Toelichting + Regels + Verbeelding
Tekst van het document
Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De kwaliteit van de lucht ter plaatsen van het plangebied is dan ook goed genoeg voor de realisatie van de beoogde woningen.
Hoofdstuk 4
29
4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
Hoofdstuk 4
30
Figuur 7: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe pijl)
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is een kwetsbaar object conform artikel 1, van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de navolgende afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven. Risicovolle bedrijvigheid In de directe omgeving van het plangebied ligt geen risicovolle bedrijvigheid. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen zijn gelegen op een afstand van circa 1,3 kilometer en verder van het plangebied.
Hoofdstuk 4
31
Het gaat hierbij om een tweetal inrichtingen met een bovengrondse propaantank, namelijk aan de Engerstraat 7 te Haler (inhoud propaantank is 3.000 liter) op circa 1,3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied en aan de Sniekstraat 13 te Haler (inhoud propaantank is 5.000 liter) op circa1,4 kilometer ten noordoosten van het plangebied. De afstanden van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten worden geregeld in artikel 3.28 Activiteitenbesluit, waarin tabel 3.28 is opgenomen. Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar 10 meter
Opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter Opslagtank met propaan groter 15 meter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter Tabel 3.28 veiligheidsafstanden Activiteitenbesluit
Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar 20 meter 25 meter
Beide inrichtingen kennen hierdoor een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 25 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Het groepsrisico wordt bij een propaantank hoofdzakelijk bepaald door de tankauto die de propaantank komt bijvullen. Zodoende is het aantal verladingen per jaar van invloed op het groepsrisico. De afstand tot de grens van het invloedsgebied bedraagt 105 meter (zijnde de afstand tussen een tankauto en de 35 KW/m2 warmtestralingscontour (100% letaal) behorende bij de BLEVE van een tankauto)4. De 1% letaliteitsafstand van de BLEVE van een tankauto ligt op 190 meter. Het plangebied is buiten de 1% letaliteitsafstand gelegen, waardoor onderhavige ontwikkeling geen rekenkundige invloed uitoefent op het groepsriscio. Op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied is aan de Swillerweg 3 te Hunsel een pluimveebedrijf gelegen met een ammoniakkoelinstallatie. Dit bedrijf heeft echter geen risicocontour. Risicovol transport over wegen In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen wegen, waarvoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt betreft de ‘A2 Eindhoven – Maastricht’ ter hoogte van Grathem / Ittervoort op ruim 3,7 kilometer ten oosten van het plangebied.
Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van deze weg zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied (30 meter). Gezien het vervoer 4
Afstanden op basis van het document "Afstandentabel propaanreservoirs" (opgesteld op 24 juli 2006 door het RIVM).
Hoofdstuk 4
32
van stofcategorie GT4 (toxische stoffen) is het plangebied binnen het invloedsgebied van de A2 gelegen. Op circa 3,6 kilometer ten zuidoosten van het plangebied is de N273 (Napoleonsbaan) gelegen. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van deze weg zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Wanneer wordt gekeken naar het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg blijkt er vervoer van stofcategorie LF1, LF2 en LT2 plaats te vinden. De onderhavige locatie is gelet op de ruime afstand niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A2 is op basis van artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, omdat het plangebied is gelegen op meer dan 200 meter ten opzichte van de transportas. Bovendien dient advies aangevraagd te worden bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hieronder volgt de beperkte verantwoording van het groepsrisico. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorbereiding
Voor wat betreft de A2 en N273 bestaan er met name risico’s in verband met
van bestrijding en beperking van de
ongelukken:
omvang van een ramp of zwaar
- met brandbare vloeistoffen;
ongeval.
- met brandbaar gas (BLEVE 5); Gezien de afstand tussen het plangebied en de A2 en N273 reiken calamiteiten met brandbare vloeistoffen en brandbaar gas niet tot het plangebied. - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.
5
De mogelijkheden voor personen om
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang
zich in veiligheid te brengen indien
om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten:
zich op de weg een ramp voordoet
- met brandbare vloeistoffen;
(zelfredzaamheid).
- met brandbaar gas (BLEVE);
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).
Hoofdstuk 4
33
Aspect
Verantwoording Gezien de afstand tussen het plangebied en de A2 en N273 reiken calamiteiten met brandbare vloeistoffen en brandbaar gas niet tot het plangebied. - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Risicovol transport over spoorwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op meer dan 6 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorweg geen belemmering. Risicovol transport over waterwegen Ten oosten van het plangebied, op een afstand van ruim 4 kilometer, is het kanaal ‘WessemNederweert’ gelegen. Deze waterweg is niet opgenomen in het Basisnet Water. Derhalve vindt er over deze waterweg geen structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats. In de directe omgeving van het plangebied vindt derhalve geen risicovol transport plaats over waterwegen dat van invloed is op de beoogde ontwikkeling. Risicovol transport buisleiding In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op circa 1,8 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Conform het ‘Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen, Handreiking voor opstellen van bestemmingsplannen’ (opgesteld in opdracht van IenM en geactualiseerd in 2016) geldt dat de grootste 1%-letaliteitsafstand van een buisleiding 580 meter kan bedragen.
Zodoende geldt voor ontwikkelingen op meer dan 580 meter afstand dat deze niet zijn gelegen binnen de plaatsgevonden risicocontour of het invloedsgebied van de buisleiding. Er wordt dan ook geen rekenkundige invloed uitoefent op het groepsriscio. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze buisleiding geen belemmering.
Hoofdstuk 4
34
Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.5 Milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).
Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid Gemeente Leudal - Actualisatie - Evaluatie 2014 In oktober 2011 is de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal vastgesteld en in werking getreden. Vanwege het feit dat er binnen de gemeente een aantal relevante ontwikkelingen heeft plaatsgevonden en er nieuwe inzichten zijn verkregen heeft hierop aanvullend een evaluatie en actualisatie plaatsgevonden in 2014. De beleidsnota is een belangrijk document waar diverse beleidsvelden in samen komen. Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid is om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te verbeteren. Uitgangspunt bij het gebiedsgerichte geluidbeleid is de ruimtelijk functionele indeling van het gemeentelijke grondgebied. Hierbij worden de huidige situatie en de ontwikkelingen die op korte termijn gerealiseerd zullen worden geïnventariseerd. Daarnaast is het huidige achtergrondgeluidniveau in heel de gemeente geïnventariseerd (referentieniveaukaart). Op basis van deze inventarisaties wordt de gemeente ingedeeld in akoestische gebiedstypen. Per gebiedstype worden richtwaarden voor het maximaal toelaatbare geluidniveau en andere beleidsregels vastgesteld. Het grondgebied is ingedeeld in een groot aantal deelgebieden die elk zijn gekarakteriseerd door een beschrijving van het ruimtelijk gebruik en het gemiddelde referentieniveau.
Per deelgebied is vervolgens bepaald tot welke categorie van akoestische gebiedstypen het behoort. Het resultaat van deze gebiedsanalyse vormt de basis voor de plankaart behorende bij het lokaal gebiedsgericht geluidbeleid.
Hoofdstuk 4
35
Onderhavig plangebied is conform de kaart met deelgebieden gelegen binnen de typering Wonen. Dit is een gebied met een woonfunctie. Hier geldt een richtwaarde van 45 dB (A). Conform de kaart ‘Belangrijke geluidzones’ is het plangebied niet gelegen binnen de geluidzone van nabijgelegen transportassen (weg- en railverkeer). Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen de geluidzone van nabij gelegen bedrijvigheid.
Figuur 8: Uitsnede kaart Belangrijke geluidzones (ligging plangebied blauwe pijl)
Toetsing Een woning vormt geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan het beoogde planvoornemen is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen binnen het plangebied gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Sportschool Direct ten zuiden van het plangebied is een sportschool gelegen. Ingevolge de ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’, geldt voor deze activiteit milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Van de richtafstanden uit de VNG-brochure kan gemotiveerd worden afgeweken. Daartoe is een akoestisch onderzoek6 uitgevoerd naar de geluiduitstraling van de sportschool naar de omgeving. 6
K+ Adviesgroep bv, Akoestisch onderzoek transformatie voormalige basisschool Haler, gemeente Leudal, rapportnummer M18 499.401, d.d. 5 september 2018
Hoofdstuk 4
36
Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Het rapport is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting ten hoogste 45 dB(A) zal bedragen en daarmee wordt voldaan aan stap 2 van het toetsingskader (stappenplan) geluid. De piekbelasting bedraagt maximaal 65 dB(A) ter plaatse van bestaande woningen en 66 dB(A) ter plaatse van nieuwe woningen. Bij bestaande woningen wordt voldaan aan stap 2 en bij de nieuwe woningen aan stap 3 van het toetsingskader. Gelet op het voorgaande is sprake van een aanvaardbaar niveau. Vanwege de verkeersaantrekkende werking wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde van stap 2 van de VNG. Op grond van de resultaten kan worden gesteld dat er sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Kerk Ten noorden van de planlocatie, op een afstand van circa 16 meter, is de Sint-Isodoriuskerk gelegen inclusief kerkhof en parkeerplaats. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.7 Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Het rapport is als bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Aan de hand van de bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de akoestische effecten vanwege de Sint-Isidoruskerk inzichtelijk gemaakt.
De locatie van de woningen ligt op dit moment nog niet vast, aangezien een en ander afhankelijk is van de akoestische situatie. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 44 dB(A) in de dagperiode. Het maximaal geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 72 in de dagperiode. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet daarmee aan de richtwaarde van 45 dB(A) volgens de Beleidsnota gebiedsgericht Geluidbeleid van de gemeente Leudal voor gebiedstype “wonen”. Het maximale geluidniveau voldoet echter niet aan de grenswaarde van 70 dB(A) vanwege het geluid van de kerkklok.
7
M-Tech, Akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke onderbouwing voor een woningbouwontwikkeling aan de Pinxtenstraat te Haler, rapportnummer Pin.Hal.20.AO BP-01, d.d. 5 juni 2020
Hoofdstuk 4
37
Gezien de ligging van de projectlocatie in de nabijheid van de kerk en de hoogte van de geluidbron, zijn er redelijkerwijs geen afschermende maatregelen mogelijk. Eventuele geluidreducerende maatregelen kunnen gezocht worden in het bekleden van de binnenzijde van de klok. Aangezien hierdoor de reikwijdte van de kerkklok afneemt en de klankkleur kan veranderen, zijn dergelijke maatregelen niet wenselijk. Formeel worden geluiden ten behoeve van godsdienstige bijeenkomsten buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van geluidniveaus (Activiteitenbesluit artikel 2.18 lid 1 onder c). Het luiden van de klokken vindt tevens beperkt plaats. Daarnaast kan er voor gekozen worden om de woningen buiten de 70 dB(A)-contour te positioneren. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wordt voor woningen een maximaal toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) aangeraden in de dagperiode bij LAmaxgeluid vanwege industrielawaai, de minimaal vereiste gevelgeluidwering van 20 dB volgens het Bouwbesluit 2012 biedt daarmee voldoende geluidwering. Daarmee kan gesteld worden dat binnen de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast is gekeken naar de geluidsbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking door bezoekers van de kerk. De berekende geluidsbelasting over de Pinxtenstraat blijft ruim onder de grenswaarde van 50 dB(A).
Uit bovenstaande blijkt dat de kerkgeluiden en de verkeersaantrekkende werking geen belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Transformatorhuisje Aan de westzijde van het plangebied is een transformatorhuisje gelegen. Uit het eerder hiervoor vermelde akoestisch onderzoek van M-Tech volgt dat Netbeheerder Enexis heeft aangegeven dat de transfomator in het gebouw een vermogen heeft van 250 kVA, hetgeen overeenkomt met een geluidvermogen van 54 dB(A). Het huisje bestaat uit een dubbelsteens constructie, hierdoor zal het waar te namen geluid aan de buitenkant verwaarloosbaar zijn. Het transfomatorhuisje is daarom niet verder beschouwd als relevante geluidbron ter plaatse van de woningen. Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt naar aanleiding van bovenstaande bevindingen geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.6 Geur Algemeen Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
38
Toetsing In de directe omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. Binnen de gemeente Leudal geldt met betrekking tot het aspect geurhinder de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017’. Het plangebied wordt hierbinnen aangemerkt als onderdeel van de ‘kern’ van Haler. Voor de kernen is géén afwijkende geurnorm vastgesteld in de geurverordening. Derhalve geldt hier een maximale geurbelasting van 3 odour units. In 2016 is de gemiddelde achtergrondbelasting in de ‘kernen’ berekend op 0,06 tot 7,5 odour units (zeer goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat). In 2007, 2011 en in 2016 wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde waarden voor de maximale achtergrondbelasting uit de gebiedsvisie 2011. Een knelpunt ontstaat echter als de achtergrondbelasting hoger is dan de maximale waarde die geldt voor het gebied, waarin het geurgevoelige object (bijvoorbeeld een woning) zich bevindt. In de kernen is sprake van een toename van het aantal knelpunten ten opzichte van 2007 met 4 stuks. Er zijn géén knelpunten in de kern Haler’.
Figuur 9: 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017’ zonering kern Haler met aanduiding plangebied (rode pijl)
Voor woningen geldt binnen de bebouwde kom, ten opzichte van veehouderijen met een geuremissiefactor, een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van het emissiepunt van de veehouderij. Op ruim 140 meter afstand ten noorden van het plangebied is een veehouderij gelegen. Gelet op de tussenliggende afstand tussen de perceelgrens van het agrarisch bedrijf en het bouwvlak van de toekomstige woningen, wordt ruimschoots aan deze vaste afstand voldaan.
Hoofdstuk 4
39
Conclusie Gezien de ligging van het plangebied binnen de kern Haler is sprake van een zeer goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Vanuit het aspect ‘geurhinder’ bestaan er derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het planvoornemen. 4.1.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van vijf woningen in de dorpskern Haler. De planlocatie maakte eerder onderdeel uit van de basisschool. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Blijkens jurisprudentie8 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename van vijf wooneenheden binnen een bestaande dorpskern. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie paragraaf 4.3). Conclusie De ontwikkeling heeft een relatief beperkte omvang en wordt mogelijk gemaakt binnen de kern in een overwegend woongebied. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving.
Gezien de aard, omvang, milieugevolgen (paragraaf 4.1 tot en met 4.6) en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie
8
O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Hoofdstuk 4
40
D11.2 van het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’ is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Een archeologisch onderzoek is verplicht indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m². Het onderhavige plangebied heeft een oppervlakte van ruim 1.470 m2 en derhalve is archeologisch onderzoek uitgevoerd.9 Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Het rapport is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig siltig, zeer fijn dekzand.
Op basis van de landschappelijke ligging en de BC-horizont die in boring 1 is aangetroffen, wordt verwacht dat van oorsprong podzolgronden zijn ontwikkeld. Er zijn echter geen restanten van een podzolbodem in het plangebied aangetroffen, er is sprake van AC-profielen. De oorspronkelijke podzolbodem is vermoedelijk bij de ontginning en het latere gebruik als landbouwgrond verdwenen en geheel opgenomen in de bouwvoor. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Daar komt bij dat de oorspronkelijke podzolbodem en dus het archeologische niveau geheel is verdwenen. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht.
9
Archeodienst BV, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek karterende fase Pinxtenstraat te Haler, Onderzoeksmelding 60990, d.d. 23 april 2014
Hoofdstuk 4
41
Op basis van het ontbreken van een intacte (podzol)bodem en archeologische indicatoren is de hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum naar laag bijgesteld. Het onderzoek heeft geen aanleiding gegeven om de lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Aangezien op basis van het onderzoek de kans op de aanwezigheid van een vindplaats klein wordt geacht, vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Op grond van het voorgaande wordt een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht en behoeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ niet opnieuw te worden opgenomen. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. De ‘Pinxtenstraat’ is ingevolge de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. De ontwikkeling oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Pinxtenstraat. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Ecologie Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Hoofdstuk 4
42
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone.
Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Ten slotte is er een categorie nesten
Hoofdstuk 4
43
van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.
De nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof (België)' en ‘Grensmaas’ bevinden zich respectievelijk op 1,8 kilometer ten zuiden en 6,8 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Daarnaast dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht.
In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de gebruiksfase10. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De berekening is als bijlage 6 aan deze toelichting toegevoegd. Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied niet gelegen in of in de directe nabijheid van beschermingszones natuur en landschap. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het plangebied ligt geheel buiten de Goudgroene en Zilvergroene 10
BRO: AERIUS-berekening Pinxtenstraat 4 te Haler, projectnummer P02815_1, d.d. 11 november 2020
Hoofdstuk 4
44
natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt op circa 1,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming In maart 2014 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.11 Deze onderzoeksrapportage is als bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de quickscan volgt dat het plangebied onderdeel kan uitmaken van vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen. Negatieve effecten voor vleermuizen zijn dan ook niet op voorhand uitgesloten. Daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de huismus. Middels een huismusvriendelijke inrichting van het plangebied kunnen negatieve effecten voor de huismus worden uitgesloten. Daarnaast worden in de quickscan aanbevelingen gedaan met betrekking tot het broedseizoen van vogels. Geadviseerd wordt een nader onderzoek om vast te stellen of en welke functie (vaste verblijfplaats, vliegroutes en/of foerageergebied) het plangebied vervult voor de vleermuizen.
In september 2020 is de quickscan geactualiseerd.12 De volledige onderzoeksrapportage is als bijlage 8 aan deze toelichting toegevoegd. Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Binnen het plantsoen en langs de Pinxtenstraat zijn meerdere bomen aanwezig waarin het niet uitgesloten is dat vleermuizen verblijfplaatsen kunnen hebben. Daar er mogelijk holten aanwezig zijn in de bomen, is een controle noodzakelijk. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Ook uit deze actualisatie volgt dat de huismus binnen het plangebied is aangetroffen, in de groenblijvende struiken langs de zuidgrens. Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedplaatsen voor huismus aanwezig en de aangetroffen individuen zullen hoogstwaarschijnlijk broeden onder de daken van de huizen langs de Pinxtenstraat direct ten zuiden van het plangebied. Indien de struiken verwijderd zullen worden zal voldoende schuil- en rust-gelegenheid overblijven in de aanwezige bomen en struiken in de achtertuinen.
11 12
BRO, Natuurtoets Pinxtenstraat, Haler, Projectnr. 211X06985, d.d. 18 maart 2014 BRO, Actualisatie Quickscan flora en fauna Pinxtenstraat Haler, P02815, d.d. 1 september 2020
Hoofdstuk 4
45
In deze actualisatie is de navolgende conclusie getrokken: Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: - De te rooien bomen dienen gecontroleerd worden op holten, om de aanwezigheid van een potentiele vaste verblijfplaats van een vleermuissoort aan te tonen dan wel uit te sluiten. - Ten behoeve van potentieel aanwezige eekhoorn-nesten dient de kap in de vrijgestelde periode plaats te vinden, of een veldbezoek moet de aanwezigheid van eekhoornnesten kunnen uitsluiten. De eekhoorn is vrijgesteld in de periode maart – april en juli t/m november. - Ten aanzien van broedvogels dient de kap van de bomen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; - Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op 1 oktober 2020 is het opgaand groen gecontroleerd op de aanwezigheid van vogelnesten en boomholten.13 Hiervan is een rapport opgemaakt dat als bijlage 9 aan deze toelichting is toegevoegd.
Tijdens dit controlebezoek zijn er geen nest- of verblijfplaatsen van vleermuizen, vogels of eekhoorns aangetroffen binnen het plangebied. Bij het uitvoeren van voorgenomen plannen zullen er geen rustof verblijfplaatsen van betreffende soorten verloren gaan. Om overtredingen met betrekking tot het broeden van “algemene” vogelsoorten te voorkomen dient het opgaand groen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. De zorgplicht is altijd geldend tijdens werkzaamheden. Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden is niet van toepassing, aangezien het plangebied volledig binnen de bebouwde kom is gelegen. Wel geldt hier de gemeentelijke kapverordening. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de onderdelen ‘gebiedsbescherming’, ‘soortenbescherming’ en ‘houtopstanden’. Wel moeten aanwezige bomen gecontroleerd worden op holten om de aanwezigheid van een potentiële vaste verblijfplaats van een vleermuissoort aan te tonen dan wel uit te sluiten.
4.4 Leidingen en infrastructuur Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw. 13
BRO, Notitie boomcontrole Pinxtenstraat 4 te Haler, projectnr. P02815, d.d. 7 oktober 2020
Hoofdstuk 4
46
4.5 Verkeerskundige aspecten Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal maximaal vijf woningen binnen het plangebied. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van 3 aaneengebouwde huurwoningen (Huur, huis, vrije sector) en 2 koopwoningen twee-onder-een-kap binnen een weinig tot niet stedelijke gemeente. In totaal worden met de voorgenomen ontwikkeling maximaal 40 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de omliggende wegen en de nieuwe ontsluitingsweg binnen het plangebied berekend op de gestelde toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen binnen het plangebied. Het plangebied is daarnaast goed ontsloten voor langzaam verkeer. Parkeren Conform de ‘Nota Parkeernormen’ van de gemeente ontstaat middels onderhavige ontwikkeling de navolgende parkeerbehoefte: 3 aaneengebouwde huurwoningen: 7,2 parkeerplaatsen (2,4 per woning); 2 twee-onder-een-kap koopwoningen: 5,2 parkeerplaatsen (2,6 per woning); De totale parkeerbehoefte komt derhalve uit op ruim 12 parkeerplaatsen.
Binnen het plangebied worden 10 parkeerplaatsen aangelegd: 6 in de openbare ruimte en 4 op eigen terrein (2 parkeerplaatsen per woning, type twee-onder-een-kap koopwoning). In de Nota Parkeernormen is bepaald dat parkeerplaatsen zodanig aangelegd dienen te worden dat deze bruikbaar en bereikbaar zijn voor belanghebbenden. Uitgangspunt is dat dit binnen het plangebied plaatsvindt. Daarnaast mag er rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die de voorgaande functie had, indien deze parkeerplaatsen nog steeds binnen acceptabele loopafstand aanwezig zijn. Aan de Pinxtenstraat zijn parkeerhavens aangelegd, die destijds gebruikt werden ten behoeve van de school (personeel en halen&brengen). Het tekort van 2 parkeerplaatsen kan dan ook worden opgevangen op de parkeerplaatsen aan de Pinxtenstraat en bij de kerk. In de ‘Nota Parkeernormen’ is bepaald dat parkeerplaatsen zodanig aangelegd dienen te worden dat de parkeerplaatsen bruikbaar en bereikbaar zijn voor de belanghebbenden. Uitgangspunt is dat dit binnen het plangebied plaatsvindt, of, indien dit niet mogelijk is, in ieder geval binnen een acceptabele loopafstand van maximaal 100 meter. Met de realisering van diverse parkeerplaatsen in het omliggende openbare gebied kan de parkeerbehoefte, die ontstaat middels de beoogde ontwikkeling, in voldoende mate worden opgevangen.
Hoofdstuk 4
47
4.6 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei.
Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen om orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De
Hoofdstuk 4
48
voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei) dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Conform de ‘Leggerkaart’ van het Waterschap Limburg blijken er daarnaast geen primaire waterlopen gelegen te zijn binnen of rondom het plangebied. In de toekomstige situatie wordt ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de bestaande riolering tussen nr. 5 en nr. 11 (putnummers HA14 en HA013A).
Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg geldt het volgende: Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van één dag te worden gehanteerd, zijnde 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak. De berging/infiltratievoorziening t.b.v. de nieuwbouwwoningen moet op eigen terrein gerealiseerd worden. Infiltratieonderzoek Om een eerste indicatie van de doorlatendheid van de bodem te krijgen is een infiltratieonderzoek uitgevoerd.14 Dit onderzoek is als bijlage 10 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder volgt een korte samenvatting. Voor het gehele plangebied kan geconcludeerd worden dat de humeuze bodemlaag als slecht doorlatend beschouwd kan worden. De hieronder gelegen bodem blijkt goed doorlatend. De 14
Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Pinxtenstraat 4 te Haler gemeente Leudal, projectnr. AM14066, d.d. 28 maart 2014
Hoofdstuk 4
49
gemiddelde infiltratiesnelheid voor het plangebied waarmee gerekend kan worden bedraagt 0,4 meter per dag. Bij de uitwerking van een infiltratievoorziening wordt de aanleg van voldoende hemelwaterberging geadviseerd. Uit de diverse meetmethodes blijkt dat best geopteerd kan worden voor een ondergrondse infiltratieen/of bergingsvoorziening. Bij bovengrondse infiltratie dient grondverbetering toegepast te worden om de doorstroming naar de ondergrond te verbeteren. Gezien de verwachte GHG op 1,5 m-mv. dient een ondergrondse infiltratievoorziening hierboven geplaatst te worden. In september 2020 is een aanvullende onderbouwing gemaakt voor het wateraspect.15. Deze aanvullende notitie is als bijlage 11 aan deze toelichting toegevoegd. Door de aanleg van een gescheiden stelsel en retentie op eigen terrein, de mogelijkheid tot overloop naar het bestaande gescheiden stelsel in de straat en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket. Overleg waterbeheerder Op 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg vastgesteld. Sinds deze nieuwe Keur geldt geen ondergrens meer voor het aanvragen van een wateradvies. Alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen, komen in aanmerking voor een wateradvies. Het onderhavige bestemmingsplan is ter advisering voorgelegd aan Waterschap Limburg. Op 25 november 2020 heeft Waterschap Limburg een advies afgegeven. Uit het advies volgt dat middels dit plan infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd die voldoen aan de norm van 100 mm per m2. Daarbij geldt dat de berging binnen 24 uur weer beschikbaar dient te zijn. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
15
Aeres Milieu, Aanvulling infiltratierapport Pinxtenstraat 4 te Haler, projectnr. AM14066, d.d. 8 september 2020
Hoofdstuk 4
50
5.
PLANSTUKKEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019.
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 5
51
5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.
In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden te kunnen afwijken van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
Hoofdstuk 5
52
Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Bedrijf’ (artikel 3) De nutsvoorziening is bestemd als ‘Bedrijf’. Ten behoeve van het transformatorhuisje is de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’ opgenomen met een bouwvlak. De groenvoorziening rondom het transformatorhuisje heeft de functieaanduiding ‘groen’. Binnen deze bestemming zijn alleen nutsvoorzieningen, bermen en beplanting, bestaande geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, paden, voorzieningen van algemeen nut en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen toegestaan. ‘Woongebied’ (artikel 4) De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Ter plaatse zijn diverse typologieën mogelijk met dien verstande dat de woningen worden uitgevoerd in maximaal één bouwlaag met plat dak. Daarnaast is bewoning als afhankelijke woonruimte, voor zover het in het hoofdgebouw en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken betreft toegestaan. Tevens zijn de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden bestemd voor ruimtelijk niet relevante evenementen, een bedrijf aan huis en beroep aan huis.
Tot slot zijn daarbij behorende groenvoorzieningen, verkeersvoorzieningen in de vorm van een ontsluitingsweg, parkeervoorzieningen, tuinen, erven, terreinen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen en (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen toegestaan. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een erfafscheidingsmuur tussen begraafplaats en deze bestemming te handhaven. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel (artikel 5) In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels (artikel 6) In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen en bestaande afstanden.