CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 7 november 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Kempisweg 1a, Kelpen-Oler'14.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.4

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen en/of gezoneerde industrieterreinen. In dit geval is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Industrielawaai Uit paragraaf 4.3 blijkt dat de bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van geluidgevoelige functies zijn gelegen. Tevens worden in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het aspect industrielawaai legt dan ook geen beperkingen op aan de ontwikkeling. De geluidsproductie van het bedrijf zelf (bedrijfsactiviteiten en verkeersbewegingen) is bepaald in een akoestisch onderzoek, dat onderdeel uitmaakt van de MER-rapportage.

Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder ter plaatse van de maatgevende woningen in de omgeving nergens wordt overschreden en voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Goede ruimtelijke ordening Vanuit het ruimtelijk spoor geldt daarnaast dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Nu er sprake is van een ruime afstand tussen het plangebied en gevoelige functies en er in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd kan ervan uit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geluid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vergroting van het bouwvlak op de locatie aan de Kempisweg 1a.

4.5

Luchtkwaliteit

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

22

Wet Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (Wlk 2007) geldt als primair kader voor onderzoek en beoordeling van de luchtkwaliteit. Deze wet vormt een onderdeel van de Wet milieubeheer en is een vertaling van Europese regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving. Een ontwikkeling van een veehouderij mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden uit artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een wijziging van een veehouderij kan effect hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het gaat daarbij om de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2,5) vanuit de stallen en emissie van stikstof (NO x) door verkeersbewegingen. Hoewel ook andere stoffen uit de inrichting kunnen ontwijken, blijken deze emissies zeer gering te zijn ten opzichte van de achtergrondwaarden. Derhalve zal ten aanzien van de andere stoffen dan fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstof (NOx) zonder problemen worden voldaan aan de Wlk 2007. Fijnstof emissie Vanwege de aanwezigheid van dieren is een emissie van stof te verwachten. De in de stal geproduceerde stof slaat ten dele neer in de stal zelf. Een ander deel van de stof verlaat de stal samen met de ventilatielucht. Middels een fijnstofberekening kan worden aangetoond hoe hoog de concentratie fijnstof is. In het MER-traject zijn berekeningen uitgevoerd die inzicht bieden in de concentratie fijnstof in de beoogde situatie.

De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma ISL3a, waarbij getoetst is op de omliggende woningen. Volgens de WLK 2007 dient getoetst te worden aan een tweetal criteria: 1. De concentratie fijnstof van 50 µg/m 3 mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden; 2. De gemiddelde concentratie fijnstof per jaar mag niet hoger dan 40 µg/m 3 bedragen. Zowel voor wat betreft de norm voor PM10 als PM2,5 kan op grond van de rekenresultaten worden geconcludeerd dat de gemiddelde concentratie per jaar niet wordt overschreden. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de toetsingscriteria uit de Wlk 2007. Voor inzicht in de betreffende rekenresultaten wordt verwezen naar de MER-rapportage, paragraaf 6.4. NOx-emissie verkeersbewegingen Vanuit de verkeersbewegingen is, naast emissie van fijnstof, ook emissie van stikstofdioxiden (NO2) te verwachten. De verkeersbewegingen van, naar en binnen de inrichting kunnen we verdelen in twee groepen, licht verkeer (zoals personenauto’s) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en tractoren). Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld.

Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hierbij is voor het aantal verkeersbewegingen niet alleen de toename, maar het maximaal aantal verkeersbewegingen op een dag meegenomen. Bij het bepalen van het aantal externe voertuigen op basis van de dieraantallen in de nieuwe situatie wordt uitgegaan van een maximaal 566 zware transportvoertuigen per jaar. Het aantal externe voertuigen van licht verkeer (personenauto’s/busjes) bedraagt maximaal 2.200 bewegingen per jaar. Dit betekent dat het totaal aantal externe voertuigen van zowel zwaar verkeer als licht verkeer, 2.766 voertuigen per jaar bedraagt. Dit komt overeen met 5.532 verkeersbewegingen per jaar. Het aandeel vrachtverkeer bedraagt 20%. Het totaal aantal verkeersbewegingen van zowel zwaar als licht verkeer bedraagt maximaal (5.532 / 260 =) 21 bewegingen per etmaal, waarvan het aandeel vrachtverkeer 20% bedraagt. Bovenstaande gegevens zijn in de NIBM-tool ingevoerd. De resultaten van deze NIBM-tool staan onderstaand weergegeven.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

23

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

21

Aandeel vrachtverkeer

20,0%

NO2 in μg/m

3

0,04

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 4.5.1: Resultaten NIBM Tool (versie 14-07-2021) Uit de NIBM tool blijkt dat het aantal verkeersbewegingen (worst-case scenario) niet in betekende mate is en op dit punt dan ook geen nader onderzoek nodig is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen aan de Kempisweg 1a.

4.6

Bodem

In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). De bestemming van de locatie wijzigt niet als gevolg van het planvoornemen. Ook op de gronden waar de vergroting van het bouwvlak is gesitueerd, zijn reeds bestemd voor agrarische doeleinden, waardoor er geen sprake is van realisatie van een milieugevoeligere bestemming. Zoals uit de MER rapportage blijkt (paragraaf 6.6.1) is in 2020 een vooronderzoek verricht naar de feitelijke toestand van de bodem. Door middel van het uitgevoerde veldonderzoek is inzicht gekregen in de verdachte locaties ten aanzien van bodemverontreinigingen op de locatie. Dit heeft tot de volgende conclusies geleid.  Op de onderzoeklocatie is geen sprake (geweest) van bodembedreigende activiteiten die de bodemkwaliteit mogelijk hebben beïnvloed.  De druppelzones naast de stallen uit de jaren tachtig, vier gebouwen, zijn mogelijk verontreinigd geraakt met asbest door verwering van vezels van de golfplaten op de daken.

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt voor het overig terrein de hypothese gesteld dat de onderzoeklocatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging en derhalve geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling van de locatie en uitbreiding van de stallen. Verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Op basis van het advies uit het bodemonderzoek worden de druppelzones (toplaag tot 0,1 m-mv tot maximaal een meter uit de stallen) onderzocht op asbestgehalte conform NEN5707. Dit onderzoek zal plaatsvinden voorafgaand aan de sloop c.q. bouw van de nieuwe stallen. Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

24

4.7

Geur

De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. In diercategorieën wordt onderscheid gemaakt tussen dieren waarvoor vaste afstanden gelden (ongeacht aantal en stalsysteem) en dieren met emissiefactoren, waarvoor de geurcontour berekend dient te worden. Bij geur wordt gekeken naar voorgrond- en achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting betreft de geurinvloed van één bedrijf. Bij de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie samen genomen. Geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OU E/m3). In de Wgv zijn de volgende geurnormen opgenomen: Concentratiegebied Niet concentratiegebied Buiten bebouwde kom 14,0 OUE/m3 8,0 OUE/m3 3 Binnen bebouwde kom 3,0 OUE/m 2,0 OUE/m3 In afwijking van de maximale geurnormen gelden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij een veehouderij vaste afstanden.

Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om binnen vastgestelde grenzen voor andere normstelling te kiezen. Deze aangepast normen worden vastgelegd in een verordening en onderbouwd in een gebiedsvisie. De gemeenteraad van de gemeente Leudal heeft op 14 februari 2017 de “Verordening geurhinder en veehouderij” vastgesteld. In de geurverordening zijn de volgende geurnormen vastgesteld. Ligging Kern Kernrandzone Buitengebied

Norm 3,0 OUE/m3 6,0 OUE/m3 10,0 OUE/m3

De omgeving van de inrichting is overwegend agrarisch met een verwevenheid van objecten met een woonfunctie, de zogenaamde ‘geurgevoelige objecten’. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder van veehouderijen. Op onderstaande kaart is de ligging van de verschillende gevoelige objecten in de omgeving van de inrichting weergegeven.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

25

Kelpen-Oler

Locatie

Grathem Figuur 4.7.1: Ligging geurgevoelige objecten en woningen bij een (voormalige) veehouderij In onderstaande tabel is de ligging en de bijbehorende geurnorm van de geurgevoelige objecten opgenomen. Tabel 3: Ligging geurgevoelige objecten en normstellingen Volgnr.

Gevoelig object

Ligging

Norm voorgrondbelasting

1 2 3 4

Kempisweg 1 Kempisweg 2 Hunselerdijk 7c Hunselerdijk 7b Veldstraat 12 Veldstraat 7 Hunselerdijk 2 Hunselerdijk 4 Processieweg 3 Kelpen-Oler Heideweg 2 Kelpen-Oler Oranjestraat 15b Kuiperweg 1a Grathem Burg. Smeetsstraat 47 Veldstraat 9 Kempisweg 3

Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Buiten bebouwde kom Kernrandzone Kern Kern Kern Kern Woning bij veehouderij Woning bij veehouderij

10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 10,0 6,0 3,0 3,0 3,0 3,0 Vaste afstand 50 meter Vaste afstand 50 meter

5 6 7 8 9 10 11 12 13

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

26

In de Wet geurhinder en Veehouderij gelden tevens een aantal minimale vaste afstanden tot woningen van derden. Afstanden die van belang zijn, zijn: A. De afstand tussen de gevel van een stal en de gevel van een geurgevoelig object voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld; B. De afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en een woning van een andere veehouderij of een woning die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij (voormalige veehouderij), of een in het kader van ruimte voor ruimte gerealiseerde woning op basis van art. 14 Wgv. Ad. A. De minimale afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object dient op basis van de Wgv binnen de bebouwde kom minimaal 50 meter en buiten de bebouwde kom minimaal 25 meter te bedragen. Het dichtstbij gelegen geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, Kempisweg 1 is op een afstand van circa 76 meter van de gevel van de dichtstbij gelegen stal gelegen. Er wordt voldaan aan de minimale afstand van 25 meter. Geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom liggen op een afstand van meer dan circa 1.000 meter en daarmee buiten de minimale gevelafstand van 50 meter. Ad. B.

Voor woningen behorende bij een (voormalige) veehouderij of ruimte voor ruimte woningen gelegen buiten de bebouwde kom geldt een vaste afstand van minimaal 50 meter tussen emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelig object. Voor deze woningen gelegen binnen de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 100 meter. De dichtstbijzijnde woning behorende bij een andere veehouderij, Kempisweg 3, is op een afstand van circa 220 meter gelegen. Hiermee wordt ruimschoots aan de minimale afstand voldaan. Zoals uit de berekeningen als opgenomen in de MER-rapportage (paragrafen 6.3.2 en 6.3.4) blijkt, geldt voor zowel de voorgrond- als achtergrondbelasting dat geen sprake is van overschrijding van de toegestane normen. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.8

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege:  het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);  het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);  het gebruik van luchthavens;  het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan.

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

27

risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de risicokaart en het geldende bestemmingsplan blijkt dat binnen 1 km. rondom de planlocatie zich geen risicovolle inrichtingen bevinden, noch risicovolle activiteiten plaatsvinden. Ook vervoer van gevaarlijke stoffen vindt niet binnen afzienbare afstand vanuit het plangebied plaats.

Figuur 4.8.1: Uitsnede Risicokaart met aanduiding locatie Kempisweg 1a (bron: Risicokaart.nl). Voorliggend plan voorziet in de doorontwikkeling van een intensieve veehouderij. Er is geen sprake van een bedrijfswoning binnen het plangebied, deze wordt ook niet mogelijk gemaakt. In artikel 1 van het Bevi is een definitie opgenomen voor ‘beperkt kwetsbaar object’. Hierin worden een aantal type gebouwen expliciet genoemd. Ook bedrijfsgebouwen worden hiertoe gerekend, waarbij aan het bevoegd gezag enige beleidsvrijheid toekomt voor de aanwijzing wel of niet als (beperkt) kwetsbaar object.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

28

Uit jurisprudentie blijkt dat het aantal personen dat op een locatie verblijft en de duur, mede bepalend kan zijn. Voor de locatie aan de Kempisweg 1a geldt dat het bedrijf door een zelfstandige zonder personeel wordt geëxploiteerd. De aanwezigheid gedurende de dag is slechts beperkt. Het is dan ook aanvaardbaar te stellen dat de geen sprake is van een beperkt kwetsbaar object, waardoor het Bevi hierop niet van toepassing is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voor de planontwikkeling aan de Kempisweg 1a.

4.9

Kabels en leidingen

Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen of andere ondergrondse risicobronnen gelegen. Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.

4.10

Water

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De locatie Kempisweg 1a, Kelpen-Oler ligt in “Boringsvrije zone Roerdalslenk III”. De aanduiding “Boringsvrije zone Roerdalslenk III” heeft betrekking op het beschermen van de waterkwaliteit en –kwantiteit. Vanuit deze milieubeschermingszone worden regels gesteld aan het boren dieper dan 80 meter onder maaiveld en het uitvoeren van activiteiten die de waterkwaliteit en –kwantiteit negatief kunnen beïnvloeden. Het planvoornemen voorziet niet in dergelijke activiteiten.

Derhalve kan worden geconcludeerd dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Beoordeling plan Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Dit gebeurt via het watertoetsloket, dat is ondergebracht bij het waterschap. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Onderhavige planontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied. Bij het waterschap Limburg is de ondergrens voor het uitvoeren van een watertoets 2.000 m² in dit gebied. Binnen onderhavig planvoornemen is sprake van nieuwe bebouwing/verharding. Het totaal aan nieuwe verharding binnen het plangebied is ca. 8.275 m². Hemelwater dakverhardingen Hemelwater dat valt op de dakvlakken en erfverharding dient op een deugdelijke wijze afgevoerd te worden. Vanuit het beleid van het waterschap dient sprake te zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dat betekent dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

29

Vanwege de grote omvang van het (nieuwe) verhard oppervlak (8.275 m²) is het noodzakelijk een infiltratievoorziening te creëren, zodat al het hemelwater, dat binnen de locatie valt, ter plaatse in de grond kan infiltreren. Op grond van het waterschapsbeleid dient hiervoor gerekend te worden met een extreme bui van 100 mm, die ééns in de 10 jaar kan vallen (binnen 24 hr.). Uitgaande van een dergelijke bui is een infiltratiecapaciteit van ca. 827,5 m³ vereist. De bodemdoorlatendheid op de locatie is goed, de hoogste grondwaterstand is ruim dieper dan 1,50 meter. De infiltratiecapaciteit van de bodem is op basis van de k-waarde vastgesteld op 0.45m/dag. Op basis van de hoogtekaart is de meest ideale locatie van de nieuwe infiltratievoorziening binnen het plangebied vastgesteld. De noordzijde van het plangebied is het laagste punt van het perceel. Binnen het plangebied is een hoogteverschil van meer dan 150cm. Vanwege dit hoogteverschil kan het regenwater op natuurlijke wijze naar de lager gelegen gronden worden afgevoerd. De nieuwe infiltratievoorziening wordt grotendeels op dezelfde locatie als de bestaande infiltratiesloot binnen het perceel gerealiseerd. De totale bergingscapaciteit bedraagt 839 m³.

Op grond van de infiltratiecapaciteit van de bodem kan de totale capaciteit van de bergings- en infiltratievoorziening vastgesteld worden op 1.357 m³ per dag en wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de vereiste capaciteit op grond van het waterschapsbeleid.

Figuur 4.10.1: Vormgeving infiltratie voorziening De infiltratievoorziening vormt onderdeel van de landschappelijke inpassing en is mede opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Vuilwater Het waterverbruik betreft hoofdzakelijk drinkwater voor de dieren, poetswater voor de stallen en nevelkoeling bij warm weer. Hiervoor wordt leidingwater gebruikt. Er wordt een kleine hoeveelheid leidingwater gebruikt voor overige bedrijfsmatige doeleinden. Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

30

Het afvalwater wordt opgevangen in poetswater-opvangputten en vervolgens met behulp van vrachtwagens en/of tractoren van het bedrijf afgevoerd conform meststoffenwet. Het grondwaterverbruik zal in de beoogde situatie gelijk blijven ten opzichte van het vergunde verbruik. Er wordt gebruik gemaakt van een reeds aanwezige grondwaterput. Een vuilwateraansluiting is niet aanwezig binnen de locatie en zal er ook niet komen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen geen belemmering oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en dat er vanuit de wateraspecten ook geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.  Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. De gemeente Leudal heeft een archeologische beleidskaart opgesteld (2010). Op grond van deze kaart ligt het projectgebied binnen een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde voor droge landschappen.

Figuur 4.11.1: Uitsnede archeologische verwachtingskaart, met plangebied aangeduid middels groene ster

De gemeente heeft het archeologiebeleid opgenomen in het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016”. In het bestemmingsplan is voor een groot deel van de projectlocatie (huidig bouwvlak) een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen om de archeologische waarden te

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

31

beschermen. Het roeren van gronden dieper dan 0,40 m. en met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² is niet zonder meer toegestaan. Bij het voorgenomen plan worden de bestaande gebouwen vervangen en verlengd. Daar waar de huidige stallen staan, is de grond reeds geroerd. Een deel van de nieuwbouw zal echter op gronden plaatsvinden die nog niet zodanig geroerd zijn. Aan het toe te voegen deel bouwvlak is geen archeologische verwachtingswaarde toegekend. Voor de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd door KSP archeologie. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodem door diverse activiteiten in het verleden reeds dermate verstoord is, dat de kans dat binnen de planlocatie nog intacte resten van vindplaatsen of andere archeologische vondsten bewaard zijn gebleven, klein wordt geacht. Nader archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het volledig rapport van het door KSP Archeologie uitgevoerd archeologisch onderzoek (rapportnummer 19545 d.d. 4 oktober 20196) is in bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Cultuurhistorie Gemeentelijke monumenten zijn in het bestemmingsplan aangeduid als ‘karakteristiek’. Op deze panden/ locaties is de gemeentelijke erfgoedverordening van toepassing, die beperkingen oplegt aan de sloop/ verbouwmogelijkheden.

De panden, noch de locatie aan de Kempisweg 1a zijn niet als zodanig aangeduid. Ook voor het overige zijn op of direct grenzend aan de locatie geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Er is dan ook geen risico dat dergelijke waarden worden aangetast door de gewenste ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de gewenste ontwikkeling aan de Kempisweg 1a.

4.12

Natuur

Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Voor een volledige beschrijving en motivatie van beide aspecten wordt verwezen naar paragraaf 6.2 in de MER-rapportage. De locatie is niet gelegen binnen een namens het Rijk aangewezen Natura2000 gebied, noch een gebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland. Directe effecten vanwege het planvoornemen op dergelijke natuurgebieden zijn om die reden niet te verwachten. In het kader van de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Op grond van de onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat de locatie met name geschikt is als verblijfsplaats voor de huismus en vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismussen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.

Wanneer deze functies aanwezig zijn, leidt sloop tot een overtreding van deze wet. Om eventuele overtreding van de Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen, is in 2022 een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van huismussen. Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol van 2021 en bestond uit vijf onderzoeksrondes, waarvan twee avondrondes, één ochtendronde in het voorjaar en twee onderzoeksrondes in de avond/nacht in het najaar. Het onderzoek naar de huismussen is uitgevoerd conform de methode van het NGB soortinventarisatieprotocol voor huismussen versie juli 2017 en bestond uit twee veldbezoeken specifiek

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

32

gericht op huismussen. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in het rapport ‘Resultaten onderzoek vleermuizen en huismussen’, opgesteld op 10 november 2022 door Bureau Staro. Geconcludeerd kan worden dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Er zullen als gevolg van het planvoornemen geen effecten optreden op verblijfplaatsen voor vleermuizen. Ook zal het planvoornemen geen negatief effect hebben op de vliegroute van vleermuizen. Wel verdient het aanbeveling om werkzaamheden in de daglichtperiode uit te voeren, daar kunstlicht in de avond/nacht kan zorgen voor verstoring van passerende vleermuizen. In het plangebied zijn geen nestlocaties en leefgebied van huismussen vastgesteld, waardoor geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen geen effect heeft op de huismus. Als gevolg van het planvoornemen zal er geen sprake zijn van een negatief effect op beschermde soorten, mits verstoring van de vleermuis door kunstlicht wordt voorkomen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Voorafgaand aan de sloop van de bestaande stallen (lees: bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke aanwezigheid van deze soorten. In de regels is hiervoor een aanvullende bepaling opgenomen.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden geldt bovendien de algemene zorgplicht op grond van de Wnb. Om uit te sluiten dat sprake is van indirecte effecten om omliggende natuur als gevolg van het planvoornemen is een Passende Beoordeling uitgevoerd. De Passende beoordeling voor de beoogde situatie heeft de mogelijke effecten op de Natura 2000-gebieden “Leudal”, “Sarsven en De Banen”, “Grensmaas”, “Roerdal”, “Swalmdal”, “Groote Peel”, “Weerter- en Budelerbergen & Ringselven”, “Meinweg”, “Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop”, Deurnsche Peel & Mariapeel”, “Strabrechtse Heide & Beuven” en “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux” in beeld gebracht. Dit heeft geleid de volgende conclusies:  Er zijn geen effecten te verwachten op de relevante verstoringsfactoren. Uit de effectenindicator blijkt dat door de grote afstand tot de beschermde natuurgebieden dit initiatief geen enkel effect op de overige (a)biotische factoren zoals verdroging, vernatting, verontreiniging, verstoring, versnippering etc. van deze natuurgebieden zal hebben.  Het project heeft geen negatief effect als gevolg van stikstofdepositie. Voor de toetsing op de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden blijkt in de beoogde situatie geen toename van de stikstofdepositie op te treden.

Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen negatieve effecten te verwachten Het project heeft op habitattypen of leefgebieden geen negatief effect. Significante effecten kunnen hiermee worden uitgesloten. De rapportage van de Quickscan flora en fauna, alsmede het aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen (Bureau Staro) zijn in bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Voor de inhoud van de Passende Beoordeling wordt verwezen naar paragraaf 6.2.4 van de MER-rapportage. Geconcludeerd kan worden dat de vergroting van het bouwvlak aan de Kempisweg 1a geen belemmering vormt voor de eventuele aanwezige natuurwaarden in het plangebied. Sloop- en/of bouwwerkzaamheden worden pas mogelijk gemaakt na nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van de huismus en/of vleermuis, en nadat eventuele vervolgstappen ter bescherming hiervan zijn uitgevoerd.

4.13

Verkeer en parkeren

De locatie is geadresseerd aan de Kempisweg. De ontsluiting van de locatie zal plaatsvinden via de Hunselerdijk. Deze Hunselerdijk sluit in noord-oostelijke richting, op een afstand van ca. 1,75 km., direct aan op de provinciale weg N280. De Hunselerdijk is over dit gedeelte van de weg slechts beperkt voorzien van aanliggende locaties. Vrachtverkeer kan daarmee via een relatief eenvoudige route van en naar de locatie rijden. De Hunselerdijk is geen drukke doorgaande weg, maar op deze weg rijdt voornamelijk bestemmingsverkeer. Ondanks dat het geen twee-baans weg betreft, zal het het verwachte aantal verkeersbewegingen zonder grote problemen kunnen verwerken. Zoals uit de MER-rapportage blijkt (paragraaf 6.1.2) zal er sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen. Voor het licht verkeer gaan we uit van een toename van 400 verkeersbewegingen extra per jaar. Voor het zwaar verkeer gaan we uit van (worst case) een toename van 336 verkeersbewegingen per jaar uitgaande van de referentiesituatie met opfokhennen (Ref 1.) resp. 218 verkeersbewegingen per jaar Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

33

indien sprake was van vleeskuikens (Ref. 2). Feitelijk spreken we dan over maximaal 168 vrachtwagens extra per jaar, wat afgezet tegen deze periode niet tot een onaanvaardbare extra belasting van de toegangsweg(en) zal leiden. Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse. Parkeren vindt, zover nodig, geheel plaats op eigen terrein. Hiertoe is sprake van parkeerruimte aan de oostzijde (kopse kant) van de zuidelijkst gelegen stal (bestaand bedrijfsgebouw). De vrachtwagens die de locatie aandoen, beschikken eveneens over voldoende ruimte aan zowel de (zuid)west- als (noord)oostzijde van de stallen om op eigen terrein te verblijven gedurende de tijd dat ze aanwezig moeten zijn.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

34

5

Juridische planopzet

5.1

Planstukken

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.

5.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Leudal hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.

5.3

Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels.  Bestemmingsregels.  Algemene regels.  Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’. De planregels sluiten waar mogelijk aan bij deze regelingen.

5.3.1.

Inleidende regels

In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc. 5.3.2.

Bestemmingsregels

Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch’. De bestemmingsregeling begint, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. De bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en mogelijke afwijkingen hiervan. Tevens zijn enkele wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Om specifieke waarden en belangen in het plangebied te beschermen zijn tevens enkele aanduidingen opgenomen. De aanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ geldt voor het gehele plangebied. Met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing’, die voor een deel van het plangebied is opgenomen, wordt de inpassing, zoals beschreven in het inpassingsplan, geborgd in de regels. 5.3.3.

Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 4: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

35

niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 5: Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal algemene bepalingen over toegestane bebouwing opgenomen. Artikel 6: Algemene gebruiksregels In deze regels zijn een aantal algemene bepalingen over het toegestane gebruik binnen het plangebied opgenomen. Artikel 7: Algemene aanduidingsregels In deze regel zijn de bepalingen voor de algemene aanduidingen binnen het plangebied vastgelegd. De regel geldt voor alle gronden waarop de aanduiding gelegen is ongeacht de bestemming. Artikel 8: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde maten, afmetingen, grenzen en (neven-)functies, voor zover het ondergeschikte aanpassingen betreft. Daarnaast bevat dit artikel regels omtrent het innemen van een verkoopstandplaats, oprichten van een antenne-installatie en het organiseren van kortdurende evenementen. Artikel 9: Algemene wijzigingsregels Dit artikel bevat regels omtrent het wijzigen van bestemmingen, vanwege het overschrijden van bestemmingsgrenzen. Artikel 10: Algemene procedureregels Dit artikel beschrijft de procedureregels die gelden bij het stellen van nadere eisen.

Artikel 11: Overige regels In deze regels is opgenomen dat bij (bouw)werkzaamheden de instandhouding van de Natura2000 gebieden in acht genomen wordt. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen ten behoeve van de uitwerking van de voorwaarde voor verbetering van de omgevingskwaliteit. 5.3.4.

Overgangs- en slotregels

In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

36

6

Economische uitvoerbaarheid

In de Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. De ontwikkeling op de locatie Kempisweg 1a betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende gronden is, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente Leudal zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Er wordt dan ook een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Leudal. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst worden ook afspraken over planschade opgenomen, evenals afspraken over de landschappelijke inpassing.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

37

7

Overleg en procedure

7.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat eigendom is van de initiatiefnemers. Het plan heeft geen negatieve milieugevolgen en zal niet voor overlast zorgen voor omliggende bedrijven of woningen. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan. In het kader van het planvoornemen is door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Een verslag van de gevoerde dialoog is bij de gemeente ingediend.

7.2.

Vooroverleg

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Kempisweg 1a, Kelpen-Oler’ is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties, specifiek Veiligheidsregio Limburg-Noord, Waterschap Limburg en Provincie Limburg. De resultaten van het vooroverleg worden hieronder nader vermeld. Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord: Beoordeling De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande stallen (de 4 meest noordelijke stallen) te vervangen door een drietal nieuwe, grotere stallen. De bestaande meest zuidelijke stal, die in 2019 nieuw is gebouwd, blijft in gebruik voor het houden van pluimvee. Aan de noordoostzijde van deze stal wordt een werktuigenberging gerealiseerd. Het uitgangspunt van het voornemen is gebruik te maken van een houderijsysteem met meer ruimte per dier. Net als in de vergunde situatie is er daarom gekozen voor het toepassen van overdekte uitlopen. De vrijuitloop wordt tussen de meest noordelijke en meest zuidelijke stallen in gerealiseerd. Om de realisatie van bovengenoemd voornemen mogelijk te maken is het noodzakelijk dat bestaand agrarisch bouwvlak wordt vergroot en dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor de bouw. In het kader van ruimtelijke veiligheid heeft de VRLN het plan beoordeeld op de onderdelen externe veiligheid, bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

Externe veiligheid Gezien de ligging van het plangebied en de gebruiksfuncties binnen het plangebied is externe veiligheid in deze casus niet relevant. Bluswatervoorziening Aan de Hunselerdijk (ter hoogte van de toegang tot het plangebied) bevindt zich een geboorde put (primair). Daarnaast liggen binnen 200 meter diverse ondergrondse brandkranen (secundair) met voldoende debiet. Daarmee is er voldoende bluswater beschikbaar conform het beleid bluswater en bereikbaarheid. Bereikbaarheid Het plangebied is vanaf 2 onafhankelijke zijden bereikbaar. Binnen het plangebied zijn tevens meerdere inritten vanaf de openbare weg gecreëerd. Daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten vanuit het beleid bluswater en bereikbaarheid. Overige aandachtspunten vooruitlopend op de omgevingsvergunning Bouwen Brandscheidingen De nieuwe stallen hebben ieder een oppervlakte van ongeveer 1700 m 2. Gezien het feit dat een industriefunctie conform Bouwbesluit 2012 maximaal 2500 m2 groot mag zijn, dienen de wanden tussen de stallen (ter hoogte van de verbindingsgangen) brandwerend te worden uitgevoerd met een WBDBO van 60 minuten (niveau nieuwbouw Bouwbesluit 2012). Daarbij dient extra aandacht te worden besteed aan wand/vloer-aansluitingen en doorvoeringen van kabels en leidingen.

Voor de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen moeten alle brandwerendheden worden aangegeven op plattegronden, doorsnedes en maatgevende details. Vrije uitlopen Houd er rekening mee dat overdekte vrije uitlopen eveneens in een brandcompartiment gelegen zijn (conform artikel 2.82 lid 5 Bouwbesluit 2012) en dat deze qua oppervlakte dus meegerekend moeten worden. Blusmiddelen: De nieuwe stallen dienen te worden voorzien van voldoende draagbare blustoestellen. Gezien het feit dat sprake is van enkele vrije uitloopgedeeltes dient rekening te worden gehouden met het type blusstof (vorstvrij).

Advies Waterschap Limburg: Ter verwerking van het hemelwater van de nieuwe te realiseren loodsen wordt een infiltratiesloot gerealiseerd. Deze voldoet qua dimensionering aan ons beleid. Verder loopt er geen oppervlaktewater door het plangebied waar rekening mee gehouden hoeft te worden. Wij hebben daarom geen opmerkingen op het plan.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

38

Vooroverlegreactie Provincie Limburg: Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.

De ingekomen overlegreacties hebben geen aanleiding gegeven om de planstukken inhoudelijk aan te passen.

7.3.

Zienswijzen

Parallel aan het vooroverleg doorloopt het bestemmingsplan de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. De reacties en resultaten worden te zijner tijd in deze toelichting vermeld. P.M.

Bestemmingsplan Kempisweg 1a, Kelpen-Oler

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=b348d933-de61-48c9-ba55-46ec759d6303