Toelichting + Regels + Verbeelding
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Pinxtenstraat te Haler’ Gemeente Leudal Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Pinxtenstraat te Haler’ Gemeente Leudal Ontwerp
Rapportnummer BRO:
P02815
Identificatienummer:
NL.IMRO.1640.BP20HrPinxtenstr-ON01
Datum:
16 december 2020
Opdrachtgever:
Gemeente Leudal
Projectleider BRO:
HLe
Concept:
september 2020
Ontwerp:
december 2020
Vaststelling:
--
Trefwoorden:
Gemeente Leudal, woningbouw, bestemmingsplan, Pinxtenstraat, Haler
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van 5 grondgebonden woningen op de voormalige schoollocatie aan de Pinxtenstraat te Haler. BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING
3
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten
5 5 7 8
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid
9 9
3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.1.6 Wet op de lijkbezorging / Besluit op de lijkbezorging 3.2 Provinciaal beleid
9 10 11 11 12 13 13
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.3 Regionaal beleid
13 14 17 19
3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 3.4 Gemeentelijk beleid
19 21
3.4.1 Strategische Overallvisie 2020 - ‘Leven in Leudal’ 3.4.2 Structuurvisie Leudal - ‘Regie op de toekomst’ 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan - ‘Woonkern Leudal 2017’ 3.4.4 Vigerend bestemmingsplan - ‘Duurzame energie’
21 22 23 25
4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten
26 26
4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluid 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.1.6 Geur 4.1.7 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie
Inhoudsopgave
26 27 28 30 35 38 40 41
1
4.3 Ecologie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Verkeerskundige aspecten 4.6 Waterparagraaf
42 46 47 48
5. PLANSTUKKEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
51 51 51 51
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
52 52 53 54
6. HANDHAVING
56
7. HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57 57 57
8. PROCEDURE
58
SEPERATE BIJLAGEN: Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek maart 2014 Bijlage 2: Actualiserend vooronderzoek bodem en PFAS september 2020 Bijlage 3: Akoestisch onderzoek voormalige basisschool Haler september 2018 Bijlage 4: Akoestisch onderzoek kerk en transformatiehuisje juni 2020 Bijlage 5: Archeologisch onderzoek april 2014 Bijlage 6: Aerius-berekening november 2020 Bijlage 7: Natuurtoets maart 2014 Bijlage 8: Actualisatie quickscan flora en fauna september 2020 Bijlage 9: Notitie boomcontrole oktober 2020 Bijlage 10: Infiltratieonderzoek maart 2014 Bijlage 11: Aanvulling infiltratierapport september 2020
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING De gemeente Leudal wenst medewerking te verlenen aan de realisering van maximaal 5 grondgebonden woningen op (een deel van) de voormalige schoollocatie aan de Pinxtenstraat te Haler. Daarnaast bestaat de intentie om een interne ontsluitingsweg ten behoeve van de woningen te realiseren.
Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met ligging plangebied (blauwe pijl)
De planlocatie is ingevolge het huidige bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’ bestemd als ‘Maatschappelijk’. Binnen deze bestemming is het realiseren van nieuwbouwwoningen niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro), zodat de beoogde woning planologisch mogelijk worden gemaakt. In het voorliggende bestemmingsplan worden zodoende de nieuwe bestemmingen voor de gronden binnen onderhavig plangebied wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en deze toelichting.
Hoofdstuk 1
3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 6 is weergegeven hoe de gemeente Leudal omgaat met handhaving van de regels in dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 volgt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
4
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel Het woningbouwplan is gelegen in de kern Haler op een oude schoollocatie aan de Pinxtenstraat. Haler is een van 16 dorpskernen die onderdeel uitmaken van de gemeente Leudal. Haler is de meest westelijk gelegen kern van de gemeente Leudal en ligt op nog geen 700 meter van de Belgische grens. De kern Hunsel is ongeveer 1,7 kilometer ten oosten gelegen, ten zuidoosten van de kern Haler is op circa 2,5 kilometer de kern Neeritter gelegen en 3,3 kilometer ten noorden van Haler ligt de kern Ell. De gemeente Weert is ten noordwesten gelegen en de kortste afstand tot die gemeentegrens bedraagt ruim 2 kilometer. Eerder maakte Haler onderdeel uit van de gemeente Hunsel, dat in 2007 opgegaan is in de grotere gemeente Leudal. Haler is rond 1952 ontstaan en is dan ook nog een relatief jonge kern. Op 1 januari 2019 telde deze kern 940 inwoners en het is daarmee ook de kleinste kern van de gemeente Leudal. De Kern Haler wordt omringd door landbouwgronden met verspreid diverse agrarische bedrijven.
Figuur 2: Luchtfoto met in het midden de kern Haler
Hoofdstuk 2
5
De planlocatie zelf is gelegen op een voormalige basisschoollocatie aan de Pinxtenstraat, kadastraal bekend als Hunsel, sectie C, nummers 2727, 2127 en 2700 (ged.) en heeft een oppervlakte van ruim 1.470 m2. Aan de noordzijde is een kerk met begraafplaats gelegen, aan de oostzijde de achtertuinen van woningen aan de Speltstraat, aan de zuidzijde de voormalige school die thans als sportschool wordt gebruikt en aan de westzijde de Pinxtenstraat.
Figuur 3: Luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
De planlocatie bestaat deels uit verhardingen (oude speelplaats), diverse houtopstanden en aan de westzijde is een transformatorhuisje gelegen.
Hoofdstuk 2
6
2.2 Besluitprofiel De beoogde ontwikkeling betreft de realisering van vijf grondgebonden woningen in de vorm van een hofje dat ontsloten wordt via de Pinxtenstraat. De exacte ligging van de woningen is nog niet vastgelegd, maar in principe wordt uitgegaan van drie sociale huurwoningen evenwijdig aan de Pinxtenstraat en twee koopwoningen in oostelijke richting die ontsloten worden middels een nieuw aan te leggen verkeersontsluiting voor autoverkeer vanuit de Pinxtenstraat.
Figuur 4: Mogelijke invulling plangebied
In de bovenstaande situering is uitgegaan van drie woningen die met de achtertuin georiënteerd zijn op de Pinxtenstraat. Aan de voorzijde worden de woningen ontsloten via een voetgangerspaadje vanuit de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. De twee koopwoningen zijn aan de voorzijde gericht naar de nieuwe ontsluitingsweg. De driehoek aan de oostzijde kan betrokken worden bij de tuin van de meest oostelijk gelegen woning. Dit bestemmingsplan biedt echter ook mogelijkheden om te komen tot een andere situering, mits rekening wordt gehouden met de gebruiksmogelijkheden van en ligging tot belendende percelen.
Hoofdstuk 2
7
Vanwege de ligging wordt het transformatorhuisje in het plangebied betrokken. Langs de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg worden parkeerplaatsen ten behoeve van de beoogde woningen aangelegd. Daarnaast wordt voorzien in openbaar groen. Het plangebied wordt nagenoeg geheel bestemd als ‘Woongebied’. Er is voor deze bestemming gekozen, omdat deze ontwikkeling niet alleen ziet op woningbouw, maar ook op het realiseren van een ontsluitingsweg met parkeervoorzieningen, alsmede openbare groenvoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Al deze voorzieningen zijn gericht op de beoogde woningbouw. Ten behoeve van de woningen wordt binnen de bestemming ‘Woongebied’ een bouwblok opgenomen. De bestaande nutsvoorziening wordt eveneens in het plan opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij het thans vigerende bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’. Het transformatorhuisje en de bijbehorende gronden worden bestemd als ‘Bedrijf’.
2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten Aangezien er reeds woningen rondom het plangebied aanwezig zijn en het plangebied gelegen is binnen een bestaand woongebied, passen de nieuw te bouwen woningen functioneel in de omliggende omgeving. Daarnaast wordt qua hoogte en opbouw aangesloten bij woningen in de directe omgeving. De bouwhoogte is hierbij maximaal 1 bouwlaag. Hierdoor ontstaat een kleinschalige stedenbouwkundige korrelgrootte, die past bij deze locatie en qua kapvorm aansluit bij de school, waardoor een samenhangend beeld ontstaat. De omliggende functies worden gerespecteerd bij de definitieve invulling van het plangebied. Het bouwblok is dan ook zodanig gesitueerd dat omliggende functies, waaronder een sportschool, de kerk en een begraafplaats, niet in hun bedrijfsuitoefening worden beperkt. Ook is voldoende afstand gehouden van de omliggende woningen. Er zal door de geringe bouwhoogte geen inkijk ontstaan richting naburige percelen. Het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, dan ook geen negatieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten tot gevolg voor de omgeving. Binnen onderhavig bestemmingsplan worden de ruimtelijke randvoorwaarden voor de woningbouw geborgd, zodat ook bij de daadwerkelijke realisatie van de woningen sprake blijft van een kwalitatieve invulling.
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEID In dit hoofdstuk wordt het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid nader beschreven.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;
Hoofdstuk 3
9
8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is,en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuurvoor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn.
De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de beoogde realisatie van de woningen.
Hoofdstuk 3
10
3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1.
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging Binnen onderhavig plan wordt de realisatie van maximaal vijf woningen mogelijk gemaakt. Nu er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is de Ladder voor duurzame verstedelijking op dit initiatief dan ook niet van toepassing.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
11
Desondanks voldoet het planvoornemen aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling, waarbij binnen bestaand stedelijk gebied invulling wordt gegeven aan de bestaande woningbouwbehoefte binnen de regio Midden-Limburg in z’n algemeenheid en de gemeente Leudal en de kern Haler in het bijzonder. In het ‘Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2030’ is een discrepantie-analyse gemaakt van enerzijds de huidige kwalitatieve mismatch en anderzijds de woningbehoefte voor de komende jaren op basis van de meest actuele prognoses (Etil 2017) en de aangegeven woonwensen. Tot 2030 bedraagt dit een mismatch (te kort) van 4.036 huurwoningen voor de regio Midden-Limburg. Dit komt met name door de behoefte van de oudere huishoudens, die daarbij vaak een koopwoning achterlaten. De doelgroep oudere huishoudens zal bovendien tot 2030 nog sterk in omvang toenemen. De beoogde woningbouw voorziet in levensloopbestendige woningen en is daarmee dan ook passend binnen de toekomstige woningbehoefte in de regio Midden-Limburg. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.3.
3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.1.7.
Hoofdstuk 3
12
3.1.6 Wet op de lijkbezorging / Besluit op de lijkbezorging De beoogde woningbouw wordt gerealiseerd aangrenzend aan het kerkhof dat toebehoort aan de Sint- Isodoruskerk. De Wet op de lijkbezorging omvat onder andere bepalingen omtrent de realisering, instandhouding en het gebruik van begraafplaatsen. Nu de begraafplaats toebehoort aan de kerk is sprake van een bijzondere begraafplaats. In het Besluit op de lijkbezorging zijn onder andere bepalingen opgenomen omtrent de inrichting van een graf en de afstand tussen graven onderling. Ten behoeve van deze woningbouwontwikkeling is relevant dat de afstand van een graf tot de erfafscheiding van de begraafplaats ten minste één meter bedraagt. In de huidige situatie wordt hieraan voldaan. De afstand van de graven tot de bestaande erfafscheiding is meer dan 1 meter. Bij deze ontwikkeling wordt met deze minimale afstand rekening gehouden. Daarnaast is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een erfafscheiding te realiseren en in stand te houden.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leefen vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit gebied betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De accenten liggen binnen deze zone op: (1) transformatie regionale woningvoorraad, (2) bereikbaarheid, (3) balans voorzieningen en detailhandel, (4) stedelijk groen en water en tot slot (5) de kwaliteit van de leefomgeving.
Hoofdstuk 3
13
Afweging Het beoogde initiatief voorziet in de realisatie van kwalitatief hoogwaardige en levensloopbestendige nieuwbouwwoningen. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Tevens draagt het planvoornemen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, omdat invulling wordt gegeven aan een braakliggend terrein binnen een bestaande stedelijke structuur. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014.
Figuur 5: Uitsnede kaart POL 2014 met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.
Hoofdstuk 3
14
Bestuursafspraken In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – Provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De Provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden. Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg.
De gemeente Leudal maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In het kader van deze regionale uitwerking zijn in artikel 2.4.2 van de verordening de navolgende bestuursafspraken (per regio) vastgelegd: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 4.
Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden. 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is
Hoofdstuk 3
15
gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen en als het vierde lid van toepassing is, van het versterken van de kwalitatieve woningvoorraad. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Specifieke bepalingen omtrent beschermingszones en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normerig wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren. Afweging Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking In hoofdstuk 3.3 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op de onderhavige planontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Nu deze woningbouwontwikkeling voorziet in minder dan 12 woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast. Beschermmingszones en beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei.
Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn
Hoofdstuk 3
16
binnen onderhavig plan, vormt de ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III geen belemmering. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Conclusie Er zijn geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen.
De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: - Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; - Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); - Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk
Hoofdstuk 3
17
uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: - Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; - Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn.
De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Afweging De onderhavige woningbouwontwikkeling voorziet in levensloopbestendige woningen binnen het bebouwd gebied en meer specifiek binnen een woongebied. De onderhavige woningbouwontwikkeling past dan ook binnen de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie.
Hoofdstuk 3
18
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 Ter uitvoering van de bestuursafspraken tussen provincie en gemeenten is in regionaal verband de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In Leudal is deze door de raad vastgesteld op 25 juni 2019. De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben middels de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ uit 2014 geactualiseerd. Daartoe is een woningmarktonderzoek uitgevoerd (2018) met ondersteuning van de Provincie Limburg. Binnen de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ worden de leermomenten uit de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ meegenomen. Daarnaast zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte woningbouwbehoefte tot 2030. De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave waar de gemeenten woningbouwprojecten de komende jaren wenselijk vinden en de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de behoefte. Dit betekent dat beleidsmatig is vastgelegd hoe de plan-voorraad voor woningen wordt afgebouwd.
In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 is vastgelegd dat Leudal vanaf 1-12018 nog 457 woningen mag bouwen. Daarnaast is er een reductieopgave om de planvoorraad met 249 woningen terug te dringen. In de Kwaliteitsenvelop en de Factsheets per kern zijn de kwantitatieve en kwalitatieve ambities en woningbehoefte nader gespecificeerd. Jaarlijks vindt er een actualisatie plaats waarbij een terugblik wordt gegeven op de realisaties van het afgelopen jaar en de ontwikkeling van de planvoorraad ten opzichte van de afspraken uit de structuurvisie, en wordt er een nieuwe planlijst gemaakt. De meest recente actualisatie is per 1-1-2020. In totaal zijn in de afgelopen twee jaar (2018 en 2019) per saldo 176 nieuwe woningen gerealiseerd in Leudal. Er zijn ook 221 plannen geschrapt. Kwantitatieve woningbehoefte De methodiek van de Structuurvisie is erop gericht om kwantitatief de afgesproken aantallen maximaal te bouwen woningen aan te houden conform de prognoses van Etil 2014 (of 2017). Uit het woningbehoefteonderzoek is de kwalitatieve behoefte vertaald naar de kwaliteitsenvelop en de factsheets voor de gemeente Leudal. Voor Haler is een richtcijfer van 7 extra te bouwen woningen aangehouden (het totaal van +457 woningen is verdeeld over de kernen binnen de gemeente Leudal). Op het moment van vaststelling waren er geen bouwtitels vergeven.
Bij onderhavig project worden 5 bouwtitels in ontwikkeling gebracht en dit past binnen de totale kwantitatieve ambitie om 457 woningen te realiseren binnen de gemeente Leudal.
Hoofdstuk 3
19
Kwalitatieve woningbehoefte Het door Etil research group uitgevoerde ‘Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2030’ geeft aan dat in de huursfeer met name appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen in de prijsklassen huur tot € 710 per maand populair zijn. In de koopsfeer vormen de vrijstaande woningen, de twee-onder-een-kapwoningen / geschakelde woningen en de grondgebonden seniorenwoningen de top 3 van de meest gevraagde woningtypes. Voor vrijstaande woningen is de prijsklasse vanaf € 200.000 populair met een duidelijke voorkeur voor de prijsklasse € 275.000 tot € 375.000. Voor de twee-onder-een-kapwoningen en geschakelde woningen gaat de voorkeur uit naar de prijsklasse van € 150.000 tot € 275.000 en de grondgebonden seniorenwoningen worden het meest gevraagd in de prijsklasse € 150.000 tot € 275.000. Voor wat betreft de regionale nieuwbouwopgave ligt het kwalitatieve accent op huurwoningen geschikt voor senioren, grondgebonden en in de vorm van appartementen met lift. Daarnaast is er een opgave voor levensloopbestendige koopwoningen, grondgebonden en in de vorm van appartementen met lift. Een ander kwalitatief woningaspect is de woonomgeving. Uit het Woningmarktonderzoek is gebleken dat inwoners met een verhuiswens veelal een woning zoeken in de huidige woonkern of willen verhuizen binnen de huidige gemeente.
Een substedelijk woonklimaat en/of een dorps woonklimaat al dan niet met een centrumfunctie met voorzieningen genieten daarbij regionaal de voorkeur. Afweging Kwantitatieve woningbouwbehoefte De kwantitatieve toename binnen het plangebied betreft vijf woningen en daarmee wordt voldaan aan het richtcijfer van maximaal 7 nieuw te bouwen woningen. Kwalitatieve woningbouwbehoefte Bij de onderhavige planontwikkeling worden drie sociale huurwoningen gerealiseerd geschikt voor senioren, starters en woonurgenten met een huur van maximaal € 710,- per maand en twee tweeonder-een-kapwoningen voor senioren binnen de prijsklasse € 150.000 tot € 275.000. De prijstelling voor deze woningen komt derhalve overeen met gewenste prijsklasse die wordt aangegeven binnen het ‘Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2030’. Alle nieuw te bouwen woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Tot slot vindt de ontwikkeling plaats op een braakliggend terrein binnen bestaand stedelijk gebied. De voorzieningen in Haler zijn beperkt maar op enkele kilometers afstand (5 autominuten) zijn de basisschool en winkelvoorzieningen gelegen (Stramproy). Dit nieuwbouwplan zorgt ervoor dat mensen die willen doorstromen naar een levensloopbestendige woning nu ook in Haler kunnen blijven wonen.
Het beoogde planvoornemen is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’.
Hoofdstuk 3
20
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Overallvisie 2020 - ‘Leven in Leudal’ In de Strategische Overallvisie 2020 ‘Leven in Leudal’ geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkelingen in de komende jaren. De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio. De Strategische Overallvisie 2020 ‘Leven in Leudal’ is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten. Ten aanzien van het aspect ‘wonen’ wordt gesteld dat er de komende jaren een opgave ligt om mensen zo lang mogelijk in de eigen dorpen/omgeving te laten wonen. Ook voor starters zijn er net als gezinnen mogelijkheden om in hún dorp te blijven wonen, samen met ouderen, forensen uit de stedelijke gebieden en specifieke doelgroepen (gehandicapten, migranten).
Opgave in de nieuwbouw is nog zeer beperkt, maar ligt vooral in de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Verbeteren van de kwaliteit: duurzaamheid (energiezuinig, grondstoffen, eigen identiteit en uitstraling) en aanpasbaarheid van woningen en gebouwen (levenscyclus, geschiktheid wonen met zorg). Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf kwalitatief hoogwaardige en levensloopbestendige nieuwbouwwoningen, waarbij invulling wordt gegeven aan de doelstelling om zoveel mogelijk mensen in het eigen dorp te laten wonen. De missie van de gemeente Leudal is geoperationaliseerd in doelen op centrale thema’s van de strategische overallvisie: samenleving, omgeving, wonen, werken en vrije tijd. Het doel voor het aspect wonen is hierbij om binnen de eigen gemeente te zorgen voor passende huisvesting van elke inwoner plus gedoseerde ontwikkeling van enkele regionaal onderscheidende woonmilieus. Daarnaast wilt de gemeente Leudal een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het uitgangspunt is in principe inbreiding, een beperkte uitbreiding in alle bestaande kernen, met een verdere uitbreiding van Heythuysen. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een “open plek” binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij derhalve invulling wordt gegeven aan het principe van inbreiding voor uitbreiding.
Hoofdstuk 3
21
Afweging Middels de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen, hetgeen in overeenstemming is met de kwalitatieve doelstelling om mensen zoveel als mogelijk in het eigen dorp te laten wonen. Een belangrijke opgave, zeker voor plattelandsgemeenten met kleine kernen, is om de woningbouwopgave integraal te benaderen. Dat betekent aandacht voor verbetering van de bestaande voorraad naast aandacht voor nieuwbouw van woningen voor specifieke doelgroepen (zoals ouderen, jongeren). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van drie huurwoningen en twee twee-onder-een-kapwoningen. De woningen zijn allen levensloopbestendig. In paragraaf 3.1.4 is reeds toegelicht dat de regionale tekorten op de woningmarkt zullen ontstaan in onder andere grondgebonden levensloopbestendige woningen en dat er een te kort is voorzien in huurwoningen tot 2030. Het plangebied is daarnaast gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee wordt aangesloten op het principe van ‘inbreiding voor uitbreiding’. Tot slot zorgt de realisatie van de woningen ook voor het behoud van de leefbaarheid binnen de kern Haler en heeft de ontwikkeling een positief effect op de lokale voorzieningen en het sociaal netwerk op lokaal niveau. Het initiatief wordt hiermee passend geacht binnen de ‘Strategische Overallvisie 2020 – Leven in Leudal’.
3.4.2 Structuurvisie Leudal - ‘Regie op de toekomst’ Met de 'Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst', vastgesteld op 2 februari 2010, wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren, wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelf initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.
Hoofdstuk 3
22
De gemeente streeft naar een leefbare en fijne woonomgeving, met een goede balans tussen woningvoorraad en woningbehoefte. Daarnaast is ook de kwaliteit van de woning en de woonomgeving van groot belang. Uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van wonen is dat, in het kader van de leefbaarheid, de veranderingen in de aard en omvang van de woningvoorraad niet geënt worden op de kwantiteit van de voorraad, maar op de kwaliteit van de voorraad. Door in te zetten op kwaliteit wil de gemeente een woningvoorraad bieden die bijdraagt aan de sociale binding van mensen met de gemeente, maar die ook afgestemd is op en bijdraagt aan de verschillende ruimtelijke karakteristieken van de afzonderlijke kernen en het buitengebied. Bij de structuurvisie is een kaart gevoegd waaruit volgt hoe de kernen en het omliggende buitengebied gekwalificeerd worden. Bij de diverse kernen is bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen de centrumkern, autonome kernen en woondorpen. Afweging De voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van vijf woningen binnen de kern Haler op een voormalige schoollocatie. De kern Haler is op de bijbehorende structuurvisiekaart aangemerkt als een ‘woondorp’. Het plangebied betreft momenteel een braakliggend terrein binnen een bestaande woonwijk.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passende invulling van dit braakliggend terrein die aansluit op het omliggende woongebied. Het initiatief pas dan ook binnen de uitgangspunten, zoals geformuleerd binnen de 'Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst'. 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan - ‘Woonkern Leudal 2017’ Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’, dat op 14 november 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal. Het volledige plangebied is bestemd als ‘Maatschappelijk’. Daarnaast heeft het volledige plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. maatschappelijke activiteiten; 2. ruimtelijk niet relevante evenementen; met de daarbij behorende: a. groenvoorzieningen; b. parkeervoorzieningen; c. voorzieningen van algemeen nut; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen. e. wegen en paden. Het realiseren van woningen is binnen deze bestemming niet toegestaan.
Hoofdstuk 3
23
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Indien binnen deze bestemming de grond geroerd wordt, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwen of aanleggen, is een archeologisch onderzoek verplicht indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m². Het onderhavige plangebied heeft een oppervlakte van ruim 1.470 m 2. In paragraaf 4.2 wordt de archeologische waarde nader toegelicht.
Figuur 6: Uitsnede bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' met ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 3
24
3.4.4 Vigerend bestemmingsplan - ‘Duurzame energie’ Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan ‘Duurzame energie’, dat op 28 april 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal. De gemeente Leudal heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan maar realiseert zich ook dat zowel klein- als grootschalige initiatieven een grote impact op het landschap en de beleving van het landschap kunnen hebben. Het landschap is immers de drager van alle ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom is het nodig om rekening te houden met de kracht en het laadvermogen van het landschap. De gemeente heeft een beleidskader opgesteld aan de hand waarvan initiatieven kunnen worden ontwikkeld, getoetst en gerealiseerd. De vigerende bestemmingsplannen bevatten binnenplanse afwijkingsbepalingen die het mogelijk maken om – binnen de voorwaarden van die bepaling(en) en mits ruimtelijk aanvaardbaar – duurzame energieprojecten te vergunnen en te realiseren. Het vigerend bestemmingsplan ‘Duurzame energie’ (ook paraplubestemmingsplan genoemd) heeft tot doel om de bestaande algemene afwijkingsbepalingen te laten vervallen in zowel de kernen als het buitengebied. Deze aanpassing van de bestaande bestemmingsplannen is noodzakelijk om de kwaliteit van ontwikkelingen naar de toekomst toe te borgen.
Medewerking wordt mogelijk gemaakt via een buitenplanse procedure mits het bepaalde in het vigerende Beleidskader 'Duurzame energie (zon en wind)' onverkort wordt toegepast, voldaan wordt aan daarin gestelde criteria en de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. In navolging van het bovenstaande wordt artikel 40.5 ‘energieopwekking’ (uit het vigerend bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017) niet overgenomen binnen de algemene afwijkingsregels van onderhavig bestemmingsplanplan.
Hoofdstuk 3
25
4.
ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Onderzoek In het kader van onderhavig plan is door Aeres Milieu in maart 2014 een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd voor het plangebied. Uit de analyseresultaten is gebleken dat in de bovengrond en de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Het rapport is als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
2
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Pinxtenstraat 4 te Haler, projectnr. AM14066, d.d. 24 maart 2014.
Hoofdstuk 4
26
In september 2020 heeft een actualiserend vooronderzoek plaatsgevonden en is een verkennend bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd.3 Dit bodemonderzoek is als bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting uit voornoemde onderzoeksrapportage. Conclusie Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie in de periode 2014 – heden geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd, rekening houdend met het aantreffen van licht verhoogde gehalten aan som PFOS in de bovengrond en licht verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater ten gevolge van regionaal verhoogde achtergrondwaarden. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Voor de gewenste planontwikkeling op de onderzoekslocatie wordt een nieuw verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 niet noodzakelijk geacht. Ten behoeve van een verkennend bodemonderzoek naar PFAS zijn enkele grondboringen verricht.
In het opgeboorde bodemmateriaal van boring 2 zijn zintuiglijk enkele baksteen en puinresten waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met som PFOS. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de geldende tijdelijke achtergrondwaarden gemeten. De bovengrond voldoet indicatief aan de klasse Wonen en de ondergrond voldoet aan de klasse landbouw/natuur volgens het Tijdelijk Handelingskader PFAS (Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie d.d. 2 juli 2020). 4.1.2 Geluid Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van 3
Aeres Milieu, Actualiserend vooronderzoek NEN5725 en verkennend bodemonderzoek PFAS Pinxtenstraat 4 te Haler, projectnr. AM20113, d.d. 4 september 2020.
Hoofdstuk 4
27
woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Onderzoek Het perceel is gelegen aan de Pinxtenstraat met een maximumsnelheid van 30 km/h. Het perceel is tevens gelegen binnen de onderzoekszone van de Isodoorstraat. Uit de gemeentelijke Verkeersmilieukaart blijkt echter dat het plangebied buiten de 48 dB contour van deze straat is gelegen. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd. Conclusie In het kader van de Wet geluidhinder vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 4.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a.
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
Hoofdstuk 4
28
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van vijf woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2019 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.