te realiseren woning een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning. Voor dit type woningen geldt een totale parkeerbehoefte van 27 parkeerplaatsen. Daarnaast worden ter plaatse van onderhavig plangebied 6 vrije sector huurwoningen opgericht. Voor dit type woning geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte 14,4 ofwel 15 parkeerplaatsen.
Op het buitenterrein bij de nieuw te realiseren woningen is voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren van één respectievelijk twee auto's. Bij de te realiseren woningen worden op eigen terrein één respectievelijk twee parkeerplekken gecreëerd. Daarnaast worden aan de noord-, west- en zuidzijde van onderhavig plangebied 22 openbare parkeerplaatsen aangelegd waar zowel de bewoners van de woningen als gasten kunnen parkeren. In dat verband worden ter plaatse van onderhavig plangebied in totaal 46 parkeerplaatsen voorzien. Geconcludeerd moet worden dat de parkeerbehoefte ter plaatse van onderhavig plangebied kan worden opgevangen, waardoor zich parkeerproblemen in de openbare ruimte ten gevolge van onderhavige ontwikkeling niet zullen voordoen.
6.4
Waterhuishouding
6.4.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. b. c. d.
een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen.
Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen.
40
bestemmingsplanNoenevershof
6.4.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 6.4.3 Infiltratieonderzoek De huidige situatie ter plaatse van onderhavig plangebied is nagenoeg geheel onverhard. In de nieuwe situatie neemt de verharding aanzienlijk toe ter plaatse van de woonpercelen (bebouwing en verharding), wegen en parkeervoorzieningen.
Derhalve is door Aelmans ECO B.V. een onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de ondergrond (d.d. 7 mei 2020). Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit onderhavig onderzoek blijkt dat de bodem ter plekke is geclassificeerd en de doorlatendheid in overwegende mate groter is dan ca. 0,3 m/d. De infiltratie van neerslagwater behoort tot de mogelijkheden aangezien de doorlatendheid van de (ondiepe) ondergrond in overwegende mate overal voldoende is. 6.4.4 Afvalwater en hemelwater Onderhavig plangebied is gelegen binnen de gemeente Leudal en in het beheergebied van Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor de waterhuishouding en waterveiligheid binnen haar beheergebied. Sinds 1 april 2019 is de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg van kracht. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige ontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Leudal. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe verharding ter plaatse van de nieuwbouwkavels wordt op eigen terrein opgevangen. Het hemelwater dat valt op verharding in het openbaar gebied wordt afgevoerd naar de te realiseren wadi's welke in de groenzone van onderhavig plangebied worden beoogd. Bij de afvoer van hemelwater geldt als uitgangspunt dat er geen overlast mag ontstaan voor woningen en het openbaar gebied. Capaciteit hemelwatervoorziening Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Ter plaatse van onderhavig plangebied worden 16 nieuwe levensloopbestendige woningen voorzien. Om het
bestemmingsplanNoenevershof
41
hemelwater per kavel op te vangen, dient op elke kavel een hemelwatervoorziening te worden gecreëerd. De kavelgrootte varieert van circa 266 m2 tot 400 m2 en 623 m2 . Bij de woningen met een kavelgrootte tot 300 m2 wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van circa 100 m2 . Bij de woningen met een kavelgrootte van meer dan 300 m2 wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van circa 200 m2 . Deze oppervlakten impliceren een hoeveelheid te bufferen en af te voeren hemelwater van circa (100 x 100 =) 10 m³ respectievelijk (200 x 100 =) 20 m3 per kavel. Omdat aan de hand van het infiltratieonderzoek is aangetoond dat de doorlatendheid van de (ondiepe) ondergrond in overwegende mate overal voldoende is, kan de hoeveelheid te bufferen hemelwater per kavel worden teruggebracht. Het is aan de bewoners van de beoogde nieuwe woningen om op eigen terrein een passende hemelwatervoorziening te creëren. Daarnaast gaat onderhavige ontwikkeling gepaard met het aanleggen van nieuwe wegen ter ontsluiting van onderhavig plangebied. In dat verband is relevant dat ter plaatse van onderhavig plangebied wordt voorzien in een centrale groenzone waar de omliggende paden en wegen op aan sluiten. In deze groenzone is een verlaging van het maaiveld opgenomen ten behoeve van de hemelwaterberging. Ter plekke kan het hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Uitwerking hemelwatervoorziening In de tuinen van de nieuw op te richten woningen is voldoende ruimte aanwezig om een hemelwatervoorziening te creëren. Ter plaatse kan bijvoorbeeld worden voorzien in infiltratiekratten dan wel een natuurlijke waterbuffer op basis waarvan het hemelwater rechtstreeks kan infiltreren in de bodem. Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Een aantal woningen zijn voorzien binnen het waterbergend rivierbed van de rivier de Maas. Ter plaatse van deze gronden geldt echter geen vergunningplicht op basis van de Waterwet. De omstandigheid dat er geen vergunningplicht geldt op basis van de Waterwet, wil niet zeggen dat er geen kans is op wateroverlast bij hoogwater. Bouwen in dit gebied geschiedt dan ook op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid en bij hoogwater kan er geen eventuele schade op het Rijk verhaald worden. Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien.
Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat – bij het treffen van de juiste maatregelen – hiervan geen sprake zal zijn. Aangezien de toename van het verhard oppervlak groter is dan 2000 m2 is het infiltratieonderzoek met de voorgenomen wijze van afwatering voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. De bevindingen van het Waterschap Limburg zijn bijgevoegd als Bijlage 10. Dhr. Sterck heeft namens het Waterschap Limburg bij e-mail d.d. 15 mei 2020 aangegeven dat in de waterparagraaf moet worden aangegeven welk oppervlak aan verharding per kavel zal worden aangebracht. Naar aanleiding van deze opmerkingen is onderhavige paragraaf aangevuld. 6.4.5 Conclusie Gelet op vorenstaande en de resultaten van de watertoets vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
42
bestemmingsplanNoenevershof
6.5
Natuurbescherming
6.5.1 Natura2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft 'Leudal'. Dit Natura-2000 gebied ligt op circa 1,8 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Daarnaast is ten oosten van onderhavig plangebied het Natura 2000 gebied 'Swalmdal' gelegen. De afstand tussen onderhavig woningbouwinitiatief en dit Natura 2000 gebied bedraagt circa 2,7 kilometer. Aangezien onderhavig woningbouwproject ziet op het realiseren van 16 levensloopbestendige woningen kan niet worden uitgesloten dat onderhavige ontwikkeling invloed heeft op deze Natura 2000 gebieden.
Kaart 'Natura2000' van Atlas Limburg met aanduiding plangebied 6.5.2 Mogelijke effecten voor Natura 2000-gebieden Het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS) is in het leven geroepen om enerzijds ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen, maar tegelijkertijd ook te voorzien in maatregelen die nodig zijn voor het behoud en herstel van Natura 2000-gebieden. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Als een project significant negatieve effecten kan veroorzaken op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming vereist. Initiatiefnemer heeft de wens om aan de 'Noenevershof' 16 levensloopbestendige woningen op te richten. Gedurende de bouwfase van de nieuwe woningen zullen machines met verbrandingsmotoren worden ingezet, zoals graafmachines of hijskranen. Daarnaast neemt het aantal verkeersbewegingen gedurende de gebruiksfase van de nieuwe woningen toe.
Omdat stikstofemissie mogelijk een effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden, dient een toets te
bestemmingsplanNoenevershof
43
worden uitgevoerd of de bouwfase en de gebruiksfase mogelijk vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet Natuurbescherming. In het kader van de Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling, bijgevoegd als Bijlage 6 is een stikstofonderzoek uitgevoerd naar de bouw- en gebruiksfase van onderhavige ontwikkeling. Medio oktober 2020 heeft een update plaatsgevonden van de Aerius Calculator. Naar aanleiding daarvan zijn de stikstofberekeningen geactualiseerd. Deze geactualiseerde berekeningen zijn bijgevoegd in Bijlage 7. Toetsing op de invloed van de realisatiefase van het bouwplan 'Noenevershof' op de Natura 2000-gebieden met behulp van de Aerius Calculator wijst uit dat dit geen depositieresultaten geeft hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt ook voor stikstofdepositie als gevolg van de toename van het verkeer in de gebruiksfase van de 16 woningen. Vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet van toepassing voor het nieuwbouwplan 'Noenevershof'.
6.6
Flora en fauna
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Kaart met aanduiding natuurgegevens provincie Het voornemen is om aan de 'Noenevershof' 16 levensloopbestendige woningen te realiseren. Met inachtneming van deze ontwikkeling zijn de in kaart gebrachte natuurgegevens van de Provincie Limburg geraadpleegd. Ter plekke van onderhavig plangebied zelf zijn blijkens deze gegevens geen beschermde soorten fauna waargenomen. Wel zijn aan de randen van onderhavig plangebied een aantal bomen aanwezig. Derhalve is door bureau Ecoplanning op 2 april 2020 een quickscan flora- en fauna uitgevoerd. Deze rapportage is bijgevoegd als Bijlage 11. Uit de literatuurstudie en het veldbezoek van bureau Ecoplanning blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden niet leiden tot een negatief effect van de groei-, rust- en voortplantingslocaties van beschermde flora en fauna. Daarnaast worden met onderhavig planvoornemen geen houtopstanden gekapt die op de bomenlijst
44
bestemmingsplanNoenevershof
van de gemeente Leudal staan. Derhalve is het aanvragen van een kapvergunning niet nodig. Wel wordt opgemerkt dat de houtopstanden te allen tijde buiten het broedseizoen worden teniet gedaan, namelijk in de periode augustus tot en met februari. Wat betreft de huismus dient de verplaatsing van de nestkast aan de garage op de locatie Holstraat 11 te geschieden buiten haar broedperiode, namelijk in de periode augustus – februari. Op deze wijze is conform artikel 2.2 van de 'Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg' geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect flora- en fauna geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
6.7
Duurzaamheid
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. De woningen worden gebouwd met duurzaam materiaal, waarbij aandacht wordt besteed aan de recyclebaarheid van de bouwmaterialen. Daarnaast worden de woningen gasloos uitgevoerd, goed geïsoleerd en wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Met betrekking tot de bouwkundige aspecten van onderhavig woningbouwplan kan worden gewezen op het feit dat deze verder zullen worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning activiteit bouwen.
bestemmingsplanNoenevershof
45
46
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
7.1
Grondexploitatie
7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).
Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Leudal sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.
bestemmingsplanNoenevershof
47
7.2
Planschade
Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een ontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een ontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een ontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. De gemeente Leudal sluit een planschadeverhaalsovereenkomst met initiatiefnemer. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn dan ook niet voor rekening van de gemeente Leudal.
48
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 8
Planstukken
Het bestemmingsplan 'Woningbouwplan Noenevershof' van de gemeente Leudal bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding schaal 1:1000.
8.1
Algemeen
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.
Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
8.2
Opbouw bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:
bestemmingsplanNoenevershof
49
Hoofdstuk 1: Inleidende regels - Begrippen - Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels - Bestemmingen - Voorlopige bestemmingen - Uit te werken bestemmingen - Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels - Anti-dubbeltelregel - Algemene bouwregels - Algemene gebruiksregels - Algemene aanduidingsregels - Algemene afwijkingsregels - Algemene wijzigingsregels - Verwezelijking in de naaste toekomst - Algemene procedureregels - Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels - Overgangsrecht - Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. De inhoud van de regels is gebaseerd op het 'Handboek Ruimtelijke Plannen en Besluiten' van de gemeente Leudal, in combinatie met de regels behorende bij het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' (het 'moederplan').
Vanwege de specifieke situatie van voorliggende planontwikkeling is een aantal regels afwijkend c.q. aanvullend op de door de gemeente gehanteerde standaarden.
50
bestemmingsplanNoenevershof
8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'. Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:1000. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
bestemmingsplanNoenevershof
51
52
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 9 procedure 9.1
Vooroverleg, inspraak en formele
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
9.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen.
9.3
Inspraak
Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Leudal heeft kenbaar gemaakt dat zij, alvorens de formele bestemmingsplanprocedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage zullen leggen.
9.4
Formele procedure
9.4.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. 2.
3. 4. 5.
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken
bestemmingsplanNoenevershof
53
6. 7.
Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.4.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 8 oktober 2020 tot en met 18 november 2020 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn negen zienswijzen ingekomen. Ten aanzien van deze zienswijzen heeft het college van burgemeester en wethouders een beantwoording geformuleerd in een 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan 'Noenevershof'' De 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan 'Noenevershof'' is toegevoegd als bijlage 13. Deze zienswijzennota wordt samen met het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de gemeenteraad ter vaststelling. 9.4.3 Crisis- en herstelwet Initiatiefnemer heeft het voornemen om op de gronden aan de 'Noenevershof' te Buggenum 16 levensloopbestendige woningen te realiseren. Uit artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (Chw) in samenhang gelezen met categorie 3.1 van bijlage I bij de Chw volgt dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is op bestemmingsplannen die voorzien in de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. Aangezien onderhavig planvoornemen voorziet in de bouw van 16 woningen in een aaneengesloten gebied, is op het besluit tot vaststelling van het plan afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing.
Het feit dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is op onderhavig woningbouwplan impliceert dat een eventuele beroepsfase versneld kan worden behandeld met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast dient het beroep de gronden te bevatten waarop het beroep betrekking heeft met als gevolg dat het indienen van een pro forma beroepschrift niet mogelijk is. Tot slot dient de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep binnen zes maanden na binnenkomst van het beroepschrift te beslissen. Binnen die periode vindt een zitting plaats. Na de zitting laat de uitspraak in de regel nog zes weken op zich wachten.
54
bestemmingsplanNoenevershof
Bestemmingsplan - Regels -
Noenevershof Gemeente Leudal
Bestemmingsplan Noenevershof Gemeente Leudal
Onderdeel:
Regels
IDN-nummer:
NL.IMRO.1640.BP20BuNoenever-VG01
Projectnummer:
M155079
Status:
vastgesteld
Datum:
25 februari 2021
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels
5
Artikel 1 Artikel 2
5 17
Begrippen Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
19
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
19 22 24 28 31
Groen Verkeer Wonen Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5
Hoofdstuk 3 Algemene regels
35
Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
35 36 38 39
Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
43 45 46
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
47
Artikel 15 Artikel 16
47 48
Overgangsrecht Slotregel
Regels
bestemmingsplanNoenevershof
3
4
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan 'Noenevershof' met identificatienummer NL.IMRO.1640.BP20BuNoenever-VG01 van de gemeente Leudal. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aaneengebouwde woning een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde grondgebonden woningen die niet onderling zijn gekoppeld door een bijbehorend bouwwerk. 1.6 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.
Indien op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming of indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, wordt het achtererfgebied bepaald door het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied. 1.7 afhankelijke woonruimte een bijbehorend bouwwerk (vrijstaand en/of aangebouwd) bij een woning dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin uit een oogpunt van mantelzorg een huishouden gehuisvest is. 1.8 arbeidsmigrant economisch actieve migrant wiens doel het is op eigen initiatief en op vrijwillige basis arbeid en inkomen te verwerven in een immigratieland. 1.9 archeologische waarde de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden. 1.10 bebouwd oppervlak de buitenwerks gemeten (geprojecteerde) oppervlakte van zowel gebouwen als bouwwerken geen gebouwen zijnde, een zwembad uitgezonderd, op het maaiveld van het perceel.
bestemmingsplanNoenevershof
5
1.11 bebouwde kom het gebied dat door zijn 'samenhangende bebouwing' als bebouwde omgeving wordt aangemerkt. De aard van de omgeving is hierbij bepalend. Het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft is hierbij niet altijd maatgevend. 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.13 bebouwingspercentage een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwvlak of bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.14 bed & breakfast een voorziening, zonder eigen kookgelegenheid, in een woning of een bijbehorend bouwwerk behorende bij de woning en gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de betreffende bestemming. Een bed & breakfast functioneert door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet als zelfstandige woning. Een aparte kookgelegenheid bij de voorziening is niet toegestaan. Onder een bed & breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid (zie ook artikel 2.6, Wijze van meten) en artikel 11.2, bed & breakfast).
1.15 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.16 bedrijf aan huis het verrichten van een bedrijfsmatige activiteit die door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende bijbehorend(e) bouwwerk(en) met behoud van het wonen als overwegende functie kan worden uitgeoefend, zulks met uitzondering van een seksinrichting. 1.17 beeldkwaliteit het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing met de karakteristieken van de locatie en omgeving door middel van aandacht voor stedenbouwkundige aspecten, architectuur, cultuurhistorie en landschap. 1.18 beperkt kwetsbare objecten a. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare; b. dienst- en bedrijfswoningen van derden; c. kantoorgebouwen, met uitzondering van kantoorgebouwen met een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object; d. hotels en restaurants, met uitzondering van hotels met een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object; e.
winkels, met uitzondering van complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bedrijfsvloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; f. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen; g. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, met uitzondering van