Toelichting + Regels + Verbeelding
Tekst van het document
18
5 oktober 2020
verkeersbewegingen van de tractor. Daarnaast worden er sporadisch benodigdheden gelost door een (kleine) vrachtwagen. De kortste afstand tussen het gebouw dat gebruikt wordt voor de bedrijfsactiviteiten en de nieuwe woning bedraagt ca. 15 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand uit de indicatieve lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. In voorliggende situatie zullen alle activiteiten in de dagperiode plaatsvinden, en zullen de verkeersbewegingen met name optreden in het teeltseizoen. De verkeersintensiteiten (zie ook paragraaf 4.2) zijn dusdanig beperkt dat het woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe woning toch gewaardborgd kan worden. Voor alle overige omliggende bedrijven wordt ruim voldaan aan de richtafstand voor geluid. De gemeente Leudal heeft in 2011 de ‘Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid’ vastgesteld, en deze in 2014 geactualiseerd. De nota is opgezet met oog voor de lokale situatie en het bestaande achtergrondgeluidniveau. In de nota wordt gewerkt met akoestische gebiedstypen en richtwaarden in dB(A). Voor de woongebieden en het landelijk gebied geldt een richtwaarde in de dagperiode van 45 dB(A). Wanneer bedrijvigheid zorgt voor een te hoge milieubelasting, kunnen aan deze activiteiten maatwerkvoorschriften worden opgelegd (in combinatie met vergunning of melding).
De geluiduitstraling van de bedrijfsactiviteiten op Bergerstraat 34 is echter dermate gering, dat dit niet aan de orde is. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid’ gelden er geen beperkingen voor de realisatie van het planvoornemen.
4.4.
Luchtkwaliteit
Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. • Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. • Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBMgrens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De 3% is als volgt gekwantificeerd: Bestemmingsplan Bergerstraat 34
19
5 oktober 2020
• •
Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
De ontwikkeling van één nieuwe woning aan de Bergerstraat 34, in combinatie met beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten, valt ruimschoots binnen de NIBM-grens voor woningbouwlocaties. Het plan geldt dan ook als een NIBM-project. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is niet nodig. Huidige achtergrondconcentratie Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. In de nieuwe situatie is immers sprake van een nieuw gevoelig object. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. Woningen zijn gevoelige functies voor het aspect luchtkwaliteit. De situatie is dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens uit de verspreidingskaarten (Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland, Rijksdienst voor Volksgezondheid en Milieu).
Ter hoogte van de Bergerstraat 34 is sprake van de volgende waarden: Waarde plangebied Grenswaarde (μg/m3) (μg/m3) - 2020 (gegevens 2019) PM10 17 40 PM2,5 10 20 NO2 14 40 Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor de belangrijkste luchtkwaliteitscomponenten binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse legt dan ook geen belemmeringen op aan de beoogde ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Bergerstraat 34 en toevoeging van één woonfunctie.
4.5.
Bodem
In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). In het kader van voorliggende bestemmingswijziging is door BodemInzicht een historisch bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Bergerstraat 34. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in NEN5725. De onderzoeksrapportage (d.d. 25 november 2019) is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: “Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie, behoudens de bodem ter plaatse van de dieseltank en de toplaag naast de varkensstal, onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging en derhalve geen belemmering vormt voor de aanstaande bestemmingswijziging ter plaatse. Op de onderzoekslocatie is sprake van opslag van diesel in een bovengrondse tank in de werktuigenloods als bodembedreigend wordt beschouwd. Hierbij wordt opgemerkt dat de dieseltank inpandig is opgesteld op een betonvloer van zeer goede kwaliteit. Het doorboren van deze vloer in het kader van bodemonderzoek wordt niet wenselijk geacht.
Op basis van het vooronderzoek de druppelzones naast de stal als verdacht beschouwd voor aanwezigheid van asbest in de bodem.” Bestemmingsplan Bergerstraat 34
20
5 oktober 2020
Na sloop van de varkensstal wordt een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Door deze werkwijze kan bij het vaststellen van de bodemkwaliteit ook rekening worden gehouden met de kwaliteit na de sloop van de varkensstal waar asbest op aanwezig is. Het verkennend bodemonderzoek zal tevens worden betrokken bij de aanvraag voor de (ver-)bouwvergunning voor de 2e woning. Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde realisatie van een nieuwe woning aan de Bergerstraat 34 (binnen bestaande bebouwing of middels nieuwbouw). De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein op het eigen perceel herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. Het is niet te verwachten dat dit nodig is. Na sloop van de varkensstal wordt ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
4.6.
Geur
De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. De locatie Bergerstraat 34 ligt in een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom.
Het aspect geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUe/m3). De geuremissiefactoren per diersoort zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: • Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Rgv een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. • Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand.
Figuur 4.6.1: Uitsnede Atlas Limburg – kaart Landbouw; oranje lijn is een afstand van (ruim) 500 meter, zichtbaar is dat in de gehele omgeving geen veehouderijen aanwezig zijn binnen deze afstand (bron: provincie Limburg).
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
21
5 oktober 2020
Gezien het karakter van het gebied is allereerst bepaald waar de meest nabijgelegen veehouderij zich bevindt. Binnen een straal van 500 meter rond het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De meest nabijgelegen veehouderij is het bedrijf aan de Rohrstraat 6 in Neer ten zuidwesten van het plangebied. De afstand tussen beide locaties bedraagt ruim 900 meter. Op deze locatie worden, aldus de opgave van de provincie Limburg, paarden gehouden (bedrijfsomvang 22 NGE). Voor paarden zijn in de Rgv geen geuremissiefactoren opgenomen. Voor deze diersoort geldt op grond van de Wgv in concentratiegebieden een minimale afstandsnorm van respectievelijk 50 en 100 meter buiten en binnen de bebouwde kom. In de gemeentelijke geurverordening Verordening geurhinder en veehouderij 2017 wordt voor deze vaste afstanden aangesloten bij de wettelijke afstanden. De minimale afstand tot het plangebied dient dan ook 100 meter te bedragen, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Daarbij geldt voor de bestaande woning, een woning behorende bij een (voormalige) veehouderij, een uitzondering op grond van artikel 3.2 sub a Wgv. Omdat het een woning van een (voormalige) veehouderij betreft, dient de afstand tot elke andere veehouderij ten minste 50 meter te bedragen. Ook hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Woon- en leefklimaat Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat op de locatie Bergerstraat 34 is gekeken naar de achtergrondbelasting ter plaatse. Hierbij is gebruik gemaakt van de informatie uit de Gebiedsvisie Behorende bij de verordening geurhinder en veehouderij 2011. In deze gebiedsvisie is de achtergrondgeurbelasting op geurgevoelige objecten berekend. Deze berekening is uitgevoerd voor alle geurbronnen (intensieve veehouderijen) die op het gebied van invloed zijn, door middel van het rekenmodel V-stacks. Voor de kern Neer luidt de analyse van de geursituatie dat de basisnorm (3 OU/m 3) aan de noordzijde wordt overschreden door één bedrijf. Verdere bedrijfsontwikkelingen zijn niet gewenst en er is geen aanleiding de basisnorm aan te passen. Het leefklimaat in de kern is goed tot zeer goed. Op grond van deze gegevens uit de gebiedsvisie kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied, aan de zuidzijde van de kern Neer, ten minste sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Buiten de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning en toevoeging van een nieuwe burgerwoning is sprake van de beëindiging van het agrarisch bedrijf met veehouderijtak. Hiermee verdwijnt de geurinvloed van het bedrijf op de omgeving.
Dit zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat van de omliggende (geur-)gevoelige functies, met name de burgerwoningen aan de Bergerstraat, het Veurtje, Hanssum en de Molenstraat. Voor het aspect ‘Geur’ is er dan ook sprake van een verbetering van de situatie.
4.7.
Stikstof
Op grond van Europese en landelijke wet- en regelgeving gelden er normen en regels voor de uitstoot van gevaarlijke stoffen, onder andere om de natuurkwaliteit in beschermde gebieden te beschermen en waar mogelijk te vergroten. De ‘PAS-uitspraak’ (29 mei 2019) heeft eens te meer duidelijk gemaakt dat de eventuele invloed van stikstof meegewogen dient te worden in ruimtelijke plannen. Voor de beoogde ontwikkeling aan de Bergerstraat 34 is met behulp van AERIUS calculator een berekening gemaakt van de impact van de wijziging van bestemming en gebruik (bijlage 3). Met de calculator is de hoogste stikstofbijdrage per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied berekend, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/ of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort of anderszins mogelijk relevant. De berekening gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx). In de nieuwe situatie is er geen sprake meer van emissie van ammoniak. Het resultaat van de berekening luidt dat er geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jr.
In de berekening zijn meegenomen het verkeer van de 2 nieuwe woningen (omzetting bedrijfswoning in burgerwoning en toevoegen burgerwoning), het verkeer van bewoners (2x), het vrachtverkeer (2x), verkeersbewegingen met een tractor (2x) en de uitstoot van de CV van de bestaande en nieuwe woning. Gezien de rekenresultaten gelden er voor de functiewijziging geen beperkingen vanuit het aspect ‘stikstof’.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
22
5 oktober 2020
4.8.
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); • het gebruik van luchthavens; • het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan.
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de risicokaart Limburg (thema Veiligheidsafstanden) blijkt dat er op een afstand van ruim 300 meter ten oosten van het plangebied een risicovolle activiteiten voorkomt. Het betreft het bedrijf aan de Soerendonck 3 te Neer. Hier vindt binnenopslag van gevaarlijke stoffen plaats, met 10-6 risicocontouren van respectievelijk 65 en 25 meter.
Gezien de afstand tussen het bedrijf en het plangebied is er binnen het plangebied geen sprake van een verhoogd risico op het gebied van externe veiligheid.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
23
5 oktober 2020
Figuur 4.8.1: Uitsnede kaartbeeld Veiligheidsafstanden Risicokaart Limburg; met afstand Bergerstraat 34 tot risicovolle inrichting (bron: risicokaart.nl).
Onder het thema ‘Ongevallen gevaarlijke stoffen’ worden de Leiding Gasunie Transport Services en Leiding Gasunie, die ten oosten van het plangebied lopen, benoemd. De afstand tot deze leidingen bedraagt respectievelijk 158 en 228 meter. In beide gevallen betreft het Aardgas NEN 3650-leidingen, waarvan de gegevens omtrent plaatsgebonden risico en groepsrisico in de risicokaart niet nader gedocumenteerd zijn.
Figuur 4.8.1: Uitsnede kaartbeeld Ongevallen gevaarlijke stoffen Risicokaart Limburg; met afstand Bergerstraat 34 tot risicovolle leidingen (bron: risicokaart.nl). Bestemmingsplan Bergerstraat 34
24
5 oktober 2020
Om de risicoafstand van de buisleidingen te bepalen is gebruik gemaakt van het Handboek Buisleidingen in Bestemmingsplannen (Ministerie van infrastructuur en milieu). Wanneer het plangebied buiten de 1%letaliteitscontour ligt, is geen berekening of verdere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Eén en ander is bepaald in artikel 12 Bevb. Op grond van dit artikel wordt tevens de Veiligheidsregio geraadpleegd. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in het bestemmingsplan. In de bouw- en gebruiksregels van de bestemming ‘Wonen’ zijn aanvullende bepalingen opgenomen.
Voor de leidingen ten oosten van het plangebied geldt het volgende:
Transportroute ID Naam Uitwendige diameter Maximale werkdruk 1%-letaliteitgrens Feitelijke afstand
Leiding ‘links’ 11861 A-520-01 12,76 inch
Leiding ‘rechts’ 11102 Z-513-01 8,62 inch
6620 kPa
4000 kPa
170 meter 158 meter
Voldoet niet aan 1%-letaliteitgrens
95 meter 228 meter
Voldoet wel aan 1%-letaliteitgrens
Omdat niet wordt voldaan is feitelijk een verantwoording groepsrisico noodzakelijk. De locatie is wel gelegen buiten de 100% letaliteitscontour waardoor volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In 2012 is een groepsrisico berekening uitgevoerd (Screening groepsrisico hogedruk aardgastransportleidingen in Leudal, Deskundigenpool, 2012). Binnen de gemeente bleek het groepsrisico nergens hoger dan 0,06 keer de oriëntatiewaarde. Het herbestemmen en toevoegen van een woning binnen het plangebied heeft geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
25
5 oktober 2020
De overige thema’s uit de Risicokaart, bieden voor de locatie Bergerstraat 34 en omgeving geen relevante informatie. Er zijn naast het bovenstaande dan ook geen risico’s aanwezig.
4.9.
Kabels en leidingen
Algemeen In het geldend bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’ is het gehele plangebied aangewezen als ‘gebiedsaanduiding; vrijwaringszone – hoogspanningsverbinding’. Daarnaast geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Hoogspanningsleiding In het voortraject van de herontwikkeling Bergerstraat 34 (proeftuin) heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente Leudal en Tennet als beheerder van de hoogspanningsverbindingen. Hierbij is gebleken dat er geen bezwaren bestaan tegen de herbestemming op de locatie en (inpandige) realisatie van één extra woning, indien aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. De door Tennet gestelde voorwaarden (zie ook bijlage 6. - brief Tennet, d.d. 17 december 2019) hebben met name betrekking op het waarborgen van de veiligheid onder en in de zone van de leiding . Er gelden onder meer hoogtebeperkingen voor het bouwen en het gebruik van bouwmaterieel. Met deze voorwaarden zal bij de ontwikkeling rekening gehouden worden, ze worden geborgd in de planregels. Initiatiefnemer zal ook in het vervolgtraject van de herontwikkeling in contact blijven met de gemeente en leidingbeheerder. Naast het veiligheidsaspect is het gezondheidsaspect nabij hoogspanningsleidingen relevant.
Het plangebied is in zijn geheel gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – hoogspanningsverbinding’, die er primair op gericht is dat er geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd worden. Door het RIVM is in 2005 een advies opgesteld, gericht op het realiseren van gevoelige functies in de directe omgeving van hoogspanningsverbindingen. Dit voorzorgbeleid met adviesrichting is een uitwerking van het Europese beleid. Vanuit het Europese beleid geldt als aanbeveling geen gevoelige functies toe te staan, indien de jaargemiddelde magneetveldsterkte groter is dan 100 microtesla. Daarbij wordt gestreefd naar het minimaliseren van sterkte van magneetvelden door technische maatregelen. In de Nederlandse beleidslijn uit 2005 is de maximale jaargemiddelde magneetveldsterkte rond hoogspanningsverbindingen bepaald op 0,4 microtesla. Hoewel sprake is van een voorzorgbeleid blijkt dat de advieswaarde van 0,4 microtesla vaak als harde norm wordt gehanteerd. De in het geldend bestemmingsplan opgenomen vrijwaringszone, is gebaseerd op de magneetveldzone van 0,4 microtesla. Gezien de praktijkervaringen heeft de minister in 2018 een evaluatie van het beleid aangekondigd en opgestart.
Uit de evaluatie is onder meer gebleken dat gemeenten en netbeheerders het voorzorgbeleid zo uitvoeren dat voorkomen wordt dat woningen of scholen binnen de magneetveldzone (van 0,4 microtesla) komen te liggen. Er wordt door gemeenten en netbeheerders bijna nooit een afweging gemaakt tussen kosten en opbrengsten en er wordt bijna nooit gekeken naar de redelijkheid en proportionaliteit van maatregelen. Het huidige voorzorgbeleid biedt deze mogelijkheid tot een afweging wel, maar biedt gemeenten en netbeheerders geen hulpmiddelen of kaders om daar invulling aan te geven. In de Kamerbrief van 1 oktober 2019 (kst-29023250) stelt de minister dat het verstandig is om voorzorgbeleid te blijven voeren, maar hierbij de inconsistenties en disproportionaliteit van de huidige uitvoeringspraktijk op te heffen. Voor alle mogelijk veroorzakers van magneetvelden, dus niet alleen hoogspanningsverbindingen, en voor bestaande en nieuwe situaties zullen ALARA (As Low As Reasonably Achievable) maatregelen vastgesteld worden. Het overzicht van redelijke, proportionele en praktisch realiseerbare ALARA-maatregelen en afstanden wordt voor de zomer van 2020 verwacht. Ondanks de opgenomen beschermingszone in het geldend bestemmingsplan zijn er concrete aanleidingen om een brede afweging te maken.
Vooruitlopend op de wijziging van het voorzorgsbeleid wordt gestreefd naar een redelijke, proportionele en praktische afweging. In deze brede afweging speelt de omgevingswinst die in de kernrandzone bereikt kan worden een rol. Het alternatief voor de woonfunctie is het voortzetten van een intensieve veehouderij tegen de bebouwde kom van Neer in een bestaand bebouwingslint met vrijwel uitsluitend burgerwoningen. Het gemeentelijk beleid is al jarenlang gericht op het beëindigen (of verplaatsen) van veehouderijen in de kernrandzone. Er is dan ook sprake van een gewichtige reden om mee te werken aan de bestemmingswijziging en, in aansluiting bij de Kamerbrief, de regeling uit het vigerend bestemmingsplan los te laten. De verblijfsfuncties van de nieuw te realiseren woning komen ten minste 20 meter uit het hart van de hoogspanningsleiding te liggen en daarmee buiten de dubbelbestemming ‘Leiding –
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
26
5 oktober 2020
Hoogspanningsverbinding’. Het oprichten van een nieuwe woning wordt na afweging van alle relevante aspecten – niet in de minste plaats het saneren van de IV-locatie – in dit specifieke geval aanvaardbaar geacht. Overige kabels en leidingen Voor het overige komen in het plangebied geen kabels of leidingen voor die planologische bescherming behoeven. Gezien de resultaten van de toets in deze paragraaf en de paragraaf 4.9 Externe veiligheid is de ontwikkeling vanuit het aspect ‘kabels en leidingen’ aanvaardbaar.
4.10.
Water
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Hemelwater Het plan betreft de beëindiging van een agrarisch bedrijf en herbestemming tot burgerwoning, met de mogelijkheid om één extra woning te realiseren. Bij het plan is in elk geval sprake van sloop van bebouwing (voormalige varkensstal). De stal met een oppervlakte van 400 m2 wordt geheel gesloopt en de gronden worden in gebruik genomen als agrarische productiegrond. Waar infiltratie van hemelwater nu niet mogelijk is, wordt dat op termijn wel weer mogelijk. Voor de nieuw te realiseren woning is op voorhand niet bekend of deze gerealiseerd wordt in de voormalige koeienstal, of nieuw wordt gebouwd. Wanneer gekozen wordt voor nieuwbouw, zal de oude koeienstal worden gesloopt om plaats te maken voor de woning. Per saldo zal hier dan ook in geen van de situaties sprake zijn van toename van bebouwd oppervlak. Het bestemmingsplan is dan ook waterneutraal. Een weergave van hoe om wordt gegaan met hemelwater is opgenomen in Bijlage 1 Inpassingsplan. Afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater blijft (bestaande woning) en wordt (nieuwe woning) aangesloten op de riolering. Hoogwaterbescherming Het plangebied ligt zo’n 500 meter ten westen van de Maas.
Het gebied is, mede vanwege de hoogteligging, niet aangewezen als stroomvoerend of waterbergend rivierbed. Vanuit de beleidslijn Grote Rivieren gelden dan ook geen beperkingen voor ontwikkelingen op de locatie. Overleg waterbeheerder Het Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van het verhard oppervlak minder bedraagt dan 2.000 m² hoeft dit bestemmingsplan niet aan het waterschap te worden voorgelegd. Conclusie
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
27
5 oktober 2020
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de bestemmingswijziging aan de Bergerstraat 34.
4.11.
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Wet op de archeologische monumentenzorg is hiermee komen te vervallen. In de Erfgoedweg is vastgelegd hoe met ons erfgoed moet worden omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht hierop wordt uitgeoefend. In de gemeentelijke bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Gemeenten kunnen meer gedetailleerde verwachtings- of beleidskaarten laten opstellen voor het eigen grondgebied om zo binnen hun eigen beleidsruimte invulling te geven aan het aspect archeologie en cultuurhistorie. De gemeente Leudal heeft in 2009 een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is de locatie Bergerstraat 34 aangeduid als een gebied met een hoge verwachting voor droge landschappen. In het vigerend bestemmingsplan is dan ook de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen. Bij bodemingrepen >1.000 m2 en dieper dan 40 cmmv is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in principe verplicht. De locatie Bergerstraat 34 is al vele jaren door de mens in gebruik. Ten behoeve van dit gebruik heeft er de afgelopen tientallen jaren regelmatig grondverzet plaatsgevonden op het terrein.
Op onderstaande luchtfoto is aangegeven op welke plekken op deze locatie een ingreep in de bodem heeft plaatsgevonden. In de aansluitende tabel is weergegeven waar deze ingreep uit bestond, in welk jaar dit is gedaan, de diepte van deze ingreep en de oppervlakte die het bij benadering betrof.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
28
5 oktober 2020
schatting jaartal ingreep 19631964 en ca. 1975
nr. tek.
omschrijving
gedane ingreep
1
woning, deels onderkelderd
uitgraven kelder, funderingen, vloer
2
koeienstal met putten
uitgraven kelders, funderingen en grondverbetering
19631985
3
verlagen terrein i.v.m. niveauverschil en t.b.v. erfverharding
afgraven terrein
1965 1985
4
loods
5
mestvaalt/werktuigenberging
bouw en sloop loods en vervolgens nieuwbouw loods bouw en sloop mestvaalt+werktuigenberging
1970 2016 1972 2016
6
varkensstal
bouw varkensstal
1972
7
terrein
ophogen terrein i.v.m. hoogteverschil
1972 2000
Totale schatting reeds verstoord oppervlakte:
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
schatting diepte ingreep
schatting oppervl.
0,50-2,50 m -/- mv
180 m2
0,50 3,00 m -/- mv 0,60 1,40 /- mv 0, /- 6mv 0 - 0,80 0, /- 50 mv- 0,60 0,50 1,50 /- mv 0,10 mv 0,80 +
320 m2 380 m2 450 m2 40 m2 380 m2 500 m2 2.250 m2
29
5 oktober 2020
Uit deze tabel blijkt dat er op een oppervlakte van ca. 2.250 m 2 in het verleden reeds bodemingrepen zijn gedaan. Het huidig bouwvlak heeft een oppervlakte van ca. 4.700 m 2 en in de nieuwe situatie is het bestemmingsvlak ca. 3.000 m2. Geconcludeerd kan dan ook worden dat gezien de feitelijke situatie ter plekke, er reeds een groot gedeelte van het plangebied verstoord is in het verleden. Voorts is het, gezien de grootte van het bestemmingsplan (bestemming ‘Wonen’), uitgesloten dat zich een ontwikkeling voordoet waardoor de minimale verstoringsoppervlakte van 1.000 m2, zoals vastgelegd in het actuele bestemmingsplan, wordt overschreden Gezien het bovenstaande is door de gemeente geoordeeld dat verder onderzoek niet noodzakelijk is en de dubbelbestemming ‘Archeologie’ kan vervallen. Cultuurhistorie Ter plaatse van de locatie Bergerstraat 34 zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De locatie is, gezien de Cultuurhistorische waardenkaart, gelegen buiten de historische kern van Neer en herbergt geen overige cultuurhistorische waarden. Het initiatief heeft geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging in het plangebied en, al dan niet inpandige, realisatie van één nieuwe burgerwoning.
4.12.
Natuur
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstig te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. De locatie Bergerstraat 34 ligt niet in of nabij een waardevol natuurgebied. Gezien de afstand tussen bestaande natuur en het plangebied en de zeer beperkte omvang van het plan heeft de ontwikkeling geen negatief effect op natuurwaarden in de omgeving. Met de beëindiging van de veehouderij is geen sprake meer van emissies, hetgeen de natuur in de omgeving ten goede kan komen hoewel significante (negatieve) effecten ook tijdens het functioneren van het agrarisch bedrijf niet aanwezig waren. Flora en fauna De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken en beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven.
Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of worden beperkt. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Bouwactiviteiten kunnen impact hebben op het leefgebied van planten- en diersoorten. Gezien de planontwikkeling is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten zijn vastgelegd in de rapportage ‘Quick scan flora en fauna Bergerstraat 34, Neer’ (M&A Omgeving BV, 2 december 2019 – bijlage 4). In de conclusies van het onderzoek is te lezen dat door het literatuuronderzoek is aangetoond dat in het gebied mogelijk beschermde flora of fauna voorkomt. Tijdens het veldonderzoek, dat is uitgevoerd in november 2019, zijn geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisatie geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder Gierzwaluwen en vleermuisssoorten). Voor de Huismussen zijn geen permanente verblijfplaatsen aangetroffen Omdat het veldonderzoek buiten het broedvogelseizoen is uitgevoerd, is speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.
Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en mogelijkheden in het gebied. Ook in de lindeboom ten noorden van de stal is degelijk onderzoek uitgevoerd op o.a. toegangsmogelijkheden en verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde soorten zoals
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
30
5 oktober 2020
Huismussen en Gierzwaluwen. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. Volgens het Natuurnetwerk Nederland zijn er geen ecologische verbindingszones in de nabijheid van het perceel gesitueerd. Ook is het perceel niet gesitueerd in een waardevol gebied qua natuurwaarden. Door de sloop van de stal en de werkzaamheden aan het bijgebouw en de hiermee gepaard gaande functiewijziging naar wonen van het perceel, wordt het karakter van het gebied op een positieve wijze beïnvloed. Het open karakter buiten het perceel blijft geheel behouden en door het verdwijnen van de stal zal meer groen op het woonperceel kunnen worden gerealiseerd. Bij de werkzaamheden dient, ondanks het uitgevoerde onderzoek, op grond van de Wet natuurbescherming aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de werkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van de inventarisatie is in de rapportage vermeld dat er geen belemmeringen gelden voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur in brede zin geen belemmeringen zijn te verwachten voor de herbestemming van de locatie Bergerstraat 34 en daarmee gepaard gaande sloop en verof nieuwbouw.
4.13.
Verkeer en parkeren
Op dit moment kent het perceel Bergerstraat 34 2 in-/ uitritten op de Bergerstraat, die gebruikt worden voor de bedrijfswoning en het agrarisch bedrijf. In de toekomst blijven deze inritten behouden en is daarmee sprake van één toegang tot elke woning. De verkeersstromen zullen als gevolg van de functiewijziging beperkt wijzigen. Het agrarisch verkeer zal afnemen en privé verkeersbewegingen zullen iets toenemen zodra de 2 e woning in gebruik wordt genomen. De dimensionering van de Bergerstraat is zodanig, dat deze verkeersbewegingen niet tot problemen leiden. Op eigen terrein zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Er worden minimaal twee parkeerplaatsen (exclusief garage) per woning gerealiseerd. Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse.
4.14.
Duurzaamheid
Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt als eis een EPC-waarde van 0,4. Hieraan moet de nieuwe woning op de locatie Bergerstraat 34 voldoen, tenzij op het moment van realisatie van de woning andere normen gelden (naar verwachting medio 2020 BENG Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.
Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woning niet zal worden aangesloten op het gasnet.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
31
5 oktober 2020
4.15.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Voorliggend plan ziet op herbestemming van een agrarisch bedrijf naar wonen met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een nieuwe woonfunctie. Beoordeeld dient te worden of hierbij sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Jurisprudentie (met name de uitspraak van de Raad van State ECLI:RVS:2017:694) biedt hiervoor belangrijke handvaten.
De relevant aspecten voor het bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject worden hieronder benoemd en getoetst voor het initiatief Bergerstraat 34: 1. De aard en omvang van de ontwikkeling; De herbestemming van de locatie Bergerstraat 34, bestaande uit beëindiging van het agrarisch bedrijf en omschakeling naar wonen met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, betreft een kleinschalig plan. Het plan ziet op twee kadastrale percelen met een omvang van 4.700 m 2 aan de rand van de kern Neer. 2. De vormgeving en opzet; Eén woning en het bedrijfsgebouw zijn in de bestaande situatie al aanwezig. Deze situatie wijzigt ruimtelijk niet. In het bebouwingslint, tussen de bestaande woning Bergerstraat 32 en de woning uit het plangebied Bergerstraat 34 wordt de mogelijkheid gecreëerd om één extra woning op te richten. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande koeienstal omgebouwd/ gesloopt. De nieuwe woning ligt hiermee logisch in het bebouwingslint. 3. De schaalgrootte; De nieuwe woning krijgt een perceelsomvang die aansluit bij de kavels in de omgeving. Het betreft een perceel dat past bij de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied. Ook de perceelsomvang van de bestaande woning (Bergerstraat 34) is passend in dit gebied. 4. De ligging; De locatie ligt aan de rand van de kern Neer en betreft herontwikkeling van één huiskavel. 5.
De voorgenomen functie(wijziging); De bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd als burgerwoning, waarbij nog enkele kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten worden toegestaan. Daarnaast wordt de mogelijkheid van een extra burgerwoning gecreëerd. 6. De vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. De bestaande gebouwen binnen het plangebied blijven deels behouden. De huidige varkensstal wordt gesloopt, waarmee de exploitatie van een intensieve veehouderij ter plaatse definitief wordt beëindigd. De nieuwe woning wordt gerealiseerd door het ombouwen van de bestaande koeienstal of het slopen van deze stal en nieuw realiseren van een woning. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling en de daaraan gekoppelde besluitvorming is dan ook niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
32
5 oktober 2020
5.
Juridische planbeschrijving
5.1.
Planstukken
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.
5.2.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Leudal hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.
5.3.
Toelichting op de regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels. • Bestemmingsregels. • Algemene regels. • Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’. Waar mogelijk zijn de regels uit dit plan ongewijzigd overgenomen. Tevens voldoet het bestemmingsplan aan het ‘Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019’.
5.3.1.
Inleidende regels
In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..
5.3.2.
Bestemmingsregels
Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden - 3’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). In de planbeschrijving in paragraaf 2.2 is de wijze van bestemmen nader toegelicht. Tevens geldt voor (delen van) het plangebied de bestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Deze bestemming, gericht op de bescherming van een specifieke voorziening , kent dezelfde opbouw als de genoemde enkelbestemmingen.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
33
5 oktober 2020
5.3.3.
Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 6: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7: Algemene bouwregels In deze regel is een aantal algemene bepalingen over toegestane bebouwing opgenomen. Hier wordt onder meer aandacht geschonken aan ondergronds bouwen. Artikel 8: Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Artikel 9: Algemene aanduidingsregels Het plangebied is, overeenkomstig het geldend plan, aangewezen als ‘overige zone – kernrandzone’ en ‘vrijwaringszone – hoogspanningsverbinding’. In deze aanduidingsregels zijn specifieke mogelijkheden, beperkingen of kenmerken voor specifieke delen van het plangebied vastgelegd.
Artikel 10: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde maten, afmetingen en grenzen, voor zover het ondergeschikte aanpassingen betreft. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om met afwijking kleine openbare gebouwtjes, zoals nutsgebouwtjes en wachthuisjes toe te staan en beperkte verhogingen van gebouwen binnen het plangebied. Tenslotte is de mogelijkheid om met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid antennes en antenne-opstelpunten, kleine windturbines, zonnevolgsystemen en zonnepanelen toe te staan. Artikel 11: Algemene wijzigingsregels De wijzigingsregels zijn noodzakelijk om een bestemming daadwerkelijk te kunnen wijzigen, zodat hier andere mogelijkheden ontstaan. De wijzigingsbevoegdheid richt zich op het beperkt verschuiven van bestemmingsgrenzen. Ook bieden de algemene wijzigingsregels de mogelijkheid om een verwijzing op te nemen naar geactualiseerde versies van de Nota Kwaliteit en Nota Parkeernormen. Artikel 12: Algemene procedureregels De algemene procedureregel beschrijft hoe gehandeld moet worden, in geval nadere eisen worden gesteld.
Artikel 13: Overige regels In dit artikel is een aantal bepalingen opgenomen omtrent; • de verhouding tussen verschillende wettelijke regelingen; • de bescherming van Natura2000-gebieden; • de (ruimtelijke) kwaliteitsregels, zoals verankerd in de Nota Kwaliteit; op grond van deze regels dienen bij nieuwe ontwikkelingen in het plangebied bepaalde kwaliteitsbijdragen geleverd te worden.
5.3.4.
Overgangs- en slotregels
In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
34
5 oktober 2020
6.
Handhaving
Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang.
Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Om die reden is in dit bestemmingsplan aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan buitengebied Leudal 2016'.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
35
5 oktober 2020
7.
Uitvoerbaarheid
7.1.
Economische uitvoerbaarheid
De herbestemming van de locatie Bergerstraat 34 betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende gronden is, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook het onderdeel ‘planschade’ wordt verankerd.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat eigendom is van de initiatiefnemer. Het plan zorgt voor een verbetering van de milieukundige situatie van de locatie en omgeving door het verdwijnen van het agrarisch bedrijf met intensieve veehouderijtak. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan. 7.2.1.
Dialoog
In lijn met de voorgestane aanpak door initiatiefnemers hebben initiatiefnemers de omgeving geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Door initiatiefnemer zijn de plannen persoonlijk toegelicht aan omwonenden en vervolgens is één en ander in een mailbericht van 29 augustus 2019 nogmaals uiteengezet (bijlage 5). Naar aanleiding van deze communicatie is door alle benaderde omwonenden aangegeven dat zij geen problemen hebben met de beoogde ontwikkeling. Door één van de omwonenden is wel verzocht om op de hoogte gehouden te worden en een andere omwonende heeft, in het belang van het karakter van landelijk wonen, benadrukt dat geen verdere ontwikkeling van woningbouw gewenst is. De omgeving zal ook op de toekomst op de hoogte gehouden worden van de procedure, waarbij het initiatief beperkt zal blijven tot omzetting van de bedrijfswoning in burgerwoning en realisatie van één nieuwe woning in of op de plek van de voormalige koeienstal.
7.3.
Kennisgeving
De kennisgeving van de voorbereiding van de procedure voor de bestemmingsplanherziening ‘Bergerstraat 34’ wordt gepubliceerd in de krant, de Staatscourant en digitaal op www.overheid.nl.
7.4.
Vooroverleg
Het concept ontwerp bestemmingsplan is in augustus 2020 voorgelegd aan de verschillende vooroverlegpartners van de gemeente Leudal. De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft inhoudelijk gereageerd op het plan. De provincie Limburg heeft aangegeven geen aanleiding te zijn om een reactie te geven. De overige vooroverlegpartners hebben niet gereageerd. De reactie van de Veiligheidsregio Limburg-Noord is verwoord in de brief van 10 september 2020 (kenmerk 2020-001767). In de brief zijn de risicobronnen hogedruk aardgasleidingen (Z-513-01 en A-520-01, Gasunie) en Maascorridor beschreven en geanalyseerd in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Deze toetsing leidt tot 4 adviezen: • • •
Het buitenoppervlak van de gevel- en dakconstructie van de woning gekeerd naar de hogedruk aardgasleiding, moet voldoen aan brandklasse B volgens de NEN-EN13501-1; De ontvluchting van de woning moet van de risicozijde af gepositioneerd worden; Zorg dat de bewoners van de woningen op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in het gebouw, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident;
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
36
5 oktober 2020
•
Om veilig in het gebouw te kunnen schuilen voor een toxische gaswolk, moet de mechanische ventilatie voorzien zijn van een schakelaar op een gemakkelijk te bereiken plaats (bij voorkeur in de meterkast), zodat de ventilatie snel kan worden afgeschakeld.
Deze voorwaarden zijn verwerkt in de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan (respectievelijk 4.2.1, sub h en i en 4.5.3).
7.5.
Inspraak en overleg
Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Bergerstraat 34’ wordt overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties. Daarna doorloopt het bestemmingsplan de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. De reacties en resultaten worden te zijner tijd in de toelichting van het bestemmingsplan vermeld. Mochten zienswijzen hiertoe aanleiding geven, dan wordt het bestemmingsplan aangepast. De raad stelt het bestemmingsplan vast. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt vervolgens nog zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzagetermijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid hun bezwaren tegen eventueel gewijzigde planonderdelen kenbaar te maken middels een beroep bij de Raad van State. Tegen ongewijzigde onderdelen ten opzichte van het ontwerp plan staat uitsluitend beroep open voor diegenen die daaromtrent eerder een zienswijze hebben ingediend, dan wel aantoonbaar verschoonbaar zijn.
Bestemmingsplan Bergerstraat 34
37
Bergs Advies B.V. Leveroyseweg 9a 6093 NE Heythuysen Telefoon (0475) 49 44 07 Fax (0475) 49 23 63 E-mail info@bergsadvies.nl Internet www.bergsadvies.nl BIC code: RABONL2U IBAN: NL76RABO0144217414 K.v.K. Roermond nr. 12065400 BTW nr. NL817604844B01
Afbeelding voorblad hier invoegen! Bij invoegen cursor boven tekst plaatsen of gehele tekst verwijderen
Bestemmingsplan Bergerstraat 34 Neer, gemeente Leudal
Regels
8 oktober 2020
Bestemmingsplan Bergerstraat 34 - regels
2
8 oktober 2020
Bestemmingsplan Bergerstraat 34 Regels
Opdrachtgever:
P.S.J. van Lier Bergerstraat 34 6086 BM Neer
Plangebied:
Bergerstraat 34, Neer
Opgesteld door:
Bergs Advies B.V.
Datum:
8 oktober 2020
Imro-code:
NL.IMRO.1640.BP20NeBergerstr34-ON01
Status:
ontwerp
Bestemmingsplan Bergerstraat 34 - regels
3
8 oktober 2020
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels ........................................................................................................................... 5 Artikel 1.
Begrippen................................................................................................................................... 5
Artikel 2.
Wijze van meten ...................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels ..................................................................................................................... 17 Artikel 3.
Agrarisch met waarden – 3 ...................................................................................................... 17
Artikel 4.
Wonen ...................................................................................................................................... 21
Artikel 5.
Leiding – Hoogspanningsverbinding ....................................................................................... 27
Hoofdstuk 3 Algemene regels ......................................................................................................................... 28 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ............................................................................................................ 33